Regels
Tekst van het document
de herbouwde bedrijfswoning ligt tenminste 5,00 m¹ van de bestemmingsgrens en ten minste 15 m¹ uit de as van de weg waaraan wordt gebouwd; b. de woning wordt gebouwd ter vervanging van de bestaande bedrijfswoning binnen hetzelfde bouwvlak; 28
c.
de ontwikkelingsmogelijkheden van (agrarische) bedrijven in de nabijheid van de woning mogen niet worden belemmerd; d. de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de woning in zijn omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; e. met de nieuwe situering is sprake van een milieukundige, stedenbouwkundige en ruimtelijke verbetering ten opzichte van de oorspronkelijke situering; f. de sloop van de oorspronkelijke woning is duurzaam verzekerd; g. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2. 3.4 Specifieke gebruiksregels 3.4.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het in gebruik nemen of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor een doel of op een wijze, die in strijd is met de in dit plan daaraan gegeven bestemming en/of: a. het aanleggen van mest- of waterbassins van folie; b. het aanleggen van oppervlakteverhardingen; c. het plaatsen van zeecontainers; d. het gebruik van gronden en/of opstallen voor erotische dienstverlening; e. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van stort of lozing; f. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van statische opslag; g. het gebruik van gronden voor doeleinden van buitenopslag; h. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van handel, detailhandel of bedrijf; i.
het gebruik van gronden en/of opstallen voor dag- of verblijfsrecreatie; j. het gebruik van gronden en/of opstallen voor mestopslagsilo’s; k. het gebruik van gronden voor permanente teeltondersteunende voorzieningen; l. het gebruik van gronden en/of opstallen voor lawaaisporten; m. het gebruik van opstallen, behoudens bedrijfswoningen en plattelandswoningen, alsmede het gebruik van vrijstaande en/of aangebouwde bijgebouwen, niet vergund middels een omgevingsvergunning als zijnde een (onderdeel van de) woning, voor bewoning; n. het gebruik van opstallen voor het huisvesten van meer dan 350 arbeidsmigranten; o. het huisvesten van arbeidsmigranten die geen werkzaamheden verrichten voor het ter plaatse gevestigde bedrijf; p. het gebruik van gronden en/of opstallen voor een manege; q. het gebruik van gronden en/of opstallen voor (de vestiging van of wijziging naar) een gebruiksgerichte paardenhouderij; r. het gebruik van gronden en/of opstallen ten behoeve van een productiegerichte paardenhouderij ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel'; s. het gebruik van gronden en/of opstallen voor een veehouderij; t. het gebruik van bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, behorende bij de bedrijfswoning of plattelandswoning voor het houden van dieren.
3.4.2 Aan huis verbonden beroep De uitoefening van aan huis verbonden beroepen is slechts toegestaan als ondergeschikte functie bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a.
de beroepsactiviteit wordt uitgeoefend door één van de bewoners; 29
b. de beroepsactiviteit mag in de bedrijfswoning en/of in een bijgebouw bij de bedrijfswoning worden uitgeoefend; c. de omvang van de beroepsactiviteiten mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfswoning en bijgebouwen bij de bedrijfswoning, tot een maximum van 150 m²; d. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op een normale afwikkeling van het verkeer; e. het gebruik mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken; f. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit lid 12.4; g. detailhandel is niet toegestaan; h. reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden naamsaanduiding. 3.4.3 Voorwaardelijke verplichting In aanvulling van het bepaalde in lid 3.2.2 is het alleen toegestaan de bedrijfsgebouwen in gebruik te nemen onder de voorwaardelijke verplichting dat: a.
binnen het bestemmingsvlak zorg gedragen wordt voor berging van afvalwater afkomstig van het bedrijf in een bergingsvoorziening voor een periode van tenminste 24 uur; b. binnen het bestemmingsvlak zorg gedragen wordt voor realisatie van een vet-, olie- en zandafscheider met de capaciteit die benodigd is voor de totale bedrijfsvoering binnen het bestemmingsvlak en die nodig is voor een goede werking van de riolering waarop wordt geloosd; c. een bluswatervoorziening aanwezig is op het perceel met een omvang van tenminste 90 m³ per uur; d. aan twee zijden van het bedrijf een toerit voor blusvoertuigen van de brandweer met een breedte van tenminste 5 m1 vrij van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en opstallen blijft; e. de voorzieningen en maatregelen zoals genoemd onder 1 tot en met 4 in stand worden gehouden. 3.5 Afwijken van de gebruiksregels 3.5.1 Afwijken voor buitenopslag Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 sub g voor buitenopslag bij een agrarisch bedrijf. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. de buitenopslag plaatsvindt binnen het bestemmingsvlak; b. de opslag is noodzakelijk voor het ter plaatse aanwezige agrarisch bedrijf; c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2 .
