Regels vastgesteld Vaststellen Bestemmingsplan Nieuwendijk 95
Tekst van het document
Regels
bestemmingsplan “Nieuwendijk 95 Someren” Planstatus: vastgesteld Datum: 2023-03-02 Plan identificatie: NL.IMRO.0847.BP02022040-VS01 Auteur: tbergs_arvalis
1 Inleidende regels .................................................................................................................................. 3 Artikel 1 Begrippen .............................................................................................................................. 3 Artikel 2 Wijze van meten ................................................................................................................. 17 2 Bestemmingsregels ............................................................................................................................ 19 Artikel 3 Agrarisch - Agrarisch bedrijf................................................................................................ 19 3 Algemene regels ................................................................................................................................. 38 Artikel 4 Anti-dubbeltelregel ............................................................................................................. 38 Artikel 5 Voorrangsregeling dubbelbestemmingen en aanduidingen .............................................. 39 Artikel 6 Algemene bouwregels ........................................................................................................
40 Artikel 7 Algemene aanduidingsregels .............................................................................................. 42 Artikel 8 Algemene afwijkingsregels ................................................................................................. 43 Artikel 9 Algemene wijzigingsregels .................................................................................................. 45 Artikel 10 Overige regels ................................................................................................................... 46 4 Overgangs- en slotregels .................................................................................................................... 49 Artikel 11 Overgangsrecht ................................................................................................................. 49 Artikel 12 Slotregel ............................................................................................................................ 50
2
1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan: het bestemmingsplan 'Nieuwendijk 95 Someren' van de gemeente Someren. 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GMLbestand NL.IMRO.0847.BP02022040-VS01 met de bijbehorende regels en bijlagen. 1.3 verbeelding: de kaart, waarop de bestemmingen en aanduidingen van de gronden die in het plangebied zijn gelegen, zijn aangegeven en zoals opgenomen in het bestemmingsplan. 1.4 aan huis verbonden beroep: het door een van de bewoners als ondergeschikte functie uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig verrichten van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, lichaamsverzorgend, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, met uitzondering van detailhandel of erotische dienstverlening, dat door zijn beperkte omvang en beperkte ruimtelijke uitstraling met behoud van de woonfunctie in een (bedrijfs-)woning met de daarbij behorende bijgebouwen kan worden uitgeoefend. 1.5 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.6 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.7 aardkundige waarden: waarden die samenhangen met de geologische, geomorfologische en/of bodemkundige kenmerken en ontstaanswijze van een gebied, zoals bodemopbouw en -samenstelling, hoogteverschillen en de daarmee samenhangende waterhuishouding. 1.8 abiotische waarden: geheel van waarden in verband van het abiotische milieu (niet levende natuur) in de vorm van specifieke aardkundige en/of hydrologische kenmerken en eventueel op basis daarvan aanwezige mogelijkheden voor ontwikkeling van specifieke natuurwaarden. 1.9 Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB): commissie van deskundigen die gemeenten adviseert over aanvragen in de agrarische sector in het algemeen met name wat betreft aspecten als continuïteit, noodzaak en volwaardigheid.
3
1.10 agrarisch bedrijf: inrichting die tot een, krachtens artikel 1.1, derde lid, Wet milieubeheer, aangewezen categorie behoort en die gericht is op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of het houden van dieren (niet zijnde huisdieren), zijnde: een grondgebonden teeltbedrijf, een veehouderij, een glastuinbouwbedrijf of een overig-agrarisch bedrijf. 1.11 agrarisch gebruik/doeleinden: het al dan niet bedrijfsmatig gebruik van gronden of gebouwen voor het telen van gewassen of het houden van dieren. 1.12 agrarisch-technisch hulpbedrijf: bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoals loonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en -handel, veetransport en veehandel, met uitzondering van mestbewerking. 1.13 agrarisch verwant bedrijf: bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik wordt gemaakt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking. 1.14 arbeidsmigrant: persoon die vanuit een ander land naar Nederland komt met als doel arbeid te verrichten en inkomen te verwerven en zijn hoofdverblijf elders heeft.
1.15 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.16 bebouwingsconcentratie: kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster. 1.17 bebouwingspercentage: een in de regels of op de verbeelding aangegeven percentage, dat het percentage van het deel van een bestemmingsvlak aangeeft dat mag worden bebouwd. 1.18 bed and breakfast: het bij wijze van nevenfunctie verstrekken van logies en ontbijt, door het beschikbaar stellen van slaap-, ontbijt- en sanitaire ruimten, aan een steeds wisselend publiek dat voor een korte periode, namelijk één tot enkele nachten, ter plaatse verblijft. Onder bed and breakfast worden niet verstaan overnachtingen, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid. 1.19 bedrijfsgebouw: een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten. Bedrijfswoningen met bijgebouwen worden niet als bedrijfsgebouw aangemerkt.
4
1.20 bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een bestemmingsvlak, die uitsluitend is bedoeld voor de huisvesting van het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het bestemmingsvlak, noodzakelijk is. 1.21 beeldkwaliteit: het samenstel van de beoordeling van: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
de plaats van de bebouwing in het verleden en nu; de maten en verhoudingen van de gebouwen in het verleden en nu; het ritme of patroon van de bebouwing langs de weg in het verleden en nu; de beplanting langs de openbare weg en op particuliere gronden; het materiaalgebruik voor de bebouwing en de straat; kenmerkende objecten zoals een molen, kerk, bos, houtwal, kunst e.d.; staat van verzorging, detaillering en onderhoud van gebouwen, weg- en bermonderhoud, verlichting e.d.; 8. abiotische omgeving, patronen en structuren. 1.22 beeldkwaliteitsplan buitengebied: het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011 dat op 29 juni 2011 door de raad is vastgesteld en zoals opgenomen in Bijlage 1, of hierop volgende herzieningen. 1.23 beperkingen veehouderij: gebied waar de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen zijn beperkt. 1.24 Besluit omgevingsrecht (Bor): besluit van 25 maart 2010, houdende regels ter uitvoering van de Wabo. 1.25 bestaande bebouwing: bebouwing zoals die rechtens mag bestaan, zonder toepassing van wijzigingsbevoegdheden, daaronder ook begrepen de bebouwing waarvan vaststaat dat handhaving wegens strijd met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is.
