CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwikkelstrategie Zuidoost-Brabant Onderzoeksrapportage

Gemeenteraad 4 juli 2024, gemeente SomerenBij agendapunt: Geven van wensen en bedenkingen over de ontwikkelstrategie Zuidoost-Brabant22.656 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De knoop kan gaan fungeren als overstappunt voor auto’s vanuit De Kempen en verder weg gelegen bestemmingen richting SGE. In de huidige plannen wordt ingezet op overstap op collectief vervoer/ fiets. Het doortrekken van HOV4 zou kansen bieden om deze hub robuust te verbinden met het stedelijke mobiliteitssysteem. Dit vraagt echter ook om een substantieel programma op en om deze knoop (NB Herontwikkeling STG-terrein kan daar een bijdrage aan leveren). De omgeving biedt hier ook mooie kansen toe (zie casus). Verdere uitwerking en onderzoek zijn nodig om vragen met betrekking tot passendheid in de Eerselse context en toegevoegde waarde voor De

Kempen te beantwoorden. Aan de hand daarvan kan het programma bepaald worden. Onderdeel daarvan is ook onderzoek naar de juiste woontypologie en hierbij rijst de vraag voor wie een meer stedelijke woonvorm in De Kempen aantrekkelijk zou zijn. Het doel is om een aanvullende en aantrekkelijke woonomgeving te creëren die complementair is aan de bestaande kwaliteiten van Eersel, en die qua dichtheid past bij de ambitie om een knoop te realiseren. Meer onderzoek is nodig, maar vooralsnog hanteren we een aantal woningen van 3.000 tot 5.000 rond de knoop. DEFINITIES. Knooppunten: in lijn met de richtinggevende keuze zijn dit drie plekken (Deurne, Maarheeze en Omgeving Eersel) aanvullend aan de ontwikkelingen rondom stationsgebieden in het SGE, waar een woningbouw/werk/voorzieningen programma is voorzien in combinatie met openbaar vervoer. We ontwikkelen daar plaatswaarde. Om deze knooppunten levensvatbaar te maken is een minimum programma nodig. Mobiliteitshubs: zijn overstappunten van lopen, fiets, auto naar (H)OV en vice versa. Hier is geen programma (dus geen plaatswaarde doelstelling) aan toegekend.

86

5.5.

Een internationale toppositie voor de Brainport vraagt om een kwalitatieve agenda voor werklocaties

Ontwikkelprincipe 4: Een internationale toppositie voor de Brainport vraagt om een kwalitatieve agenda voor werklocaties Meer dan ooit doet de kwaliteit van de werkomgeving ertoe. In de strijd om arbeidskrachten wordt een bereikbare en aantrekkelijke plek steeds meer een voorwaarde voor het succes van de economie van de Brainport. We zien dat niet alleen bij de campusontwikkelingen in het SGE, ook – weliswaar tot nu toe op meer individuele basis – in de andere subregio’s is er een ontwikkeling waarbij bedrijven interactie met andere bedrijven, presentatie en een prettig ingerichte omgeving inzetten om personeel te binden en innovatie en ontwikkeling te stimuleren. Bovendien noodzaken de energietransitie en mobiliteit ons ook om op een andere manier naar bedrijventerreinen te kijken. De beschikbaarheid van energie is randvoorwaardelijk voor de vestiging van bedrijven. Lange tijd leek het aanbod van ruimte voor industrie en logistiek oneindig en we konden ons daarom veroorloven om ruimte- extensieve bedrijventerreinen te ontwikkelen. De energiecrisis verandert dit waarschijnlijk radicaal. De beschikbaarheid van energie voor de industrie (elektriciteit van het net, waterstof, autonome systemen) is schaars en dat dwingt ons tot strategische keuzes.

Clustering rondom energiehubs, samenwerking en het meekoppelen gaan leiden tot intensievere vormen van huisvesting van industriële activiteiten. Een slimmere industrie binnen het HTSM-cluster of de mkb’s vraagt bovendien om meer interactie en contact met kennisinstellingen, opdrachtgevers en potentieel talent (stagiaires). Een bijkomend gevolg van een sterkere clustering is dat er meer draagvlak ontstaat voor alternatieven voor de auto (zoals kwalitatieve fietsinfrastructuur, deelmobiliteit, OV). Het behoud van de toppositie van de Brainport vraagt om de groei van werklocaties en om het beter benutten van de bestaande locaties.

