Indienen zienswijze Samenwerkingsovereenkomst regionale mobiliteit MRE 2024-2030
Tekst van het document
Raadsvoorstel Onderwerp:
Zienswijze Samenwerkingsovereenkomst Regionale mobiliteit MRE 2024-2030
Portefeuillehouder:
K.W.H.M. Kusters
Documentnummer:
200553876
Zaaknummer:
200531338
Datum:
20 december 2023
1. Samenvatting voor de burger Om binnen het mobiliteitsdomein van het Metropoolregio Eindhoven meer doeltreffend en doelmatig te kunnen opereren, is de keuze gemaakt om een programmabureau op te richten. Om de gewenste samenwerking via het programmabureau juridisch mogelijk te maken is een nieuwe samenwerkingsovereenkomst opgesteld. In de formele procedure om deze samenwerkingsovereenkomst te bekrachtigen, wordt de gemeenteraad in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het ontwerp naar voren te brengen aan hun college, die de zienswijze naar het portefeuillehoudersoverleg mobiliteit sturen, eventueel voorzien van een eigen reactie.
2. Inleiding Op 30 november 2022 hebben de bestuurders van de Metropool Regio Eindhoven (MRE) het besluit genomen om de governance binnen het mobiliteitsdomein aan te passen om meer doeltreffend en doelmatig te kunnen opereren. Als gevolg van deze keuze is aan het MRE gevraagd te starten met het oprichten van een regionaal programmabureau, gericht op de coördinatie van de programma’s en projecten die gemeente overstijgend zijn en daarmee de betrokkenheid vergen van meerdere gemeenten. Om de gewenste samenwerking via het programmabureau juridisch mogelijk te maken is een nieuwe samenwerkingsovereenkomst opgesteld. Dit is nodig omdat de bestaande gemeenschappelijke regeling van de MRE niet voldoende juridische basis heeft en de bestaande samenwerkingsovereenkomst bereikbaarheidsagenda een te beperkte inhoudelijke scope en een ander samenwerkingsmodel heeft. In het portefeuillehoudersoverleg mobiliteit van 10 mei 2023 is het plan van aanpak voor inrichting van het programmabureau inclusief de gewenste ontwikkelrichting vastgesteld. In de Samenwerkingsovereenkomst regionale mobiliteit worden de afspraken vastgelegd uit het nieuwe samenwerkingsmodel (besluit portefeuillehoudersoverleg 30 november 2022 en 10 mei 2023) en zijn de taken en verantwoordelijkheden van de verschillende gremia opgenomen.
In de formele procedure die doorlopen moet worden om de Samenwerkingsovereenkomst regionale mobiliteit te bekrachtigen, worden de gemeenteraden in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het ontwerp naar voren te brengen aan de colleges, die de zienswijze naar het portefeuillehoudersoverleg mobiliteit sturen, eventueel voorzien van een eigen reactie.
3. Advies 1.
In te stemmen met het naar voren brengen van een zienswijze over het concept Samenwerkingsovereenkomst Regionale mobiliteit MRE 2024-2030, conform de conceptbrief.
4. Beoogd effect Om de gewenste samenwerking via het programmabureau juridisch mogelijk te maken is een nieuwe samenwerkingsovereenkomst opgesteld. De governance binnen het mobiliteitsdomein wordt aangepast om meer doeltreffend en doelmatig te kunnen opereren. Doel van de overeenkomst is het verbeteren van de samenwerking tussen partijen, die zij eerder zijn overeengekomen, als een effectief middel om de uitdagingen op mobiliteitsgebied het hoofd te bieden.