3.5.2 Afwijken voor statische opslag als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 sub f en lid 3.4.1 sub h voor statische opslag als nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; b. het bestaande agrarisch bedrijf functioneert ook na toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid als zodanig en blijft dit ook in voldoende mate doen. Er is ook op 30
langere termijn sprake van statische opslag als nevenfunctie bij de agrarische bedrijfsvoering; c. de maximale oppervlakte die wordt gebruikt voor de statische opslag is 1.000 m²; d. er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de statische opslag; e. buitenopslag is uitgesloten; f. opslag in kassen is uitgesloten; g. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2. 3.5.3 Afwijken voor ondersteunende horeca als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 sub h en artikel lid 3.4.1 sub i voor ondersteunende horeca als nevenfunctie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; b. er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de ondersteunende horeca; c. de activiteit mag uitsluitend uitgevoerd worden door de bewoner(s) van de betreffende locatie; d. de oppervlakte van de voorziening voor ondersteunende horeca bedraagt maximaal 100 m², inclusief terras; e. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit lid 12.4; f. de afstand tot de weg is ten minste 20 m¹; g. de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m¹; h. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2.
3.5.4 Afwijken voor kinderopvang en/of dagbesteding als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 sub h voor het exploiteren van kinderopvang en/of dagbesteding door de bewoner(s) van de agrarische locatie als nevenfunctie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a.
er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de kinderopvang en/of dagbesteding; b. de activiteiten leiden niet tot een onevenredige verkeersaantrekkende werking en/of overlast; c. de activiteiten mogen geen milieuhinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende woningen en bedrijven; d. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit lid 12.4; e. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2. 3.5.5 Afwijken voor kleinschalige niet-agrarische nevenfuncties Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 sub h voor kleinschalige niet-agrarische nevenfuncties bij een agrarisch bedrijf. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
31
a.
b.
c. d. e.
f. g. h. i.
het bestaande agrarisch bedrijf functioneert na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid als zodanig en blijft dit ook in voldoende mate doen na realisatie van de ontwikkeling. Er is ook op termijn sprake van een kleinschalige nevenfunctie; de activiteiten behoren tot de milieucategorieën 1 of 2, of aantoonbaar daarmee gelijk te stellen qua aard, omvang en invloed, zoals genoemd in de ‘Brochure bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; de activiteiten worden opgenomen in – tenminste – een melding Activiteitenbesluit welke betrokken wordt bij de beoordeling van deze afwijkingsbevoegdheid; de activiteiten worden uitgevoerd door de bewoner(s) c.q. agrarisch bedrijfsvoerende(n) van het betreffende agrarische bedrijf ter plaatse; de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die gebruikt mogen worden voor de kleinschalige nevenfunctie bedraagt 350 m², welke concreet aangeduid worden op een inrichtingsplan; er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de kleinschalige nevenfuncties; detailhandel is uitgesloten; buitenopslag is uitgesloten; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2.
3.5.6 Afwijken voor een zorgfunctie en/of dagbesteding als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 sub h voor het ter plaatse verlenen van zorg en/of dagbesteding aan derden door de bewoner(s) van de betreffende agrarische locatie als nevenfunctie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. f. g. h.
er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van het verlenen van zorg en/of dagbesteding aan derden; het is niet toegestaan om zelfstandige wooneenheden voor de huisvesting van zorgbehoevenden te realiseren; er mogen maximaal 15 personen worden gehuisvest; er wordt alleen huisvesting geboden aan personen met een zorgindicatie; de activiteiten leiden niet tot een onevenredige verkeersaantrekkende werking en/of overlast; de activiteiten mogen geen milieuhinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende woningen en bedrijven; parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit lid 12.4; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2.
3.5.7 Afwijken voor een minicamping als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 sub i voor het vestigen en exploiteren van een minicamping die wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de betreffende agrarische locatie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. er zijn maximaal 25 kampeermiddelen toegestaan, waaronder maximaal vijf stacaravans; b. er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van ondersteunende voorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen; c. de oppervlakte van ondersteunende voorzieningen bedraagt maximaal 100 m²; d. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit lid 12.4; 32
e. f. g. h. i.
de afstand tot de as van de weg is ten minste 20 m¹; de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m¹; de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5,00 m¹; er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2.
3.5.8 Afwijken voor een groepsaccommodatie als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 sub i voor het als ondergeschikte nevenfunctie toestaan van een groepsaccommodatie die wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de betreffende agrarische locatie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; b. er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de groepsaccommodatie; c. de maximale overnachtingscapaciteit van de groepsaccommodatie is 20 personen; d. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit lid 12.4; e. de afstand tot de weg is ten minste 20 m¹; f. de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m¹; g. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2. 3.5.9 Afwijken voor bed and breakfast als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 sub i voor het als ondergeschikte nevenfunctie toestaan van een bed and breakfast die wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de betreffende agrarische locatie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; b.
er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de bed and breakfast activiteiten; c. de maximale overnachtingscapaciteit van een bed and breakfast is 10 personen; d. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit lid 12.4; e. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; f. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2. 3.5.10 Afwijken voor routegebonden horeca als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 sub h en artikel lid 3.4.1 sub i voor het als ondergeschikte nevenfunctie verstrekken van dranken en/of spijzen aan derden, voor gebruik en consumptie ter plaatse, door de bewoner(s) van de betreffende agrarische locatie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; b. er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de ondergeschikte verhuuractiviteiten; c. de oppervlakte van het theehuis/uitspanning bedraagt maximaal 200 m², inclusief terras; 33
d. e. f. g.
parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit lid 12.4; de afstand tot de weg is ten minste 20 m¹; de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m¹; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2.
