CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Regels

Gemeenteraad 12 september 2024, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen herstelbesluit bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 242.340 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Afwijken ten behoeve van buitenrijbaan voor paarden Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.1a voor het oprichten van een buitenrijbaan voor paarden. Hierbij gelden tenminste de volgende randvoorwaarden: a. er is maximaal één buitenrijbaan toegestaan, behorende bij de direct aansluitende bestemming 'Wonen' of daarmee gelijk te stellen bestemming; b. per aangrenzend bestemmingsvlak is maximaal één buitenrijbaan toegestaan; c. de buitenrijbaan is uitsluitend voor hobbymatig gebruik toegestaan; d. de afstand tot een (bedrijfs-)woning van een derde bedraagt minimaal 50 m¹; e. de oppervlakte bedraagt maximaal 1.200 m²; f. de bouwhoogte van de terreinafscheiding bedraagt maximaal 1,5 m¹; g. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 6 m¹; h. maximaal 4 lichtmasten zijn toegestaan; i. binnen een afstand van 100 m¹ van gronden met de bestemming 'Natuur' zijn geen lichtmasten toegestaan; j. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2.

3.3.3

Afwijken ten behoeve van terreinafscheidingen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.1c voor een grotere bouwhoogte van terreinafscheidingen tot maximaal 2,5 m¹. Hierbij gelden tenminste de volgende randvoorwaarden: a. de terreinafscheiding is noodzakelijk ten dienste van de in artikel 3.1 genoemde bestemming; b. aangetoond is dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van de omliggende waarden en functies, hetgeen onder andere betekent dat de terreinafscheiding passend is in het landschap; c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2.

3.4

Specifieke gebruiksregels

3.4.1

Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het in gebruik nemen en/of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor een doel of op een wijze, die in strijd is met de in dit plan daaraan gegeven bestemming en/of: a. het aanleggen van mest- of waterbassins van folie; b. het aanleggen van oppervlakteverhardingen; c. het verwijderen van groen ter plaatse van de functieaanduiding ‘groenvoorziening’; d. het plaatsen van zeecontainers; e. het gebruik van gronden en/of opstallen voor erotische dienstverlening; f. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van opslag, stort of lozing; g. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van handel, detailhandel of bedrijf;

26

Herstelbesluit Buitengebied Deelgebied 2

gemeente Someren

h. het gebruik van gronden en/of opstallen voor dag- of verblijfsrecreatie; i. het gebruik van gronden en/of opstallen voor bewoning; j. het gebruik van gronden en/of opstallen voor kuilvoeropslag, (sleuf)silo’s of mestopslagsilo’s; k. het gebruik van gronden voor permanente teeltondersteunende voorzieningen; l. het gebruik van gronden en/of opstallen voor lawaaisporten; tenzij de regels van dit bestemmingsplan expliciet bepalen dat bovenstaande gebruik wel is toegestaan of een vergunning is verleend in afwijking op bovenstaande. 3.4.2

Landschappelijke inpassing Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 201’ dient de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 4 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan te zijn uitgevoerd en vervolgens in stand te worden gehouden.

3.5

Afwijken van de gebruiksregels

3.5.1

Afwijken ten behoeve van het aanleggen van verharding Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.1b voor het aanbrengen van oppervlakteverhardingen. Het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, danwel het aanbrengen van overige oppervlakteverhardingen kan worden toegestaan indien: a. dit ten dienste staat van de doeleinden die zijn genoemd in artikel 3.1; b. de ontwikkeling voorziet in een hydrologische afweging op basis van het principe ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’, zoals opgenomen in artikel 34.1; c. er geen oneigenlijke vergroting van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ plaatsvindt; d. de maximaal toelaatbare oppervlakteverharding voor veepaden op agrarische huiskavels bedraagt 400 m²; e. de maximaal toelaatbare oppervlakteverharding voor overige verhardingen bedraagt 200 m²; f. per aaneengesloten agrarisch perceel kan slechts eenmalig een vergunning worden verleend voor het aanleggen van een oppervlakteverharding. g. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2.

3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. 3.6.1

Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem; b. het graven, dempen dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; c. het verwijderen van landschapselementen; d. het verwijderen van erfbeplanting ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 201’ ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 202’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 208’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 210’, ‘specifieke vorm van groen landschappelijke inpassing 216’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 217’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 218’, ‘specifieke vorm van

27

Herstelbesluit Buitengebied Deelgebied 2

gemeente Someren

groen - landschappelijke inpassing 221’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 222’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 226’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 250’ en ‘specifieke vorm van groen landschappelijke inpassing 254’ waarvan de aanleg in het kader van een vergunningverlening of bestemmingsplanherziening verplicht is gesteld; e. het verwijderen van onverharde wegen of paden. 3.6.2

Uitzondering Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.6.1 is niet vereist voor: a. werken of werkzaamheden die vallen onder het normale onderhoud en beheer van de gronden overeenkomstig de bestemming dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn dan wel op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan nog mogen worden uitgevoerd op basis van een eerder verleende vergunning.

3.6.3

Toelaatbaarheid De in artikel 3.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien: a. de werken en/of werkzaamheden verband houden met de doeleinden, die aan de geldende bestemming zijn toegekend; b. het uitvoeren van deze werken of werkzaamheden noch direct noch indirect onevenredige afbreuk doet aan de waarden en kwaliteiten van de desbetreffende gronden en de mogelijkheden voor herstel van deze waarden en kwaliteiten niet (onevenredig) worden verkleind, zoals omschreven in: 1. de (dubbel)bestemming met eventuele aanduiding(en); 2. de specifieke erfbeplantingsplannen; 3. in het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011.

