CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing TSVDS Someren-Heide

Gemeenteraad 12 september 2024, gemeente SomerenBij agendapunt: Verklaren geen bedenkingen te hebben tegen het plaatsen van een transportverdeelstation te Kraaiendijk ong.8.441 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

0012 25-06-2024

RUIMTELIJKE

ONDERBOUWING TSVD KRAAIENDIJK TE SOMEREN

Enexis Netbeheer B. V.

Definitief

aangepast

nav

opmerkingen waterschap

0

Documenttitel

Ruimtelijke onderbouwing Kraaiendijk te Someren

TSVD Soort document Datum

Definitief aangepast

nav

25-06-2024

Projectnaam

Kraaiendijk Someren

Projectnummer

0012

Opdrachtgever

Enexis Netbeheer B.V.

Auteur

(geanonimiseerd) nn

Vrijgave

(geanonimiseerd) nn 25-06-2024

opmerkingen waterschap

Inhoudsopgave 1

Toelichting

op

de aanvraag

3

1. 1 Inleiding

3

1. 2 Projectgebied 1. 3 Bestemmingsplan

3 4

2

6

Projectbeschrijving

2. 1 Huidige situatie

6

2. 2 Toekomstige situatie

6

3

Beleidskaders

8

3. 1 Rijk 8 3. 2 Regionaal beleid

10

3. 3 Provincie Noord-Brabant 3. 4 Gemeente Someren

10 13

4

15

Omgevingsaspecten

4. 1 Verkeer en parkeren

15

4. 2 Geluid 4. 3 Luchtkwaliteit

15 16

4. 4 Bedrijven en milieuzonering 4. 5 Geur

17 18

4. 6 Externe veiligheid 4. 7 Bodem

18 19

4. 8 Water 4. 9 Archeologie

19 22

4. 5. 10 Cultuurhistorie 4. 11 Natuur

23

4. 12 Toetsing Besluit m. e. r. / Vormvrije m. e. r. -beoordeling

23 26

5

Uitvoerbaarheid

27

5. 1 Economische uitvoerbaarheid

27

5. 2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

27

2

1

TOELICHTING OP DE AANVRAAG

1. 1 Inleiding Als gevolg van de energietransitie is er een sterke toename van duurzame initiatieven, in het bijzonder de toename van decentrale opwek. Deze toename heeft als gevolg dat de infrastructuur van Enexis Netbeheer opgewaardeerd moet worden. Om aan deze vraag te kunnen voorzien zal ter plaatse van Kraaiendijk te Someren-Heide een transportverdeelstation (TSVDS) worden gerealiseerd. Deze uitbreiding is noodzakelijk vanwege de elektriciteitsvraag in de gemeente en om de eventuele druk op het elektriciteitsnet te verlichten. De tegenwoordige transitie van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van elektriciteit zorgt voor een druk op het elektriciteitsnet. In de toekomst zal er, zowel in het landelijk gebied als in het stedelijk gebied, steeds meer gebruik gemaakt worden van elektriciteit. Aangezien de vraag naar elektriciteit steeds sneller gaat en meer wordt, is het noodzakelijk om deze uitbreiding op de beoogde locatie te realiseren.

1. 2 Projectgebied Het adres van het hoogspanningsstation waar Enexis Netbeheer voornemens is om uit te breiden is Kraaiendijk ongenummerd te Someren-Heide, wat kadastraal bekend staat als gemeente Someren, sectie G, nummer 5602. Binnen dit perceel zal een stuk (38 meter bij 42) aan de zuidoostelijke hoek worden ontwikkeld ten behoeve van onderhavig voornemen (zie figuur 1. 1). Op dit moment is de grond in eigendom van Enexis Netbeheer (we zijn (nog) geen eigenaar van de grond. Op 8 december aanstaande wordt de akte bij de notaris gepasseerd). Het station is beoogd in het zuidwesten van de kern Someren-Heide, in het buitengebied van de gemeente. Op 200 meter afstand ten oosten van het projectgebied ligt de Kerkendijk, wat de verbindende weg is tussen de kernen Someren en Someren-Heide. Ten noorden van het projectgebied ligt de voetbalvereniging van Someren-Heide, SVSH. De omgeving kenmerkt zich door het landelijk karakter met woningen, agrarische gronden en (agrarische) bedrijven.

3

Figuur 1-1. 1: Ligging projectgebied

1. 3 Bestemmingsplan Ter plekke van de uitbreiding geldt het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ vastgesteld op 29 juni 2011. Dit perceel kent de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke waarden’ en ter plaatse geld de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – visueel waardevol; openheid’. Tevens gelden er ook nog twee gebiedsaanduidingen ter plaatse van het projectgebied: ‘bebouwingsconcentratie’ en ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’.

Figuur 1. 2 Geldend bestemmingsplan. Projectgebied rood omkaderd.