Dit leidt tot de volgende richtinggevende keuzes: • We zetten in op kwalitatieve groei van de economische activiteiten om daarmee zowel de mondiale als nationale toppositie te behouden én ervoor te zorgen dat alle inwoners van de regio profiteren van de versterking van de brede welvaart. • We geven prioriteit aan het intensiveren, revitaliseren en het naar de huidige eisen aanpassen van bestaande bedrijventerreinen. Bovendien zijn er nieuwe terreinen nodig om de gewenste groei te kunnen faciliteren. We houden aandacht voor voldoende ruimte voor lokaal mkb omwille van leefbaarheid, en benutten de hefboom van de groei van bedrijvigheid om deze opgave in te vullen. • We zetten daarbij in op een gedifferentieerd aanbod van complementaire werkmilieus die ruimte bieden voor de grote diversiteit van economische activiteiten die de motor van onze regio vormen: (hoog)stedelijke woonwerkmilieus, campussen en toplocaties, grootschalige gemengde terreinen, regionale bedrijventerreinen en lokale bedrijventerreinen. We hanteren deze indeling om waar nodig te sturen op het juiste werkmilieu en ‘het juiste bedrijf op de juiste plek’.

• We zetten nieuwe regionale bedrijventerreinen strategisch in voor de vestiging van nieuwe ‘stuwende bedrijven’ die het ecosysteem versterken, of het uitplaatsen van bedrijven die niet meer passen in stedelijke transformatiegebieden, of te intensiveren of revitaliseren bestaande bedrijventerreinen, en realiseren zodoende ‘schuifruimte’ voor bedrijven.

87

Ter illustratie en inspiratie: De industrie en bedrijvigheid in de MRE kent uiteenlopende kwalitatieve uitdagingen (trends, ontwikkelingen en opgaven staan links). De vraag van bedrijven reikt verder dan een platte kwantitatieve ruimte vraag. Bovendien hebben bestaande bedrijventerreinen (vaak dezelfde) urgente opgaven om hun positie te handhaven. Er

zijn verschillende ruimtelijke strategieën mogelijk om daar aan bij te dragen. De illustratie geeft aan welke ruimte er is binnen de verschillende bestaande en nieuwe locaties. Verdichten en mixen vraagt om een andere - deels nog te ontwikkelen - aanpak dan de traditionele wijze van uitleg en nieuwbouw. Het totaal aantal hectare is groter dan de totale vraag. Dat

betekent dat er strategische keuzes gemaakt moeten worden waarbij de kwaliteit van het totale aanbod (bestaand en nieuw) in samenhang met elkaar moet worden bezien.

88

89

•

•

•

We maken afspraken over hoe om te gaan met de schaarse ruimte, de beoogde transformatie van bedrijvenlocaties en met de inzet van regionale bedrijvenlocaties. • We sturen op het ruimte bieden voor die activiteiten die bijdragen aan het bestaande en geambieerde economische ecosysteem; we faciliteren dus niet alle ruimtevragen die zich voordoen. • We bieden op passende plekken ruimte voor bedrijven met hogere milieucategorieën. • We staan alleen logistieke activiteiten toe die hoofdzakelijk bijdragen aan het Brainport-ecosysteem. De beschikbaarheid van energie is een belangrijk vraagstuk in de Brainportregio. Er worden stappen gezet om hernieuwbare energieopwekking te stimuleren met zonne- en windenergieprojecten. Er liggen kansen voor toepassing van geothermie, waterstof, en het benutten van restwarmte. Ook moet het aanbod aan energie-infrastructuur aansluiten op de vraag. Hierin zijn (net als in het hele land) nog forse stappen te zetten. Daarnaast wordt er ingezet op energie-efficiëntie en het verminderen van het energieverbruik in zowel de industrie als de gebouwde omgeving. Hier ligt een nauwe relatie met het P-MIEK en de doorvertaling in het Ruimtelijk Voorstel. Het streven naar een circulaire economie in de Brainportregio brengt ook de noodzaak met zich mee om ruimte te bieden aan circulaire activiteiten en infrastructuur.

