Milieueffectrapport NPRD - Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket
Tekst van het document
In de huidig situatie wordt enkel vanaf de grond gevuurd: in een CV-90 ongeveer 3 meter boven de grond. Conclusies zeef 1 Uit het geluidsonderzoek blijkt dat de behoefte leidt tot een beperkte verhoging (max 0,8 dB Bsdan) van de geluidbelasting. Voor de doorgerekende punten neemt (afgerond op hele dB’s) op 7 van de 44 punten de belasting tot met 1 dB. De hoogst berekende waarde is 59dB: dit is aan de orde bij twee rekenpunten. Op het ASK bestaan mogelijk om geluidbelastingen tot 60dB te vergunnen. Er is dus wel sprake van een beperkte verslechtering van de al slechte uitgangssituatie (voor zowel geluidhinder als -verstoring voor natuur), maar deze is naar verwachting uitvoerbaar. Naar aanleiding van de milieuinformatie heeft Defensie ervoor gekozen om deze behoefte onderdeel te maken van het voorkeurspakket. Behoefte 23: Uitbreiden live firing mogelijkheden voor helikopters op Infanterie Schietkamp (ISK) ten behoeve van niv 3 en 4-oefeningen Koninklijke Landmacht Beschrijving van de behoefte Er is behoefte aan geïntegreerd schieten van grond- en luchttroepen. Het Infanterie Schietkamp (ISK) is een vlieggebied waar Defensie mag vliegen en schieten met geladen boordwapens. Momenteel is deze activiteit ook vergund op het ISK, maar de helikopters hebben in het vergunde luchtruim onvoldoende manoeuvreerruimte om te kunnen oefenen.
Conclusies zeef 1 Een toename van luchtvaart- en schietactiviteiten kan gevolgen hebben voor de omgeving. Dit gaat over twee maatgevende aspecten: 1. Een toename van geluidhinder voor omwonenden. Er zijn veel woningen in de omgeving aanwezig waarop aanvullende geluid- en trillinghinder veroorzaakt kan worden. Uit de berekeningen blijkt dat de bijdrage van het aantal schoten beperkt is, maar hierin is nog niet meegenomen wat de te verwachten hinder van het vliegverkeer zelf is. 2. Aanvullende verstoring voor omliggende, zeer kwetsbare natuurgebieden. Het verhogen van het aantal schoten leidt tot grotere verstoring dan in de huidige situatie. Dit is, ook vanuit juridisch perspectief, een belangrijk nadelig milieueffect. 3. Inpassing in het luchtruim. Hoewel de vliegbox volledig binnen de EHR-9 gelegen is, levert het frequenter en breder gebruik van het ISK die leiden tot meer frequente beperkingen in het luchtruim. Om deze redenen kan niet zonder meer gesteld worden dat de behoefte evident uitvoerbaar is. Vanwege het belang van de behoefte vanuit operationeel oogpunt heeft Defensie er voor gekozen om deze behoefte onderdeel
blad 86 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
uit te laten maken van het voorkeurspakket. De belangrijkste mitigerende maatregelen die nader verkend moeten worden zijn: • Aanpassen van vliegpatronen op grotere afstand van Hoenderloo en beperking van het aantal schietmomenten op een lager aantal dan in de behoefte voorgesteld. Op basis van het verrichte onderzoek en voorgestelde optimalisaties voor deze behoefte is geconstateerd dat nog mogelijk significante effecten optreden bij woningen die een te hoge geluidbelasting krijgen. Hiervoor is verdiepend onderzoek nodig op het gebied van geluidbelasting bij woningen. Dit verdiepend onderzoek wordt uitgevoerd tussen ontwerp- en definitieve besluitvorming. Vooralsnog is de behoefte wel opgenomen in het ontwerp NPRD. Een definitief besluit wordt bij de vaststelling van het NPRD eind 2025 genomen. De behoefte is daarom als categorie 2* aangeduid. Behoefte 24: Uitbreiding milieu en geluidsruimte door intensivering van Infanterie Schietkamp(ISK) en groei Krijgsmacht Beschrijving van de behoefte De intreding van nieuwe wapensystemen bij verschillende defensieonderdelen en de groei van eenheden leiden tot een toename in gebruik van het ISK. Defensie heeft behoefte aan voldoende schoten om ook in de toekomst aan de schietbehoefte van Defensie en ketenpartners te voorzien. Dit betreft niet alleen de landmacht, maar ook andere onderdelen van Defensie.
Concreet betreft dit ongeveer een groei van circa dertig procent (3,8 miljoen schoten) naar jaarlijks 16,5 miljoen schoten. De activiteiten op het ISK veranderen niet. Conclusies zeef 1 In zeef 1 is geconcludeerd dat de ophoging van het aantal schoten leidt tot een toename van geluidhinder voor omwonenden en verstoring voor aanwezige natuurwaarden. Op basis van het verrichte onderzoek voor deze behoefte is geconstateerd dat mogelijk significante geluidseffecten optreden bij woningen (bij het invullen van volledige behoefte). Er zijn nog verschillende mitigerende maatregelen mogelijk die nog onderzocht moeten worden. Dit verdiepend onderzoek wordt uitgevoerd tussen ontwerp- en definitieve besluitvorming. Vooralsnog is de behoefte wel opgenomen in het ontwerp NPRD. Een definitief besluit wordt bij de vaststelling van het NPRD eind 2025 genomen. De behoefte is daarom als categorie 2* aangeduid. Behoefte 27: Extra milieuruimte voor helikopteractiviteiten op Militair Luchtvaartterrein Deelen Beschrijving van de behoefte Uitgangspunt voor de behoefte is de verplaatsing van circa tien procent van de helikopterbewegingen van GilzeRijen naar vliegbasis Deelen. Deze verplaatsing volgt uit afspraken van Defensie met de omgeving van vliegbasis Gilze-Rijen. Dit gaat om het verplaatsen van circa vijfduizend vliegbewegingen van chinook, cougar en apache.