3.5.11 Afwijken voor verhuur van fietsen/rijtuigen als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 sub i voor het als ondergeschikte nevenfunctie verhuren van fietsen, rijtuigen en andere vervoersmiddelen ten behoeve van recreatief gebruik door de bewoner(s) van de betreffende agrarische locatie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; b. er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de ondergeschikte verhuuractiviteiten; c. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit lid 12.4; d. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2. 3.5.12 Afwijken voor dagrecreatie als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 sub i voor het aanbieden van ondergeschikte dagrecreatieve nevenfuncties door de bewoner(s) van de betreffende agrarische locatie. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; b. er mag geen toename van bebouwingsoppervlak plaatsvinden ten behoeve van de ondergeschikte dagrecreatieve nevenfuncties; c. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit lid 12.4; d.
de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2. 3.5.13 Afwijken voor gebruiksgerichte paardenhouderij als nevenfunctie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 sub p voor de vestiging van een gebruiksgerichte paardenhouderij als ondergeschikte nevenfunctie bij een bestaand agrarisch bedrijf. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a.
b. c. d. e. f. g. h.
de afwijking is alleen toegestaan als sprake is van een bestaand agrarisch bedrijf met: 1. productiegerichte paardenhouderij(tak); en/of 2. de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij'. deze afwijkingsbevoegdheid is niet toepasbaar binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel'; de ontwikkeling draagt bij aan de beoogde ontwikkeling van het gemengd landelijk gebied; er is duurzaam verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; er is aangetoond dat de vestiging van de gebruiksgerichte paardenhouderij ook op langere termijn past binnen de toegestane omvang; parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak en voldoet aan de bepalingen uit lid 12.4; er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2.
34
3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.6.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en/of werkzaamheden uit te (laten) voeren: a.
het verwijderen van landschapselementen, landschappelijke inrichting en/of waterhuishoudkundige voorzieningen; b. het graven, dempen dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten, poelen en greppels; c. het aanleggen van oppervlakteverhardingen met een omvang van meer dan 500 m². 3.6.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.6.1 is niet vereist voor: a.
werken en/of werkzaamheden die vallen onder het normale onderhoud en beheer van de gronden, danwel van ondergeschikte betekenis zijn; b. werken en/of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn, danwel op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan nog mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds eerder verleende vergunning. 3.6.3 Toelaatbaarheid De in lid 3.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien de werken en/of werkzaamheden: a.
geen afbreuk doen aan de waarden en kwaliteiten van de gronden, zoals omschreven in: 1. de (dubbel)bestemming met eventuele aanduiding(en); 2. het beeldkwaliteitsplan buitengebied; 3. de specifieke landschappelijke inpassingsplannen zoals opgenomen in de bijlagen; b. (op bedrijfsniveau) hydrologisch neutraal worden uitgevoerd, conform lid 12.1, voor wat betreft: 1. het oppervlaktewater; 2. het grondwater; 3. de impact op de waterkwaliteit; c. het bevoegd gezag voorafgaand aan de vergunningverlening advies heeft ingewonnen en gekregen bij het betrokken waterschap ter toetsing van voorgestelde voorziening(en) aan de actuele wet- en regelgeving voor de onder sub b opgenomen criteria. 3.7 Wijzigingsbevoegdheid 3.7.1 Wijziging naar ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ met aanduiding ‘plattelandswoning’ Burgemeester en wethouders zijn bevoegd binnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' een bestaande agrarische bedrijfswoning te voorzien van een functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: 35
a.
er moet sprake zijn van een in werking zijnde landbouwinrichting, waar agrarische activiteiten worden verricht en waarbij een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu of melding Activiteitenbesluit in werking moet zijn op het moment van toekennen van de aanduiding; b. er moet sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de aan te duiden plattelandswoning; c. de bouwregels van lid 3.2.4, lid 3.2.5 en lid 3.2.6 zijn van overeenkomstige toepassing; d. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2.
36
ARTIKEL 4 AGRARISCHE MET WAARDEN - LANDSCHAPSWAARDEN 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. al dan niet bedrijfsmatige agrarische doeleinden; b. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van de aanwezige landschapswaarden in het algemeen en verder in het bijzonder: 1. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - cultuurhistorisch waardevol' voor het behoud en/of herstel van aanwezige cultuurhistorische waarden; c. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen' tevens tijdelijke en/of permanente teeltondersteunende voorzieningen; d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van water, waterberging en infiltratie; e. landschapselementen, groenvoorzieningen en landschappelijke inpassing; f. extensief recreatief medegebruik. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen a.