3.7

Wijzigingsbevoegdheden

3.7.1 Wijziging naar ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ ten behoeve van voorzieningen voor de opslag van ruwvoer voor een veehouderij Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Agrarisch’ wijzigen in de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch opslag ruwvoer’ voor het oprichten van voerplaten, sleufsilo’s of andere voorzieningen voor de opslag van ruwvoer tot een oppervlakte van ten hoogste 0,5 hectare - niet zijnde gebouwen - voor een veehouderij. Deze bevoegdheid geldt slechts wanneer er sprake is van een grondgebonden veehouderij. Hierbij gelden daarnaast de volgende voorwaarden: a. de bedoelde voorziening moet direct aansluiten aan een bestemmingsvlak dat een veehouderij mogelijk maakt; b. het bedrijf is vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate aangewezen op de opslag van ruwvoer; c. de bedoelde voorziening is noodzakelijk voor de agrarische bedrijfsvoering; d. de ruimte is binnen het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ aantoonbaar niet aanwezig; e. het totale oppervlak van de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ na realisatie bedraagt niet meer dan 2,0 hectare; f. de voorzieningen mogen alleen gebruikt worden voor de opslag van ruwvoer; g. de hoogte van de bouwwerken geen gebouwen zijnde is maximaal 2 m¹; h. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹; i.

de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m¹; j. 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - opslag ruwvoer’ wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing conform de bepalingen uit artikel 34.2.

28

Herstelbesluit Buitengebied Deelgebied 2

gemeente Someren

3.7.2 Wijziging naar ‘Agrarisch’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch teeltondersteunende voorzieningen’ Burgemeester en wethouders kunnen aan de bestemming ‘Agrarisch’ de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen’ toekennen voor het realiseren van permanente teeltondersteunende voorzieningen anders dan kassen. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. het differentiatievlak met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch teeltondersteunende voorzieningen’ sluit direct aan op een bestemmingsvlak ‘Agrarisch Agrarisch bedrijf’ of ‘Agrarisch - Glastuinbouw’ ten behoeve waarvan de teeltondersteunende voorzieningen worden gerealiseerd; b. de oppervlakte van het differentiatievlak met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen’ is maximaal 4 hectare; c. in afwijking van het bepaalde in sub b, is in de groenblauwe mantel de oppervlakte van het differentiatievlak met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch teeltondersteunende voorzieningen’ maximaal 3 hectare; d. de teeltondersteunende voorzieningen zijn ook op langere termijn noodzakelijk uit een oogpunt van de agrarische bedrijfsvoering. Ter zake wordt het advies van de AAB ingewonnen; e.

wanneer permanente voorzieningen resulteren in een aaneengesloten afwaterend oppervlak, dienen deze te worden voorzien van een bergings- c.q. infiltratievoorziening, zoals opgenomen in de waterparagraaf; f. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, hydrologische, cultuurhistorische en/of abiotische waarden worden niet onevenredig aangetast; g. permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan ter plaatse van het Natuur Netwerk Brabant; h. de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2. 3.7.3 Wijziging naar ‘Agrarisch’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie minicamping’ Burgemeester en wethouders kunnen aan de bestemming ‘Agrarisch’ de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - minicamping’ toevoegen ten behoeve van de realisatie of uitbreiding van een minicamping. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. het betreft uitsluitend recreatief medegebruik voor kleinschalig kamperen op gronden die direct aansluiten aan een bestemmingsvlak, indien er geen ruimte is binnen het bestemmingsvlak, waar een minicamping al is toegestaan dan wel in combinatie met onderhavige wijziging via een omgevingsvergunning wordt toegestaan; b. per minicamping zijn maximaal 25 kampeermiddelen toegestaan.

Stacaravans en trekkershutten, zijn niet toegestaan en slechts toelaatbaar binnen de aangrenzende bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf', 'Bedrijf' of 'Wonen'; c. parkeer- en ondersteunende voorzieningen, zoals op sanitair gebied, zijn niet toegestaan en slechts toelaatbaar binnen de aangrenzende bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf', 'Bedrijf' of 'Wonen'; d. de afstand tot de as van de weg dient ten minste 20 m¹ te zijn; e. de afstand tot woningen van derden dient ten minste 50 m¹ te zijn; f. de afstand tot de bestemmingsgrens dient ten minste 5 m¹ te zijn; g. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; h. de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2. 3.7.4

Wijziging naar 'Natuur' en/of ‘Water’ Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Agrarisch’ wijzigen in de bestemming ‘Natuur’ of ‘Water’ ten behoeve van de ontwikkeling van nieuwe natuur- en/of

29

Herstelbesluit Buitengebied Deelgebied 2

gemeente Someren

landschapselementen. Hierbij geldt de randvoorwaarde dat er geen afbreuk wordt gedaan aan andere belangen in de omgeving, zoals agrarische belangen. 3.7.5 Wijziging van ‘Agrarisch’ naar ‘Agrarisch’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing’ Burgemeester en wethouders kunnen aan de bestemming ‘Agrarisch’ de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing’ toevoegen ten behoeve van de realisatie van landschappelijke inpassing. Hierbij geldt de voorwaarde dat de inpassing direct aansluit bij het bestemmingsvlak waar een ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. 3.7.6

Wijziging van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’ (voor een Ruimte voor Ruimte-woning) Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de bestemming ‘Agrarisch’ ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘wetgevingszone - wijzigingsgebied’ te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ ten behoeve van het oprichten van een Ruimte voor Ruimtewoning. Hierbij gelden tenminste de volgende randvoorwaarden: a. er is een bouwtitel Ruimte voor Ruimte aanwezig, samengesteld conform de geldende regelgeving in dit kader; b. de uitbreidingsmogelijkheden van omliggende functies mogen niet worden belemmerd door de wijziging; c. de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2. d. de overige regels zoals neergelegd in Artikel 18 ‘Wonen’ zijn van overeenkomstige toepassing op de nieuw te bouwen woning.