4

De

ontwikkeling, de realisatie van een transverdeelstation, is planologisch niet toegestaan. De uitbreiding vindt plaats binnen een ontoereikende bestemming. De bestemmingsregeling bij ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke waarden’ voorziet niet in een directe mogelijkheid om de voorgenomen ontwikkeling planologisch-juridisch te mogen realiseren. voorgenomen

5

2

PROJECTBESCHRIJVING

2. 1 Huidige situatie In de huidige situatie is er sprake van agrarische grond die op dit moment, in eigendom van Enexis Netbeheer B. V. onbenut is. Met betrekking tot de toegenomen noodzaak voor beter dekkende energievoorziening is deze grond aangekocht door Enexis om een transportverdeelstation te realiseren. ,

2. 2 Toekomstige situatie Om het transportverdeelstation te realiseren worden de volgende elementen gerealiseerd (zie onderstaande figuur): Het plaatsen van twee 20MVA transformatoren (1 en 2 op figuur 3) Het plaatsen van een 20kV TPVDS à 19 velden Het plaatsen van één 10kV TPVDS à 19 velden De beoogde situatie zal in de meest zuidoostelijke hoek van het projectgebied worden gerealiseerd en heeft een totale omvang van 38 meter bij 42 meter.

Figuur 2-1. 1 Inrichtingstekening.

6

De landschappelijke inpassing van het plan is als bijlage bij de aanvraag gevoegd.

Figuur 2-2 Landschappelijke inpassing

7

3

BELEIDSKADERS Deze paragraaf beschrijft het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente op het gebied van duurzame energie en ruimtelijke ordening. Hierbij komen eveneens de nut en noodzaak van de bouw en uitbreiding van nutsvoorzieningen aan de orde, waarbij de doelstellingen van het Rijk, de provincie en gemeente voor duurzame energie en de distributie van deze duurzaam opgewekte energie zijn toegelicht. De uitbreiding van het station wordt getoetst aan dit beleid.

3. 1 Rijk Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) 1 geeft het integrale ruimtelijke beleidskader van het Rijk weer. In dit beleidsstuk worden ruimtelijke nationale opgaves, doelen en belangen voor de komende tientallen jaren geschetst. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en energietransitie wordt in het SVIR aangemerkt als een nationaal belang. Het Rijk stelt op het gebied van energie dat voor de opwekking en het transport van energie (ook over onze grenzen heen) voldoende ruimte gereserveerd moet worden. Het aandeel van duurzame energiebronnen als wind, zon, biomassa en bodemenergie in de totale energievoorziening moet omhoog en deze hebben relatief veel ruimte nodig. De ambitie is dat Nederland in 2040 een robuust internationaal energienetwerk kent en dat de energietransitie ver gevorderd is. Conclusie De uitbreiding van het transportverdeelstation draagt bij aan het versterken energievoorziening en het transport van energie en is daarmee in lijn met de SVIR.

van

de

Ladder duurzame verstedelijking Indien er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1. 1. 1 onder i van het Besluit ruimtelijke ordening, dient er een Laddertoets te worden uitgevoerd. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. ' Bij de beoordeling of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt de aard en de omvang van de ontwikkeling in te relatie tot de omgeving in overweging genomen. In de jurisprudentie is geoordeeld dat er in beginsel voor deze stedelijke functies geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m2 bedraagt. 2 Conclusie Dit project heeft betrekking op de realisatie van een van nutsvoorziening met een oppervlakte van circa 1600 m.2 Met de realisatie van een dergelijk kleinschalig functie is er dan ook geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1. 1. 1 onder i van het Bro. Dit betekent dat er in dit kader verder geen toetsing nodig is.

1 “Structuurvisie

Infrastructuur en Ruimte”, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, maart 2012. Geraadpleegd van: https://www. rijksoverheid. nl/documenten/rapporten/2012/03/13/structuurvisieinfrastructuur-en-ruimte 2 ABRvS 28 juni 2017:ECLI:NL:RVS:2017:1724.

8

Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie officieel vastgesteld. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2023 in werking treedt en die het Rijk verplicht tot een strategische visie op de fysieke leefomgeving. In de NOVI geeft de Rijksoverheid een langetermijnvisie op de ruimtelijke inrichting en de kwaliteit van de leefomgeving in Nederland. De NOVI richt zich op 4 prioriteiten: • • • •

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Uitgangspunten in de aanpak van de NOVI zijn het maken van slimme combinaties van functies, de kenmerken en identiteit van het gebied centraal stellen en het niet uitstellen of doorschuiven van beslissingen. De overheid streeft in de NOVI naar een geïntegreerde en gebiedsgerichte aanpak waarin samenwerking tussen overheden onderling en tussen overheden, maatschappelijke organisaties en burgers cruciaal is. De NOVI benoemt 21 nationale belangen en opgaven waarop de nationale overheid zich in de NOVI richt. Eén van deze belangen is het ‘realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. Hoogspanningsverbindingen vanaf 110kV behoren tot het landelijk hoogspanningsnet en zijn onderdeel van dit nationale belang. Daarnaast is goed functionerend mobiliteitssysteem vereist voor het waarborgen en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor het vervoer van personen en goederen via wegen, spoorwegen, luchtruim, zee en vaarwegen. Ononderbroken netwerken voor heel Nederland en in verbinding met het buitenland moeten worden gewaarborgd.