In de tabel is ook de autonome behoefte voor vliegbewegingen van vliegbasis Deelen weergegeven. Het totaal aantal vliegbewegingen komt neer op 14.200. tabel 3-18 Uitgangspunt te verplaatsen vliegbewegingen van vliegbasis Gilze-Rijen naar MLT Deelen
Helikopter type Chinook Apache Cougar NH90 Totaal
Totaal 3.450 2.550 5.000 3.200 14.200
Conclusies Zeef 1 Voor het verplaatsen van helikopterbewegingen zijn twee effecten het meest relevant: 1. Geluidhinder en -verstoring. Door het verplaatsen van helikopterbewegingen wordt er meer geluid op MLT Deelen geproduceerd dan in de huidige situatie. De vigerende geluidzone biedt hier echter meer dan voldoende ruimte om deze vluchten te accommoderen. Ten opzichte van de huidige situatie kan (beperkte) hinder ontstaan voor omwonenden. Verstoring voor diersoorten die op de Veluwe leven kan ook aan de orde zijn.
blad 87 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
2.
Verzurende en vermestende effecten door stikstofdepositie. De verplaatsing leidt tot een significante bijdrage van stikstofdepositie aan Natura 2000-gebied De Veluwe. Dit is ook vanuit juridisch perspectief een risico.
Niettemin heeft Defensie besloten om, rekening houdend met bovenstaande milieuinformatie, de behoefte onderdeel te maken van het voorkeurspakket. Als aandachtspunt voor het proces na besluitvorming in het NPRD geldt: • De mogelijke negatieve natuureffecten van deze behoefte zijn een aandachtspunt voor de realiseerbaarheid van deze behoefte. Behoeften 31, 34, 36 en 42: Beperkingengebied rondom vliegbasis Volkel, Woensdrecht, Gilze-Rijen en Eindhoven (outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging Vanwege de inhoudelijke, onderlinge samenhang zijn deze behoeften (31, 34, 36 en 42) gezamenlijk beschreven. Beschrijving van de behoefte Defensie wil meer controle hebben over wat er in de nabijheid van de militaire vliegvelden wordt gebouwd. Het is van belang dat de belangen van Defensie rondom de vliegbases geborgd kunnen worden. Nu kan Defensie weinig tegenhouden op ruimtelijk gebied in de directe omgeving. De behoefte bestaat uit het vastleggen van een vlak op 150 meter hoogte en 15 kilometer rond de landingsbanen van de vier genoemde vliegbases. De ruimte is afhankelijk van de vorm en het naderingsgebied, de vorm en het type van de naderingsprocedure en het type luchtvaartuig dat deze procedure gebruikt. In het onderzoek is uitgegaan van een generieke bescherming op 150 meter hoogte en 15 kilometer rond de landingsbanen.
figuur 3-26: Outer horizontal surfaces van de vliegbases in Brabant en alle RES-gebieden en projecten
Conclusies Zeef 1 Voor zowel de huidige situatie als de referentiesituatie geldt dat het juridisch borgen van de OHS impact heeft op andere ruimtegebruikers en -vragers in de regio. In de RES-en zijn verschillende zoekgebieden voor windenergie aanwezig. Per locatie zijn de aandachtspunten als volgt:
blad 88 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
• • • •
Volkel: In de RES Noordoost Brabant zijn zoekgebieden opgenomen die overlappen met de OHS van Vliegbasis Volkel. Woensdrecht: In de RES West-Brabant zijn nieuwe windprojecten binnen de OHS aangewezen en zullen tot 2030 andere, bestaande windturbines vervangen moeten worden. In de provincie Zeeland zijn er geen nieuwe plannen die in procedure gaan, of zoekgebieden voor windenergie. Gilze-Rijen: In de REKS Hart van Brabant heeft de regio zoekgebieden voor windenergie aangewezen die overlappen met de OHS van Gilze-Rijen. Eindhoven: In de RES Metropoolregio Eindhoven zijn zoekgebieden voor windenergie aangewezen die overlappen met de OHS van vliegbasis Eindhoven. Daarnaast speelt de verstedelijkingsopgave van Eindhoven (stad) een belemmerende rol: hier is woningbouw op grotere hoogte dan 150 meter voorzien.
Een besluit over de OHS op deze locatie kan impact hebben op de lopende trajecten. Deze aandachtspunten dienen bij besluitvorming betrokken te worden. Hierover dient afstemming tussen Defensie en lokale overheden. Naar aanleiding van de milieuinformatie heeft Defensie ervoor gekozen om deze behoefte onderdeel te maken van het voorkeurspakket. Deze beslissing kan leiden tot significante milieueffecten. Als spelregels voor het proces na besluitvorming in het NPRD gelden: • Er is afstemming in de RES-regio’s nodig om te voorkomen dat de trajecten voor de opwek van windenergie in de regio’s gehinderd wordt. Behoefte 32: Schietbaan t.b.v. Koninklijke Militaire School Luchtmacht (KMSL) Vliegbasis Woensdrecht Beschrijving van de behoefte De Koninklijke Militaire School Luchtmacht (KSML) op Vliegbasis Woensdrecht is het opleidingsinstituut van de Luchtmacht. De vliegbasis beschikt momenteel niet over eigen schietfaciliteiten en is afhankelijk van lokale schietverenigingen en andere krijgsmachtonderdelen. Om dit op te lossen is een schietbaan op de vliegbasis nodig. Het betreft een schietbaan voor klein kaliber wapens. Op de volgende figuur is de voorziene locatie van de schietbaan op vliegbasis Woensdrecht opgenomen.
figuur 3-27 Beoogde locatie schietbaan bij vliegbasis Woensdrecht
blad 89 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Conclusies Zeef 1 Voor de schietbaan op de KMSL geldt dat geluid- en natuureffecten de bepalende effecten zijn. Voor Woensdrecht is onderzocht hoe schermenschietbanen zijn in te passen in de omgeving, uitgaande van een maximale geluidbelasting 55 dB bij omliggende woningen. Er is uitgegaan van een situatie met zowel een 100 meterbaan als een 25 meterbaan, met het wapengebruik van 1,5 miljoen per jaar op de 25 meterbaan en 1,4 miljoen per jaar op de 100 meterbaan. Voor het type schietbaan is naar twee opties gekeken: een baantype zoals op vliegbasis Volkel (links op de volgende figuur) en een baantype zoals op de schietbaan Arnhemse Heide (rechts op de volgende figuur).