Het implementeren van circulaire processen en het faciliteren van de recycling en hergebruik van materialen vereisen specifieke ruimtelijke oplossingen. Dit kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de inrichting van recyclingfaciliteiten, opslagruimtes voor gerecyclede materialen en ruimte voor grootschalige circulaire productie. Dit vergt een zorgvuldige inpassing.

90

5.6.

(H)OV en fiets als mobiliteitsdragers voor de regio; auto-infrastructuur is aanvullend

Ontwikkelprincipe 5: (H)OV en fiets als mobiliteitsdragers voor de regio; auto-infrastructuur is aanvullend Het MIRT-onderzoek uit 2020 heeft prioriteit gegeven aan het tot stand brengen van een mobiliteitstransitie om de regio bereikbaar te houden; een dergelijke transitie is, ook gelet op de ambities op het gebied van duurzaamheid en leefbaarheid onomkeerbaar. Voor de gehele regio betekent dit dat met kracht wordt ingezet op het versterken van een robuust OV-, mobiliteitshub- en fietsnetwerk. Daarmee worden zowel de bereikbaarheid van woon- en werklocaties en knooppunten van OV binnen de stedelijke gebieden, als tussen de kernen in de gehele regio versterkt. De bereikbaarheidsprofielen van stedelijke voorzieningen en werklocaties veranderen en zullen daarmee meer gericht zijn op fiets en OV. Woon- en werklocaties buiten de stedelijke gebieden zijn en blijven grotendeels afhankelijk van de autobereikbaarheid. Door in te zetten op alternatieven voor de auto om naar en binnen de stedelijke gebieden te reizen, behouden we ruimte op het wegennet voor auto-afhankelijke kriskras-relaties binnen de regio. Om stedelijke en regionale voorzieningen bereikbaar te houden voor de hele bevolking (brede welvaart, voorkomen mobiliteitsarmoede) is een goed OV-systeem in de kleinere kernen van belang.

De verdere uitbouw van een regionaal fietsnetwerk zorgt voor snelle verbindingen vanuit de kernen richting de knooppunten van OV (zowel in het stedelijk gebied als richting de drie subregionale knopen) én richting een aantal werklocaties. Met name in het stedelijk gebied, maar ook in een aantal regionale kernen is het wenselijk om de openbare ruimte veel meer in te richten, om het lopen en fietsen veel meer te stimuleren. Hiermee wordt ook een impuls in de leefbaarheid bereikt.

Dit leidt tot de volgende richtinggevende keuzes: • We zetten in op de versterking van de bestaande en al in de huidige plannen opgenomen (H)OV-assen als dragers van een duurzaam mobiliteitssysteem; • Aanvullend op deze keuzes en die in het MIRT 2022 zetten we in op: • de realisatie van HOV4 tussen Eindhoven Centraal en De Run met de mogelijkheid om deze door te trekken naar een beoogde knoop (met plaatswaarde) in de omgeving Eersel. Dit biedt meekoppelkansen voor de OV-verbinding met De Kempen. De grootste vertraging in de huidige lijn zit in de binnenstedelijke knelpunten. Met de vrijliggende busbaan van HOV4 in stedelijk gebied en maatregelen gericht op het borgen van doorstroming tussen De Run en de beoogde knoop nabij Eersel wordt aan snelheid en betrouwbaarheid gewonnen. • het versterken van de treinstations van Maarheeze en Deurne als infrastructurele knoop en ze (mogelijk) ook meer plaatswaarde geven, zoals onder ontwikkelprincipe 3 beschreven, omdat we constateren dat de opgave alleen ‘verstandig’ valt te realiseren door een flinke opgave te realiseren in enkele knopen. • We zetten in op een kwaliteitssprong OV en versterken, conform de Ontwikkelagenda op hoofdlijnen, behorende bij ‘OV in 2040: de zuidelijke hink-stap-sprong’ het bestaande HOV-netwerk rondom Eindhoven.

Het doorontwikkelen van dit netwerk en de verknoping met het OV-netwerk dragen bij aan de bereikbaarheid per OV tussen de diverse regio’s en kernen. • We versterken de bereikbaarheid vanuit de subregio’s door verbetering van de kwaliteit van de drie subregionale knopen. In dat opzicht is het waardevol om bij de concessieverlening van het regionaal busvervoer goed af te wegen welke lijnen direct verbinding maken met de centra van Eindhoven en Helmond en welke verbindingen gericht worden op de subregionale knoop.