1.26 bestaand gebruik: gebruik zoals dat rechtens mag bestaan, zonder toepassing van wijzigingsbevoegdheden, daaronder ook begrepen het gebruik waarvan vaststaat dat handhaving wegens strijd met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is. 1.27 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak. 1.28 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.29 bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 Wabo. 1.30 bewoning: het verblijven in of het gebruiken van een ruimte als woonruimte inclusief nachtverblijf. 5
1.31 bijgebouw: een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat bouwkundig of architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.32 boerderij/boerderijgebouw: een gebouw, dat bestaat uit één ongelede (hoofd)bouwmassa, waarbinnen zich de (voormalige) agrarische bedrijfswoning en de (voormalige) agrarische bedrijfsruimten bevinden, zoals een langgevelboerderij. 1.33 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.34 bouwen, ondergronds: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een bouwwerk onder het ter plaatse vastgestelde peil. 1.35 bouwlaag: doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen. 1.36 bouwperceel: aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningsvrije bouwwerken zijn toegestaan.
1.37 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge dit bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.38 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.39 cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting): geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. 1.40 dagbesteding: voorziening waar aan ouderen, mensen met een handicap, mensen met psychiatrische problemen of in het kader van een re-integratietraject een zinvolle invulling van de dag wordt geboden, zonder dat daar een overnachting ter plaatse mee gepaard gaat.
6
1.41 dagrecreatie: het bieden van een product en/of dienst op het gebied van recreatie, educatie en/of cultuur, dat door de consument binnen één dag kan worden afgenomen en zonder dat daarmee een overnachting ter plaatse mee gepaard gaat. 1.42 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop/huur aanbieden, waaronder begrepen het uitstallen ten verkoop/verhuur, het verkopen, verhuren en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen/huren voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.43 dierenverblijf: gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daartoe behorende voorzieningen. 1.44 differentiatievlak: een op de plankaart als zodanig aangegeven vlak, waarbinnen van de basisbestemming afwijkende functies en/of maatvoeringen zijn toegestaan. 1.45 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. 1.46 erfbeplanting: visueel afschermende, maskerende en/of het landschapsbeeld versterkende en overwegend opgaande (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bestemmingsvlak of bouwperceel van een bedrijf, een woning of een terrein met een andere functie.
1.47 erotische dienstverlening: elke vorm van erotische dienstverlening met een bedrijfsmatig karakter zoals erotische massage, escortservice, parenclub, prostitutie, seksbioscoop, seksclub, sekstheater en dergelijke. 1.48 escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend. 1.49 evenement: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak. 1.50 extensief recreatief medegebruik: het medegebruik van gronden voor routegebonden recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, ruitersport en kanovaren, alsmede route-ondersteunende voorzieningen zoals picknick-, uitzicht-, rust- en informatieplaatsen, voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten.
7
1.51 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.52 gebruiken: doen of laten gebruiken. 1.53 glastuinbouwbedrijf: een agrarisch bedrijf waarbij de productie, in de vorm van het telen van gewassen, in hoofdzaak in kassen plaatsvindt, en dat als niet- grondgebonden wordt aangemerkt. 1.54 groenvoorzieningen: allerlei vormen van beplanting en groen, die niet zijn aan te merken als agrarische bodemexploitatie, maar die een functie vervullen in de aankleding van het landschap. 1.55 groepsaccommodatie: een gebouw dat geheel of gedeeltelijk is ingericht voor het bedrijfsmatig verschaffen van recreatief nachtverblijf in groepsverband in permanent daarvoor ingerichte ruimten met gemeenschappelijke voorzieningen, keuken en verblijfruimten. 1.56 grondgebonden teeltbedrijf: agrarische bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. 1.57 grondgebonden veehouderij: veehouderij waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen respectievelijk aangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die in de directe omgeving liggen van de bedrijfslocatie, waarbij door die veehouderij wordt voldaan aan één van de volgende criteria: a.
de veebezetting bedraagt niet meer dan 2.75 GVE/hectare, berekend over de grond die blijkens de gecombineerde opgave bij het bedrijf in gebruik is, voor zover gelegen binnen 15 km1 van de bedrijfslocatie; en/of b. tenminste 75% van de op het bedrijf geproduceerde mest, uitgedrukt in fosfaat, wordt aangewend op grond die blijkens de gecombineerde opgave bij het bedrijf in gebruik is voor gewassen die overwegend voor de eigen bedrijfsvoering worden geteeld, voor zover gelegen binnen 15 km1 van de bedrijfslocatie. Een veehouder toont via de jaarlijkse gecombineerde opgave aan dat de veehouderij aan dit criterium voldoet; en/of c. tenminste 95% van het ruwvoer (gras en mais), uitgedrukt in fosfaat, wordt gewonnen op grond die blijkens de gecombineerde opgave bij het bedrijf in gebruik is voor gewassen die overwegend voor de eigen bedrijfsvoering worden geteeld, voor zover gelegen binnen 15 km1 van de bedrijfslocatie. Daarbij is tenminste 50% van het fosfaat in het rantsoen afkomstig uit ruwvoer (gras en mais). Een veehouder toont via een jaarlijkse rapportage uit BEX aan dat de veehouderij aan dit criterium voldoet; en/of d. indien in de veehouderij dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak voor natuurbeheer.