30

Herstelbesluit Buitengebied Deelgebied 2

Artikel 4 4.1

gemeente Someren

Agrarisch - Agrarisch bedrijf Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf met de bijbehorende bedrijfsbebouwing, niet zijnde een veehouderij of een glastuinbouwbedrijf; b. productiegerichte paardenhouderijen; c. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij’ is tevens een veehouderij toegestaan; d. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning’ is tevens het wonen in de bedrijfswoning door derden die geen relatie hebben met het agrarisch bedrijf toegestaan; e. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - opslag ruwvoer’ is het oprichten van voerplaten, sleufsilo’s of andere voorzieningen voor de opslag van ruwvoer toegestaan; f.

ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 215’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 218’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 221’, ‘specifieke vorm van groen landschappelijke inpassing 228’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 233’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 242’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 243’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 250’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 251’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 257’ en ‘specifieke vorm van groen landschappelijke inpassing 258’ zijn de gronden bestemd voor het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen en verhardingen; g. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van verkeer - toegangsweg’ is uitsluitend een toegangsweg toegestaan; h. bedrijfswoning(en), tenzij anders aangeduid. Binnen bestemmingsvlakken waar een bedrijfswoning is toegestaan, zijn aan huis verbonden beroepen toegestaan conform de bepalingen in artikel 4.4.2; i. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - machinale houtzagerij 200’ is een machinale houtzagerij toegestaan, met maximale milieucategorie 3.2; j.

ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - niet-agrarische nevenfunctie 200’ een kleinschalige nevenactiviteit in de vorm van een hekwerkbedrijf in milieucategorie 2 met een maximale gebruiksoppervlakte van 197 m²; k. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - niet-agrarische nevenfunctie 201’ een kleinschalige nevenactiviteit in de vorm van een elektrotechnisch bedrijf in milieucategorie 2 met een maximale gebruiksoppervlakte van 225 m²; l. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk kinderopvang’ is kinderopvang toegestaan; m. mestbewerking ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest afkomstig van een op dezelfde locatie gevestigde veehouderij; n. mestopslagsilo’s; o. voer- en mestplaten, mest- of waterbassins van folie; p. permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen; q. water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van water, waterberging en infiltratie; r. verhardingen, parkeerplaatsen en parkeervoorzieningen; s. landschapselementen; t. groenvoorzieningen; u. tuinen en erven; v. erfbeplanting;

31

Herstelbesluit Buitengebied Deelgebied 2

gemeente Someren

w. verkoop van ter plaatse geproduceerde producten is als ondergeschikte functie toegestaan met dien verstande dat de bruto vloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 50 m²; x. extensief recreatief medegebruik.

4.2

Bouwregels

4.2.1

Algemeen a. Op of in de voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de in artikel 4.1 genoemde bestemming. b. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 215’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 218’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 221’, ‘specifieke vorm van groen landschappelijke inpassing 228’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 233’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 242’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 243’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 250’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 251’, ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 257’ en ‘specifieke vorm van groen landschappelijke inpassing 258’ is het oprichten van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde en het aanleggen van verhardingen niet toegestaan. Perceelsgedeelten met deze functieaanduidingen worden niet aangemerkt als erf, zoals bedoeld in artikel 1, bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht. c. Ter plaatse van de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding uitgesloten bedrijfsbebouwing’ is het oprichten van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf niet toegestaan. d.

Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van verkeer - toegangsweg’ is het oprichten van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde niet toegestaan. e. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - opslag ruwvoer’ is het is het oprichten van gebouwen niet toegestaan. f. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘rijbak’ is het oprichten van gebouwen niet toegestaan. g. De ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2. h. De oppervlakte voor bebouwing, verharding en andere voorzieningen mag maximaal 90% van het bestemmingsvlak bedragen zodat er 10% overblijft voor de groene erfinrichting/landschappelijke inpassing.

4.2.2

Algemene bouwregels bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen: 1. de maximaal toegestane goothoogte is 4,5 m¹; 2. de maximaal toegestane bouwhoogte is 10 m¹; 3. de dakhelling dient tussen de 20 graden en 60 graden te zijn; 4. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹; 5. de afstand tot de as van de weg is ten minste 20 m¹; 6. de maximaal toegestane oppervlakte voor teeltondersteunende kassen is 1.000 m². Het vorenstaande geldt niet voor gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde Groenblauwe mantel’. Daar mogen geen teeltondersteunende kassen worden gebouwd of uitgebreid; 7. de teeltondersteunende kassen dienen te worden voorzien van een bergings- c.q. infiltratievoorziening die aantoonbaar voldoende capaciteit heeft en voldoet aan de criteria zoals omschreven in de waterparagraaf van het onderhavige bestemmingsplan; 8. ter plaatse van de maatvoering ‘maximum oppervlakte bedrijfsgebouwen’ is uitsluitend die specifieke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen toegestaan; 9. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - machinale houtzagerij 200’ mag een oppervlakte van maximaal 230 m² gebruikt worden ten behoeve van de machinale houtzagerij;