Op of in de voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd. b. In afwijking van het bepaalde in sub a mogen er wel terreinafscheidingen worden gerealiseerd met een bouwhoogte van maximaal 1,00 m¹. 4.3 Specifieke gebruiksregels 4.3.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het in gebruik nemen of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor een doel of op een wijze, die in strijd is met de in dit plan daaraan gegeven bestemming en/of: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.
het aanleggen van mest- of waterbassins van folie; het aanleggen van oppervlakteverhardingen; het plaatsen van zeecontainers; het gebruik van gronden en/of opstallen voor erotische dienstverlening; het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van (buiten)opslag, stort of lozing; het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van handel, detailhandel of bedrijf; het gebruik van gronden en/of opstallen voor dag- of verblijfsrecreatie; het gebruik van gronden en/of opstallen voor bewoning; het gebruik van gronden en/of opstallen voor kuilvoeropslag, (sleuf)silo’s of mestopslagsilo’s; het gebruik van gronden voor permanente teeltondersteunende voorzieningen; het gebruik van gronden en/of opstallen voor lawaaisporten;
tenzij de regels en/of verbeelding bij deze bestemming middels een specifiek gebruiksregel en/of aanduidingsvlak expliciet bepalen dat het gebruik wel is toegestaan. 37
4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en/of werkzaamheden uit te (laten) voeren: a. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem; b. het graven, dempen dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; c. het verwijderen van landschapselementen; d. het verwijderen van onverharde wegen of paden; e. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, het aanleggen van en/of verharden van wegen en/of paden. 4.4.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.4.1 is niet vereist voor: a.
werken en/of werkzaamheden die vallen onder het normale onderhoud en beheer van de gronden, danwel van ondergeschikte betekenis zijn; b. werken en/of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn, danwel op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan nog mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds eerder verleende vergunning. 4.4.3 Toelaatbaarheid De in lid 4.4.1 onder sub a tot en met sub d genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien de werken en/of werkzaamheden: a.
verband houden met de doeleinden, die aan de geldende bestemming en eventuele dubbelbestemmingen zijn toegekend; b. het uitvoeren ervan noch direct, noch indirect onevenredige afbreuk doet aan de waarden en kwaliteiten van de desbetreffende gronden en de mogelijkheden voor herstel van deze waarden en kwaliteiten niet onevenredig worden verkleind, zoals omschreven in: 1. de (dubbel)bestemming met eventuele aanduiding(en); 2. het beeldkwaliteitsplan buitengebied; 3. de specifieke landschappelijke inpassingsplannen zoals opgenomen in de bijlagen. 4.4.4 Toelaatbaarheid van verhardingen De in lid 4.4.1 sub e genoemde omgevingsvergunning voor het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, het aanleggen van en/of verharden van wegen en/of paden, kan slechts worden verleend, indien de werken en/of werkzaamheden: a.
verband houden met de doeleinden, die aan de geldende bestemming en eventuele dubbelbestemmingen zijn toegekend;
38
b. het uitvoeren ervan noch direct, noch indirect onevenredige afbreuk doet aan de waarden en kwaliteiten van de desbetreffende gronden en de mogelijkheden voor herstel van deze waarden en kwaliteiten niet onevenredig worden verkleind; c. hydrologisch neutraal worden uitgevoerd op basis van het principe 'hydrologisch neutraal ontwikkelen', zoals opgenomen in lid 12.1; d. niet leiden tot een oneigenlijke vergroting van enig aangrenzend bouwvlak; e. niet resulteren in oppervlakteverharding(en): 1. voor veepaden groter dan 400 m², welke uitsluitend zijn toegestaan op agrarische huiskavels; 2. voor overige verhardingen groter dan 200 m²; f. niet leiden tot meerdere afzonderlijk vergunde verhardingen per aaneengesloten agrarisch perceel.
39
ARTIKEL 5 WAARDE - ARCHEOLOGIE 4 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: a.
de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden.
5.2 Bouwregels Op of in de als 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden gelden de volgende bouwregels: a.
voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende enkel- en/of dubbelbestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, met een oppervlakte groter dan 250 m2 en/of een diepte van meer dan 40 cm¹, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld; b. indien uit het in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van archeologische opgravingen; 3. de verplichting om de werken en/of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. c.
in afwijking van het bepaalde in sub a kan het bevoegd gezag omgevingsvergunning verlenen indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Hieronder worden onder meer verleende vergunningen en/of andere feitelijke gegevens verstaan, waaruit kan worden afgeleid dat de bodem ter plaatse dermate is geroerd dat het alleszins aannemelijk is dat er geen sprake meer is van archeologische waarden die door de voorgenomen werken en/of werkzaamheden kunnen worden verstoord. 5.3 Specifieke gebruiksregels 5.3.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de dubbelbestemming wordt in ieder geval verstaan: a.
het (laten) gebruiken van de gronden en/of bouwwerken voor een doel of op een wijze, die in strijd is met de in dit plan daaraan gegeven onderliggende bestemming(en); b. het (laten) gebruiken van de gronden voor activiteiten waardoor de gronden minder geschikt worden voor danwel niet passen binnen de in deze dubbelbestemming gegeven bestemming. 40
5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en/of werkzaamheden uit te (laten) voeren: a.
het uitvoeren van grondbewerkingen zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, ophogen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen; b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; c. het verlagen van het waterpeil; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; e. het slopen van gebouwen en het verwijderen van fundering, waarbij grondroering plaatsvindt; f. het aanleggen van leidingen onder het maaiveld. 5.4.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 5.4.1 is niet vereist voor werken en/of werkzaamheden die: a.
minder dan 40 cm¹ diep reiken ten opzichte van het maaiveld en een verstoringsoppervlakte hebben van minder dan 250 m²; b. worden uitgevoerd ten dienste van een archeologisch onderzoek en het doen van archeologische opgravingen, mits uitgevoerd door een ter zake deskundige; c. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen die voor deze gronden gelden, danwel van ondergeschikte betekenis zijn; d. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. 5.4.3 Toelaatbaarheid De in lid 5.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien: a.