8
1.58 hervestiging agrarisch bedrijf: het verplaatsen van een bestaand agrarisch bedrijf van het ene agrarische bestemmingsvlak naar een ander agrarisch bestemmingsvlak, waar de agrarische activiteiten zijn gestaakt. 1.59 hobbymatig houden van dieren: het houden van dieren, niet zijnde een veehouderij of anderszins in een bedrijfsmatige omvang. Voor de bepaling of er sprake is van een bedrijfsmatige omvang zijn factoren zoals continuïteit, winstoogmerk, hinder, omvang van de dierstapel, huisvesting, commerciële doeleinden, gebruik van de dieren, perceelsgrootte en omgeving bepalend. 1.60 hoofdgebouw: een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste gebouw is aan te merken. 1.61 horeca(-bedrijf): het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse met uitzondering van discotheken. 1.62 huishouden: één persoon of meerdere personen die gemeenschappelijk samenleven in een onderlinge persoonlijke verbondenheid en gericht op een duurzaam samen zijn en daarbij een economisch-consumptieve eenheid vormen.
1.63 huisvesting van arbeidsmigranten: het huisvesten van werknemers, die in een periode van grote arbeidsbehoefte gedurende enkele maanden op een (agrarisch) bedrijf werkzaam zijn om naar de aard kortdurend werk te verrichten, voor zover noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering. 1.64 hydrologische waarden: waarden in verband met een specifieke waterhuishoudkundige situatie in relatie tot een of meer van de volgende omstandigheden: a. eveneens aanwezige aardkundige waarden; b. eveneens aanwezige waterafhankelijke natuurwaarden; c. eveneens aanwezige mogelijkheden voor ontwikkeling van waterafhankelijke natuurwaarden; daarbij behoren tevens kwantitatieve aspecten (zoals hoge waterstand, stabiel waterpeil, kwelsituatie) en/of kwalitatieve aspecten (voedselarm, onvervuild). 1.65 infiltratie: het indringen van water in de bodem. 1.66 infiltratievoorziening: een open voorziening, zonder bodemverhardingen en gelegen boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand, waarmee tijdelijk opgevangen (schoon) regenwater weg kan indringen c.q. passief kan infiltreren in de bodem.
9
1.67 Interim omgevingsverordening: de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant, vastgesteld d.d. 25 oktober 2019, of diens rechtsopvolger. 1.68 kampeermiddel: een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander (gewezen) voertuig of gedeelte daarvan, dat geen bouwwerk is waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen nodig is, een en ander voor zo ver deze onderkomens of voertuig geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. 1.69 kamperen: het hebben van recreatief nachtverblijf in een kampeermiddel. 1.70 kas of hoge tunnel: een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dak of dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander licht doorlatend materiaal voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden, waaronder mede begrepen permanente tunnel- of boogkassen hoger dan 1,50 m1. 1.71 kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint, waarbij minimaal 6 kinderen worden opgevangen.
1.72 kwaliteitsverbetering: een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. 1.73 landbouw: akkerbouw, weidebouw, veehouderij, tuinbouw – waaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen – en elke andere vorm van bodemcultuur. 1.74 landschappelijk inpassingsplan: een visueel inrichtingsplan van een perceel voor het op verantwoorde wijze inpassen van gebouwen en andere voorzieningen bestaande uit een ontwerptekening van dat perceel met daarin opgenomen de ligging, soorten en hoeveelheden van landschappelijke elementen waarbij wordt aangesloten op het beeldkwaliteitsplan buitengebied. 1.75 landschapswaarden: het geheel van waarden in verband met bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object, in de zin van karakteristieke verschijningsvorm, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit, dat bestaat uit aardkundige, cultuurhistorische, archeologische en visueelruimtelijke waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang. 1.76 landschapselement: een streekeigen natuur- of landschapsobject dat een waardevolle landschappelijke, natuurlijke of cultuurhistorische waarden heeft, zoals een houtwal of een bomenlaan. 10
1.77 maaiveld: de bovenkant van het ter plaatse aanwezige terrein. 1.78 maatschappelijke voorzieningen: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en/of levensbeschouwelijke voorzieningen. 1.79 mestbewerking: de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygiënisatie of indamping van mest. 1.80 milieucategorie: milieucategorie zoals omschreven in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering. 1.81 milieuhygiëne: het op een dusdanige wijze omgaan met de bestaande en gewenste waarden van de bodem, lucht (waaronder fijnstof), water, geur, ecologie en natuur, zodat een verslechtering van deze waarden wordt voorkomen. 1.82 minicamping: een kleinschalig kampeerterrein als nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf, agrarisch verwant bedrijf, recreatiebedrijf of bij een burgerwoning. 1.83 Natuur Netwerk Brabant: een samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden.
1.84 natuurwaarden: de waarden die aan een gebied zijn toegekend in verband met het voorkomen van biotische en/of abiotische elementen die bijdragen aan de diversiteit en natuurlijkheid van een gebied. 1.85 nevenfunctie: ondergeschikte functie, die gezien de relationele aard en geringe omvang, slechts een aanvulling is op de hoofdactiviteit. 1.86 niet-agrarisch bedrijf: een bedrijf, niet zijnde een agrarisch bedrijf of agrarisch verwant bedrijf of agrarischtechnisch hulpbedrijf, dat gericht is op de productie, het bewerken en/of het verwerken van goederen en/of het leveren van niet-agrarische diensten. 1.87 nutsvoorziening: voorziening ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie. 1.88 omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 Wabo. 11
1.89 omschakeling: geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene agrarische bedrijfsvorm naar de andere agrarische bedrijfsvorm. 1.90 onderkomen: voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht voor een recreatief buitenverblijf, voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken. 1.91 ondersteunende detailhandel: detailhandel die ten dienste staat van de hoofdfunctie en die in ruimtelijk opzicht hieraan ondergeschikt is. Het ondersteunend karakter dient van beperkte functionele en ruimtelijke omvang te zijn zodat de hoofdfunctie qua aard, omvang en verschijningsvorm overwegend of nagenoeg geheel als zodanig herkenbaar blijft. 1.92 ondersteunende functie: functie die ten dienste staat van de hoofdfunctie en die in ruimtelijk opzicht hieraan ondergeschikt is. Het ondersteunende karakter dient van beperkte functionele en ruimtelijke omvang te zijn zodat de hoofdfunctie qua aard, omvang en verschijningsvorm overwegend of nagenoeg geheel als zodanig herkenbaar blijft. 1.93 ondersteunende (dag)horeca: a. ondersteunende horeca: horeca die ten dienste staat van de hoofdfunctie en die in ruimtelijk opzicht hieraan ondergeschikt is.