figuur 3-28 Geluidscontouren bij twee baantypen: links zoals in Volkel en rechts zoals bij de Arnhemse Heide
Uit de figuur blijkt dat het geluid bij het ‘type Volkel’ naar achteren wordt (linkerfiguur) goed afgeschermd en naar de zijkanten minder goed. Bij banen van het type ‘Arnhemse Heide’ is de afscherming naar de zijkanten juist weer wat beter. De mindere afscherming naar de zijkanten bij het type ‘Volkel’ zorgt uitgaande van de beoogde locatie en richting van de schietbanen op Woensdrecht voor een geluidbelasting van 60 dB bij een woning aan de zuidkant (nummer 1 in het plaatje). Bij banen van het type Arnhemse Heide is de geluidbelasting bij die woning beperkt tot 55 dB (en zijn er ook geen andere woningen met een geluidbelasting hoger dan 55 dB). Daarom lijken banen van het type Arnhemse Heide een betere optie dan banen van het type Volkel. Uiteraard kan t.z.t. nagedacht worden over een akoestisch verbeterd baanontwerp, een gunstigere locatie van de banen op de vliegbasis of een andere schietrichting. De conclusie is dat schietbanen met het gewenste wapengebruik op vliegbasis Woensdrecht gerealiseerd kunnen worden met een maximale geluidbelasting van 55 dB ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen (woningen). Naar aanleiding van de milieuinformatie heeft Defensie ervoor gekozen om deze behoefte onderdeel te maken van het voorkeurspakket. Deze beslissing kan leiden tot significante milieueffecten.
Als spelregels voor het proces na besluitvorming in het NPRD gelden: • Nadere uitwerking van het baantype zodat effecten voor de omgeving beperkt worden. • De mogelijke negatieve natuureffecten van deze behoefte zijn een aandachtspunt voor de realiseerbaarheid van deze behoefte. Er is (zeer) beperkt stikstofruimte beschikbaar. Behoefte 33: Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Woensdrecht Beschrijving van de behoefte Vliegbasis Woensdrecht verzorgt opleidingen voor de luchtmacht en andere Defensie onderdelen. Om gereed te worden dient de opleidingscapaciteit vergroot te worden. Daarnaast verzorgt Vliegbasis Woensdrecht onderhoud aan wapensystemen en logistieke dienstverlening. Om als CLSK gereed te worden zijn meer (oefen)vluchten nodig blad 90 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
dat leidt tot frequenter onderhoud en meer logistieke activiteiten. Ook vraagt een gereedstelling meer van de exploitatie van de luchthaven dan op dit moment het geval is. Deze activiteiten houden verband met hoofdtaak 1. Diverse infraprojecten houden direct of indirect verband met de operationele gereedstelling van Vliegbasis Woensdrecht. Het gaat dan bijvoorbeeld om het vervangen van vliegtuig afrem installaties, uitbreiding van de opstelplaatsen voor vliegtuigen en nieuwbouw Chinookdocks, nieuwe lesgebouwen, maar ook reactivatie en aansluiting op DPO-netwerk en waterstofleiding. Op drie vlakken is er behoefte aan meer milieuruimte. Dit betreft omgevingsveiligheid, stikstof en grondgebonden geluid. Conclusies Zeef 1 Deze gewenste groei van de grondgebonden activiteiten is niet zonder meer te vertalen naar een percentage groei van de geluidscontouren. Indicatief zijn daarom een vergroting van 5%, 10% en 20% van de 50 dB-contour van het grondgebonden geluid van de vliegbasis gemaakt, zie figuur 3-29.
figuur 3-29 Indicatieve vergroting van de 50 dB contour met 5, 10 en 20%
De vergroting van de grondgebonden geluidscontouren heeft impact op bestaande woningen. Deze krijgen een hogere geluidsbelasting voor zover dit wettelijk is toegestaan. De vergroting van de 50 dB-zone leidt ook tot nieuwe woningen met een geluidsbelasting > 50 dB. Dit geldt met name als de zone 20% groter wordt en een groter deel van het zuidelijk deel van Bergen op Zoom en meer woningen in Woensdrecht raakt. Bij 5% groei zijn de effecten voor nieuwe woningen beperkter, maar vallen nog steeds over een groter stedelijk gebied en het kan nog steeds beperkend zijn voor woningen die nu net aan de maximaal wettelijke waarde voldoen. Voor omgevingsveiligheid zijn de effecten naar verwachting beperkter. Vergroting van de huidige veiligheidscontouren leiden niet direct tot grote aandachtspunten (weinig kwetsbare objecten en de contouren liggen op de basis zelf). Stikstof is – net als bij elke andere behoefte – bij Woensdrecht een grote uitdaging. De vliegbasis grenst direct aan Natura 2000 en kan op dit moment hierdoor bijna geen uitbreidingen realiseren. Dit is meer een generiek aandachtspunt dat bij meer behoeften speelt.
blad 91 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Naar aanleiding van deze milieuinformatie heeft Defensie ervoor gekozen om deze behoefte voorlopig onderdeel te maken van het Voorkeurspakket. Deze beslissing kan echter leiden tot significante milieueffecten. Op basis van het indicatief onderzoek kunnen nog geen definitieve conclusies getrokken worden. Daarom is het noodzakelijk om na ter inzage legging, maar voor vaststelling van het NPRD nader geluidsonderzoek te verrichten om de effecten te concretiseren. Dit verdiepend onderzoek (geluidonderzoek en stikstof) wordt uitgevoerd tussen ontwerp- en definitieve besluitvorming. Vooralsnog is de behoefte wel opgenomen in het ontwerp NPRD. Een definitief besluit wordt bij de vaststelling van het NPRD eind 2025 genomen. De behoefte is daarom als categorie 2* aangeduid. Behoefte 35: Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Gilze-Rijen Beschrijving van de behoefte Er is behoefte aan uitbreiding van de milieuruimte op de vliegbasis Gilze-Rijen. De reden hiervoor is het tekort aan ruimte voor de huidige activiteiten. Zoals bijvoorbeeld proefdraaien en het behoud van de maximale belegging van munitie. De activiteiten op de vliegbasis worden nu aangepast op de bestaande zoneringen. Dit is krap en niet flexibel, daarbij is er geen uitbreidingsruimte. Om de uitvoer van deze activiteiten te waarborgen is het noodzakelijk om de milieuruimte uit te breiden.