de werken en/of werkzaamheden geen onevenredige afbreuk doen aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden; b. alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; c. alvorens op de aanvraag wordt besloten wint het bevoegd gezag advies in van een door hem aan te wijzen terzake deskundige; d. een rapport als bedoeld onder sub b is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport als bedoeld onder sub b beschouwd; 41
e. het bevoegd gezag verleent de vergunning indien naar zijn oordeel uit het rapport of de andere overgelegde gegevens genoegzaam blijkt dat: 1. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad, waarbij er aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die mogelijk worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden; 2. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van voorschriften die aan de omgevingsvergunning worden gekoppeld. Het bevoegd gezag kan één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de werken en/of werkzaamheden die tot verstoring leiden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
42
3 ALGEMENE REGELS ARTIKEL 6 ANTI-DUBBELTELREGEL Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
43
ARTIKEL 7 ALGEMENE BOUWREGELS 7.1 Uitsluiting aanvullende werking Bouwverordening De voorschriften van de Bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard blijven conform het bepaalde in artikel 9, lid 2 van de Woningwet buiten toepassing behalve ten aanzien van de volgende onderwerpen: a. b. c. d. e.
de richtlijnen voor het verlenen van vrijstelling van de stedenbouwkundige bepalingen; de bereikbaarheid van gebouwen voor het wegverkeer; de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten; het bouwen bij ondergrondse transportleidingen; de ruimte tussen bouwwerken.
7.2 Bestaande afwijkende maten en hoeveelheden a.
Indien afstandsmaten tot de bestemmingsgrens en/of de (as van de) openbare weg tot bestaande bouwwerken en/of de bouw- en/of goothoogten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet voldoen en op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer respectievelijk minder bedragen dan in gevolge het in regels hoofdstuk 2 en/of regels hoofdstuk 3 bepaald is, dan mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal danwel minimaal toelaatbaar worden aangehouden. b. In het geval van volledige sloop en (her-)bouw van bouwwerken, zowel gebouwen als bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is het bepaalde onder sub a alleen van toepassing indien de (her-)bouw geschiedt op exact dezelfde plaats en met inachtneming van geldende bouw- en goothoogten, danwel een minder afwijkende bouw- en goothoogte. 7.3 Ondergronds bouwen 7.3.1 Algemeen Ondergronds bouwen in de vorm van maximaal één bouwlaag (tot maximaal 3,50 m¹ onder peil) is toegestaan binnen de gevelgrenzen van de (bedrijfs-)woning en de verder binnen bouwvlakken toegestane bebouwing met uitzondering van dierenverblijven en andere gebouwen die zijn bedoeld voor het huisvesten van de veestapel. De inhoud van wat ondergronds wordt gebouwd telt niet mee bij het bepalen van de maximale toegestane inhoud van een gebouw.
7.3.2 Afwijken voor het ondergronds bouwen buiten de gevelgrenzen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 7.3.1 voor het toestaan van ondergrondse bebouwing buiten de gevelgrenzen van de bovengrondse bebouwing. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. er is sprake van maximaal één ondergrondse bouwlaag, tot maximaal 3,50 m¹ onder peil; b. het ondergronds gebouwde wordt niet gebruikt voor de huisvesting van de veestapel; c. de totale oppervlakte van ondergrondse bebouwing binnen een bouwvlak mag maximaal 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak bedragen met een absoluut maximum van 150 m². Deze maximale maat geldt niet voor mestputten en mestkelders binnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'; 44
d. de afstand tot de as van de weg dient minimaal 15 m¹ te bedragen behalve als de bestaande bebouwing dichter op de as van de weg staat, dan is deze afstand bepalend; e. het bouwwerk dient geheel onder het maaiveld te worden gebouwd; f. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2 ; g. de inhoud van wat ondergronds wordt gebouwd telt niet mee bij het bepalen van de maximale toegestane inhoud van een gebouw. 7.4 Het bouwen van bouwwerken voor geleiding van bomen Voor het bouwen van constructies voor het (ge)leiden van (lei)bomen gelden de volgende bepalingen: a. de constructies mogen uitsluitend binnen een bouwperceel worden gebouwd; b. de bouwhoogte van de constructie mag niet meer bedragen dan 5,00 m1; c. de constructie voor het (ge)leiden van bomen mag op niet minder dan 0,50 m1 uit de bouwperceelgrens worden gebouwd; d. de bomen moeten ten allen tijde vanaf het eigen bouwperceel gesnoeid kunnen worden; e. er mag geen sprake zijn van overhangende takken over de bouwperceelgrens. 7.5 Nadere eisen bij bouwactiviteiten a.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering, de afmetingen en de vormgeving van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde, alsmede aan de situering van in- en uitritten en het parkeren op een bouwperceel. b. De onder sub a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met inachtneming van de bouwregels: 1. indien dit noodzakelijk is voor de bescherming en waarborging van de ruimtelijke kwaliteit en/of het stedenbouwkundig danwel landschappelijke beeld, dan wel indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige en/of architectonische inpassing van de bebouwing in de omgeving; 2. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
45
ARTIKEL 8 ALGEMENE AANDUIDINGSREGELS 8.1 Overige zone - bebouwingsconcentratie 8.1.1 Algemeen Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - bebouwingsconcentratie' zijn de gronden tevens aangewezen als zoekgebied voor ruimte voor ruimte-woningen. 8.2 Overige zone - stalderingsgebied 8.2.1 Algemeen a.
Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - stalderingsgebied' gelden nadere regels voor het oprichten van dierenverblijven voor hokdierhouderijen. b. De bepalingen van dit artikel zijn slechts van toepassing indien er sprake is van een hokdierhouderij. 8.2.2 Het bouwen van en in gebruik nemen van dierenverblijven voor hokdieren a.
Toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel door de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of het in gebruik nemen van een aanwezig gebouw en/of bouwwerk als dierenverblijf voor hokdieren is verboden. b. In afwijking van het bepaalde in sub a is de toename van de oppervlakte dierenverblijven voor hokdieren ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - stalderingsgebied' toegestaan als bewijs is overlegd dat: 1. binnen het stalderingsgebied, zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd; 2. de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt: ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; 3. voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling. c.
Onder de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren, als bedoeld in sub a wordt verstaan de oppervlakte van het gebouw, inclusief inpandige voorzieningen, dat gebruikt mag worden voor het houden van hokdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer. d. Het te saneren dierenverblijf als bedoeld onder sub b voldoet aan de volgende voorwaarden: 1. het betreft een legaal opgericht dierenverblijf; 2. het dierenverblijf is voorafgaand aan 17 maart 2017 drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig gebruikt voor het houden van hokdieren. e. In afwijking van het bepaalde in sub d, onder 2, geldt voor veehouderijen die gebruik maken de 'Uitzonderingsregeling stoppende veehouderij', zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, dat alleen de oppervlakte dierenverblijf voor 46
f.
hokdieren dat nodig is om het aantal dieren te huisvesten overeenkomstig de gedane mededeling, meetelt als inbreng voor een te saneren dierenverblijf. Het bewijs dat aan de voorwaarden onder sub b is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten van Noord-Brabant.
8.3 Voorwaardelijke verplichting
8.3.1 Strijdig gebruik Het is in strijd met de onderliggende (dubbel)bestemming(en) om ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing', de gronden en/of bouwwerken te (laten) gebruiken als niet voldaan is aan de verplichting zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels. 8.3.2 Realisatie van landschappelijke inpassing a.
De landschappelijke inpassing als bedoeld in lid 8.3.1 moet binnen 12 maanden na de datum van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan zijn uitgevoerd en als dusdanig in stand worden gehouden, overeenkomstig de als bijlage 1 opgenomen landschappelijke inpassing. b. Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - landschappelijke inpassing' is het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet toegestaan. c. Het bepaalde onder sub a is van toepassing ongeacht eventuele bouw-, gebruiks- en/of afwijkingsregels van andere op de gronden voorkomende (dubbel)bestemmingen elders in dit plan. d. Percelen en delen van percelen met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch landschappelijke inpassing' worden niet aangemerkt als erf, zoals bedoeld in artikel 1, bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht.
8.3.3 Afwijken landschappelijke inpassing Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 8.3.2 voor een wijziging van de landschappelijke inpassing waarbij geldt dat het gewijzigde landschappelijke inpassing minimaal gelijkwaardig dient te zijn aan landschappelijke inpassing zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels.
47
ARTIKEL 9 ALGEMENE AFWIJKINGSREGELS 9.1 Afwijken van de maatvoering met maximaal 10% Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in deze regels voor een andere maatvoering dan de in deze regels voorgeschreven minimale en/of maximale bouwmaten (hoogte, oppervlakte, inhoud etc.) en/of bebouwingspercentages tot maximaal 10% van die maten en/of percentages, met dien verstande dat: a. deze regeling niet geldt voor veehouderijen; b. de afwijking vanuit een goede of doelmatige functionele, stedenbouwkundige, bouwkundige of architectonische inpassing noodzakelijk is; c. de afwijking alleen mag worden toegepast indien elders in deze regels geen andere regels voor afwijking van deze maten zijn opgenomen; d. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2. 9.2 Afwijken voor het bouwen op kleinere afstand tot de bestemmingsgrens Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de minimaal vereiste afstand tot de bestemmingsgrens, zoals elders opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan, voor de bouw van bedrijfsgebouwen, een bedrijfswoning, bijgebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a.
de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (niet-)agrarische bedrijven mogen niet worden belemmerd; b. er moet worden aangetoond dat de afwijking voldoet aan de eisen die gelden in het kader van het woon- en leefklimaat; c. er moet worden aangetoond dat de afwijking noodzakelijk is vanuit bedrijfseconomisch, landschappelijk of stedenbouwkundig belang op basis van de onderliggende bestemming, danwel een algemeen maatschappelijk belang; d. de landschappelijke, stedenbouwkundige en/of cultuurhistorische kenmerken van (bouwwerken in) de directe omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast door toepassing van de afwijkingsbevoegdheid; e. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering; f. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2. 9.3 Afwijken voor het bouwen op kleinere afstand tot de (as van de) weg Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in deze regels voor het bouwen op een kleinere afstand tot de (as van de) weg dan is voorgeschreven met dien verstande dat: a. de noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering en/of perceelsinrichting is aangetoond; b. er geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden; c. de overschrijding niet mag leiden tot een vermindering van de gebruiksmogelijkheden van de gronden voor piekberging en infiltratie; d.