Het ondersteunend karakter dient van beperkte functionele en ruimtelijke omvang te zijn zodat de hoofdfunctie qua aard, omvang en verschijningsvorm overwegend of nagenoeg geheel als zodanig herkenbaar blijft. Daar waar ondersteunende horeca is toegestaan, zijn feesten, partijen en vergaderingen niet toegestaan. b. ondersteunende daghoreca: in aanvulling op het hetgeen gesteld wordt onder sub a, geldt voor daghoreca het volgende: horeca die gericht is op het verstrekken van eenvoudige maaltijden en dranken gedurende de dagperiode van 09:00 uur tot uiterlijk 17:00 uur en daarmee een bijdrage levert aan de exploitatie van de voorziening waarvan zij onderdeel uitmaakt. 1.94 openbare weg: een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen. 1.95 openheid: het ontbreken van bebouwing en hoogopgaande beplanting, wat leidt tot een open gebied. 1.96 overig-agrarisch bedrijf: agrarisch bedrijf dat niet binnen de definitie van veehouderij, grondgebonden teeltbedrijf of glastuinbouwbedrijf valt.
12
1.97 overkapping: een overdekte open ruimte, waarvan de begrenzingen worden gevormd door bestaande gebouwen of door vrijstaande ondersteuningen, en die niet wordt aangemerkt als een gebouw. 1.98 plattelandswoning: een van oorsprong agrarische bedrijfswoning die structureel bewoond wordt door personen die geen (bedrijfstechnische) relatie hebben met het agrarisch bedrijf dat ter plaatse nog wordt uitgeoefend en zoals op de verbeelding van het bestemmingsplan als dusdanig aangeduid. 1.99 productiegebonden detailhandel: detailhandel van goederen vanuit het bedrijf dat die goederen vervaardigt, bewerkt en/of toepast in het productieproces, waarbij de detailhandel een nevenfunctie is van dat bedrijf. 1.100 recreatie: activiteiten en mogelijkheden voor ontspanning c.q. vrijetijdsbesteding in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie en het bedrijfsmatig verstrekken van dag- en/of verblijfsrecreatie. 1.101 ruimtelijke kwaliteit: kwaliteit van een gebied die bepaald wordt door de mate waarin sprake is van gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. 1.102 schuilgelegenheid voor dieren een bouwwerk dat aan dieren de gelegenheid biedt te schuilen tegen weersinvloeden, waarbij de dieren vrij in en uit kunnen lopen. Binnen de schuilgelegenheid en de direct aangrenzende gronden is geen bedrijfsmatige inrichting aanwezig en/of toegestaan. 1.103 SNF: Stichting Normering Flexwonen.
1.104 stalderingsgebied: gebied waarbinnen het oprichten van een dierenverblijf voor een hokdierhouderij is gekoppeld aan de sanering van een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij met als doel de regionale concentratie van vee te reguleren en verdere leegstand te voorkomen. 1.105 statische opslag: opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke. 1.106 teeltondersteunende voorzieningen: ondersteunende voorzieningen, die onderdeel zijn van de agrarische bedrijfsvoering van een grondgebonden teeltbedrijf of -bedrijfstak, een boom- of vaste plantenteeltbedrijf of bedrijfstak en die gebruikt worden om de teeltomstandigheden c.q. de bedrijfsvoering te optimaliseren. Hierbij worden de volgende vormen/typen onderscheiden: a. (teelt)ondersteunende kassen: een (teelt)ondersteunende voorziening in de vorm van een (permanente) kas. 13
b. hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen, anders dan teeltondersteunende kassen, hoger dan 1,50 m1 en vrij makkelijk verwijderbaar zijn, maar waarbij dat niet na elk teeltseizoen plaatsvindt. Hieronder worden in ieder geval verstaan: teeltbakken in stellingen of teelttafels, eventueel met regenkappen; plastic-/foliekassen, -tunnels en -regenkappen. c. hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen, anders dan teeltondersteunende kassen, hoger dan 1,50 m1, die aanwezig zijn gedurende de periode dat de teelt dat vereist, en die na (een deel van) het teeltseizoen, en uiterlijk binnen 6 maanden, weer worden verwijderd. Hieronder worden in ieder geval verstaan: menstoegankelijke wandelkappen; schaduwhallen; hagelnetten. d. lage permanente teeltondersteunende voorzieningen of containervelden: permanente teeltondersteunende voorzieningen voor plantaardige teelten, niet hoger dan 1,50 m1, die op of nabij de grond worden aangebracht, voor zogenaamde containerteelt. Hierbij kan het volgende onderscheid worden gemaakt: 1. containervelden als onomkeerbare voorziening, waarbij gebruik gemaakt wordt van een geheel verharde ondergrond veelal van nietopneembare/gesloten verhardingen, zoals beton; 2.
containervelden als omkeerbare voorzieningen, waarbij gebruik gemaakt wordt van anti-worteldoek met daartussen opneembare of open verhardingen, zoals betonplaten, tegel- of klinkerbestratingen. e. lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen, niet hoger dan 1,50 m1, aanwezig gedurende de periode dat de teelt dat vereist, en die na (een deel van) het teeltseizoen, en uiterlijk binnen 6 maanden na plaatsing, weer worden verwijderd. Hieronder worden in ieder geval verstaan: lage tunnels, van halfronde bogen waarover plastic of gaasdoek wordt gespannen; insectengaas; afdekfolies; acryldoek; vlakveldfolies; vraatnetten. f. overige teeltondersteunende voorzieningen of boomteelthekken: een permanente teeltondersteunende voorziening c.q. bouwwerken in de vorm van hekwerken met afrastering, niet hoger dan 1,50 m1, op boomteeltpercelen waarmee dieren van die percelen geweerd worden. 1.107 terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van de horeca waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid en/of verstrekt.
