CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage was-wordt tabel wijziging GR Peelgemeenten 2024

Commissie Burger en Bestuur 22 februari 2024, gemeente SomerenBij agendapunt: Verlenen toestemming definitieve versie gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling Peelgemeenten 202419.246 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

1. Het Algemeen bestuur kan, conform artikel 25 van de wet commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. Het Algemeen bestuur stelt vooraf de raden van de deelnemende gemeenten van dit voornemen op de hoogte en stelt hen in de gelegenheid hun wensen en bedenkingen ter kennis van het Algemeen bestuur te brengen.

2. Een lid van het Dagelijks bestuur is voorzitter van een commissie als bedoeld in het eerste lid.

2. Een lid van het Dagelijks bestuur is voorzitter van een commissie als bedoeld in het eerste lid.

3. Bij de instelling wordt in ieder geval geregeld: a. de samenstelling; b. de bevoegdheid of bevoegdheden; c. de werkwijze; d. de openbaarheid van vergaderingen; e. de voorbereiding, de uitvoering en de openbaarmaking van besluiten van de commissie; f. het toezicht van het Algemeen bestuur respectievelijk het Dagelijks bestuur; g. de verhouding van de overgedragen bevoegdheden tot die van het Algemeen bestuur en het Dagelijks bestuur; h. de verantwoording aan het Algemeen bestuur; i. wanneer de commissie is ingesteld voor bepaalde tijd, wordt tevens de einddatum van de commissie geregeld.

3. Bij de instelling wordt in ieder geval geregeld: a. de samenstelling; b. de bevoegdheid of bevoegdheden; c. de werkwijze; d. de openbaarheid van vergaderingen; e. de voorbereiding, de uitvoering en de openbaarmaking van besluiten van de commissie; f. het toezicht van het Algemeen bestuur respectievelijk het Dagelijks bestuur; g. de verhouding van de overgedragen bevoegdheden tot die van het Algemeen bestuur en het Dagelijks bestuur; h. de verantwoording aan het Algemeen bestuur; i. wanneer de commissie is ingesteld voor bepaalde tijd, wordt tevens de einddatum van de commissie geregeld.

Artikel 21. Commissies van advies

Artikel 22. Commissies van advies

1. Het Algemeen bestuur kan besluiten commissies van advies in te stellen ten behoeve van de uitvoering van de hen opgedragen taken conform artikel 24 van de wet.

1. Het Algemeen bestuur kan besluiten commissies van advies in te stellen ten behoeve van de uitvoering van de hen opgedragen taken conform artikel 24 van de wet.

2. De instelling van vaste commissies van advies aan het Dagelijks bestuur of aan de voorzitter en de regeling van haar bevoegdheden en samenstelling geschieden door het Algemeen bestuur op voorstel van het Dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter.

2. De instelling van vaste commissies van advies aan het Dagelijks bestuur of aan de voorzitter en de regeling van haar bevoegdheden en samenstelling geschieden door het Algemeen bestuur op voorstel van het Dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter.

3. Andere commissies van advies aan het Dagelijks bestuur of aan de voorzitter worden conform lid 3 van artikel 24 van de wet door het Dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter ingesteld.

3. Andere commissies van advies aan het Dagelijks bestuur of aan de voorzitter worden conform lid 3 van artikel 24 van de wet door het Dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter ingesteld.

4. Bij de instelling wordt in ieder geval geregeld: a. de samenstelling; b. de bevoegdheid /bevoegdheden; c. de werkwijze; d. de openbaarheid van vergaderingen; e. de verantwoordingsrelatie tussen de commissie en het betreffende bestuursorgaan; f. wanneer de commissie is ingesteld voor bepaalde tijd, wordt tevens de einddatum van de commissie geregeld; g. de benoeming van de voorzitter van de commissie.

4. Bij de instelling wordt in ieder geval geregeld: a. de samenstelling; b. de bevoegdheid / bevoegdheden; c. de werkwijze; d. de openbaarheid van vergaderingen; e. de verantwoordingsrelatie tussen de commissie en het betreffende bestuursorgaan; f. wanneer de commissie is ingesteld voor bepaalde tijd, wordt tevens de einddatum van de commissie geregeld; g. de benoeming van de voorzitter van de commissie.

Artikel 22. Werkgroepen, overlegvormen

Artikel 23. Werkgroepen, overlegvormen

Het Algemeen bestuur, het Dagelijks bestuur en de voorzitter kunnen werkgroepen en overlegvormen instellen.

Het Algemeen bestuur, het Dagelijks bestuur en de voorzitter kunnen werkgroepen en overlegvormen instellen.