5. Argumenten 1.1 Vergroten focus en samenhang in uitvoering programma’s en projecten Het mobiliteitsdomein in Zuidoost Brabant kenmerkt zich door uitdagende doelen en een grote verscheidenheid aan initiatieven om deze doelen te realiseren. Deze initiatieven hebben veelal de vorm van programma’s en projecten. Door de relatief grote verscheidenheid aan programma’s en projecten met doorgaans ook een dienovereenkomstige verscheidenheid aan financieringsbronnen, is het overzicht van alle initiatieven op mobiliteitsgebied en de samenhang daartussen voor verbetering vatbaar. Met deze samenwerkingsovereenkomst kan de focus en de samenhang in de uitvoering van programma’s en projecten worden vergroot. 1.2 Betere coördinatie van en regie op regionale mobiliteitsprogramma’s en projecten De 21 gemeenten hebben op 10 mei 2023 in het portefeuillehoudersoverleg mobiliteit bestuurlijke overeenstemming bereikt over een Plan van Aanpak om te komen tot een betere coördinatie van en regie op alle regionale mobiliteitsprogramma’s en projecten. 1.3 Centrale aansturing en coördinatie op bestuurlijk en ambtelijk niveau In deze samenwerkingsovereenkomst zijn afspraken opgenomen die voortvloeien uit het Plan van aanpak, die gericht zijn op het uitvoeren van programma’s en projecten onder een centrale aansturing en coördinatie op zowel bestuurlijk als ambtelijk niveau.
Hierdoor kan de sturing worden versimpeld met aandacht voor de regio als geheel en de deelregio’s.
6. Kanttekeningen 1.1 Ambtelijke overlegstructuur is niet benoemt Artikel 10; In artikel 10 lid 2 wordt aangegeven dat de samenwerking bestuurlijke overleggen en ambtelijke samenwerking kent. De ambtelijke samenwerking kent ook structurele ambtelijke overleggen, die al jaren bestaan. Vanwege het belang hiervan in de totale samenwerking is het verzoek om bij artikel 10 lid 2, in plaats van te volstaan met de wijze waarop de ambtelijke uitvoering is belegd, de ambtelijke overlegstructuur te benoemen, zoals dat bij de bestuurlijke overlegstructuur is gedaan.
2/5
1.2 Verkeerde doorverwijzing naar gemeenten in deelregio Oost Artikel 17; Er is vanuit dit artikel een verkeerde doorverwijzing gemaakt naar artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b. Dit heeft verstrekkende gevolgen. Het bestuurlijk overleg Oost bestaat dan niet uit de Portefeuillehouders Mobiliteit van deelregio Oost, maar uit de Portefeuillehouders Mobiliteit van deelregio De Kempen. Het spreekt voor zich dat dit niet de bedoeling kan zijn. Hier dient de juiste doorverwijzing te worden gemaakt (in huidige overeenkomst artikel 15, eerste lid onder f), waarbij extra attentie moet zijn voor artikel 15 lid d (hier staat niks). Als dit wordt aangepast moet de doorverwijzing naar de gemeenten in deelregio Oost uiteraard nog steeds kloppen. 1.3 Onvoldoende borging ambtelijke betrokkenheid in regionale samenwerking Artikelen 20 en 21; De portefeuillehouders in het portefeuillehoudersoverleg mobiliteit richten zich meer dan voorheen op het beleid, kaders en strategie, waarbij de stuurgroep als een vooruitgeschoven post van dit portefeuillehoudersoverleg zich richt op de operationele taken (uitvoering van Programma regionale mobiliteit). Doordat hier een verschuiving van taken plaatsvindt, kunnen de portefeuillehouders minder toezien op de uitvoering van projecten en zaken die hiermee verband houden.
Ambtelijk kan hier ook een rol worden gespeeld, als daarvoor de mogelijkheid wordt geboden. Graag vernemen we het standpunt hierover van het MRE. Daarnaast willen portefeuillehouders vanuit hun ambtelijke organisatie goed geïnformeerd en geadviseerd worden over de stukken, die in het portefeuillehoudersoverleg worden behandeld. Deze mogelijkheid wordt geboden als de stukken die in het portefeuillehoudersoverleg mobiliteit aan de orde komen, vooraf in een ambtelijk vooroverleg met de betreffende gemeenten zijn besproken. Hierdoor kunnen ambtenaren beter adviseren, omdat ze vooraf op de hoogte zijn van de argumenten van het programmabureau (inclusief de eventuele verstrekte toelichtingen en de beantwoording van vragen tijdens een overleg) en de standpunten van collega’s van andere regiogemeenten. Anderzijds profiteert het programmabureau hier ook van, omdat via de ambtelijke antennes voorafgaand aan het portefeuillehoudersoverleg een beeld wordt verkregen of het benodigde draagvlak voor een advies kan worden behaald, danwel aanpassing van de stukken wenselijk is. Dit vergroot de kans op een positief resultaat en het verkleint het risico dat niet aangenomen voorstellen en bijbehorende stukken opnieuw in het portefeuillehoudersoverleg gewijzigd teruggebracht dienen te worden.