91

•

•

We investeren in het uitbreiden van het fietsnetwerk, waardoor een netwerk ontstaat – ook tussen kernen – voor alternatieven voor de auto. Op de schaal van de subregio’s, de wijze van verstedelijking en de dichtheden die daar gelden is er geen andere modaliteit dan de fiets die aan een werkelijke modal shift kan bijdragen. We monitoren of de mobiliteitstransitie voldoende tot stand komt en bepalen aan de hand van de resultaten onze volgende stappen. Ondertussen houden we ook aandacht voor (auto)bereikbaarheid

•

omdat een aantal kernen voor hun leefbaarheid hiervan afhankelijk is, ook als hier (nog) geen concrete projecten voor zijn in het Regionale Mobiliteitsprogramma. We blijven werken aan de mobiliteitsmaatregelen, met name ook aan de verbinding met het oostelijk deel van Brainport, gericht op het creëren van robuuste randen, bundelroutes en inprikkers. We actualiseren de Regionale Mobiliteitsagenda (2020), in de vorm van regionale multimodale bereikbaarheidspakketten.

Mobiliteitstransitie We groeien toe naar een robuust en gelaagd OV-, mobiliteitshub- en fietsnetwerk

Hoofdstuk 6

Haalbaarheid en realisatiestrategie

93

Haalbaarheid en realisatiestrategie 6.1 Robuust en flexibel De regio staat voor grote opgaven met een zodanig forse groei van woningen, arbeidsplaatsen en mobiliteit dat we de vraag stellen of het doorgroeien op de manier waarop dat de afgelopen decennia is gebeurd nog langer wenselijk is. Mogelijk is een ‘disruptieve’ keuze nodig. Een disruptieve keuze doet een appel op bestuurlijk lef en solidariteit van de regio. Daarbovenop zijn we ons ervan bewust dat het ook niet alleen gaat om het behalen van de sectorale doelen, want hier beperken we ons zoals geschetst tot de veranderingen op het gebied van wonen, werken en mobiliteit. We zijn ons ervan bewust dat de hele omgeving grote veranderingen zal doormaken, zoals de ontwikkelingen in het landelijk gebied met de verhoudingen tussen landbouw, natuur, landschap, recreatie en de grootschalige opwekking van energie en de klimaatopgaven. In het vervolg op deze afspraken over richtinggevende keuzes staat de integratieslag centraal, met aandacht voor het slim combineren en verzilveren van kansen. In de hoofdstukken hiervoor is een beeld geschetst van ingrediënten en met de richtinggevende keuzes stippen we de mijlpalen aan. De precieze koers willen we nog bepalen.

Om de haalbaarheid te vergroten zijn de voorstellen enerzijds robuust, zodat ‘men’ weet waar men voor kiest, en anderzijds zijn zij flexibel, zodat ze kunnen meebewegen in de dynamische context die telkens nieuwe eisen stelt. We vatten hieronder de lessen voor haalbaarheid en realisatiestrategie samen. Algemeen: • De regio is niet ‘af’, maar voortdurend in beweging en ontwikkeling. Dat zal ook altijd zo blijven. De uiteenlopende veranderingen nopen voortdurend tot aanpassing en aanscherping van de koers. • De regio staat voor de taak om met andere partners wezenlijke ruimtelijke keuzes te maken en aan een langetermijnvisie concrete uitvoeringsopgaven

•

•

te koppelen. Dit vraagt om goed stuurmanschap en doet een beroep op de evenwichtskunsten van allen. Het doel is een toekomstbestendige ontwikkeling met als belangrijkste pijler: kwaliteit. De afspraken die we maken zijn ‘niet-vrijblijvend’, omdat het een pakket aan onderling samenhangende keuzes betreft. Met het niet nakomen van afspraken worden anderen gedupeerd. Wanneer afspraken achterhaald blijken en/of nieuwe inzichten ontstaan, dienen hiervoor nieuwe gezamenlijke integrale afwegingen te worden gemaakt. De zoektocht naar werkbare vormen van gezamenlijke besluitvorming en partnerschap vraagt om wederkerigheid tussen de overheid, private partijen, maatschappelijke organisaties en inwoners. Dit is nodig voor een goede informatie-uitwisseling, inzicht in belangen en het maken en hanteren van duidelijke spelregels.