Dit belang overstijgt territoriaal het gemeentelijke, regionale en provinciale niveau Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen de ambities van de NOVI, omdat het plan op integrale wijze een kwalitatief hoogwaardige bijdrage levert aan het verbeteren van de energieinfrastructuur en energiezekerheid biedt. Daarmee sluit het aan bij het nationale belang ‘realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De nationale belangen, zoals beschreven in de SVIR, die juridisch moeten doorwerken in ruimtelijke plannen van provincies en gemeenten zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro). Het Barro is in 2011 gedeeltelijk inwerking getreden. In het Barro zijn de onderwerpen mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken reeds opgenomen. Op 1 oktober 2012 is een aantal onderwerpen aan het Barro toegevoegd.

Het gaat om de eerder aangekondigde onderwerpen ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond Rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken.

9

Conclusie De realisatie van het transportverdeelstation is niet in strijd met de gestelde nationale belangen vanuit het Barro.

3. 2 Regionaal beleid Regionale energie strategie (RES) De Metropoolregio Eindhoven wil vooroplopen in de energietransitie, met als einddoel om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Als tussenstap willen we als regio uiterlijk in 2030 49% minder CO2 uitstoten dan in 1990. Daarnaast is het uitgangspunt dat we vanuit de draagkracht van ons landschap bepalen wat haalbaar is voor opwek van duurzame elektriciteit. Zoals in de conceptRES is uitgewerkt gaan we nu uit van een bijdrage van 2 TWh voor onze regio aan de landelijke opgave van 35 TWh. Kleinschalige zon-op-dak-installaties worden in het Klimaatakkoord niet meegeteld voor het doel van 35 TWh. In deze doelstelling is immers al rekening gehouden met een autonome groei van kleinschalig zon-op-dak tot ongeveer 7 TWh. Uiteraard zien we wel het belang van zon-op-dak en onderzoeken we de mogelijkheden om zonop-dak te stimuleren en bewoners aan te zetten tot besparing en duurzame opwek van energie. De bovenstaande leidende principes sluiten aan bij het afwegingskader van het Nationaal Programma RES (NP RES) dat bestaat uit vier onderdelen: 1. 2. 3. 4.

Kwantiteit opwek Ruimtelijke inpassing Systeemefficiëntie Maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak

Het afwegingskader van NP RES helpt bij het maken van keuzes in het proces van de RES. De keuzes die gemaakt worden, worden geanalyseerd en getoetst op de vier onderdelen. Voor deze regio is het uitgangspunt dat er vanuit de draagkracht van het landschap (ruimtelijke inpassing) bepaald wordt wat haalbaar is voor opwek van duurzame elektriciteit (kwantiteit opwek) en het duurzaam benutten van regionale warmtebronnen. De metropoolregio Eindhoven doet onderzoek naar nieuwe aansluitmogelijkheden en zorgen voor afstemming op regionaal niveau over verdeling van de beschikbare capaciteit en juiste prioritering van toekomstige investeringen en innovaties in het elektriciteitsnet (systeemefficiëntie). Door belanghebbenden in een vroegtijdig stadium te betrekken creëren ze draagvlak voor beslissingen en waarborgen we de kwaliteit van beslissingen (maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak). Uiteindelijk gaat het erom dat elke regio bijdraagt en ze gezamenlijk de landelijke doelstelling behalen van 35 TWh. Elke regio kiest afzonderlijk voor een goede balans tussen de vier onderdelen. Doorwerking projectgebied Met de realisatie van een niet transportverdeelstation binnen de metropoolregio Eindhoven wordt voldaan aan het bovenstaande afwegingskader. Derhalve kan gesteld worden dat de realisatie van het transportverdeelstation bijdraagt aan de doelen van de regionale energiestrategie (RES).

3. 3 Provincie Noord-Brabant Omgevingsvisie Noord-Brabant De Brabantse Omgevingsvisie (vastgesteld op 14 december 2018) is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke

10

leefomgeving voor de komende jaren. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. In de omgevingsvisie heeft de provincie een basisopgave en vier hoofdopgaven geformuleerd. Bij iedere opgave heeft de provincie ambities voor 2050 vastgesteld. De basisopgave voor Brabant is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. De vier hoofdopgaven zijn: 1. 2. 3.

4.

Werken aan de Brabantse energietransitie: in 2050 moet de energie 100% duurzaam zijn, en grotendeels afkomstig uit Noord-Brabant. Werken aan een klimaatproof Brabant: In 2050 is Brabant klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Werken aan de slimme netwerkstad: In 2050 functioneert het stedelijk netwerk van Brabant als één samenhangend duurzaam en concurrerend netwerk van steden en dorpen als onderdeel van de Noordwest-Europese metropool. Brabant kenmerkt zich door een sterke sociale cohesie, een excellent en duurzaam woon-, leef- en vestigingsklimaat met een comfortabel, betrouwbaar en multimodaal verkeers- en vervoersysteem en een uitstekende (digitale) infrastructuur. Werken aan een concurrerende, duurzame economie: In 2050 is Brabant top kennis- en innovatieregio in Europa. Producten, materialen en grondstoffen worden op alle onderdelen van de Brabantse economie in verregaande mate hergebruikt. Niet hernieuwbare hulpbronnen worden behouden. Het streven naar waardecreatie voor mens, natuur en economie gaan hand in hand. De Brabantse economie is verregaand circulair.