32

Herstelbesluit Buitengebied Deelgebied 2

gemeente Someren

10. een toename van de oppervlakte bedrijfsbebouwing bij een niet grondgebonden veehouderij ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone - beperkingen veehouderij’ is niet toegestaan, zoals opgenomen onder artikel 4.2.4; 11. een toename van de oppervlakte dierenverblijven is niet toegestaan. 4.2.3

Bouwwerken geen gebouwen zijnde voor agrarische doeleinden Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van agrarische doeleinden gelden de volgende bepalingen: a. reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden naamsaanduiding, waarbij de positionering, maatvoering, verschijningsvorm, materiaal, kleur en detaillering past bij de uitvoering van de activiteit en de omgeving; b. de bouwhoogte van torensilo's is maximaal 15 m¹ met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹; c. de bouwhoogte van luchtwassers en combi-wassers is maximaal 10 m¹ met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹; d. de goot- en bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van mestbewerking en mestverwerking ten behoeve van het eigen agrarische bedrijf mag niet meer bedragen dan respectievelijk 6 m¹ en 10 m¹ met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹; e. de bouwhoogte van mestsilo's mag niet meer bedragen dan 6 m¹ met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹ en een afstand van ten minste 20 m¹ tot de as van de weg; f. de bouwhoogte van sleufsilo's mag niet meer bedragen dan 2,5 m¹ met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹ en een afstand van ten minste 20 m¹ tot de as van de weg; g.

de bouwhoogte van antenne- en lichtmasten mag niet meer bedragen dan 8 m¹ met een afstand van ten minste 5 m¹ tot de bestemmingsgrens en een afstand van ten minste 20 m¹ tot de as van de weg; h. de bouwhoogte van andere bouwwerken, met uitzondering van erfafscheidingen, is maximaal 2,5 m¹ met een afstand tot de bestemmingsgrens van ten minste 5 m¹; i. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - opslag ruwvoer’, is maximaal 2 m¹; j. de bouwhoogte van erfafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn mag maximaal 1 m¹ zijn en voor het overige maximaal 2 m¹; k. de bouwhoogte van constructies voor het leiden van bomen mag niet meer bedragen dan 5 m¹, met dien verstande dat constructies voor het leiden van bomen op niet minder dan 0,5 m¹ uit de perceelsgrens mogen worden gebouwd, waarbij de bomen vanaf het eigen perceel gesnoeid moeten kunnen worden en er geen sprake mag zijn van overhangende takken over de perceelsgrens.

4.2.4 Verbod op uitbreiding bedrijfsbebouwing bij een veehouderij binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij’ a. Binnen de gebiedsaanduiding ‘overige zone - beperkingen veehouderij’ is het verboden om: 1. de bestaande oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, uit te breiden; 2. de bestaande oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde uit te breiden. b. Als bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde geldt de oppervlakte die: 1. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; of 2. mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning. c. Het verbod zoals opgenomen in het bepaalde onder a geldt niet voor een grondgebonden veehouderij. 4.2.5

Bedrijfswoningen/plattelandswoningen Ten aanzien van bedrijfswoningen en plattelandswoningen gelden de volgende bepalingen:

33

Herstelbesluit Buitengebied Deelgebied 2

gemeente Someren

a. per bestemmingsvlak is één bedrijfswoning toegestaan tenzij anders aangeduid ter plaatse van de maatvoering 'maximum aantal wooneenheden'; b. ter plaatse van de bouwaanduiding ‘twee-aaneen’ zijn uitsluitend aaneen gebouwde woningen toegestaan; c. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' is gebruik van de (voormalige) bedrijfswoning als plattelandswoning toegestaan; d. bij herbouw mag de bedrijfswoning of plattelandswoning uitsluitend gesitueerd worden ter plaatse van de bestaande fundering en als er sprake is van uitbreiding daar direct op aansluitend; e. bij bouw en herbouw dient te worden aangetoond dat de bedrijfswoning noodzakelijk is vanuit bedrijfseconomisch oogpunt, door middel van een advies van de AAB, waarbij de noodzaak van (her)bouw niet het gevolg mag zijn van een eerder aanwezige maar inmiddels afgestoten bedrijfswoning; f. herbouw van een cultuurhistorisch waardevolle woning is alleen mogelijk indien dit is gericht op behoud en/of herstel van de cultuurhistorische waarden; g. de bedrijfswoning of plattelandswoning mag een inhoud hebben van maximaal 750 m³. De inhoud van een kelder wordt niet meegeteld; h.

indien de inhoud van de bestaande bedrijfswoning of plattelandswoning op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan op basis van een eerder verleende vergunning al meer bedraagt of mag bedragen, dan geldt deze inhoud, als maximaal toegestaan. Bij herbouw geldt dat de woning tot maximaal de vergunde inhoud mag worden teruggebouwd; i. voor een cultuurhistorisch waardevolle woning geldt de totale inhoud van het oorspronkelijk opgerichte pand waaraan cultuurhistorische en/of monumentale waarden aan toegekend zijn op grond van een deskundigenrapport als de maximaal toegestane inhoud; j. de maximaal toegestane goothoogte is 6 m¹; k. de maximaal toegestane bouwhoogte is 10 m¹; l. de dakhelling dient tussen de 20 graden en 60 graden te zijn; m. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹; n. de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m¹. 4.2.6