De geplande uitbreidingen vragen een toename van de vergunningsruimte. Conclusies Zeef 1 Deze gewenste groei van de grondgebonden activiteiten is niet zonder meer te vertalen naar een percentage groei van de geluidscontouren. Indicatief zijn daarom een vergroting van 5%, 10% en 20% van de 50 dB-contour van het grondgebonden geluid van de vliegbasis gemaakt, zie figuur 3-30.
figuur 3-30 Indicatieve vergroting van de 50 dB contour met 5, 10 en 20%
De vergroting van de grondgebonden geluidscontouren heeft impact op bestaande woningen. Deze krijgen een hogere geluidsbelasting voor zover dit wettelijk is toegestaan. De vergroting van de 50 dB-zone leidt ook tot nieuwe woningen met een geluidsbelasting > 50 dB. Dit geldt met name als de zone 20% groter wordt en een groter deel van het zuidelijk deel van Rijen en beperkt ook het noordelijk deel van Gilze raakt. Bij 5% groei zijn de
blad 92 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
effecten voor nieuwe woningen beperkter, maar het kan nog steeds beperkend zijn voor woningen die nu net aan de maximaal wettelijke waarde voldoen. Naar aanleiding van de milieuinformatie heeft Defensie ervoor gekozen om deze behoefte voorlopig onderdeel te maken van het Voorkeurspakket. Deze beslissing kan echter leiden tot significante milieueffecten. Op basis van het indicatief onderzoek kunnen nog geen definitieve conclusies getrokken worden. Daarom is het noodzakelijk om na ter inzage legging, maar voor vaststelling van het NPRD nader geluidsonderzoek te verrichten om de effecten te concretiseren. Dit verdiepend onderzoek (geluidonderzoek) wordt uitgevoerd tussen ontwerp- en definitieve besluitvorming. Vooralsnog is de behoefte wel opgenomen in het ontwerp NPRD. Een definitief besluit wordt bij de vaststelling van het NPRD eind 2025 genomen. De behoefte is daarom als categorie 2* aangeduid. Behoefte 41: Verandering inrichting vliegbasis Eindhoven verplaatsen Hot cargo platform Beschrijving van de behoefte De inrichting van de vliegbasis Eindhoven verandert om daarmee beter aan te sluiten op de operatie. De baanrenovatie in 2027 leidt tot verplaatsen van hot cargo, het munitieplatform. Daarmee verplaatsen ook de veiligheidscirkels (explosieaandachtsgebieden). Er zijn drie varianten voor de verplaatsing van het Hot Cargo Platform.
Alle varianten zijn aan de westzijde van de start- en landingsbaan gelegen. De drie locaties die Defensie hiervoor op het oog heeft, zijn weergegeven in volgende figuur. Om de effecten te minimaliseren is bij het berekenen van effecten reeds rekening gehouden met constructieve oplossingsrichtingen voor de nieuwe hot cargo hal en 7-kamerbunker.
figuur 3-31: Drie Varianten voor hot cargo voorzieningen (N, M en Z)
Conclusies Zeef 1 Een hot-cargo platform heeft voornamelijk impact op de omgevingsveiligheid. Per locatie zijn de volgende effecten relevant: • Variant Z ligt midden tussen bestaande munitiegebouwen, in het bijzonder de hardened aircraft shelters. Het plaatsen van het HCP op locatie Z zou leiden tot een inwendig onveilige situatie en leidt tot grote blad 93 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
•
•
zones en PR-contouren. Als gevolg van deze contouren komen er kwetsbare objecten binnen de B-zone te liggen. Variant M ligt aan de rand van het vliegbasisterrein. Plaatsing van een HCP zou leiden tot B-zones over de recreatieplas en de crossbaan (en daarbij behorende voorzieningen). Dit zijn inbreuken in de benodigde B-zone. Binnen de verwachte C-zone ligt de vertrekhal van Eindhoven Airport met grote glazen wanden. Nog niet beoordeeld is of deze sterk genoeg zijn om de blastbelasting binnen de C-zone te weerstaan. Variant N heeft geen inbreuken in de B-zone, maar wel zowel de vertrekhal van Eindhoven Airport en de toekomstige bebouwing op BIC II (vastgelegd in het omgevingsplan van de gemeente Eindhoven) binnen de C-zone. Nog niet beoordeeld is of deze bebouwing sterk genoeg is (en gaat zijn) om de blastbelasting te weerstaan.
Defensie heeft besloten dat deze behoefte onderdeel is van het voorkeurspakket, maar heeft nog geen voorkeursvariant uit de drie varianten vastgelegd. Hiervoor is verdiepend onderzoek nodig op het gebied van omgevingsveiligheid, zowel op als buiten de vliegbasis. Dit verdiepend onderzoek wordt uitgevoerd tussen ontwerp- en definitieve besluitvorming over het NPRD. Behoefte 44: Oefenterreinen met graafmogelijkheden Beschrijving van de behoefte Door beperkingen is graven op oefenterreinen nagenoeg niet meer mogelijk. Momenteel is enkel het graven van schuttersputten beperkt mogelijk op afgebakende terreinen binnen enkele oefengebieden. Defensie heeft de behoefte om vrij gebruik van oefenterreinen voor graafactiviteiten te hebben. Op meerdere oefenterreinen moeten er voldoende mogelijkheden komen om dergelijke graafwerkzaamheden te kunnen beoefenen. Dit betreft het graven met de hand (tot een diepte van ca. 1.5 meter) en het machinaal graven tot een meter van ca. 3 meter. Er is onderscheid tussen de locaties waar in de huidige situatie al graafwerkzaamheden zijn toegestaan. Op andere oefenterreinen zijn er geen graafwerkzaamheden toegestaan. Conclusies Zeef 1 Graven op de oefenterreinen is een activiteit die op alle terreinen kan leiden tot verstoringen van het bodemarchief, natuurwaarden of het oppervlaktewater. De grootste milieuknelpunten zijn archeologie en Natura 2000.