Toekomstbestendige keuzes moeten robuust zijn, zodat de keuzes en koers voor allen duidelijk zijn, en flexibel zijn, omdat de dynamische omgeving met de vele continue ontwikkelingen daarom vraagt. De ontwikkelstrategie bevat een afsprakenkader dat niet-vrijblijvende afspraken bevat en is adaptief, wat betekent dat we via iteratieve processen verder uitwerken en bijsturen. Robuust: • Maatschappelijke ontwikkelingen beperken de haalbaarheid, maakbaarheid en stuurbaarheid van de regio. Een grote groep in de samenleving dreigt af te haken en wantrouwt de overheid, wil niet meer participeren, of kan dat niet, omdat het de groep ontbreekt aan de middelen of vaardigheden die daarvoor nodig zijn (PBL, 2021). Belangrijk is ook dat iedereen mee kan doen en niet (ongewenst) afhaakt. • Inwoners en ondernemers hebben behoefte aan concrete maatregelen en een eenduidig perspectief; dit bevordert het draagvlak voor keuzes en beleid vanuit de samenleving. Dit stelt eisen aan de visie- en planvorming, de communicatie en participatie.

94

Flexibel: • In een omgeving die continu verandert en met een groeiende variëteit aan mogelijkheden, bepalen de inwoners en ondernemers anno 2040 meer dan ooit hun eigen route. Daarnaast betekent de groeiende afstand tussen mensen en instituties dat ‘one size fits all’ in de toekomst tot het verleden behoort. • Een toekomst waarin mensen in een complexe omgeving steeds meer eigen regie over hun leven kunnen en willen voeren, vraagt om solidariteit. • De richtinggevende keuzes zijn gebaseerd op een aantal grove uitgangspunten (zoals de toevoeging 100.000 woningen). Relevant is het onderscheid in korte termijn (Woondeal 2030) en de vertaling van deze strategie naar een meerjarenstrategie en een adaptief meerjarenuitvoeringsprogramma. Stel nu dat de behoefte aan woningen en werklocaties veel groter of veel kleiner blijkt te zijn en dat de mobiliteitsbehoefte zich anders ontwikkelt dan nu geambieerd, dan is het nodig de keuzes tegen het licht te houden en mogelijk andere keuzes te maken en de aanpak bij te stellen. Dit geldt onder meer voor de balans van herontwikkeling van bestaande locaties, dus ook de regionale knopen, en het effect van de mobiliteitstransitie. Het continu (jaarlijks) afwegen of de gekozen lijn bijstelling behoeft is noodzakelijk. ‘Vinger aan de pols’ is zinvoller dan nu al rekening houden met alle denkbare onzekerheden.

Een aantal cruciale keuzes zal de komende tijd nader worden uitgewerkt. • Een continue herwaardering van de relatie tussen gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde is nodig om evenwicht in de regio te bewaken en de fysieke en sociale grenzen in de leefomgeving te kunnen bepalen. Riskant zijn zogeheten kantelpunten in systemen, waardoor bijvoorbeeld een ecosysteem onherstelbaar kan worden verstoord. Het voor de korte termijn oprekken van een grens kan toekomstig gebruik in de weg staan; de toekomstwaarde stelt grenzen aan de gebruikswaarde. Soms zijn de fysieke grenzen eerder bereikt dan de sociale, soms is het omgekeerd (PBL, 2021). Naast gebruikswaarde is belevingswaarde

(identiteit, cultuur, lokale historie) een belangrijke drijvende kracht. 6.2. Inhoudelijk vervolg Een volgende stap is van een strategie voor wonen, werken en mobiliteit van Zuidoost-Brabant naar een integrale strategie. Hiervoor verbinden we deze ontwikkelstrategie aan het Ruimtelijk Voorstel en verbreden we de scope in de volgende periode met het ontwikkelperspectief voor de NOVEX-gebieden De Peel en Stedelijk Brabant en de bouwstenen Brabants Programma Landelijk Gebied (BPLG) en P-MIEK. Het resultaat is een integrale strategie met visiekaart ten aanzien van alle aspecten - dus inclusief landbouw, energie et cetera – waarin fysieke, milieu en sociaal- maatschappelijke keuzes (inclusief brede welvaart) in balans worden gebracht. Bij de balans wordt gekeken naar de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde voor Zuidoost-Brabant. Inhoudelijke verdieping is nodig op een aantal opgaven, zodat we de richtinggevende hoofdkeuzes verder kunnen uitwerken. Dit gaat in de eerste plaats om de dorpenstrategie (maat en schaal ruimtelijk en sociaalmaatschappelijk, handelingsperspectief). Op dit moment is onvoldoende beeld van de inbreidingsopgaven en -mogelijkheden in de kleine kernen en de daarmee samenhangende (extra) druk op het mobiliteitssysteem.