Bijgebouwen ten behoeve van de bedrijfswoning/plattelandswoning Ten aanzien van bijgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. per bedrijfswoning of plattelandswoning is een bijgebouw toegestaan met een oppervlakte van maximaal 100 m²; b. in afwijking van het bepaalde onder a. is ter plaatse van de maatvoering ‘maximum oppervlakte bijgebouw’ die specifieke oppervlakte toegestaan; c. de maximaal toegestane goothoogte is 3 m¹; d. de maximaal toegestane bouwhoogte is 5,5 m¹; e. de dakhelling dient tussen de 20 graden en 60 graden te zijn; f. bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 1 m¹ achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd; g. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹; h. de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m¹; i. de maximale afstand tussen een vrijstaand bijgebouw en de woning bedraagt 20 m¹; j. het bepaalde in sub i geldt niet indien de bestaande afstand van een vergund of krachtens overgangsrecht toegelaten bijgebouw tot de woning al meer bedraagt, dan geldt deze afstand voor dit gebouw als maximaal toegestaan; k. bij volledige sloop en herbouw van een bijgebouw geldt 20 m¹ als maximale afstand tussen het bijgebouw en de woning, ongeacht de (afwijkende) situering van de te slopen bebouwing als bedoeld in sub j.

4.2.7

Bouwwerken geen gebouwen zijnde behorende bij bedrijfswoning/plattelandswoning Ten aanzien van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:

34

Herstelbesluit Buitengebied Deelgebied 2

gemeente Someren

a. per bedrijfswoning of plattelandswoning mag één overkapping worden gebouwd met de volgende maatvoering: 1. oppervlakte niet meer dan 20 m²; 2. bouwhoogte niet meer dan 3 m¹; 3. de overkapping dient op een afstand van ten minste 1 m¹ achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd; 4. afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹; 5. de afstand tot de as van de weg is ten minste 15 m¹; 6. de maximale afstand tussen de overkapping en de woning bedraagt 20 m¹; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn mag maximaal 1 m¹ zijn en voor het overige maximaal 2 m¹; c. de bouwhoogte van constructies voor het leiden van bomen mag niet meer bedragen dan 5 m¹, met dien verstande dat constructies voor het leiden van bomen op niet minder dan 0,5 m¹ uit de perceelsgrens mogen worden gebouwd, waarbij de bomen vanaf het eigen perceel gesnoeid moeten kunnen worden en er geen sprake mag zijn van overhangende takken over de perceelsgrens; d. in afwijking van het bepaalde onder sub a tot en met sub c mag de bouwhoogte van overige bouwwerken maximaal 2,5 m¹ bedragen en moet de afstand tot de bestemmingsgrens van deze bouwwerken ten minste 5 m¹ bedragen.

4.3

Afwijken van de bouwregels

4.3.1

Afwijken voor een toename van oppervlakte dierenverblijven bij veehouderijen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2k voor de uitbreiding van een veehouderij bestaande uit de toename van de bestaande oppervlakte van de dierenverblijven, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. er sprake is van een zorgvuldige veehouderij die voldoet aan de Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij en de nadere regels zoals die door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld in de Interim omgevingsverordening, waarbij de maatregelen die worden getroffen vervolgens in stand worden gehouden; b. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden en de omgeving bij de planontwikkeling; c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in de Interim omgevingsverordening, inpasbaar is in de omgeving; d. mestbewerking ter plaatse alleen is toegestaan ten behoeve van de binnen het bouwvlak geproduceerde mest; e.

is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder, (achtergrondbelasting) in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; f. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m³; g. is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie vanuit het desbetreffende agrarisch bedrijf of de betreffende gronden, ten opzichte van de referentiesituatie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en); h. ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone - stalderingsgebied’ gelden voor de uitbreiding van de oppervlakte van de dierenverblijven ten behoeve van een hokdierhouderij de aanvullende eisen zoals gesteld in artikel 31.6; i. binnen de dierenverblijven mogen dieren - al dan niet in hokken - alleen op de grond gehouden worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden;

35

Herstelbesluit Buitengebied Deelgebied 2

gemeente Someren

j. de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2. k. dit artikel is niet van toepassing indien sprake is van een geitenhouderij; l. dit artikel is niet van toepassing op veehouderijen, niet zijnde grondgebonden, binnen de gebiedsaanduiding ‘overige zone - beperkingen veehouderij’. 4.3.2

Afwijkende dakhelling Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2c voor een afwijkende dakhelling. Een bedrijfsgebouw mag worden uitgevoerd met een plat dak indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er moet sprake zijn van een noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering; b. de stedenbouwkundige kenmerken van de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen van artikel 34.2.

4.3.3

Afwijkende goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2a en/of 4.2.2b ten behoeve van een afwijkende goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat de goothoogte maximaal 10 m¹ mag bedragen en de bouwhoogte maximaal 12,5 m¹ mag bedragen. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. er moet sprake zijn van een noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling. Dit moet worden aangetoond door middel van een advies van de AAB; b. de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de bedrijfsgebouwen in de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2.