Dit geldt in meer of mindere mate voor alle terreinen. In dit MER is een voorschot genomen op kansrijke zones voor graafoefeningen aan de hand van deze twee milieuknelpunten. Per terrein zijn zones aangewezen waarbinnen waar de beperkingen die voortvloeien uit de milieuthema’s beperkt zijn. Defensie heeft op basis van deze kaarten besloten de gebieden waar ‘graven verenigbaar is met aanwezige waarden’ (groen) en de gebieden met ‘enkele beperkingen’ (geel) onderdeel te maken van het voorkeurspakket. Als mitigerende maatregel wordt zonering toegepast, hetgeen betekent dat in elk geval de gebieden waar graven onverenigbaar is met aanwezige waarden (zwart), en de gebieden met ‘veel beperkingen’ (rood) géén onderdeel zijn van het voorkeurspakket. Gebieden met ‘aanzienlijke beperkingen’ (oranje) kunnen onder voorwaarde van géén negatieve effecten in een vervolgfase alsnog onderdeel van het voorkeurspakket worden. Dat leidt tot de volgende trechtering (de kaarten zijn raadpleegbaar in het achtergrondrapport locatiespecifieke behoeften):
Geschiktheid van de terreinen voor graafactiviteiten, met links (lichtblauw) de terreinen met weinig beperkingen, en rechts (donkerblauw) de terreinen met veel beperkingen Oefenterrein Oordeel Havelte-West
In het westelijke gedeelte van het terrein zijn minder beperkingen aanwezig (geel). Dit gebied is onderdeel van het voorkeurspakket. Oordeel: onderdeel van het VKA.
Arnhemse Heide
Over nagenoeg het hele terrein beperkingen, maar wel gebieden waar graven verenigbaar is met de aanwezige waarden. Oordeel: onderdeel van het VKA.
Oirschotse Heide
Een archeologisch waardevol gebied, met grote zones waar graven onverenigbaar is met de aanwezige waarden . Oordeel: geen onderdeel van VKA.
De Haar
Graven op een groot deel van het terrein verenigbaar met de aanwezige waarden. Lokaal beperkingen. Oordeel: onderdeel van het VKA.
blad 94 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
3.14.4
Ermelosche Heide
Een archeologisch waardevol gebied, met een grote zone waar graven onverenigbaar is met de aanwezige waarden. Klein gebied nabij de kazerne waar slechts enkele beperkingen aanwezig zijn. Oordeel: voor een klein deel onderdeel van het VKA.
Rucphense Heide
Over het hele terrein aanzienlijke beperkingen. Oordeel: geen onderdeel van het VKA, tenzij blijkt dat archeologische waarden niet geschaad worden.
OT Wezeperberg
Voor een groot deel van het terrein is graven onverenigbaar met de aanwezige waarden. Een heel klein gedeelte heeft slechts enkele beperkingen. Dit is onderdeel van het VKA. De rest niet.
Stroese Zand
Voor een groot deel enkele beperkingen, maar verspreid ook plekken waar graven onverenigbaar is met de archeologische waarden. Oordeel: onderdeel van het VKA.
Leusderheide
Binnen oefenterrein Leusderheide zijn voornamelijk archeologische waarden beperkend voor graafactiviteiten. Graven is niet uitgesloten, maar heeft wel aanzienlijke archeologische aandachtspunten. Oordeel: voor een klein deel onderdeel van het VKA.
Vlasakkers
Nagenoeg het hele terrein heeft een middelhoge archeologische verwachting. Dit is een aandachtspunt voor graafactiviteiten. Oordeel: geen onderdeel VKA, tenzij blijkt dat archeologische waarden niet geschaad worden.
Vrachelse Heide
Archeologie is een aandachtspunt voor dit terrein. Het hele terrein heeft een archeologische dubbelbestemming die beperkend kan werken voor graafactiviteiten, tenzij blijkt dat archeologische waarden niet geschaad worden.
OT Langenboom
Binnen het oefenterrein zijn drie typen bestemmingsvlakken voor de bescherming van archeologische waarden aanwezig. Binnen deze beperkingen kunnen graafactiviteiten mogelijk zijn. Oordeel: onderdeel van het VKA.
OT Weerterheide
Het hele terrein is als Natura 2000-gebied aangewezen (grotendeels als leefgebied voor vogelsoorten). Daarnaast zijn er archeologische beperkingen op een groot deel van het terrein. Het Weertse omgevingsplan biedt meer ruimte voor graafactiviteiten dan het Cranendonckse. Oordeel: onderdeel van het VKA.
Behoeften in categorie 3: Optimalisatie en nader onderzoek benodigd in Zeef 2 Elf behoeften vallen qua impact in categorie 3. Daarnaast is ook één behoefte waarvan de impact op de fysieke leefomgeving van een onderdeel (behoefte 43.2) vooralsnog als significant is beoordeeld. Voor deze behoeften geldt dat sprake is van significante milieueffecten en hiervoor in deze Zeef 1 geconstateerd is, dat optimalisatie mogelijk is om de effecten te beperken. Deze behoeften worden, na optimalisatie, daarom in Zeef 2 opnieuw beschouwd. Na Zeef 2 wordt opnieuw beoordeeld in welke categorie de behoefte valt. Na optimalisatie kan een behoefte dus nog afvallen (categorie 4) of in categorie 1 (relatief beperkte effecten of mitigatie goed mogelijk) of categorie 2 (significante effecten, maar wel vergunbaar) geplaatst worden. De volgende behoeften vallen in categorie 3: tabel 3-19 Behoeften (of onderdelen daarvan) die in categorie 3 vallen
Behoefte
Korte beschrijving
Behoefte 1
Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen op, in en boven het water EHD-42.
Behoefte 2
Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen op, in, boven het water en naar EHD-41.