Met de casus-uitwerkingen is een aantal lessen geformuleerd, voor meer zicht op wat de mogelijkheden voor de individuele kernen zijn is een nadere uitwerking nodig. Ten tweede verdient de ontwikkelpotentie of mogelijke plaatswaarde van de drie regionale (H)OV-knopen nadere uitwerking. Deurne, Eersel en Maarheeze zijn qua potentie onvergelijkbaar en onderzoek naar verplaatsingen, groeipotentie van de knoop en rol in het totale eco- en mobiliteitssysteem vraagt nadere analyse. Dit hangt samen met het derde punt, namelijk het succes van de mobiliteitstransitie. We monitoren wat de effecten zijn van de mobiliteitsingrepen, leggen verbanden met richtinggevende keuzes in deze strategie en monitoren of en waar/welke interventies mogelijk nog (aanvullend) nodig zijn.

95

De ontwikkelstrategie wordt de komende jaren gebruikt als gezamenlijk regionaal uitgangspunt voor lokale beleidsontwikkeling (omgevingsvisies, verordeningen, gebiedsplannen, etc.). Bovendien gaan we de zachte plannen die in de pijplijn zitten nog afzetten tegen de richtinggevende keuzes van deze ontwikkelstrategie. Hierbij leggen we ook de verbinding met de zachte plannen die opgenomen zijn in de aantallen van de Woondeal. Dit kan resulteren in aanpassing van de pijplijnplannen, zowel in programmering als kwalitatieve keuzes. De ontwikkelstrategie is opgesteld voor de periode 2030 - 2040, maar het handelen op dit moment doet ertoe. Om die reden stellen we als partijen een meerjarenprogramma op voor wonen, werken en mobiliteit om adaptief te kunnen programmeren en daarmee regie te voeren op de juiste volgorde der dingen, ook in het geval dat de economische groei stagneert én ontwikkelingen in de tijd vooruitschuiven. 6.3 Proces en procedure De gezamenlijke ontwikkelstrategie is van de 21 gemeenten, provincie NoordBrabant, waterschap De Dommel en waterschap Aa en Maas. Samen bepalen we de inhoudelijke koers. Dit betekent echter niet dat we alles samen moeten doen en we samen over alles beslissen. We onderscheiden: •

het flexibele arrangement waarin alle participanten een rol hebben, variërend van licht tot intensief. In het flexibele arrangement zetten we gezamenlijk de koers uit en maken we afspraken over programmering, strategie, organisatie, uitvoering en financiering. Samenwerking en partnerschap zijn hier leidend, dit kan in triple of quadruple helix verband. De afspraken die partijen maken hebben betrekking op concrete programma’s en opgaven. Dit gaat bijvoorbeeld om afspraken tussen diverse partijen over maatregelen voor bedrijvenpark De Run, afspraken over de ontwikkeling van mobiliteitshubs in de regio waarbij meerdere

•

partijen betrokken zijn op het gebied van verkeer en vervoer, overheden, en partijen die werken aan de inrichting van de openbare ruimte. Hierbij zijn vele partners actief in publiek-private samenwerkingsverbanden en zijn de overheidspartijen mede-investeerders. De overheid moet voldoende inhoudelijke kennis in huis hebben/halen om de balans tussen gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde en de integraliteit te bewaken. De overheid vervult een rol in het communiceren met en betrekken van de samenleving. De rol van de gemeenteraden bij arrangementen en regionale planvorming verdient aandacht. Bij de ontwikkeling van gezamenlijke ambities en uitwerking in visies zijn met name de bestuurders actief. Het betrekken van de gemeenteraden is formeel niet georganiseerd, zij spelen vooral aan het einde van het proces bij de planologische verankering een rol; de formele planprocedures waarin de overheid formeel zaken moet borgen in de daarvoor bedoelde planvormen en regels. De daadwerkelijke projecten en maatregelen belanden altijd fysiek ruimtelijk op een plek in een bestemmingsplan/omgevingsplan/omgevingsverordening van de gemeente. Daarnaast zullen de ambities en ontwikkelrichtingen ook de basis vormen van de strategische plannen zoals structuurvisie/ omgevingsvisie.