1.108 terreinafscheiding: afscheiding, inclusief doorgangen en poorten, van een erf en/of gedeelte van een erf (terrein), onder meer bedoeld voor het binnen het terrein houden van dieren, het afscheiden van verschillende functies of het markeren van een erf. 1.109 tuin: een beplante, veelal afgesloten ruimte, grenzend aan een hoofdgebouw dat in verschillende vormen voorkomt, zoals siertuinen met gazon, moestuinen met groente- en fruitplanten, bloemenperken en hagen. Verhardingen zijn niet toegestaan. 1.110 veehouderij: agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren. 14
1.111 verblijfsrecreatie: een activiteit die overwegend gericht is op het bedrijfsmatig verstrekken van recreatie met een overnachting ter plaatse. 1.112 verhard oppervlak: de oppervlakte van het geheel van bouwwerken, verhardingen en hoge of lage permanente teeltondersteunende voorzieningen op de bij één bedrijf of andere functionele eenheid behorende gronden die gelegen kunnen zijn binnen meerdere bestemmingen. 1.113 volwaardig agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf dat de arbeidsomvang heeft van één volledige arbeidskracht, met een daarbij passende arbeidsomvang en een daaruit te verwachten redelijk inkomen, waarvan de continuïteit ook op langere termijn in voldoende mate is verzekerd zowel in bedrijfseconomisch opzicht als op milieuhygiënisch verantwoorde wijze. 1.114 voorgevelrooilijn: de denkbeeldige lijn, evenwijdig aan de as van de weg waaraan gebouwd wordt, op een afstand van de weg die: 1. gelijk is aan de in deze regels voorgeschreven afstand van gebouwen tot de as van de weg op het betreffende bouwperceel; 2. gelijk is aan de afstand van bestaande gebouwen tot de as van de weg op het betreffende bouwperceel, indien die afstand kleiner is dan de in de regels voorgeschreven afstand. 1.115 Wabo: de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht welke op 1 oktober 2010 in werking is getreden.
1.116 water: al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. 1.117 waterhuishoudkundige voorzieningen: Voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, etc. 1.118 wonen: het verblijven van een huishouden in een (bedrijfs- of plattelands-) woning. 1.119 woning/wooneenheid: één complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.120 woningsplitsing: het opdelen van een bestemde woning in twee of meer zelfstandige woningen of wooneenheden.
15
1.121 zelfstandige bewoning: bewoning met een eigen toegang waarbij de noodzakelijke voorzieningen (keuken, douche en toilet) niet gedeeld hoeven te worden met andere bewoners. 1.122 zorgvuldige veehouderij: een veehouderij die door het treffen van maatregelen, onder andere gericht op landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving.
16
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de as van de weg: tussen de as van de weg waaraan het bouwwerk is gebouwd en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2.2 de afstand tot de bestemmingsgrens: de kortste afstand van het verticale vlak in een bestemmingsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend bouwwerk. 2.3 het bebouwingspercentage: het door bouwwerken bebouwde oppervlak, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel voor zo ver dat is gelegen binnen de bestemming of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming. 2.4 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5 de breedte van een bestemmingsvlak: tussen de twee zijdelingse bestemmingsvlakgrenzen, gemeten in de bestemmingsgrens op de minimum afstand die bebouwing tot de weg in acht moet nemen. 2.6 de breedte van een bouwperceel: tussen de twee zijdelingse bestemmingsvlakgrenzen, gemeten in de bestemmingsgrens of (rooi)lijn op de minimum afstand die bebouwing tot de weg in acht moet nemen. 2.7 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
2.8 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.9 de inhoud van een bouwwerk: tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of) het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Kelders worden niet meegeteld bij de inhoud van een bouwwerk. 2.10 de lengte c.q. breedte van een bouwwerk: horizontaal tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren. 2.11 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 17
2.12 het peil: het peil wordt als volgt gemeten: 1. voor bouwwerken en gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk grenst aan de weg: de hoogte van de weg ter plaatse van deze toegang; 2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
18
2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch - Agrarisch bedrijf 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf met de bijbehorende bedrijfsbebouwing, niet zijnde een veehouderij, een glastuinbouwbedrijf; b. één bedrijfswoning per bestemmingsvlak, tenzij anders aangeduid; c. bij het agrarisch bedrijf behorende gebouwen, bouwwerken, installaties en voorzieningen op bedrijfsniveau, hieronder in ieder geval begrepen bedrijfsgebouwen (anders dan kassen), verwerkingsruimten, sleufsilo’s, voerplaten, (vaste) mestplaten, waterbassins van folie, alsmede permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen; d. mestopslagsilo’s en mestbassins van folie ten behoeve van een op dezelfde locatie gevestigde veehouderij, paardenhouderij of een grondgebonden teeltbedrijf; e. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' tevens een veehouderij; f. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' tevens mestbewerking ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest afkomstig van de op die locatie gevestigde veehouderij; g. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch plattelandswoning' tevens het wonen in de bedrijfswoning door derden die geen relatie hebben met het agrarisch bedrijf; h.
productiegebonden detailhandel (verkoop van eigen producten), uitsluitend als ondergeschikte functie tot een maximum van 50 m2 bruto vloeroppervlakte; i. aan huis verbonden beroepen conform de bepalingen in artikel 3 lid 4.2; j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van water, waterberging en infiltratie; k. landschapselementen, groenvoorzieningen, erfbeplanting en landschappelijke inpassing, hieronder tevens begrepen tuinen en erven; l. verhardingen, (onverharde) paden, parkeerplaatsen en parkeervoorzieningen; m. extensief recreatief medegebruik; n. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing’ zijn de gronden bestemd voor het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen en verhardingen. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen a. Op of in de voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de in artikel 3 lid 1 genoemde bestemming. b. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing is het oprichten van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde en het aanleggen van verhardingen niet toegestaan. Perceelsgedeelten met deze functieaanduidingen worden niet aangemerkt als erf, zoals bedoeld in artikel 1, bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht.. c.