De provincie pakt deze opgaven integraal en samen met publieke, private en maatschappelijke partners aan. De provincie richt zich op het verknopen en verweven van opgaven en het zoeken naar synergie en meerwaarde. Daarbij wordt er vanuit verschillende richtingen naar een ontwikkeling gekeken. Zo kijkt de provincie op een 'diepe' manier, waarmee niet alleen de effecten van het hier en nu, maar ook de effecten op andere schaal- en tijdsniveaus worde meegenomen. Daarnaast kijkt de provincie op een 'ronde' manier: opgaven worden niet sectoraal maar vanuit een gebiedsgerichte insteek bekeken. Tot slot kijkt de provincie op een 'brede' manier: verschillende partijen worden bij deze opgaves betrokken. Conclusie Het plan zorgt voor een uitbreiding van de energiecapaciteit, waarmee het bijdraagt aan de visie van de provincie om te werken aan de energietransitie. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee niet in strijd met de omgevingsvisie. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is geconsolideerd op 15 april 2022. Deze omgevingsverordening is tot stand gekomen door de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samen te voegen. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen.

De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Brabant, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld.

11

In de (interim) verordening zijn de regels vastgesteld waar ruimtelijke ontwikkelingen aan moeten voldoen. Vooralsnog treedt op 1 januari 2023 de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de huidige Verordening ruimte. De omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van omgevingsverordening zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die nu nog zijn opgenomen in de Verordening ruimte. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd.

Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Ook zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. In deze afdeling zijn de ontwikkelingsmogelijkheden geschetst voor het Landelijk gebied. Landelijk gebied omvat een onderverdeling in de subzones: • •

Gemengd landelijk gebied Groenblauwe mantel

In veel gevallen bestaan er voor beide zones gelijke ontwikkelingsmogelijkheden. In die gevallen wordt gesproken over Landelijk gebied. Alleen als het nodig is onderscheid te maken, wordt in de betreffende regel gesproken over de subzone. Het projectgebied ligt in het gemengd landelijk gebied. Bij het maken van de ontwikkelingsrichting voor het landelijk gebied van de gemeente gaat het niet alleen over welke functies en activiteiten vanuit een gebiedsgerichte benadering en rekening houdend met andere functies in het gebied passen. Het is ook van belang om de effecten van een ontwikkeling elders bij de totstandkoming te betrekken. Het toelaten van bedrijven in het landelijk gebied heeft niet alleen effect vanuit milieu en mobiliteit op de omgeving maar kan ook leegstand op bedrijventerreinen tot gevolg hebben. Vanuit het karakter van voorzieningen zijn sommige voorzieningen meer passend in de directe omgeving van steden en dorpen omdat deze zich richten op dagelijkse dienstverlening, zoals sportvoorzieningen, kinderdagverblijven of een van kleinschalige detailhandel. Dit voorkomt onnodige belasting dagelijks bestemmingsverkeer in het landelijk gebied. Voorzieningen die zich meer richten op recreatie lenen zich naar hun aard beter om juist in de nabijheid van fiets- en wandelroutes te vestigen of bij waterrecreatie. Door de basisprincipes uit artikel 3.

5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit consequent te doorlopen, worden diverse aspecten die van belang (kunnen) zijn, inzichtelijk. Waardoor ook

12

aandacht geschonken wordt aan grote opgaven die spelen zoals duurzame energie, klimaatadaptatie en leegstand. Wat is er vanuit die opgaven nodig en hoe passen nieuwe ontwikkelingen daarbij of kunnen ze daaraan een bijdrage leveren? Conclusie De locatie van het nieuwe station sluit aan bij de ontwikkelingsrichting van het gemengd landelijk gebied.

3. 4 Gemeente Someren Omgevingsvisie Op 24 april 2013 is de structuurvisie ‘Someren 2028’ door de gemeenteraad van Someren vastgesteld. Deze visie vormt een planologisch kader, waarbinnen concrete ruimtelijke plannen kunnen worden ontwikkeld en op elkaar kunnen worden afgestemd. Conform de plankaart van de structuurvisie ligt is het plangebied binnen de bebouwde kom. Gezien met onderhavige ontwikkeling geen sprake is van uitbreiding van de dorpskern, maar juist de bestaande kern versterkt wordt door inbreiding, wordt geen afbreuk gedaan aan het bestaande dorpslint en blijft het karakter onaangetast. Duurzaamheid De gemeente Someren voert een klimaatbeleid, echter dit kent maar enkele onderwerpen die voor voorliggende structuurvisie interessant zijn. Dit betreft vooral biomassa-installaties. Ontwikkeling van de laatste jaren betreft de warmtekrachtkoppel-installaties (wkk) en grootschalige zonne-energieinstallaties. Het biomassabeleid is dat co-vergistingsinstallaties bij een bedrijf geplaatst mogen worden, mits het een veehouderij betreft, het een duurzame locatie binnen een verwevingsgebied is en dat in de installatie minimaal 51% op dezelfde locatie geproduceerd mest wordt verwerkt. Covergistingsinstallaties met een capaciteit van meer dan 25. 000 ton dienen gevestigd te worden op het bedrijventerrein, in het glastuinbouwgebied of het landbouwontwikkelingsgebied.