Artikel 24. Burgerparticipatie 1. Ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en raden van de deelnemende gemeenten betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. 2. Onverminderd het eerste lid kan het Dagelijks bestuur besluiten om, in samenwerking met de gemeenteraden, aan ingezetenen en belanghebbenden gelegenheid te bieden betrokken te worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid, op een door het Dagelijks bestuur te bepalen wijze.

Toelichting artikel 24: De Wet gemeenschappelijke regelingen beoogt dat ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken worden. Het gaat dan om alle fasen van de beleidscyclus. Hoewel de GR Peelgemeenten betrokken is bij het opstellen van beleid van de deelnemende gemeenten, stelt het bestuur van de GR Peelgemeenten zelf geen beleid of verordeningen vast die ingezetenen binden. De GR Peelgemeenten is vooral een uitvoeringsgerichte gemeenschappelijke regeling. De uiteindelijke beleidskeuzes liggen bij de deelnemende gemeenten. Het ligt daarom voor de hand om burgerparticipatie via of namens de colleges en raden te laten verlopen en niet via het bestuur van de gemeenschappelijke regeling. Dit sluit het meest aan bij het concept van verlengd lokaal bestuur, waarbij de gemeenteraden de rol van volksvertegenwoordiging hebben. Als participatie buiten de gemeenteraden om wordt georganiseerd, wordt die rol uitgehold. Burgerparticipatie via de lokale gemeentebesturen is bovendien in lijn met hetgeen de deelnemende gemeenten hebben vastgelegd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning en de verordening Jeugdhulp omtrent burgerparticipatie en hoe de gemeenten dit nu hebben geregeld, namelijk via de adviesraden sociaal domein.

Het tweede lid maakt het wel mogelijk om samen met de gemeenteraden een andere vorm van burgerparticipatie te organiseren. Deze mogelijkheid is opgenomen omdat dit in de toekomst mogelijk wenselijk is, bijvoorbeeld bij een grote beleidswijziging. Artikel 23. Tegemoetkoming

Artikel 25. Tegemoetkoming

1. Het Algemeen bestuur kan voor zijn leden, de leden van het Dagelijks bestuur, de voorzitter bij verordening een tegemoetkoming in de kosten vaststellen. Deze verordening bevat regels omtrent de hoogte en de toekenning van de tegemoetkoming in de kosten.

1. Het Algemeen bestuur kan voor zijn leden, de leden van het Dagelijks bestuur, de voorzitter bij verordening een tegemoetkoming in de kosten vaststellen. Deze verordening bevat regels omtrent de hoogte en de toekenning van de tegemoetkoming in de kosten.

2. De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten bedraagt niet meer dan de werkelijke kosten, mede rekening houdende met de tegemoetkoming in de kosten welke de bestuurder ontvangt uit hoofde van diens functie als burgemeester of wethouder van een van de deelnemende gemeenten.

2. De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten bedraagt niet meer dan de werkelijke kosten, mede rekening houdende met de tegemoetkoming in de kosten welke de bestuurder ontvangt uit hoofde van diens functie als burgemeester of wethouder van een van de deelnemende gemeenten.

3. Ten aanzien van de werkzaamheden en de kosten van de leden van de commissies, ingesteld met het oog op de behartiging van bepaalde belangen, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

3. Ten aanzien van de werkzaamheden en de kosten van de leden van de commissies, ingesteld met het oog op de behartiging van bepaalde belangen, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

4. De leden van adviescommissies die geen burgemeester, wethouder of raadslid zijn, kunnen een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie ontvangen. De artikelen 96 tot en met 99 van de Gemeentewet, alsmede de op grond daarvan gestelde nadere regelen, zijn alsdan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande

4. De leden van adviescommissies die geen burgemeester, wethouder of raadslid zijn, kunnen een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie ontvangen. De artikelen 96 tot en met 99 van de Gemeentewet, alsmede de op grond daarvan gestelde nadere regelen, zijn alsdan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande

dat, wanneer daarin sprake is van een onderverdeling in gemeenteklassen, het bepaalde voor de gemeenteklasse van 50 001-100 000 inwoners van toepassing is.

dat, wanneer daarin sprake is van een onderverdeling in gemeenteklassen, het bepaalde voor de gemeenteklasse van 50 001-100 000 inwoners van toepassing is.