De oppervlakte voor bebouwing, verharding en andere voorzieningen bedraagt maximaal 90% van het bestemmingsvlak. 19
d. De ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 10 lid 2. 3.2.2 Bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen: de maximaal toegestane goothoogte is 4,50 m1; de maximaal toegestane bouwhoogte is 10 m1; de dakhelling dient tussen de 20 graden en 60 graden te zijn; de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5,00 m1; de afstand tot de as van de weg is ten minste 20 m1; de maximaal toegestane oppervlakte voor teeltondersteunende kassen is 1.000 m2; in afwijking van het bepaalde onder sub f geldt dat binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' het bouwen of uitbreiden van teeltondersteunende kassen is uitgesloten; h. de teeltondersteunende kassen dienen te worden voorzien van een bergings- c.q. infiltratievoorziening die aantoonbaar voldoende capaciteit heeft; i. een toename van de oppervlakte dierenverblijven is niet toegestaan; j. indien op het perceel een bouwvlak aanwezig is, dient de bedrijfsbebouwing binnen het bouwvlak gebouwd te worden. a. b. c. d. e. f. g.
3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor agrarische doeleinden Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor agrarische doeleinden gelden de volgende bepalingen: a. reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden naamsaanduiding; b. de bouwhoogte van torensilo's is maximaal 15 m1 met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5,00 m1; c. de bouwhoogte van luchtwassers en combi-wassers is maximaal 10 m1 met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5,00 m1; d. de goot- en bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van mestbewerking en mestverwerking ten behoeve van het eigen agrarische bedrijf mag niet meer bedragen dan respectievelijk 6,00 m1 en 10 m1 met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5,00 m1; e. de bouwhoogte van mestsilo's mag niet meer bedragen dan 6,00 m1 met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5,00 m1 en een afstand van ten minste 20 m1 tot de as van de weg; f. de bouwhoogte van sleufsilo's mag niet meer bedragen dan 2,50 m1 met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5,00 m1 en een afstand van ten minste 20 m1 tot de as van de weg; g. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouw zijnde ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - opslag ruwvoer', is maximaal 2 m1; h.
de bouwhoogte van antenne- en lichtmasten mag niet meer bedragen dan 8,00 m1 met een afstand van ten minste 5,00 m1 tot de bestemmingsgrens en een afstand van ten minste 20 m1 tot de as van de weg; i. de bouwhoogte van andere bouwwerken, met uitzondering van terreinafscheidingen, is maximaal 2,50 m1 met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5,00 m1; j. de bouwhoogte van terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn mag maximaal 1,00 m1 zijn en voor het overige maximaal 2,00 m1.
20
3.2.4 Verbod op uitbreiding bedrijfsbebouwing bij een veehouderij binnen de aanduiding ‘overige zone - beperkingen veehouderij’ a. Binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' is het verboden om: 1. de bestaande oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, uit te breiden; 2. de bestaande oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde uit te breiden. b. Als bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de oppervlakte die: 1. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; of 2. mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning. c. Het verbod zoals opgenomen in het bepaalde onder sub a geldt niet voor een grondgebonden veehouderij. 3.2.5 Bedrijfswoningen/plattelandswoningen Voor het bouwen van bedrijfswoningen en plattelandswoningen gelden de volgende bepalingen: a. per bestemmingsvlak is één bedrijfswoning toegestaan tenzij anders aangeduid ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal wooneenheden'; b. ter plaatse van de bouwaanduiding 'twee-aaneen' zijn uitsluitend twee aaneen gebouwde woningen toegestaan; c.
bij herbouw moet de bedrijfswoning of plattelandswoning overwegend gesitueerd worden ter plaatse van de bestaande fundering en, indien sprake is van uitbreiding van het bebouwde oppervlak van deze bedrijfswoning, aansluitend op de bestaande fundering; d. bij nieuwbouw van een bedrijfswoning moet aangetoond zijn dat deze bedrijfswoning noodzakelijk is vanuit bedrijfseconomisch oogpunt, door middel van een advies van de AAB, waarbij de noodzaak van deze bedrijfswoning niet het gevolg mag zijn van een eerder aanwezige maar inmiddels afgestoten andere bedrijfswoning; e. herbouw van een cultuurhistorisch waardevolle woning is alleen mogelijk indien dit is gericht op behoud en/of herstel van de cultuurhistorische waarden; f. de bedrijfswoning of plattelandswoning mag een inhoud hebben van maximaal 750 m3; g. indien de inhoud van de bestaande bedrijfswoning of plattelandswoning op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan op basis van een eerder verleende vergunning al meer bedraagt of mag bedragen, dan geldt deze inhoud, als maximaal toegestaan. Bij herbouw geldt dat de woning tot maximaal de vergunde inhoud mag worden teruggebouwd; h.
