CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsnotitie evaluatie landschapsinvesteringsregeling LIR

Commissie Ruimte 5 april 2023, gemeente SomerenBij agendapunt: Raadsnotitie evaluatie landschapsinvesteringsregeling (LIR)1.912 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Raadsnotitie Onderwerp: Opsteller:

Evaluatie landschapsinvesteringsregeling (LIR) buitengebied Staals, Koen

Portefeuillehouder:

A.A.H. Swinkels

Documentnummer:

200463408

Zaaknummer:

0847200413920

Openbaarheid:

Openbaar

Datum:

22 maart 2023

Aanleiding In 2022 is in opdracht van de raad het beeldkwaliteitsplan buitengebied geëvalueerd. Dit heeft geresulteerd in de vaststelling van het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022 op 3 november 2022. Bij de evaluatie zijn verschillende sessies georganiseerd met raadsleden, externe partijen (waaronder IVN en ZLTO), en de ambtelijke organisatie. Tijdens deze sessies is niet alleen gesproken over het beeldkwaliteitsplan maar ook over de gemeentelijke landschapsinvesteringsregeling (LIR). Beide beleidsdocumenten zijn namelijk met elkaar verbonden. De LIR is in 2018 opgesteld als uitwerking van provinciaal beleid. In 2019 is de LIR voor het laatst geëvalueerd wat heeft geresulteerd in de vaststelling van de Landschapsinvesteringsregeling 2020. In 2022 heeft ook de provincie een evaluatieronde gehouden met de Brabantse gemeenten over de landschapsinvesteringsregeling en de bijbehorende afsprakenkaders tussen provincie en gemeenten. Dit heeft geresulteerd in geactualiseerde afsprakenkaders die tijdens de Omgevingsdag van 17 juni 2022 door alle gemeenten en de provincie zijn bekrachtigd. Bovenstaand vormt de aanleiding voor het opnieuw evalueren van de LIR. Dit heeft geresulteerd in het document uit bijlage 1. De LIR is een uitwerking van een provinciale beleidsregel en dus is het college bevoegd hierover te besluiten. Bij de LIR 2018 en 2020 is dit ook het geval geweest.

In het traject van de evaluatie van het beeldkwaliteitsplan is echter aangegeven dat de raad betrokken zal worden bij de vaststelling van de LIR. Daarom wordt het beleidsstuk samen met deze raadsnotitie aangeboden aan de raad ter kennisgeving en het eventueel geven van een zienswijze. De zienswijzen vanuit de raadsfracties zullen worden meegenomen bij de definitieve vaststelling van de LIR door het college.

Inhoud De LIR 2023 bouwt grotendeels verder op de LIR 2020 maar maakt wat andere keuzes. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de LIR 2020 zijn hieronder opgesomd en worden daarbij nader toegelicht.

1. De tegenprestatie voor categorie 2 ontwikkelingen is gekwantificeerd door een landschappelijke inpassing te vereisen van minimaal 10% van het bestemmingsvlak tot een maximum van 500 m2. Om te bepalen wat de tegenprestatie moet zijn bij een ontwikkeling maakt de LIR gebruik van 3 categorieën. Categorie 1 betreft kleine ontwikkelingen waarbij er niet of nauwelijks impact is op de ruimtelijke kwaliteit. Bij deze categorie wordt geen tegenprestatie vereist. Categorie 2 betreft ontwikkelingen die beperkte impact hebben op de ruimtelijke kwaliteit of juist een verbetering vormen voor de ruimtelijke kwaliteit (denk aan VAB’s die omschakelen naar een woonbestemming). Bij deze ontwikkelingen wordt een goede landschappelijke inpassing vereist waarbij dus aan de randen van het perceel aanplant wordt gerealiseerd. Categorie 3 betreft ontwikkelingen die een grote impact hebben op de ruimtelijke kwaliteit. Bij deze ontwikkelingen wordt, naast een goede landschappelijke inpassing van het perceel, ook nog een aanvullende tegenprestatie vereist. Deze tegenprestatie wordt berekend op basis van de bestemmingswinst van de ontwikkeling. Bij toepassing van de LIR 2020 was voor ontwikkelingen in categorie 2 niet altijd duidelijk wat met ‘een goede landschappelijke inpassing’ werd bedoeld. Dit was niet gekwantificeerd en dus was er ruimte voor discussie en subjectiviteit bij de toetsing.