Behoefte 11
Breezanddijk groei beproevingen IJsselmeer, Afsluitdijk
Behoefte 13
Vergroting van oefengebied De Haar
Behoefte 14
Petten groei beproevingen Noordzee
Behoefte 18
Uitbreiden Artillerie Schietamp (ASK) (brede strook, Wezeperberg en Z-zijde)
Behoefte 25
Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NAVO-normering depot Defensie Pijpleiding Organisatie Markelo
Behoefte 29
Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NAVO-normering depot Defensie Pijpleiding Organisatie Poortugaal
Behoefte 37
Fysieke en geluidsruimte op oefenterrein (OT) Oirschotse Heide uitbreiden (200 ha)
Behoefte 43.2
Ingebruikname kazerne Budel en uitbreiden Weerterheide (behoefte 43.1 is opgenomen in categorie 1)
In de volgende passages is per behoefte een korte toelichting gegeven waarom deze behoefte na deze Zeef 1 in categorie 3 valt: Behoefte 1: Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen op, in en boven het water EHD-42. Beschrijving van de behoefte De behoefte voor een vergroting van militair oefengebied EHD-42 komt voort uit het volgende: blad 95 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
•
•
•
De wapensystemen die getest moeten worden krijgen een langere range. Hierdoor voldoet de lengte van het oefengebied niet meer. Het niet voldoen van de grootte van het gebied heeft directe impact op de gereedstelling van de marine. Na onderhoud dient een schip getest te worden. Dit betekent dat alle wapensystemen gebruikt dienen te worden om te controleren of deze voldoen. Het wapensysteem is niet alleen het wapen zelf, maar ook de radar en vuurgeleidingssysteem. Sommige wapensystemen kunnen in EHD-41 worden getest, sommige moeten gezien de zeer lange range in EHD-42 worden getest. Bij onvoldoende testmogelijkheden in de nabijheid van Nederland dient naar een ander land of naar geschikte gebieden buiten territoriale wateren gevaren te worden om daar deze testen uit te voeren. Dit betekent dat er enkele weken extra tijd gebruikt moeten worden om een schip in gereedheid te brengen. In de nabij toekomst (<5 jaar) zal CZSK bovendien de beschikking hebben over performantere en moderne wapensystemen die een langere ‘range’ hebben dan de huidige wapensystemen. Hierdoor is de behoefte ontstaan voor meer ruimte voor zowel de oppervlaktewapens als de luchtverdedigingssystemen. In de huidige tijd, met alle lessen die zijn opgedaan in het recente verleden, is de behoefte ontstaan om de eenheden in meer realistische scenario’s voor te bereiden op de huidige (hybride) dreigingen.
Deze scenario’s worden nu beperkt door de beschikbare ruimte.
Daarnaast bestaat de behoefte uit het creëren van mogelijkheden om vanuit de oefengebieden op zee richting de Schietrange Vliehors te kunnen schieten met (onscherpe) boordwapens. Hiervoor is een zone over zee benodigd, de veiligheidsmal (of in maritieme termen: de ‘check safety’). Conclusies Zeef 1 Voor de uitbreiding van de oefengebieden zijn vanuit milieuperspectief vooral de thema’s ruimtegebruik en natuur relevant. De belangrijkste negatieve effecten treden in alle uitbreidingsrichtingen op: • Effecten op beschermde diersoorten en onderwaterleven: alle varianten kunnen effecten hebben op vogels die afhankelijk zijn van het Natura 2000-gebied Friese Front. Dit is binnen het bestaande oefengebied ook het geval, maar effecten kunnen groter worden door uitbreidingen van de oefeningen. Geluidverstoring is hierbij het maatgevende effect. • Door onderwatergeluid en -trillingen optreden kunnen effecten optreden voor dieren die onder water leven. Uit onderzoek blijkt dat bij schietoefeningen munitieresten, bestaande uit splinters en scherven van verschillende legeringen en staal, in de zee terecht komen. Uit studies blijkt dat de effecten van akoestische verstoring door schietoefeningen beperkt zijn (Royal Haskoning, 2003; Baan et al., 1998 ).
In deze studies is geconcludeerd, dat effecten van militaire vlieg- en schietoefeningen op de relevante biologische kwaliteitselementen binnen de 1- mijlszone verwaarloosbaar zijn. Mogelijk treedt wel een effect op bruinvissen. Bij aanwijzing van deze gebieden dient dit nader ecologisch onderzocht te worden. Deze risico’s zijn voor alle gebieden bovendien vergelijkbaar. • Effecten op andere ruimtegebruikers: voor alle uitbreidingsrichtingen geldt dat in de huidige situatie sprake is van ander gebruik: visserij, scheepvaart, oliewinning en helikopterroutes. Dit betekent niet dat deze functies niet meer mogelijk zijn. De uitbreidingsrichtingen zijn sterk vergelijkbaar Op basis van de milieu-informatie ligt uitbreidingsrichting B het meest voor de hand om in een vervolgprocedure nader te onderzoeken, omdat deze direct grenst aan het bestaande gebied. In Zeef 2 kan ook voor een geoptimaliseerde variant gekozen worden, waarbij ook (delen van) variant A en C betrokken worden. Vanuit het oefengebied met wapens schieten naar de Schietrange Vliehors is vanuit milieuperspectief een problematische activiteit om de volgende twee redenen: 1. De benodigde veiligheidszone rondom het punt waar de explosieven terecht komen is dermate groot dat bestaande functies (al dan niet tijdelijk) ontruimd dienen te worden. 2.
De benodigde veiligheidszone op zee leidt tot een tijdelijke afsluiting van drukke scheepvaartroutes en het luchtruim. Bij structureel benodigde ruimte leidt dit tot grote knelpunten voor andere gebruikers op zee. Dit is deels een knelpunt in de regelgeving. In andere landen wordt de onveilige zone op zee niet onnodig groot gemaakt, waardoor dit geen impact heeft op ruimtegebruikers op zee en in het luchtruim.
blad 96 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Het knelpunt op Vlieland is, gelet op de specificaties van de onveilige zones, al dermate groot dat deze behoefte niet zonder optimalisaties mogelijk is. Dit wordt in Zeef 2 beschouwd. Conclusie Zeef 1 en benodigde optimalisatie voor Zeef 2 • De beschouwde varianten hebben alle een significante impact op de fysieke leefomgeving. Tegelijkertijd kunnen alle varianten onderdeel zijn van een voorkeursvariant. • In Zeef 2 dienen de varianten nader geoptimaliseerd te worden, om de effecten op de fysieke leefomgeving te beperken. Hierbij moet ook gekeken worden naar de dimensionering van onveilige zones voor schieten naar Schietrange Vliehors. Behoefte 2: Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen op, in, boven het water en naar EHD-41. Beschrijving van de behoefte De behoefte voor een vergroting van militair oefengebied EHD-42 komt voort uit twee punten: - De wapensystemen die getest moeten worden in oefengebied EHD-42 krijgen een langere range. Hierdoor voldoet de lengte van het oefengebied niet meer. - Voor het garanderen van een veilige oefening vliegt er tijdens de oefening een vliegtuig over het oefenterrein. Op dit moment kan het vliegtuig niet draaien binnen het terrein. Daarom moet de oefening zodra een vliegtuig zich buiten het oefengebied herpositioneert stil gelegd worden. Dit maakt het gebruik zeer inefficiënt.