4.3.4

Afstand tot bestemmingsgrens Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2d, 4.2.3b t/m h, 4.2.5m, 4.2.6g, 4.2.7a.4) en/of 4.2.7d ten behoeve van de bouw van bedrijfsgebouwen, een bedrijfswoning, bijgebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde op een kortere afstand dan 5 m¹ tot de bestemmingsgrens. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. de ontwikkelingsmogelijkheden van (niet-)agrarische bedrijven in de nabijheid mogen niet worden belemmerd; b. er dient te worden aangetoond dat de afwijking voldoet aan de eisen die gelden in het kader van het woon- en leefklimaat; c. er dient te worden aangetoond dat de afwijking noodzakelijk is; d. indien sprake is van afwijking van het bepaalde in artikel 4.2.2d en/of 4.2.3b t/m h dient te worden aangetoond dat de afwijking noodzakelijk is vanuit bedrijfseconomisch oogpunt; e. de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de bouwwerken in de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; f. de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2.

4.3.5

Torensilo Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.3b, ten behoeve van de bouw van torensilo’s hoger dan 15 m¹. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. de bouwhoogte mag maximaal 25 m¹ zijn; b. er moet sprake zijn van een noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling. Dit moet worden aangetoond door middel van een advies van de AAB; c. de landschappelijke of andere waarden van de omliggende gronden mogen niet onevenredig worden aangetast; d. de silo's worden geïntegreerd in de bedrijfsbebouwing;

36

Herstelbesluit Buitengebied Deelgebied 2

gemeente Someren

e. de silo's dienen aan de achterkant van de bedrijfsbebouwing te worden gerealiseerd. Indien de doelmatigheid van de bedrijfsvoering dit niet toestaat, dienen de silo's zover mogelijk van de as van de weg geplaatst te worden, maar minimaal 30 m¹ van de as van de weg; f. de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2. 4.3.6

Terreinafscheidingen/erfafscheidingen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.3j en/of 4.2.7b met betrekking tot de bouwhoogte van terreinafscheidingen tot maximaal 2,5 m¹. Hierbij gelden tenminste de volgende randvoorwaarden: a. de terreinafscheiding is noodzakelijk ten dienste van de in artikel 4.1 genoemde bestemming; b. aangetoond is dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van de omliggende waarden en functies, hetgeen onder andere betekent dat de terreinafscheiding passend is in het landschap; c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2.

4.3.7

Herbouw bedrijfswoning/plattelandswoning Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.5d ten behoeve van de herbouw van een bedrijfswoning of plattelandswoning op een andere plaats binnen het bestemmingsvlak. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. de nieuwe locatie ligt niet minder dan 5 m¹ van de bestemmingsgrens en niet minder dan 15 m¹ uit de as van de weg waaraan wordt gebouwd; b. in het geval van de herbouw van een plattelandswoning, dient herbouw plaats te vinden binnen de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'; c. de bedrijfswoning of plattelandswoning wordt gebouwd ter vervanging van de bestaande bedrijfswoning of plattelandswoning; d. de ontwikkelingsmogelijkheden van (niet-)agrarische bedrijven in de nabijheid van de woning mogen niet worden belemmerd; e. de stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van de woning in zijn omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; f. met de nieuwe situering is sprake van een milieukundige en ruimtelijke kwaliteitsverbetering; g. de sloop van de oorspronkelijke bedrijfswoning of plattelandswoning is duurzaam verzekerd; h.

er dient te worden aangetoond dat de bedrijfswoning noodzakelijk is vanuit bedrijfseconomisch oogpunt, waarbij de noodzaak van herbouw niet het gevolg mag zijn van een eerder aanwezige maar inmiddels afgestoten bedrijfswoning; i. bij herbouw van een plattelandswoning dient te worden aangetoond dat de nieuwe locatie voldoet aan de eisen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; j. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2.

4.4

Specifieke gebruiksregels

4.4.1

Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het in gebruik nemen of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor een doel of op een wijze, die in strijd is met de in dit plan daaraan gegeven bestemming en/of: a. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens voor erotische dienstverlening; b. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van (buiten)opslag, stort of lozing, anders dan voor de agrarische bedrijfsvoering;

37

Herstelbesluit Buitengebied Deelgebied 2

gemeente Someren

c. het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van handel of detailhandel; d. het gebruik van gronden en/of opstallen voor dag- of verblijfsrecreatie; e. het gebruik van gronden en/of opstallen voor andere bedrijfsdoeleinden dan volgens de bestemmingsomschrijving zijn toegestaan; f. het gebruik van gronden en/of opstallen voor de vestiging van, uitbreiding van en/of omschakeling naar een geitenhouderij, waarbij sprake is van toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijven voor de geitenhouderij. Hierbij wordt onder ‘de bestaande oppervlakte dierenverblijven’ verstaan: 1. de oppervlakte dierenverblijf die op 7 juli 2017 legaal aanwezig of in uitvoering was; of 2. de oppervlakte dierenverblijf die mag worden gebouwd krachtens een vóór 7 juli 2017 verleende vergunning. g. het gebruik van gronden en/of opstallen voor een veehouderij, uitgezonderd ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij’; h. het huisvesten van tijdelijke werknemers; i. het gebruik van gebouwen voor bewoning anders dan de bedrijfswoning of de plattelandswoning voor wonen; j. het gebruik van opstallen voor het houden van dieren niet op de grond, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen, waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden voor het houden van dieren; k.