We zien in de samenwerkingsovereenkomst graag een regel toegevoegd dat de stukken voor het portefeuillehoudersoverleg ambtelijk worden voorbesproken, met daarbij de ambtelijke overleggen genoemd (die ook zouden moeten worden genoemd in artikel 10 lid 2) waarin die bespreking plaatsvindt. 1.4 Onafhankelijke evaluatie en advisering door programmabureau Artikel 20 lid 5, 6 en 7: Voor een gedegen onafhankelijke evaluatie van de werking van de samenwerkingsovereenkomst Regionale mobiliteit dient het programmabureau, gelet op de dominante rol die het hierin zelf speelt en vanwege het grote eigen belang, deze evaluatie niet zelf uit te voeren. Dat zou extern door een ter zake deskundig adviesbureau moeten gebeuren. Anders wordt het wel heel erg een slager die zijn eigen vlees keurt. We zien graag in de tekst van dit artikel geborgd, dat de gedegen inhoudelijke evaluatie door een ter zake deskundig adviesbureau wordt uitgevoerd. Het bovenstaande is eveneens van toepassing op de advisering over doorontwikkeling van het besturingsmodel Regionale mobiliteit. Het gaat dan om toekomstige taken en verantwoordelijkheden op het gebied van Regionale mobiliteit, die het programmabureau op zich zou moeten nemen. Ook hiervoor geldt dat de advisering door een ter zake deskundig adviesbureau dient te worden uitgevoerd en dat dit in de tekst van het betreffende artikel wordt geborgd. 3/5
Verder is het verstandig om de opdrachtomschrijvingen voor een evaluatie en advisering, zoals hiervoor omschreven, in de vorm van een (concept)offerteuitvraag (aan te benaderen ter zake deskundige adviesbureaus), vooraf aan het portefeuillehoudersoverleg mobiliteit voor te leggen. Mogelijk kan dit ook in de tekst van het betreffende artikel worden opgenomen. In artikel 20 lid 7 is de wens beschreven dat het programmabureau zich in de toekomst doorontwikkeld en dat het eerste evaluatiemoment hiervoor een geijkt moment is. Daarbij wordt tevens verwezen naar een bijlage waarin enkele specifieke doorontwikkelrichtingen zijn geformuleerd. Wij nemen aan dat (een) ter zake deskundig adviesbureau(s) onafhankelijk en zelfstandig kan/kunnen evalueren en adviseren, waarbij de doorontwikkelrichtingen mogelijke ideeën zijn voor de toekomst, maar niet als een gegeven/ verplichting wordt gezien, dat nader moet worden ingevuld. Een bevestiging van dit beeld is welkom.
1.5 Uitwerking taken deelregio coördinator wordt gemist Artikel 21; Aan de taken van een beperkt aantal personen in het Programmabureau wordt via artikel 20 meer dan één bladzijde besteed en aan de taken van de deelregiocoördinator inclusief ambtelijke afstemming met de regiogemeenten wordt niet meer dan twee regels besteed; ‘De deelregio coördinator is verantwoordelijk voor de communicatie en het organiseren van de bestuurlijke en ambtelijke afstemming.’ Het is niet verder geduid op welke wijze dit zou moeten plaatsvinden en wat voor soort zaken er moeten worden afgestemd. Het verzoek is om dit alsnog in het betreffende artikel verder aan te vullen. Dit staat los van het idee voor de doorontwikkelrichting, waarbij de taken van de deelregiocoördinator worden geïncorporeerd in het programmabureau voor 1 januari 2025, want ook als er een dergelijke incorporatie plaatsvindt is er behoefte aan duidelijkheid over de wijze waarop de ambtelijke afstemming met de deelregio’s is vormgegeven. Dit artikel verschaft de mogelijkheid deze duidelijkheid te bieden en juridisch te borgen.