Voor warmtekrachtkoppel-installaties (wkk) is geen separaat beleid opgesteld. De ervaring leert dat een bedrijfsspecifieke wkk onderdeel vormt van de bedrijfsgebouwen en dat het geen specifieke ruimtelijke uitstraling heeft. Dit maakt dat wkk-installaties als ondergeschikte activiteit gemeente breed op (agrarische) bedrijfslocaties zijn toegestaan. Tendens vanuit het buitenland zijn gronden vol zonnecollectoren. Dergelijke initiatieven worden niet passend geacht in de Somerense landschapstypen. Belemmeringen om zonnecollectoren op daken te bevestigen zijn er niet.

Conclusie ‘Structuurvisie Someren 2028’ Ondanks de vaststelling van de structuurvisie in 2013 kan gesteld worden dat er aandacht besteed wordt aan de energietransitie, waarin we nu verkeren. De gemeente Someren heeft duurzaamheid en de daarbij horende duurzame energievoorziening hoog in het vaandel. Er wordt specifiek beleidsmatigs niets gemeld over de energietransitie, aangezien het in 2013 een minder relevant onderwerp was om in de toekomstvisie op te nemen. Echter kan er wel uit de structuurvisie worden gehaald dat gemeente er op inzet. Het initiatief van het realiseren van transportverdeelstation draagt bij aan een duurzame transitie naar meer energievoorziening in de

13

elektriciteit. Derhalve structuurvisie 2028. vorm

van

kan gesteld worden dan de ontwikkeling aansluit bij de

14

4

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald hieraan getoetst.

en

wordt het plan

4. 1 Verkeer en parkeren Onderhavig initiatief betreft de realisatie van een transportverdeelstation. Voor een dergelijke ontwikkeling is het niet noodzakelijk om parkeerplaatsen te realiseren. Er zijn namelijk maar beperkte momenten in het jaar dat er voertuigen op locatie aanwezig zijn ten behoeve van een controle van deze assets. In de nabije omgeving zijn voldoende mogelijkheden om voor deze beperkte voertuigbewegingen parkeergelegenheid te bieden. Verkeer De aanleg van transformatoren en twee gebouwen leidt in zijn algemeenheid niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Na de installatie van het transportverdeelstation zal het station maar een paar keer per jaar gecontroleerd worden. Dit komt dus neer op nauwelijks verkeersaantrekkende werking. Parkeren Net als bij het aspect verkeer zal het aspect parkeren ook geen belemmeringen met zich meebrengen. Zoals reeds is omschreven zullen er maar op een paar momenten in het jaar voertuigen aanwezig zijn op het terrein om het station te controleren of onderhouden. Op het moment dat deze controles/onderhoudsbeurten bezig zijn zullen de aanwezigen op eigen terrein parkeren. Er is sprake van 390 m2 bvo bij een ‘bedrijf afrbeidsextensief/bezoekresextensief’ tot 1,05 x 3,9 = 4,1 pp. Omhoog afgerond zijn dat 5 parkeerplaatsen.

Het 10 m brede pad naar het verdeelstation biedt voldoende ruimte voor het parkeren van 5 auto’s. In de beperkte parkeerbehoefte wordt voorzien. Conclusie Voor de aspecten ‘Verkeer en Parkeren’ bestaan ontwikkeling.

er geen

belemmeringen ten aanzien

van

de

4. 2 Geluid Juridisch kader Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). Uit de Wet geluidhinder volg de wijze waarop in een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wgh is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. In het geval dat er nieuwe geluidsgevoelige objecten worden gerealiseerd, mag de geluidsbelasting niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde.

15

Akoestisch onderzoek Op 8 december 2023 heeft Antea het geluidsonderzoek opgelevered (zie akoestisch onderzoek transformatoren, projectnummer 0487918. 1008). Samengevat komt de conclusie ten aanzien van het geluidsonderzoek op het volgende neer: Het perceel waar de modulaire bouwwerken en twee transformatoren worden gerealiseerd ligt aan de Kraaiendijk te Someren in de provincie Noord-Brabant. Hier zal een 10 kV (19 velds) TPVDS worden gerealiseerd. Voor de toekomst wordt ruimte vrijgemaakt voor een extra 20 kV (19 velds) TPVDS en twee transformatoren. In het kader van de ruimtelijke afweging dient inzichtelijk te zijn wat de eventuele effecten op het woon- en leefkwaliteit op bestaande woningen is vanwege de plaatsing van de mini EBS. Hierbij wordt uitgegaan van de toekomstige variant met twee transformatoren. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) De hoogste berekende geluidbelasting bedraagt 24 dB(A) etmaalwaarde op de gevel van Kerkendijk 148f, inclusief tonaliteitstoeslag. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit en aan de richtwaarden voor een goede ruimtelijke ordening. Maximaal geluidniveau (LAmax) In de representatieve bedrijfssituatie vinden geen relevante piekniveaus plaats, en derhalve is een beoordeling van het maximale geluidniveau ook niet aan de orde.