het in gebruik nemen van bestaande gebouwen en/of overkappingen als dierenverblijf, wat leidt tot een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij. Hierbij wordt onder ‘de bestaande oppervlakte dierenverblijven’ verstaan: 1. de oppervlakte dierenverblijf die op 17 maart 2017 legaal aanwezig of in uitvoering was; of 2. de oppervlakte dierenverblijf die mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende vergunning. l. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens voor een manege; m. het gebruik van gronden voor lawaaisporten; n. het gebruik van gronden en/of opstallen waarbij er een toename plaatsvindt van de stikstofdepositie vanuit het desbetreffende agrarisch bedrijf of de betreffende gronden, ten opzichte van de referentiesituatie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en); o. er is geen sprake van strijdig gebruik zoals omschreven onder sub n indien voor de benodigde ontwikkeling ten tijde van de referentiesituatie reeds een onherroepelijke vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of de Natuurbeschermingswet 1998 is verleend; p. het gebruik van gronden en/of opstallen ten behoeve van (de vestiging van of wijziging naar) een gebruiksgerichte paardenhouderij; q. het plaatsen van zeecontainers; r.

het gebruik van gronden en/of opstallen voor horeca, tenzij het vergunde ondersteunende of routegebonden horeca betreft; tenzij de regels van dit bestemmingsplan expliciet bepalen dat bovenstaande gebruik wel is toegestaan of een vergunning is verleend in afwijking op bovenstaande. 4.4.2

Aan huis verbonden beroep De uitoefening van aan huis verbonden beroepen is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. de omvang van de beroepsactiviteiten mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing bij een bedrijfswoning tot een maximum van 150 m²; b. de beroepsactiviteit wordt uitgeoefend door een van de bewoners; c. de beroepsactiviteit mag zowel in de bedrijfswoning als in een bijgebouw worden uitgeoefend; d. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken; e. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak;

38

Herstelbesluit Buitengebied Deelgebied 2

gemeente Someren

f. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; g. detailhandel is niet toegestaan; h. reclameaanduidingen dienen beperkt te blijven tot een bescheiden naamsaanduiding, waarbij de positionering, maatvoering, verschijningsvorm, materiaal, kleur en detaillering past bij de uitvoering van de activiteit en de omgeving. 4.4.3

Landschappelijke inpassing a. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 221’ (uit artikel 3 en 4) dient de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 21 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan te zijn uitgevoerd en vervolgens in stand te worden gehouden. b. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 228’ dient de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 28 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan te zijn uitgevoerd en vervolgens in stand te worden gehouden. c.

Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 233 dient de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 33 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan te zijn uitgevoerd en vervolgens in stand te worden gehouden. d. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 242’ dient de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 41 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan te zijn uitgevoerd en vervolgens in stand te worden gehouden. e.

Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 243’ dient de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 42 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan te zijn uitgevoerd en vervolgens in stand te worden gehouden. f. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 250’ (uit artikel 3 en 4) dient de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 49 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan te zijn uitgevoerd en vervolgens in stand te worden gehouden. g.

Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 251’ dient de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 50 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan te zijn uitgevoerd en vervolgens in stand te worden gehouden. h. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 257’ dient de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 55 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan te zijn uitgevoerd en vervolgens in stand te worden gehouden.

39

Herstelbesluit Buitengebied Deelgebied 2

gemeente Someren

4.4.4

Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing a. Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van het perceel Groeneweg 21 conform de in artikel 4.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 215’ de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 16 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan is uitgevoerd en vervolgens in stand wordt gehouden. b. Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van het perceel Heistraat 23 conform de in artikel 4.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 218’ (uit artikel 3 en 4) de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 19 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan is uitgevoerd en vervolgens in stand wordt gehouden. c.

Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van het perceel Zandstraat 99-101 conform de in artikel 4.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 258’ de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 56 bij het onderhavige bestemmingsplan of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan is uitgevoerd en vervolgens in stand wordt gehouden.

4.4.5

Voorwaardelijke verplichting sloop Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van het perceel Heistraat 23 conform de in artikel 4.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als binnen 12 maanden na het in werking treden van het onderhavige bestemmingsplan de overtollige bebouwing, zoals opgenomen in bijlage 60 bij het onderhavige bestemmingsplan, ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde sloop gebouwen 200’ is gesloopt.

4.5

Afwijken van de gebruiksregels

4.5.1

Gebruiksgerichte paardenhouderij als nevenactiviteit buiten de groenblauwe mantel Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1p ten behoeve van de vestiging van een gebruiksgerichte paardenhouderij als ondergeschikte nevenactiviteit bij een bestaand agrarisch bedrijf buiten de groenblauwe mantel, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. deze afwijking is alleen toegestaan indien sprake is van een bestaande productiegerichte paardenhouderij of indien de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch veehouderij’ van toepassing is; b. de ontwikkeling draagt bij aan de beoogde ontwikkeling van het gemengd landelijk gebied; c. er is duurzaam verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. er is aangetoond dat de vestiging van de gebruiksgerichte paardenhouderij ook op langere termijn past binnen de toegestane omvang; e. er is geen sprake van een grootschalige ontwikkeling; f. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; g. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; h. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;

40

Herstelbesluit Buitengebied Deelgebied 2

gemeente Someren

i. de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2. 4.5.2

Het in gebruik nemen van gebouwen en overkappingen als dierenverblijf Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1j ten behoeve van het in gebruik nemen van bestaande gebouwen en overkappingen als dierenverblijf. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden: a. er sprake is van een zorgvuldige veehouderij die voldoet aan de Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij en de nadere regels zoals die door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld in de Interim omgevingsverordening, waarbij de maatregelen die worden getroffen vervolgens in stand worden gehouden; b. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden en de omgeving bij de planontwikkeling; c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in de Interim omgevingsverordening, inpasbaar is in de omgeving; d. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder, (achtergrondbelasting) in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; e.

is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m³; f. is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie vanuit het desbetreffende agrarisch bedrijf of de betreffende gronden, ten opzichte van de referentiesituatie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en); g. ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone - stalderingsgebied’ gelden voor de uitbreiding van de oppervlakte van de dierenverblijven ten behoeve van een hokdierhouderij de aanvullende eisen zoals gesteld in artikel 31.6; h. binnen de dierenverblijven mogen dieren - al dan niet in hokken - alleen op de grond gehouden worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; i. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen van artikel 34.2; j. dit artikel is niet van toepassing indien sprake is van een geitenhouderij; k. dit artikel is niet van toepassing op veehouderijen, niet zijnde grondgebonden, binnen de gebiedsaanduiding ‘overige zone - beperkingen veehouderij’.