voor een cultuurhistorisch waardevolle woning geldt de totale inhoud van het oorspronkelijk opgerichte pand waaraan cultuurhistorische en/of monumentale waarden aan toegekend zijn op grond van een deskundigenrapport als de maximaal toegestane inhoud; i. de maximaal toegestane goothoogte is 6,00 m1; j. de maximaal toegestane bouwhoogte is 10 m1; k. de dakhelling dient tussen de 20 graden en 60 graden te zijn; l. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5,00 m1; m. de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m1. 21
3.2.6 Bijgebouwen behorende bij de bedrijfswoning of plattelandswoning Voor het bouwen van bijgebouwen bij de bedrijfswoning of plattelandswoning gelden de volgende bepalingen: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen per bedrijfs- of plattelandswoning is maximaal 100 m2; b. in afwijking van het bepaalde onder sub a is ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum oppervlakte bijgebouw' die specifieke oppervlakte toegestaan; c. de maximaal toegestane goothoogte is 3,00 m1; d. de maximaal toegestane bouwhoogte is 5,50 m1; e. de dakhelling dient tussen de 20 graden en 60 graden te zijn; f. bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 1,00 m1 achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd; g. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5,00 m1; h. de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m1; i. de maximale afstand tussen een vrijstaand bijgebouw en de woning bedraagt 20 m1. 3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Afwijken voor een toename van oppervlakte dierenverblijven bij veehouderijen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2.2 sub i voor de uitbreiding van een veehouderij bestaande uit de toename van de bestaande oppervlakte van de dierenverblijven. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a.
er is sprake van een zorgvuldige veehouderij die voldoet aan de Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij en de nadere regels zoals die door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld in de Interim omgevingsverordening, waarbij de maatregelen die worden getroffen vervolgens in stand worden gehouden; b. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden en de omgeving bij de planontwikkeling; c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in de Interim omgevingsverordening, inpasbaar is in de omgeving; d. mestbewerking ter plaatse alleen is toegestaan voor de binnen het bouwvlak geproduceerde mest; e. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder, (achtergrondbelasting) in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er – indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages – maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; f. is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie vanuit het desbetreffende agrarisch bedrijf of de betreffende gronden, ten opzichte van de referentiesituatie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en); g.
ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - stalderingsgebied' geldt voor de uitbreiding van de oppervlakte van de dierenverblijven voor een hokdierhouderij de aanvullende eisen zoals gesteld in artikel 5 lid 2; h. binnen de dierenverblijven mogen dieren – al dan niet in hokken – alleen op de grond gehouden worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; 22
i. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 10 lid 2; j. dit artikel is niet van toepassing indien sprake is van een geitenhouderij; k. dit artikel is niet van toepassing op veehouderijen, niet zijnde grondgebonden, binnen de gebiedsaanduiding ‘overige zone - beperkingen veehouderij’. 3.3.2 Afwijken voor een grotere goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2.2 sub a en/of artikel 3 lid 2.2 sub b voor een afwijkende goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat de goothoogte maximaal 10 m1 mag bedragen en de bouwhoogte maximaal 12,50 m1 mag bedragen. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. er moet sprake zijn van een noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling. Dit moet worden aangetoond door middel van een advies van de AAB; b. de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de bedrijfsgebouwen in de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 10 lid 2. 3.3.3 Afwijken voor een grotere bouwhoogte van een torensilo Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2.3 sub b, voor de bouw van torensilo’s hoger dan 15 m1.
Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte mag maximaal 25 m1 zijn; b. er moet sprake zijn van een noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling. Dit moet worden aangetoond door middel van een advies van de AAB; c. de landschappelijke of andere waarden van de omliggende gronden mogen niet onevenredig worden aangetast; d. de silo's worden geïntegreerd in de bedrijfsbebouwing; e. de silo's dienen aan de achterkant van de bedrijfsbebouwing te worden gerealiseerd. Indien de doelmatigheid van de bedrijfsvoering dit niet toestaat, dienen de silo's zover mogelijk van de as van de weg geplaatst te worden, maar minimaal 30 m1 van de as van de weg; f. de landschappelijke inpassing is duurzaam geborgd; g. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 10 lid 2. 3.3.4 Afwijken van de dakhelling voor een plat dak Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2.2 sub c voor een afwijkende dakhelling. Een bedrijfsgebouw mag worden uitgevoerd met een plat dak. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. er moet sprake zijn van een noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering; b. de stedenbouwkundige kenmerken van de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen van artikel 10 lid 2.
3.3.5 Afwijken voor een grotere bouwhoogte van terreinafscheidingen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2.3 sub j met betrekking tot de bouwhoogte van terreinafscheidingen tot maximaal 2,50 m1. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: 23
a. de terreinafscheiding is noodzakelijk ten dienste van de in artikel 3 lid 1 genoemde bestemming; b. aangetoond is dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van de omliggende waarden en functies, hetgeen onder andere betekent dat de terreinafscheiding passend is in het landschap; c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 10 lid 2. 3.3.6 Afwijken van de bouwlocatie voor herbouw van een bedrijfswoning Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2.5 sub c voor de herbouw van een bedrijfswoning of plattelandswoning op een andere plaats binnen het bestemmingsvlak. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. de herbouwde bedrijfswoning ligt tenminste 5,00 m1 van de bestemmingsgrens en ten minste 15 m1 uit de as van de weg waaraan wordt gebouwd; b. in het geval van de herbouw van een plattelandswoning, dient herbouw plaats te vinden binnen de aanduidingsvlak 'specifieke vorm van agrarisch plattelandswoning'; c. de woning wordt gebouwd ter vervanging van de bestaande bedrijfswoning binnen hetzelfde bouwvlak; d. de ontwikkelingsmogelijkheden van (agrarische) bedrijven in de nabijheid van de woning mogen niet worden belemmerd; e. de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de woning in zijn omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; f.
met de nieuwe situering is sprake van een milieukundige, stedenbouwkundige en ruimtelijke verbetering ten opzichte van de oorspronkelijke situering; g. de sloop van de oorspronkelijke woning is duurzaam verzekerd; h. bij herbouw van een plattelandswoning moet worden aangetoond dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; i. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 10 lid 2. 3.4 Specifieke gebruiksregels 3.4.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het in gebruik nemen of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor een doel of op een wijze, die in strijd is met de in dit plan daaraan gegeven bestemming en/of: a. b. c. d. e.