Om dit in de toekomst te voorkomen is gekozen om de minimale omvang van ‘een goede landschappelijke inpassing’ te kwantificeren in oppervlakte. Op basis van beleid van andere gemeenten is gekozen voor een oppervlakte van 10% van het perceel met een maximum van 500 m2. Iedere ontwikkeling in categorie 2 moet dus voorzien in landschappelijk kwalitatieve aanplant op 10% van het perceel. Dit mag zowel bestaande als nieuwe aanplant zijn. Uit een exercitie blijkt dat 10% proportioneel is bij veel ontwikkelingen zoals ruimte voor ruimte kavels: in het verleden werd hier vaak ook 10% of meer van het perceel ingezet ten behoeve van de landschappelijk inpassing. Bij grote percelen zoals agrarische bouwblokken is 10% disproportioneel dus is gekozen om de oppervlakte ook te maximaliseren tot 500 m2. Zo zorgen we bij nieuwe ontwikkelingen dat de ruimtelijke kwaliteit in ons buitengebied verbeterd zonder buitenproportionele eisen te stellen.

2. Er wordt gestimuleerd om de tegenprestatie bij categorie 3 ontwikkelingen in het landschap te realiseren in plaats van op het eigen bestemmingsvlak (op of om het eigen erf). Bij ontwikkelingen in categorie 3 wordt, naast een goede landschappelijke inpassing van het perceel, ook nog een aanvullende tegenprestatie vereist. Op basis van de LIR 2020 moest deze tegenprestatie worden gerealiseerd op eigen perceel. Pas als aantoonbaar onvoldoende mogelijkheden waren om dit op eigen perceel te realiseren kon men als alternatief kiezen voor een storting in het BIO-fonds. Zo probeerden initiatiefnemers vaak zoveel mogelijk op eigen perceel te realiseren zodat men zelf ook profijt had van de investering van de aanplant.

2/5

Echter, omdat men ook moest voorzien in een goede landschappelijke inpassing werd de aanvullende tegenprestatie vaak dieper op het eigen perceel aangeplant. Zonder dat het nog zichtbaar bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van ons buitengebied. Denk daarbij aan fruitbomen die worden aangeplant terwijl er op de perceelranden ook al struweelhagen worden aangeplant. Op die manier draagt de vereiste tegenprestatie niet bij aan het realiseren van het streefbeeld uit het BKP. Daarom is in de LIR 2023 gekozen om meer in te zetten op de zichtbare kwaliteitsverbetering van het landschap en daarmee dus ook bij te dragen aan de realisatie van het streefbeeld. Concreet betekent dit dat de tegenprestatie bij categorie 3 ontwikkelingen in eerste instantie gerealiseerd dient te worden op gronden buiten het eigen erf. Denk daarbij aan agrarische gronden waarbij landschapselementen zoals een knotwilgenrij kan worden aangeplant. Als men niet over die gronden beschikt, wat in veel gevallen zal zijn, kan men kiezen om een storting te doen in het BIO-fonds. Vervolgens kunnen wij als gemeente met dat bedrag actief aan de slag om het streefbeeld te realiseren. Ten slotte kan men ook kiezen om de tegenprestatie alsnog te realiseren op eigen perceel. Dan moet het echter wel concreet bijdragen aan de kwaliteit van het landschap.

Omdat dit de minst gewenste vorm is wordt dit ontmoedigd door de gevraagde tegenprestatie te verhogen. In plaats van 20% van de bestemmingswinst (gebruikt in de LIR 2020 en bij andere gemeenten) moet men dan 25% van de bestemmingswinst als tegenprestatie realiseren op het eigen erf. 3. Het gebruik maken van de LIR ten behoeve van de sloopbonusregeling (‘opplussen van bijgebouwen’) wordt enkel nog toegestaan voor bestaande niet-agrarische bedrijfsbestemmingen in het buitengebied en voor locaties die willen legaliseren in kader van het project actualisatie bestemmingsplan buitengebied (‘deelgebiedenproces’). Binnen de LIR 2020 was het mogelijk om bebouwing ‘op te plussen’ door te voorzien in een tegenprestatie zoals bij andere categorie 3 ontwikkelingen. Daarbij moest wel worden voorkomen dat de LIR zou concurreren met de sloopbank en dus zou dit enkel kunnen worden toegepast in het geval dat de sloopbank leeg was. De afgelopen jaren was de sloopbank regelmatig leeg en dus is veel extra bebouwing toegestaan op basis van de LIR. Tijdens de evaluatie met de raad werd echter duidelijk dat dit niet langer wenselijk is. Het opplussen van bebouwing waarbij als tegenprestatie aanplant wordt vereist draagt namelijk niet bij aan de, per saldo, ontstening van het buitengebied.

Deze per saldo ontstening was juist het principe achter de sloopbank: er wordt bebouwing gesloopt en er komt minder bebouwing voor terug. Daarom is tijdens de evaluatie besproken om het opplussen van bebouwing middels de LIR enkel toe te staan ten behoeve van legalisatie van bijgebouwen in kader van de actualisatie bestemmingsplan buitengebied. In andere gevallen kan men enkel ‘opplussen’ met gebruik van de sloopbank.