Bij de plannen en de visies geldt de lijn van Thorbecke met de formele planologisch-juridische procedures met de overheidsrollen waarbij de gemeenteraad het plan vaststelt en er een participatie- en inspraakmogelijkheid voor burgers is. Zo behoudt de gemeente haar democratische legitimiteit.

Beide lijnen worden met elkaar verweven om verwachtingen te managen en voortgang te blijven boeken. Raden/Staten/AB zijn nadrukkelijk bij het gehele integratie en vaststellingsproces betrokken. Ook vindt een brede participatie plaats. Hiermee sluit het toewerken naar een integrale regionale planfiguur aan bij het Ruimtelijk Voorstel dat nu, onder aanvoering van de provincie (zie brief

96

d.d. 31 januari 2023), wordt gemaakt, en kunnen een integrale afweging en fysiek ruimtelijke keuzes worden gemaakt vanuit de sporen uit het Ruimtelijk Voorstel (BPLG, NOVEX De Peel, P-MIEK) en de Verstedelijkingsstrategie Brabant. Het doel is om de richtinggevende uitspraken te concretiseren in programma’s en agenda’s, waarbij in de uitwerking de opgaven in jaarschijven en ontwikkelpaden in beeld komen. Hierbij wordt rekening gehouden met de programmeringsafspraken die de provincie Noord-Brabant hanteert. 6.4 Instrumentarium - regionaal gebiedsfonds Partijen hebben behoefte aan een gezamenlijk handelingsperspectief waarop zij elkaar kunnen vinden. Daarmee ontstaat de mogelijkheid om gewenste ontwikkelingen te stimuleren en ontwikkelingen die niet bijdragen aan de gezamenlijke toekomstrichting. De inhoudelijke afweging is: wat en waarom dat? De plannen moeten passen binnen de richtinggevende keuzes en bijdragen aan de ambities. Het moet ook duidelijk zijn dat dit de goede lijn is, een die effectief en efficiënt is en aansluit bij de actualiteit. De uitvoerbaarheid van richtinggevende keuzes is in sterke mate afhankelijk van het handelingsperspectief dat we hier gezamenlijk voor weten te ontwikkelen. Het handelingsperspectief vraagt om sturing en samenhang.

In de vervolgfase gaat het om integrale afwegingen en keuzes en het succes hiervan is afhankelijk van het commitment van ondernemers en van de overheden in de regio. Om de ambities te kunnen waarmaken, is het noodzakelijk dat de gemeenten en private investeerders en inwoners de toekomstrichting omarmen en concrete afspraken maken over de uitwerking. Dit vraagt om investeren in ‘instrumentarium’ en ‘organisatie’, maar met name in het ontwikkelen van een samenwerkingsgerichte cultuur (en vertrouwen) van alle bestuurders, ondernemers en de inwoners in en aan het gebied. Financieringsuitdagingen zijn een vaak gehoord obstakel om denken om te zetten naar doen. Het stopt zelfs het ‘vrij’ denken in oplossingsrichtingen.

Het één-ecosysteem denken en handelen maakt dat ook op het front van financiering samenwerking geïntensiveerd moet worden. Investeringen ergens in de regio leiden vaak tot sociaal-maatschappelijke en ruimtelijke meerwaarde, maar in sommige gevallen ook tot financiële meerwaarden. Tegelijkertijd is het omgekeerde ook waar: de onrendabele top van gebiedsontwikkeling leidt vaak tot een extra financieringsvraag, terwijl de ontwikkeling als zodanig meerwaarde heeft voor de hele regio. Een (sub)regionaal gebiedsfonds kan een uitkomst bieden om het handelingsperspectief voor richtinggevende keuzes te vergroten. Dit vraagt een nadere uitwerking en leren van goede voorbeelden (ontwikkelmaatschappij EIKXL). De komende jaren zal een verkenning uitwijzen op welke wijze we een regionaal financieel gebiedsfonds kunnen inrichten. Hier ligt overigens een relatie met de investeringsagenda voor het NOVEX-gebied Stedelijk Brabant en NOVEXgebied De Peel. Keuzes worden gemaakt ten aanzien van het vehikel: een regionaal fonds, een ontwikkelfonds, een ontwikkelbedrijf, inclusief bijbehorend financieel instrumentarium (subsidieregeling o.i.d.). 6.5 Uitvoeringskracht De uitvoeringskracht van gemeenten is randvoorwaardelijk voor een verdere schaalsprong. ‘Samen kom je verder’ is het motto in Zuidoost-Brabant.