het aanleggen van mest- of waterbassins van folie; het aanleggen van oppervlakteverhardingen; het plaatsen van zeecontainers; het gebruik van gronden en/of opstallen voor erotische dienstverlening; het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van (buiten)opslag, stort of lozing; f. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van handel, detailhandel of bedrijf; g. het gebruik van gronden en/of opstallen voor dag- of verblijfsrecreatie; h. het gebruik van gronden en/of opstallen voor kuilvoeropslag, (sleuf)silo’s of mestopslagsilo’s; i. het gebruik van gronden voor permanente teeltondersteunende voorzieningen; j. het gebruik van gronden en/of opstallen voor lawaaisporten; 24
k. het gebruik van opstallen, behoudens bedrijfswoningen en plattelandswoningen, alsmede het gebruik van vrijstaande en/of aangebouwde bijgebouwen, niet vergund middels een omgevingsvergunning als zijnde een (onderdeel van de) woning, voor bewoning; l. het gebruik van opstallen voor het huisvesten van arbeidsmigranten; m. het gebruik van gronden en/of opstallen voor een manege; n. het gebruik van gronden en/of opstallen voor (de vestiging van of wijziging naar) een gebruiksgerichte paardenhouderij; o. het gebruik van gronden en/of opstallen ten behoeve van een productiegerichte paardenhouderij ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel'; p. het gebruik van gronden en/of opstallen voor een veehouderij, uitgezonderd ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij'; q. het gebruik van gebouwen en/of overkappingen die op 21 september 2013 niet in gebruik waren voor de huisvesting van dieren behoudens wanneer daarvoor een vergunning is verleend; r. het gebruik van gronden en/of opstallen voor de vestiging van, uitbreiding van en/of omschakeling naar een geitenhouderij, waarbij sprake is van toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijven voor de geitenhouderij. Hierbij wordt onder 'de bestaande oppervlakte' verstaan: 1. de oppervlakte dierenverblijf die op 7 juli 2017 legaal aanwezig of in uitvoering was; of 2.
de oppervlakte dierenverblijf die mag worden gebouwd krachtens een vóór 7 juli 2017 verleende vergunning. s. het gebruik van opstallen voor het houden van dieren niet op de grond, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen en bestemmingsvlakken voorzien van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - meerlaagse stal', waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden voor het houden van dieren; t. het gebruik van gronden en/of opstallen waarbij er een toename plaatsvindt van de stikstofdepositie vanuit het desbetreffende agrarisch bedrijf of de betreffende gronden, ten opzichte van de referentiesituatie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en), tenzij voor de benodigde ontwikkeling ten tijde van de referentiesituatie reeds een onherroepelijke vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of de Natuurbeschermingswet 1998 is verleend; u. het gebruik van gronden en/of opstallen voor de vestiging van, uitbreiding van en/of omschakeling naar een veehouderij, niet zijnde een grondgebonden veehouderij, binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij', waarbij sprake is van toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijven. Hierbij wordt onder 'de bestaande oppervlakte' verstaan: 1. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; en/of 2.
mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning; v. het gebruik van bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, behorende bij de bedrijfswoning of plattelandswoning voor het houden van dieren; tenzij de regels en/of verbeelding bij deze bestemming middels een specifiek gebruiksregel en/of aanduidingsvlak expliciet bepalen dat het gebruik wel is toegestaan. 3.4.2 Aan huis verbonden beroep De uitoefening van aan huis verbonden beroepen is slechts toegestaan als ondergeschikte functie bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. de beroepsactiviteit wordt uitgeoefend door één van de bewoners; 25
b. de beroepsactiviteit mag in de bedrijfswoning en/of in een bijgebouw bij de bedrijfswoning worden uitgeoefend; c. de omvang van de beroepsactiviteiten mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfswoning en bijgebouwen bij de bedrijfswoning, tot een maximum van 150 m2; d. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op een normale afwikkeling van het verkeer; e. het gebruik mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken; f. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit artikel 10 lid 4; g. detailhandel is niet toegestaan; h. reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden naamsaanduiding. 3.4.3 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van het plangebied uitsluitend met de aanduiding plattelandswoning is alleen toegestaan als ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing’ de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 2 van de regels of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan is uitgevoerd en vervolgens in stand wordt gehouden.
3.5 Afwijken van de gebruiksregels 3.5.1 Afwijken voor buitenopslag Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 4.1 sub e voor buitenopslag bij een agrarisch bedrijf. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. de buitenopslag plaatsvindt binnen het bestemmingsvlak; b. de opslag is noodzakelijk voor het ter plaatse aanwezige agrarisch bedrijf; c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 10 lid 2. 3.5.2 Afwijken voor statische opslag als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 4.1 sub e en artikel 3 lid 4.1 sub f voor statische opslag als nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; b. het bestaande agrarisch bedrijf functioneert ook na toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid als zodanig en blijft dit ook in voldoende mate doen. Er is ook op langere termijn sprake van statische opslag als nevenfunctie bij de agrarische bedrijfsvoering; c. de maximale oppervlakte die wordt gebruikt voor de statische opslag is 1.000 m2; d. er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de statische opslag; e. buitenopslag is uitgesloten; f. opslag in kassen is uitgesloten; g.
de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 10 lid 2.
26
3.5.3 Afwijken voor ondersteunende horeca als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 4.1 sub f en artikel 3 lid 4.1 sub g voor ondersteunende horeca als nevenfunctie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; b. er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de ondersteunende horeca; c. de activiteit mag uitsluitend uitgevoerd worden door de bewoner(s) van de betreffende locatie; d. de oppervlakte van de voorziening voor ondersteunende horeca bedraagt maximaal 100 m2, inclusief terras; e. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit artikel 10 lid 4; f. de afstand tot de weg is ten minste 20 m1; g. de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m1; h. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 10 lid 2. 3.5.4 Afwijken voor kinderopvang en/of dagbesteding als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 4.1 sub f voor het exploiteren van kinderopvang en/of dagbesteding door de bewoner(s) van de agrarische locatie als nevenfunctie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a.