3/5

De LIR 2023 biedt echter nog een uitzondering voor het ‘opplussen’ van bebouwing op basis van de LIR: bestaande bedrijfsbestemmingen. Niet-agrarische bedrijven in het buitengebied hebben regelmatig behoefte aan uitbreidingsmogelijkheden voor hun bebouwing. Als de sloopbank leeg is worden ze beperkt in hun ontwikkelmogelijkheden en zijn ze afhankelijk van de bereidheid van derde partijen voor het slopen van bebouwing. Door een dergelijke beperking in hun ontwikkelmogelijkheden bestaat het risico dat deze bedrijven vertrekken uit de gemeente Someren. Door ze op te laten plussen met de LIR bieden we ze perspectief en bovendien draagt dit sterk bij aan het vullen van het BIO-fonds. Met dat fonds kunnen we als gemeente zelf actief aan de slag met het verbeteren van de kwaliteit van ons buitengebied. 4. Enkele ruimtelijke ontwikkelingen zijn expliciet opgenomen in de lijst van categorieën om duidelijkheid te verschaffen onder welke categorie deze vallen. De LIR 2020 hanteert in de bijlage een lijst waarin ontwikkelingen in het buitengebied expliciet zijn toebedeeld onder categorie 1, 2 of 3. Dit geeft aan de voorkant duidelijkheid voor initiatiefnemers die een ontwikkeling willen doorvoeren en voorkomt willekeur. In de LIR 2023 is het omschakelen van een agrarisch bedrijf naar een bedrijfsbestemming ten behoeve van statische opslag toebedeeld onder categorie 2.

Het herbestemmen van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming is expliciet toegevoegd onder categorie 3. 5. Voor de normbedragen van aanplant en beheer van landschappelijke inpassingsplannen wordt aangesloten bij de Stila-regeling (Stimuleringsregeling Landschap) van de provincie Noord-Brabant om tot een eenduidige normering te komen. Bij ontwikkelingen in categorie 3 wordt, naast een goede landschappelijke inpassing van het perceel, ook nog een aanvullende tegenprestatie vereist. Deze tegenprestatie moet voorzien in 20% van de bestemmingswinst van de ontwikkeling. Om aan te tonen dat in deze tegenprestatie werd voorzien diende initiatiefnemer een beplantingsplan aan te leveren met daarbij een offerte met de kosten. Zo werd beoordeeld of iemand voldeed aan de tegenprestatie. Het risico hierbij is dat adviseurs offertes aanleveren die niet geheel realistisch zijn maar ‘toerekenen’ naar het bedrag van de tegenprestatie. Bovendien bestaat het risico dat er veel verschil zit in de kosten die men betaalt voor de aanplant. Daarom is gekozen om in de LIR 2023 gebruik te maken van normbedragen voor de aanplant en het beheer van beplanting en landschapselementen. De provinciale Stila-regeling biedt hiervoor een prima overzicht van normbedragen zodat we zelf niet het wiel hoeven uit te vinden.

Als de normbedragen in de Stila-regeling worden aangepast dan gelden die automatisch ook voor onze LIR. Dit draagt bij aan duidelijkheid en uniformiteit over de gevraagde tegenprestatie bij categorie 3 ontwikkelingen. Bovenstaande aanpassingen moeten ervoor zorgen dat de kwaliteitsverbeteringen van het landschap, voortkomend uit de LIR, meer bijdragen aan het streefbeeld uit het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied. Voorheen landden veel van deze kwaliteitsverbeteringen vooral op en rondom het eigen erf waardoor de kwaliteitsverbetering in het landschap veelal achterbleef. Daarnaast dragen bovenstaande aanpassingen bij aan de ‘ontstening’ van het buitengebied door de toepassing van de LIR als alternatief op de (vaak lege) sloopbank te beperken. Ten slotte moeten de aanpassingen ook bijdragen aan meer eenduidigheid in de gehanteerde normbedragen en de berekening van de vereiste tegenprestatie in categorie 3 ontwikkelingen.

4/5

Het vervolg De zienswijzen vanuit de raadsfracties zullen worden meegenomen bij de definitieve vaststelling van de LIR door het college. Definitieve vaststelling door het college zal naar verwachting in april 2023 plaatsvinden. Samen met het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2022 moet de Landschapsinvesteringsregeling 2023 zorgen voor de verdere kwaliteitsverbetering van het landschap in Someren. Als afronding zal daarom nog een handreiking worden opgesteld waarin beide documenten worden verweven. Zo wordt het voor inwoners makkelijker en laagdrempeliger om het beleid toe te passen. De handreiking zal naar verwachting in de zomer gereed zijn en zal ter informatie aan de raad worden aangeboden als sluitstuk van dit proces.

Burgemeester en wethouders van Someren, de secretaris,

de burgemeester,

J. Koppers-Van der Krabben

D. Blok

Bijlagen:

Documentnr

O

NO

. Landschapsinvesteringsregeling gemeente Someren 2023

200413923

X

5/5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12545636/2