de wegbeheerder en het waterschap worden gehoord; e. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd, niet minder is dan minimaal de afstand van bestaande reeds dichter bij de weg gelegen bebouwing in hetzelfde bouw- of bestemmingsvlak. Als het bouwperceel aan twee of meer zijden direct grenst aan een weg is 48
het mogelijk om slechts tot één weg die bestaande, kleinere afstand aan te houden. Tot de andere weg dient een afstand van niet minder dan 10 m¹ te worden aangehouden. 9.4 Afwijken voor het bouwen op grotere afstand tussen een vrijstaand bijgebouw en de woning Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de maximale afstand van 20 meter tussen een vrijstaand bijgebouw en de woning, zoals elders opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan, voor de bouw van bijgebouwen. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. er is geen sprake van planologische en/of milieuhygiënische belemmeringen; b. er moet worden aangetoond dat de afwijking noodzakelijk is vanuit landschappelijk of stedenbouwkundig belang op basis van de onderliggende bestemming, danwel een algemeen maatschappelijk belang; c. de landschappelijke, stedenbouwkundige en/of cultuurhistorische kenmerken van (bouwwerken in) de directe omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast door toepassing van de afwijkingsbevoegdheid; d. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering; e. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit lid 12.2.
9.5 Vrijwaringszone - invliegfunnel Binnen de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - invliegfunnel' is het niet toegestaan om enig bouwwerk te bouwen, houtopstanden aan te brengen, beplanting aan te brengen of de bodem op te hogen tot meer dan 45 m1 boven NAP. 9.6 Vrijwaringszone - watergang 9.6.1 Algemeen De gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - watergang' zijn, behalve voor de daar voorkomende enkel- en/of dubbelbestemmingen, mede bestemd voor het beheer en onderhoud van de ter plaatse gelegen A-waterloop door het betreffende waterschap. 9.6.2 Bouwregels Op gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - watergang' is het, in afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemming(en), verboden enig bouwwerk te bouwen. 9.6.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 9.6.2 voor het bouwen overeenkomstig de daar voorkomende enkel- en/of dubbelbestemming(en) indien de belangen van de watergang niet worden geschaad. Het bevoegd gezag wint hier voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de betrokken beheerder van de watergang.
49
ARTIKEL 10 ALGEMENE WIJZIGINGSREGELS 10.1 Wijziging voor het in overeenstemming brengen met de Omgevingsverordening Burgemeester en wethouders kunnen de regels en de verbeelding van het plan wijzigen om deze in overeenstemming te brengen met de rechtstreeks werkende regels en/of de instructieregels voor de gemeenten van de (interim) Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a.
de wijziging kan uitsluitend worden toegepast op grond van: 1. wijziging van de regels en/of verbeelding uit de (interim) Omgevingsverordening voor zover dit een aanpassing van reeds bestaande aanduidingen en/of regels uit de (interim) Omgevingsverordening betreft; en/of 2. toevoeging van nieuwe rechtstreeks werkende regels en/of aanduidingen in de (interim) Omgevingsverordening; b. de wijziging van de regels en/of verbeelding van het plan kan pas worden vastgesteld door het bevoegd gezag, nadat de aanpassing(en) van de (interim) Omgevingsverordening in werking zijn getreden; c. de wijziging van de regels en/of verbeelding van het plan kan worden gecombineerd met andere wijzigingsbevoegdheden, zoals opgenomen in het plan.
50
ARTIKEL 11 VOORRANGSREGELING DUBBELBESTEMMINGEN EN AANDUIDINGEN 11.1 Voorrangsregeling dubbelbestemmingen Wanneer gronden in het plan tevens zijn aangewezen voor één of meer dubbelbestemmingen moeten, indien sprake is van strijdigheid tussen de verschillende regels, de volgende voorrangsregels in acht worden genomen: a.
de regels in de dubbelbestemming(en) die van toepassing zijn gaan vóór de regels die in andere bestemmingen voor de gronden gelden; b. indien voor gronden meerdere dubbelbestemmingen van toepassing zijn, geldt het strengste regiem ten aanzien van al deze dubbelbestemmingen; c. ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie' geldt dat, zolang het 'Natuur Netwerk Brabant' niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en het bestaande planologische gebruik is toegestaan. 11.2 Voorrangsregeling gebiedsaanduidingen In geval van strijdigheid tussen de verschillende regels en de regels van de gebiedsaanduiding 'overige zone - stalderingsgebied', zoals opgenomen in lid 8.2 , gaan de regels van de gebiedsaanduiding 'overige zone - stalderingsgebied' vóór de regels die op grond van andere artikelen op de gronden van toepassing zijn.
51
ARTIKEL 12 OVERIGE REGELS 12.1 Hydrologisch neutraal ontwikkelen a.