Voor het schieten richting Vliehors zal een gebied van 2,5 x 2,5 km2 als “vanaf”-punt worden gemarkeerd in de EHD-42. Dan moet er een mal-onveilig gebied van 13 km breed worden gemarkeerd, dat deels op de Vliehors en deels in zee ligt. Conclusies Zeef 1 De effecten voor de natuur en ruimtegebruikers op zee komen grotendeels overeen met de effecten in behoefte 1. Een belangrijk verschil is dat geen van de varianten voor EHD-41 leiden tot activiteiten binnen Natura 2000gebied.Daar 1. Varianten A en C overlappen met zoekgebied Lagelander voor windenergie. 2. Variant C overlapt met een belangrijke scheepvaartroute. Op basis van deze milieuinformatie ligt uitbreidingsrichting B het meest voor de hand om in een vervolgprocedure nader te onderzoeken, omdat hier het minste ruimtelijke bezwaren gelden. Op basis van dit onderzoek kan echter ook voor een geoptimaliseerde variant gekozen worden, waarbij (gedeelten van) A en C eveneens in het vervolgonderzoek betrokken worden. Hier spelen echter grotere (milieu)bezwaren. Voor de behoefte om te schieten naar Schietrange Vliehors geldt dezelfde milieubeoordeling als voor de EHD-42. Conclusie Zeef 1 en benodigde optimalisatie voor Zeef 2 • De beschouwde varianten hebben alle een significante impact op de fysieke leefomgeving. Vanuit milieuperspectief scoort variant B het best.
• In Zeef 2 dienen de varianten (op basis van de voorkeur voor variant B) nader geoptimaliseerd te worden, om de effecten op de fysieke leefomgeving te beperken. Hierbij is ook gekeken naar de dimensionering van onveilige zones voor schieten naar Schietrange Vliehors. Behoefte 11: Breezanddijk groei beproevingen IJsselmeer, Afsluitdijk Beschrijving van de behoefte De behoefte voor de schietinrichting Breezanddijk is tweeledig: enerzijds is er behoefte aan meer milieuruimte om vaker op locatie te schieten. Anderzijds heeft Defensie de behoefte om munitie met een grotere dracht te verschieten dan nu mogelijk is. 1.
De inschatting is dat er dan maximaal 4.500 schoten per jaar nodig zullen zijn. Uitgaande van 50 schoten per beproevingsdag moet ook het aantal schietdagen vergroot worden. Het toegestane aantal schietdagen zal opgehoogd moeten worden van zestig naar negentig dagen.
blad 97 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
2.
Ook is er behoefte aan een fysieke uitbreiding van de sector. Nu geeft de sector ruimte aan maximaal 23 kilometer. De huidige ontwikkeling van wapensystemen maakt dit al niet meer toereikend is. Verruiming, en dan vooral verlenging, van de sector biedt hiertoe uitkomst. Een verlenging van de schietsector van 23 naar 30 kilometer is wenselijk. Verbreding van de sector is noodzakelijk vanuit de scherfstraal van beproevingen. Huidige munitie heeft een grotere scherfstraal dan oudere, waardoor een bredere sector nodig is om te voorkomen dat het mal onveilig gebied buiten deze sector komt.
figuur 3-32 Zoekgebieden uitbreiding sector Breezanddijk
Conclusies Zeef 1 Vergroting schietsector: Uitbreiding van de schietsectoren vanuit milieuperspectief leidt tot significante negatieve milieueffecten op de volgende onderwerpen: • Geluidhinder: vergroten van de sector leidt tot verschuivingen van detonaties richting bewoond gebied. Verwacht wordt dat significante geluidhinder zal optreden bij de woningen in vooral Medemblik en Andijk/de vakantieparken nabij Andijk. • Er ligt een leidingstraat door de onderzochte varianten. Deze is naar verwachting slecht combineerbaar met oefenactiviteiten met explosieven. Dit aandachtspunt moet voor definitieve besluitvorming nog verder onderzocht worden. • Vergroting van de sector leidt naar verwachting tot negatieve effecten voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied IJsselmeer, onder meer door verstoring van de voor dit gebied aangewezen doelsoorten. Dit geldt voor beide varianten. • Vergroting van de sector leidt tot negatieve gevolgen voor de potenties van het gebied voor recreatie/pleziervaart. Dit geldt voor beide varianten. Met deze effecten kan gesproken worden van aanzienlijke negatieve milieueffecten. Optimalisatie is mogelijk door de afstand tot kust verder te beperken, of door alleen voor een verbreding van de schietsector te kiezen.
Zo kan wel recht gedaan worden aan de behoefte om de sector te verbreden, maar worden de negatieve effecten door verlenging voorkomen. De effecten op de aardgasleiding en de natuurwaarden worden hiermee niet voorkomen. Deze optimalisatie wordt nader verkend in Zeef 2. blad 98 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
Conclusie intensivering gebruik Op hoofdlijnen zijn dezelfde aspecten relevant voor de intensivering van het gebruik. Ook hier worden negatieve gevolgen verwacht voor het aantal gehinderden, de natuurwaarden en het recreatief gebruik. Het doorgerekende aantal schoten leidt tot een zeer grote verschuiving in de geluidsniveaus in de omgeving van de IJsselmeerkust. Optimalisatie is vooral mogelijk door het verlichten van de munitie- en wapentypen of het verlagen van de oefenfrequentie. Een kleinere variant kan de effecten verzachten, maar niet volwaardig mitigeren. Ook deze optimalisatie is opgenomen in Zeef 2. Conclusie Zeef 1 en benodigde optimalisatie voor Zeef 2 • Beide onderdelen van de behoefte hebben in potentie een grote invloed op de fysieke leefomgeving. • Optimalisatie is noodzakelijk om enerzijds de afstand tot geluidgevoelige objecten te vergroten en de intensiteit te verlagen. In Zeef 2 wordt de haalbaarheid hiervan verkend. Behoefte 13: Vergroting van oefengebied De Haar Beschrijving van de behoefte De omvang van oefenterreinen is te klein om te kunnen opwerken voor de taakstelling conform het huidige landoptreden. Voor meerdere oefenterreinen geldt dat ze niet meer geschikt zijn om op niveau IV (compagnie, 100 tot 150 militaire) te trainen, terwijl ze daar in het verleden wel geschikt voor waren.