We functioneren als één ecosysteem in onze economische ontwikkeling, maar ook in de samenwerking tussen de A2, De Kempen, De Peel en het SGE; bestuurlijk en ambtelijk, maar juist ook in de samenwerking met bedrijven en onze onderwijsinstellingen. In de uitvoering zullen alle partijen doen waar zij goed in zijn. Gemeenten zijn vanwege hun directe voeling met de lokale context goed in het bieden van passend en lokaal maatwerk, en het benaderen van taken in onderlinge samenhang. Tegelijkertijd zijn zij echter ook kwetsbaar, omdat zij tegen de grenzen aanlopen van personele capaciteit en expertise, en financiële

97

middelen. De 21 gemeenten binnen Zuidoost-Brabant zijn divers qua aard en schaal, maar ook als het gaat om omvang van het ambtelijke advies- en uitvoeringsteam binnen gemeenten. De waterschappen hebben veel kennis en expertise van het watersysteem op lokale en regionale schaal. Bij de provincie zijn dezelfde capaciteitsproblemen als bij gemeenten. De Staat van de Uitvoering (stuurgroep, Staat van de Uitvoering, 2022) is duidelijk in haar advies. Hieronder staat een selectie van voor onze opgave de meest relevante voorstellen: • Houd het simpel. Het verminderen van de complexiteit van beleid en regelgeving is hard nodig, want de huidige trend om zaken te verfijnen, stapelingen van beleid en regels en reparaties blokkeren elke ontwikkeling. • Stuur (bij) in plaats van dat je verantwoordt. Een andere oproep is: stop vooral energie in het sturen en bijsturen in plaats van in het verantwoorden achteraf. Hierdoor hebben inspanningen nog effect, en komen de wijze woorden niet als het al te laat is. • Personeelstekort is onontkoombaar. De remedie is: slim organiseren. Het voorspelde tekort aan personeel wordt steeds meer voelbaar. Publieke dienstverleners hebben een vergrijsd personeelsbestand, de uitstroom richting pensioen was groot en dat zal ook in de komende jaren zo blijven: het aanbod van nieuw personeel zal kleiner zijn dan voorheen.

In vrijwel alle sectoren en beroepen overstijgt de vraag naar arbeidskrachten het aanbod. Het vraagstuk rond het verdelen van schaarste dient zich nu aan. Door goede samenwerking en uitwisseling van personeel, kennis en expertise kunnen we deze opgave te lijf gaan. Het borgen van de uitvoeringskracht en de juiste dingen in de juiste volgorde doen is een onderliggende opgave voor alle gemeenten in Zuidoost-Brabant.

•

We denken aan: • Aanboren nieuw talent. Ondanks de krapte, is er binnen de eigen organisatie en in regioverband nog ongezien talent dat ingezet kan worden. Daarbij helpt het ook om vooral te kijken naar competenties en talenten en niet alleen naar opleiding en ervaring. Door het opzetten van een kennispool van ambtenaren creëren we een aantrekkelijke, uitdagende en dynamische werkomgeving voor talent voor de publieke sector. • Anders organiseren van werk. Door het werk anders te organiseren, kan er vaak efficiënter worden gewerkt. Door taken anders te verdelen, is er soms minder of ander personeel nodig, bijvoorbeeld een (sub)regionale advies- en projectleiderspool of ontwerp- en denkkracht. • Binden en boeien van medewerkers. Binden en boeien omvat alles wat werkgevers kunnen doen om personeel te behouden. Zo zijn er verschillende zaken die een werkgever aantrekkelijker maken, zoals aandacht voor ontwikkeling van medewerkers en roulatie binnen de regio.

13 juli 2023

BMC | Dona Stedenbouw | Studio Bereikbaar

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14304923/1