Conclusie Op basis van het onderzoek van Antea kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit, en dat daarmee activiteiten voor het nieuwe station inpasbaar zijn met het oog op geluid.

4. 3 Luchtkwaliteit Juridisch kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in hoofdstuk 5, titel 5. 2 Wm van de Wet milieubeheer. Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project " niet in betekenende mate " bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: • het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;

16

•

het project heeft een toename en PM10 (1,2μg/m3).

van

minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2

Toetsing In het geval van onderhavig project is er sprake van de realisatie van een transportverdeelstation. Hierbij zal geen sprake zijn van een significante wijziging in de verkeersaantrekkende werking. Het transportverdeelstation zal na realiseren een paar keer per jaar worden gecontroleerd. Dit komt dus neer op een hele lage verkeersaantrekkende werking. Hierdoor is dit initiatief te kenmerken als ‘NIBM’. Het uitvoeren van een nader onderzoek wordt daarom ook niet noodzakelijk geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient ook bepaald te worden of er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onderhavig initiatief betreft een installatie waar men niet constant verblijft. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is derhalve ruimschoots voldoende. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5. 16, lid 1 onder a van de Wet milieubeheer. De voorgenomen ontwikkeling voorziet daarnaast niet in een toename van verkeersaantrekkende werking. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4. 4 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te

17

maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Toetsing Om te bepalen of er conform de VNG-brochure wordt voldaan aan de richtafstanden is ten eerste gekeken naar desbetreffende installatie. Er wordt één transformator van 20MVa geplaatst en het gebouw voldoet aan de technische veiligheidseisen. Uit de VNG-brochure blijkt dat gevoelige objecten ten minste 50 meter afstand dienen te houden van onderhavige ontwikkeling. Dit is ruimschoots het geval ( > 100m). De nabijgelegen sportvelden zijn, in verband met kort verblijf van personen, geen geluidgevoelige functie. Verdere toetsing is naar verwachting niet meer nodig. Conclusie Op basis van de voorgaande bevindingen kan gesteld worden dat voor alle nabij de beoogde transportverdeelstation aanwezige gevoelige objecten een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd blijft.

De dichtstbij gelegen gevoelige functie (woningen) bevinden zich op circa 100 meter afstand. Het aspect ‘milieuzonering’ vormt naar verwachting derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4. 5 Geur Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de oprichting van een transformator en twee gebouw. Deze hebben conform de VNG-brochure geen geurdepositie en de stations zijn eveneens geen geurgevoelig object. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Het aspect ‘geurhinder’ vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4. 6 Externe veiligheid Juridisch kader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: • activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; • transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; •

transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.

18

Onderhavige plan De beoogde ontwikkeling betreft geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. Indien nodig, kan er van de richtafstand door het bevoegd gezag worden afgeweken. Het gebouw voldoet daarnaast aan de technische veiligheidseisen. Er worden twee transformatoren geplaatst. Conclusie Vanuit het aspect ‘externe veiligheid’ bestaan ontwikkeling.

er geen

belemmeringen

voor

de beoogde

4. 7 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3. 1. 6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Toetsing In het uitgevoerde bodemonderzoek (zie Verkenbnend bodemonderzoek projectnummer 0487918. 101) is overeenkomstig de NEN 5740 de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende interventiewaarde. De resultaten vormen ons inziens geen milieuhygiënische belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen. Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt naar verwachting derhalve geen belemmering ontwikkeling.

voor de voorgenomen

4. 8 Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen.

Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente een wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. 4. 8. 1

Nieuwe ontwikkelingen

Onderhavig plan betreft de realisatie van een transportverdeelstation met twee modulaire bouwwerken en twee transformatoren. In de huidige situatie is momenteel geen bebouwing aanwezig. De bebouwing en verharding zullen in de nieuwe situatie een aanzienlijk groter oppervlakte van het perceel beslaan.

19

4. 8. 2

Beleidskader

Waterschap Waterbeheerprogramma 2022-2027 Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte 28 in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven • Elke

Het waterschap geeft aan dat nog meer dan voorheen, moet worden aangepast aan de veranderende leefomgeving en op zoek moet worden gegaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van

20

sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. • van

Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, 29 watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthoudenbergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. Zie onder 4. 8. 5. hoe dit is opgelost. 4. 8. 3

Overige beleidsstukken

Overige relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal plan van NoordBrabant, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren

(waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ relevant. Hierin staat hoe het beste omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën, maar zijn de bepalingen omtrent hydrologisch neutraal ontwikkelen strenger.

Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2021-2025 Met de vGRP wordt beschreven hoe de gemeente Someren richting geeft aan de rioleringszorg. Voor nieuwbouw, dan wel herbouw, geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden opgevangen. Daarnaast stimuleert de gemeente hydrologisch neutraal bouwen. Dit betekent dat wordt gestimuleerd om ‘schoon’ hemelwater direct in de grond te laten infiltreren. Hierbij is de drietrapsstrategie van toepassing. Daarnaast geldt:

21

Bij ruimtelijke ontwikkelingen met een uitbreiding van meer dan 2. 000 m2 aan verhard oppervlak, dient overleg te worden gepleegd met belanghebbende partijen via de watertoets • Bij inbreidingslocaties kleiner dan 2. 000 m2 dient het regenwater eerst op eigen terrein te worden verwerkt. Uitgangspunt is dat geen hemelwater op de riolering wordt aangesloten (hydrologisch neutraal bouwen). •

4. 8. 4

Kenmerken huidige watersysteem

Het plangebied heeft een totale oppervlakte van circa 1596 m². In de huidige situatie is geen bebouwing aanwezig en er is tevens geen verharding aanwezig. Hemelwater kan dus op de gehele locatie direct infiltreren in de grond. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. 4. 8. 5 Ontwikkeling Ter plaatse van het projectgebied wordt 252 m 2 aan bebouwing gerealiseerd. Daarnaast wordt bestrating aangelegd. Daarvoor is een waterinfilitratievoorziening ter compensatie voor in het plangebied beoogd. Deze voorziening betreft een Wadi en is in de afbeelding op de volgende pagina aangegeven met een roze cirkel. De oppervlakte van de wadi is ca. 37m.2

Figuur 4-1 Locatie WADI.

4. 9 Archeologie Juridisch kader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen

22

de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving Omgevingswet die op 1 januari 2022 van kracht wordt. van

gaan

naar

de

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het Verdrag van Valletta (ook wel het Verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Toetsing Om te bepalen of er een archeologisch onderzoek noodzakelijk is, is het vigerende bestemmingsplan geraadpleegd. De locatie bevat geen archeologische waarden. Conclusie De locatie bevat geen archeologische waarden. Daarom is geen onderzoek noodzakelijk en vormt het aspect archeologie geen belemmering voor onderhavig project.

4. 5. 10 Cultuurhistorie Juridisch kader Op grond van artikel 3. 1. 6, tweede lid, onderdeel a Besluit ruimtelijke ordening dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Toetsing Uit de cultuurwaardekaart van Noord-Brabant blijkt dat binnen of direct buiten het plangebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle gebouwen en of objecten zijn gelegen. Conclusie Vanuit het aspect ‘cultuurhistorie’ bestaan er geen belemmeringen

voor de ontwikkeling.

4. 11 Natuur 4. 11. 1

Gebiedsbescherming

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is

23

opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere (NNB).

naam

gekregen namelijk Natuur Netwerk Brabant

Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 De planlocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. De planlocatie ligt centraal tussen drie Natura 2000 gebieden in. Het betreft hier de volgende Natura 2000- gebieden: Ten oosten van de planlocatie, Groote Peel, op een afstand van ca 6 km. Ten zuiden van de planlocatie, Weerter- en Budelerbergen & Ringselven, op een afstand van ca 3 km. Ten noordwesten van de planlocatie, Strabrechtse Heide & Beuven, op een afstand van ca 5 km. Om te bepalen of de ontwikkeling inderdaad geen negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden is een AERIUSberekening uitgevoerd.

De Aerius-berekening heeft betrekking op het gebruik van het transportverdeelstation en de toename van het aantal verkeersbewegingen. Indien de uitkomst geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr. laat zien, is sprake van een acceptabele ontwikkeling ten aanzien van het effect op natuurgebieden. Conform de Handreiking woningbouw en Aerius wordt er van uitgegaan dat er het gebruik van de het transportverdeelstation geen emissie tot gevolg heeft. Uit de berekening (zie tevens bijlage) blijkt dat de ontwikkeling geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr. tot gevolg heeft. De ontwikkeling heeft dan ook geen onevenredig negatief effect op omliggende Natura 2000gebieden. Dit aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat er geen voor gebiedsbescherming geen aanvullend onderzoek noodzakelijk is. De ontwikkeling van het transportverdeelstation neemt daarmee middels een natuurvriendelijke vorm rekening met de inpassing van het plan. Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor onderhavig project.

4. 11. 2

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Om te bepalen of het aspect soortenbescherming een belemmering vormt voor de ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit de quickscan benoemd. De volledige rapportage is bijgevoegd in de bijlage.

24

Conclusies Natuuronderzoek Binnen

het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: algemene broedvogels, vleermuizen en amfibieën. In tabel 3. 1 zijn de conclusies ten aanzien van deze beschermde soorten opgenomen. De onderbouwing van de conclusies zijn beschreven in paragraaf 2. 3 van voorliggende natuurtoets. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht.

In tabel 3. 1 is aangegeven dat er nader onderzoek nodig is naar de vleermuizen. De beschrijving van dit nader onderzoek wordt in tabel 3. 2 uiteengezet.

In tabel 3. 3 is aangegeven dat een overtreding van de Wnb voor een aantal soorten op voorhand kan worden voorkomen door het treffen van maatregelen. Deze maatregelen zijn in tabel 3. 3 uiteengezet. Door het nemen van deze maatregelen worden negatieve effecten voorkomen en zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.