Alle gronden binnen het plangebied zijn mede bestemd voor het behoud, herstel en/of versterking van de waterhuishoudkundige waarden. b. Regenwater dient op eigen terrein te worden opgevangen en verwerkt. c. Uitgangspunt voor 'omgaan met afstromend hemelwater' is de voorkeursvolgorde: hergebruik – vasthouden – bergen – afvoeren. d. Indien het toepassen van de in dit bestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden resulteren in een toename aan verhard oppervlak, vindt in alle gevallen een toets plaats aan de eis dat er sprake moet zijn van hydrologisch neutraal ontwikkelen conform de Keur, beleidsregels en algemene regels van het betreffende waterschap. Het bevoegd gezag wint in die gevallen advies in van het betrokken waterschap. 12.2 Waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit 12.2.1 Algemeen a.
Een ruimtelijke ontwikkeling draagt bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het bij de ontwikkeling betrokken gebied en de naaste omgeving en in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: 1. alle gronden binnen het plangebied zijn mede bestemd voor landschapsopbouw in de vorm van een landschappelijke inpassing en voor het behoud, herstel en/of versterking van de waterhuishoudkundige waarden; 2. nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn alleen toegestaan als deze niet leiden tot een onevenredige aantasting van natuur- en landschapswaarden, cultuurhistorische en aardkundige waarden; 3. de landschappelijke inpassing moet in een redelijke verhouding staan tot de aard en omvang van de desbetreffende ruimtelijke ontwikkeling. b. Alle ruimtelijke ontwikkelingen die op basis van de Landschapsinvesteringsregeling gemeente Someren als categorie 2 of 3 ontwikkeling worden aangemerkt, moeten vergezeld gaan van een landschappelijk inpassingsplan, dat voldoet aan het beeldkwaliteitsplan buitengebied. 12.2.2 Principe van zorgvuldig ruimtegebruik a.
Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, als bedoeld in lid 12.2.1 sub a, houdt in ieder geval in dat: b. in geval van vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat eerst gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing; c. uitbreiding van het toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden; d. uitbreiding van het toegestane ruimtebeslag dient aansluitend aan de bestaande bebouwing plaats te vinden in het kader van concentratie van bebouwing en zuinig ruimteg
52
12.3 Waarborgen van de belangen van derden en andere aanwezige waarden Het toepassen van de in dit bestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden is slechts toegestaan, indien is aangetoond dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van andere aanwezige waarden en belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven. 12.4 Parkeren, laden en lossen 12.4.1 Algemeen Ten behoeve van het gebruik in relatie tot de omvang van het gebruik, moet een ontwikkeling voorzien in voldoende parkeergelegenheid, als ook (verkeers)ruimte voor het laden en lossen van goederen, met dien verstande dat: a.
dit alleen van toepassing is wanneer sprake is van nieuwbouw, herbouw, uitbreiding, binnenplanse afwijking en/of een (functie)wijziging; b. de noodzakelijke parkeervoorzieningen en verkeersruimte(n) als dusdanig en feitelijk voor onbepaalde tijd in stand moeten worden gehouden; c. voor het bepalen van het benodigde aantal parkeerplaatsen en verkeersruimte(n) worden de parkeerkencijfers en parkeernormen van het CROW gebruikt; d. de te realiseren voorzieningen mogen zich in, op of onder een gebouw, dan wel op of onder het daarbij behorende bouwperceel bevinden, doch uitsluitend binnen het geldende bestemmingsvlak of, in het geval van een agrarisch bedrijf, binnen het bouwvlak. 12.4.2 Afwijken van de parkeernorm in verband met bijzondere omstandigheden Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 33.4.1 voor wat betreft de te hanteren parkeernorm(en) indien het voldoen aan de parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, dan wel naar het oordeel van het bevoegd gezag op andere wijze in de benodigde parkeergelegenheid wordt voorzien.
12.4.3 Afwijken van de parkeernorm en/of ruimte voor laden en lossen in verband met een andere wijze van oplossen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 12.4.1 voor wat betreft het realiseren van voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor het laden en lossen van goederen op eigen terrein indien op een andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. 12.4.4 Minimale afmeting van parkeerplaatsen Een ruimte voor het parkeren van voertuigen moet tenminste de afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s c.q. bedrijfswagens. Hierbij gelden de volgende minimale afmetingen: a.
voor een voor gehandicapten gereserveerde parkeerruimte voor personenauto’s: 1. bij haaksparkeren: ten minste 3,50 m1 bij 5,00 m1; 2. bij langsparkeren: niet mogelijk en toepasbaar; b. voor een reguliere parkeerruimte voor personenauto’s: 1. bij haaksparkeren: ten minste 2,50 m1 bij 5,00 m1; 53
c.
2. bij langsparkeren: ten minste 1,80 m1 bij 5,50 m1; voor parkeren ten behoeve van bedrijfswagens moet de benodigde parkeerbehoefte en – ruimte op basis van de bedrijfsvoering en/of een melding Activiteitenbesluit danwel Omgevingsvergunning milieu concreet in beeld worden gebrach
54
4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS ARTIKEL 13 OVERGANGSRECHT 13.1 Overgangsrecht bouwwerken a.
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder sub a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder sub a met maximaal 10%. c. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 13.2 Overgangsrecht gebruik a.
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, zoals bedoeld onder sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
55
ARTIKEL 14 SLOTREGEL Deze regels worden aangehaald als:
Regels van het bestemmingsplan 'Eindje 6, Lierop'.
Behoort bij het besluit van de raad van de gemeente Someren van ____________
Mij bekend,
de raadsgriffier
56