De benodigde fysieke ruimte voor niveau IV is gegroeid door nieuwe middelen en wijze van optreden. Voor het oefenterrein De Haar (De Haar) betekent deze taakstelling een benodigde uitbreiding van 200 tot 400 hectare. Voor Zeef 1 zijn onderstaande gebieden onderzocht.
figuur 3-33: Overzichtsfiguur varianten voor uitbreiding: oefenterrein De Haar
Conclusies Zeef 1 Alle varianten voor de vergroting van het oefengebied De Haar hebben aanzienlijke milieueffecten. Op hoofdlijnen geldt voor alle varianten (op gebied G na) dat ze ten koste gaan van landbouwgebied, nabij woongebieden. Deze gebieden hebben vanuit sociaalmaatschappelijk perspectief een grotere impact en kunnen er toe leiden dat woningen geamoveerd moeten worden. De tegenhanger hiervan is alternatief G, waar nauwelijks impact bestaat op de woongebieden, maar de natuurwaarden van het Witterveld onder druk komen blad 99 van 331
Milieueffectrapport Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deel B - Perspectieven en trechtering naar een Voorkeurspakket projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie
te staan. Vanuit wettelijk perspectief is Witterveld daardoor een lastig realiseerbare variant, omdat uitbreiding van de Haar binnen dit gebied de ADC-toets naar verwachting niet zal doorstaan vanwege de beschikbaarheid van realistische alternatieven. Uitbreidingsrichting D heeft een kleiner milieurisico voor Natura 2000 én heeft minder impact op bewoners van het gebied. Hier staat tegenover dat de locatie aan de overzijde van de autosnelweg gelegen is, onderdeel is van het natuurnetwerk en in de nabijheid van recreatieparken gelegen is. Vanuit Defensie-oogpunt scoren varianten A, B en F het best. Hier is de sociaalmaatschappelijke impact (op voornamelijk landbouw en wonen) echter het grootst. Uitbreiding op deze locaties kan niet zonder wezenlijke impact op woongebieden gerealiseerd worden. Vanuit natuurperspectief bieden vooral F en H kansen om het Witterveld robuuster te maken. Voor de functionaliteit van het oefenterrein zoekt Defensie naar een aaneengesloten gebied, aangrenzend aan het bestaande oefenterrein. Om die reden komen gebieden H, A, E en C alleen in aanmerking als óók voor gebieden F, G, A en B gekozen wordt. Keuze voor de eerstgenoemde gebieden leidt dus tot een groter ruimtebeslag. Variant D komt alleen als zelfstandige eenheid in aanmerking.
Het milieuperspectief leidt er niet toe dat, op gebied G na, één van de locaties vanuit het planMER als zelfstandige eenheid af zou vallen. Bovenstaande redeneerlijn (H, A, E en C komen alleen in aanmerking als F, G, A en B óók gekozen worden) leidt ertoe dat de impact het meest verkleind wordt door het aantal varianten te minimaliseren. Om deze reden worden gebieden E, C en D niet nader onderzocht. Gebieden H en A komen alleen sterk verkleind in aanmerking. Gebieden F en B moeten geoptimaliseerd worden om de milieu-impact te verkleinen. Gebied G wordt door de impact op het beschermde Natura 2000-gebied Witterveld niet nader onderzocht. In Zeef 1 zijn de diverse varianten voor uitbreiding van het oefengebied beschouwd. Hierbij is een aantal varianten om meerdere redenen als niet kansrijk beschouwd. De keuze voor een of alle overgebleven varianten (A, B, F en H) brengt echter nog steeds mogelijke significante effecten voor de fysieke leefomgeving met zich mee. Er zijn binnen de varianten nog voldoende mogelijkheden voor mitigatie en optimalisatie. In Zeef 2 is dit nader onderzocht. Conclusie Zeef 1 en benodigde optimalisatie voor Zeef 2 • Alle varianten hebben een grote impact op de fysieke leefomgeving, vooral door de impact op landbouwgebied en aanwezige woningen.
Gebied G heeft een daarnaast een dusdanige impact op het Natura 2000-gebied, dat deze als niet vergunbaar wordt beoordeeld. • Gebieden E, C, D en G worden vanwege de impact op de fysieke leefomgeving niet meer nader onderzocht. • Gebieden A en H moeten sterk worden verkleind om de impact op de fysieke leefomgeving te beperken, maar zijn nog voldoende kansrijk om nader geoptimaliseerd te worden in Zeef 2. • Gebieden B en F kunnen worden geoptimaliseerd in Zeef 2 om de impact op de fysieke leefomgeving te beperken. • In Zeef 2 zijn op basis van deze conclusies de gebieden A, B, F en H nader geoptimaliseerd om hieruit een Voorkeursalternatief te bepalen. Ook zijn diverse mitigerende maatregelen benoemd. Behoefte 14: Petten groei beproevingen Noordzee Beschrijving van de behoefte Gezien de ontwikkeling van wapensystemen is uitbreiding nodig om met nieuwere munitiesoorten en andere wapensystemen te schieten. Dit betreft: - een verlenging van de sector om nieuwe systemen met een langere dracht te kunnen beproeven; - een verruiming van de geluidsruimte om meer en met andere wapens te kunnen oefenen (bijvoorbeeld de aangeschafte PULS raketartillerie); - een verruiming van de vergunningsruimte om gebruik met een UAV waaraan of waarin zich munitie bevindt te vliegen, gekoppeld aan de aan de inrichting gekoppelde sector.
blad 100 van 331