4.5.3

Huisvesting tijdelijke werknemers Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1h ten behoeve van de structurele of tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers in een bedrijfswoning, in bestaande of direct vergunbare bedrijfsgebouwen of ten behoeve van alleen tijdelijke huisvesting in woonunits, (sta-)caravans of vergelijkbare onderkomens. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden: a. deze huisvesting dient noodzakelijk te zijn uit een oogpunt van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de structurele of tijdelijke grote arbeidsbehoefte in het betreffende agrarisch bedrijf, waarover advies gevraagd kan worden aan de AAB; b. de huisvesting mag uitsluitend werknemers betreffen, die alleen binnen het bedrijf, waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten; c. bij huisvesting in een woning mogen maximaal 20 personen per locatie worden gehuisvest; d. bij huisvesting in een bedrijfsgebouw mogen maximaal 40 personen per locatie worden gehuisvest;

41

Herstelbesluit Buitengebied Deelgebied 2

gemeente Someren

e. huisvesting in woonunits, (sta-)caravans of vergelijkbare onderkomens is alleen toegestaan als het gaat om een aantoonbaar tijdelijke oplossing gedurende niet meer dan 6 maanden per kalenderjaar; f. bij tijdelijke huisvesting in woonunits, (sta-)caravans of vergelijkbare onderkomens deze na afloop van de termijn zoals bepaald onder sub e worden verwijderd; g. per woonunit mogen maximaal vier personen worden gehuisvest. Het maximaal te huisvesten personen is niet meer dan 40; h. de bouwhoogte van een woonunit mag niet meer bedragen dan 3 m¹; i. de onder sub e genoemde verblijven moeten worden geplaatst binnen het agrarische bedrijfsbestemmingsvlak; j. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2; k. per drie huisvestingsplaatsen moet minimaal 1 parkeerplaats binnen het bestemmingsvlak beschikbaar zijn. Het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen wordt naar boven afgerond; l. in afwijking van het bepaalde in sub d en sub g kan ten behoeve van piekmomenten in de vollegrondstuinbouw voor een periode van maximaal 6 maanden gemotiveerd worden afgeweken van het aantal maximaal te huisvesten personen; m. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is niet toegestaan. Aan de omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden dat: 1.

de vergunning wordt ingetrokken indien de daaraan ten grondslag liggende tijdelijk grote arbeidsbehoefte niet meer aanwezig is; 2. binnen twee maanden nadat het gebruik als tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers is beëindigd, dit door de bedrijfsvoerder schriftelijk wordt gemeld bij het college van burgemeester en wethouders; 3. na beëindiging van het gebruik als tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers de voorzieningen ten behoeve van de tijdelijke huisvesting binnen zes maanden na beëindiging van het gebruik worden verwijderd. 4.5.4

Minicamping als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1d ten behoeve van het toestaan van een minicamping die wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de betreffende locatie. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. er zijn maximaal 25 kampeermiddelen toegestaan, waaronder maximaal vijf stacaravans; b. voor ondersteunende voorzieningen, zoals op sanitair gebied, is maximaal 100 m² bebouwing toegestaan. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van de bestaande bebouwing; c. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; d. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; e. de afstand tot de as van de weg is ten minste 20 m¹; f. de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m¹; g. de afstand tot de bestemmingsgrens is ten minste 5 m¹; h. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; i. de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2.

4.5.5

Groepsaccommodatie als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1d ten behoeve van het als ondergeschikte functie toestaan van een groepsaccommodatie die wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de betreffende locatie in de bestaande bebouwing. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de capaciteit is maximaal 20 personen; b. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak;

42

Herstelbesluit Buitengebied Deelgebied 2

gemeente Someren

c. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; d. de afstand tot de weg is ten minste 20 m¹; e. de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m¹; f. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2. 4.5.6

Bed and breakfast als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1d ten behoeve van het als ondergeschikte functie toestaan van bed and breakfast die wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de betreffende locatie in de bestaande bebouwing. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de capaciteit is maximaal 10 personen (eenpersoonsbedden); b. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; c. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; d. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; e. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2.

4.5.7

Theehuis/uitspanning (routegebonden horeca) als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.1r ten behoeve van het als ondergeschikte functie vanuit de bestaande bebouwing door de bewoner(s) van de betreffende locatie verstrekken van dranken en/of spijzen voor gebruik ter plaatse. Hierbij gelden ten minste de volgende randvoorwaarden: a. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bestemmingsvlak; b. de oppervlakte van het theehuis/uitspanning bedraagt maximaal 200 m² inclusief terras; c. parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak; d. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en deze worden in stand gehouden; e. de afstand tot de weg is ten minste 20 m¹; f. de afstand tot woningen van derden is ten minste 50 m¹; g. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14461505/2