1.6 Meer duidelijkheid gewenst over financiële consequenties Artikel 25: Voor de transparantie (beeld financiële consequenties) wordt het wenselijk geacht als de jaarlijkse inbreng van de organisatiekosten (€ 575.000,-), naar rato van het aantal inwoners wordt verduidelijkt door een bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst te voegen, waarin de vertaalslag is gemaakt naar wat deze jaarlijkse inbreng betekent per gemeente. Daaraan kan tevens worden aangegeven dat het niet om een extra budget gaat, maar in plaats komt van het budget wat is gereserveerd voor de programmakosten in het kader van de bereikbaarheidsagenda.
7. Financiën De kosten zoals bedoeld in artikel 23 lid 1 (organisatiekosten bestaande uit de personele kosten van het programmabureau en de kosten voor extern advies) worden betaald uit het budget, dat in iedere regiogemeente nu jaarlijks beschikbaar is voor het programmateam van de bereikbaarheidsagenda, maar waarvoor het programmabureau in de plaats komt. Dit volgt uit artikel 24 lid 1; ‘De financiële verdeling volgt de huidige systematiek met behoud van ieders rol en taak, zij het dat de rol van het programmateam Bereikbaarheidsagenda per 1 januari 2024 wordt overgenomen door het programmabureau.’ Voor de gemeente Someren gaat het daarbij concreet om het budget van 2210011 Gem. verkeersveiligheidbeleid /4436000 - Inkomensoverdrachten aan overige overh. van € 12.000,-. De ambtelijke inschatting is dat gelet op het zeer uitgebreide takenpakket, zoals beschreven in artikel 20, de huidige formatieruimte te beperkt zal blijken te zijn, wat vermoedelijk zal leiden tot hogere kosten in de komende jaren of tot een verruimde inzet van de flexibele schil zoals bedoeld in artikel 19 lid 3. 4/5
Deze flexibele schil bestaat uit personeel van verschillende disciplines, zoals juridisch advies en public affairs, dat afkomstig is van partijen en van de provincie. In de praktijk gaat het dan vaak om personeel van de gemeenten Eindhoven en Helmond. Daarin schuilt een gevaar. De inhoud van de stukken wordt dan ambtelijk meer en meer ingevuld/bepaald vanuit de steden in samenwerking met de provincie, waardoor de invloed van andere gemeenten beperkter wordt.
8. Communicatie Gelet op de hiervoor beschreven kanttekeningen wordt geadviseerd in te stemmen met het naar voren brengen van een zienswijze over de concept Samenwerkingsovereenkomst Regionale mobiliteit MRE 2024-2030, conform de conceptbrief.
9. Uitvoering Omdat als deadline 31 januari 2024 is aangehouden voor het indienen van een zienswijze bij het portefeuillehoudersoverleg mobiliteit, kan de definitieve zienswijze niet tijdig worden ingediend. Daarom is de zienswijze als concept bij het MRE aangeleverd, waarbij nadrukkelijk het voorbehoud is gemaakt dat de gemeenteraad nog een standpunt dient in te nemen. Na uw besluitvorming zullen we begin februari de definitieve versie van de zienswijze aan het MRE (portefeuillehoudersoverleg mobiliteit) kenbaar maken.
Burgemeester en wethouders van Someren, de secretaris,
de burgemeester,
J. Koppers-Van der Krabben
D. Blok
Bijlage(n)
O
Concept raadsbesluit
X
Concept Samenwerkingsovereenkomst regionale mobiliteit MRE 2024-2030
X
Concept brief met zienswijze
X
NO
5/5