25

Zoals aangegeven is er voor de gebruiksfase nader onderzoek nodig naar diverse vleermuizen. Dit heeft te maken met het feit dat voor de definitieve sitiuatie de boom ter plaatse van de in- en uitrit moet worden gekapt. Deze onderzoeken hebben deels al plaatsgevonden maar er moet nog een aanvullend onderzoek worden uitgevoerd in mei 2024. Tot die tijd zal de boom niet worden gekapt. De aanlegwerkzaamheden zullen via een andere route worden uitgevoerd waardoor de boom nog niet hoeft te worden gekapt. Na afronding van deze aanvullende onderzoeken zal worden bekeken of er voor de gebruiksfase een ontheffing nodig. Er wordt één boom geveild en daarvan lopen de nodige onderzoeken. Uitschrijven en actuele status onderzoek beschrijven.

4. 12 Toetsing Besluit m. e. r. / Vormvrije m. e. r. -beoordeling Juridisch kader Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt het plan omschreven om één transformator en twee gebouwen te realiseren. Of een m. e. r. procedure of m. e. r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m. e. r. ). Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m. e. r. ) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m. e. r. -beoordelingsbesluit genomen worden. Toetsing De onderdelen waaruit het project bestaat, zijn beschreven in paragraaf 2. 2. Het realiseren van een transportverdeelstation is niet opgenomen in de C- of D-lijst. Hiervoor hoeft derhalve geen vormvrije m. e. r. - beoordeling uitgevoerd te worden.

26

5

UITVOERBAARHEID In artikel 3. 1. 6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5. 1 Economische uitvoerbaarheid Kostenverhaal Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6. 4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (conform artikel 6. 12, lid 2, aanhef, jo. artikel 6. 2, lid 1 Bro). In het voorliggende geval is geen sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6. 2. 1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor geen verplichting tot kostenverhaal geldt. Planschade Bij ruimtelijke ontwikkelingen kan planschade ontstaan. De Wro voorziet in een regeling voor vergoeding van planschade. Op basis van artikel 6.

1 Wro wordt aan degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van de wijziging, herziening of afwijking van het bestemmingsplan, tegemoet gekomen, wanneer de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet anderszins is verzekerd. Eventuele planschadekosten komen voor rekening van de initiatiefnemer.

5. 2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het realiseren van een nieuw transportverdeelstation is noodzakelijk. Dit namelijk omdat er meer gebruik gemaakt wordt van elektrische auto’s, zonnepanelen en ook wordt elektriciteit steeds meer gebruikt voor het verwarmen van gebouwen en voor koken. Vanwege deze energietransitie wordt er meer gevraagd van het elektriciteitsnetwerk en dient dit uitgebreid te worden. Door deze installatie nu aan te passen kan Enexis klanten nu en in de toekomst blijven aansluiten op het elektriciteitsnetwerk. Procedure Zoals eerder is aangegeven is de uitbreiding in strijd met het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ vastgesteld op 29 juni 2011. Om de ontwikkeling planologisch mogelijk te maken dient er afgeweken te worden via een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (art. 2. 12 lid 1, sub a onder 3o Wabo), dit is met de gemeente Maastricht afgestemd. Deze ruimtelijke

27

onderbouwing zal worden toegevoegd planologisch gezien mogelijk te maken.

aan

de

vergunningsaanvraag

om

de

uitbreiding

Tegen het gewenste initiatief bestaan uit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren. De ontwikkeling past, gezien de kleinschaligheid van de uitbreiding binnen de ruimtelijke-functionaliteit van het gebied. Daarnaast bestaan er, buiten de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan, vanuit vigerend beleid geen belemmeringen. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten, en zijn benodigde voorzieningen, als riolering en overige kabels en leidingen, reeds in het plangebied aanwezig. Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade wordt toegebracht aan natuur- of landschapselementen en structuren. In het kader van de maatschappelijk uitvoerbaarheid kan worden aangetoond dat er voor het ruimtelijk plan maatschappelijk draagvlak is. De directe omgeving is zowel telefonisch als per brief geïnformeerd, betrokken bij de planvorming en op de hoogte gesteld van de komende werkzaamheden. De aanvraag omgevingsvergunning, de bijlagen en deze bijbehorende ruimtelijke onderbouwing zijn allen onderdeel van de omgevingsvergunning. De vergunning zal worden bekendgemaakt, waarna bezwaar en beroep mogelijk is. Conclusie goede ruimtelijke ordening Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter onderbouwing voor het wijzigen van het vigerende bestemmingsplan, waarmee de realisatie van het transportverdeelstation, mogelijk wordt gemaakt.

In voorgaande hoofdstukken is de uitbreiding getoetst aan het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid en is onderbouwd dat de voorgenomen uitbreiding past binnen de genoemde beleidskaders. Tevens is de uitbreiding van het transportverdeelstation getoetst aan de milieuen omgevingsaspecten. Binnen deze verschillende thema's is geconcludeerd dat de uitbreiding geen negatieve effecten heeft op de leefomgeving. Het afwijken van het bestemmingsplan om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken staat daarmee een goede ruimtelijke ordening niet in de weg.

28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14461568/2