HOOFDSTUK 9. Voorhangprocedure

HOOFDSTUK 9. Voorhangprocedure

Artikel 24. Voorhangprocedure

Artikel 26. Voorhangprocedures colleges

1. Op verzoek van minimaal drie leden van het Dagelijks bestuur of van minimaal zes leden van het Algemeen bestuur kent het Dagelijks bestuur dan wel het Algemeen bestuur, afhankelijk van welk orgaan bevoegd is over het dossier te beslissen, aan een dossier de kwalificatie majeur dossier toe.

1. Op verzoek van minimaal drie leden van het Dagelijks bestuur of van minimaal zes leden van het Algemeen bestuur kent het Dagelijks bestuur dan wel het Algemeen bestuur, afhankelijk van welk orgaan bevoegd is over het dossier te beslissen, aan een dossier de kwalificatie majeur dossier toe.

2. Het Dagelijks bestuur dan wel het Algemeen bestuur beslist in ontwerp op majeure dossiers en stuurt het ontwerpbesluit naar het Algemeen bestuur of de colleges voor het indienen van een eventuele zienswijze. Het Algemeen bestuur of de colleges kunnen binnen zes weken een zienswijze indienen op het ontwerpbesluit. Na deze termijn neemt het Dagelijks bestuur dan wel het Algemeen bestuur een definitief besluit inzake het majeure dossier waarbij de zienswijze gemotiveerd wordt betrokken.

2. Het Dagelijks bestuur dan wel het Algemeen bestuur beslist in ontwerp op majeure dossiers en stuurt het ontwerpbesluit naar de colleges voor het indienen van een eventuele zienswijze. De colleges kunnen binnen zes weken een zienswijze indienen op het ontwerpbesluit. Na deze termijn neemt het Dagelijks bestuur dan wel het Algemeen bestuur een definitief besluit inzake het majeure dossier waarbij de zienswijze gemotiveerd wordt betrokken.

3. Als majeur dossier wordt in ieder geval aangemerkt: a. Besluiten tot het aangaan van overeenkomsten zoals bedoeld in artikel 4 lid 4 van deze regeling; b. Besluiten tot het aangaan van overeenkomsten met betrekking tot plustaken zoals bedoeld in artikel 6 van deze regeling; c. wijziging in de financiële verdeelsleutels. 4. Het Dagelijks bestuur dan wel het Algemeen bestuur kan besluiten de besluitvorming over een majeur dossier maximaal 3 maanden aan te houden teneinde de leden van het Algemeen bestuur of de colleges in de gelegenheid te stellen hun colleges of gemeenteraden te consulteren. 5. Indien, om redenen van vereiste spoed, besluitvorming op korte termijn noodzakelijk is wordt er geen gebruik gemaakt van de in lid 4 opgenomen bevoegdheid.

3. Het Dagelijks bestuur dan wel het Algemeen bestuur kan besluiten de besluitvorming over een majeur dossier maximaal 3 maanden aan te houden teneinde de colleges in de gelegenheid te stellen hun gemeenteraden te consulteren. 4. Indien, om redenen van vereiste spoed, besluitvorming op korte termijn noodzakelijk is wordt er geen gebruik gemaakt van de in lid 3 opgenomen bevoegdheid.

Toelichting artikel 26: Bij de oprichting van Peelgemeenten is de voorhangprocedure in de gemeenschappelijke regeling opgenomen vanuit de gedachte dat de gemeenschappelijke regeling de basis vormde voor de samenwerking en dienstverlening en dat eventuele andere overeenkomsten die een verder reikende samenwerking tot doel hadden in goede afstemming met de deelnemende gemeenten gesloten moesten worden. In artikel 24 lid 3 (oud) waren daarom een aantal besluiten aangewezen als majeur dossier. Na ruim 6 jaar kunnen we echter concluderen dat de zienswijzeprocedure bij AB en colleges eigenlijk geen toegevoegde waarde heeft, omdat het AB en/of de colleges in de praktijk al vroegtijdig betrokken worden bij dit soort ontwikkelingen. Eventuele opmerkingen vanuit AB en/of colleges worden vooraf al gegeven en verwerkt en daarom komen er eigenlijk nooit meer inhoudelijke zienswijzen tijdens het besluitvormingsproces. Omdat Peelgemeenten er belang aan hecht om het bestuur en de colleges tijdig te betrekken bij ontwikkelingen, is het besluitvormingsproces zo ingericht dat zij vooraf goed en zorgvuldig worden meegenomen. Dit leidt ertoe dat een zienswijze procedure geen toegevoegde waarde meer heeft.

Gelet op het voorgaande wordt voorgesteld om in de gemeenschappelijke regeling geen besluiten meer aan te wijzen die verplicht voor een zienswijze aan het AB of de colleges voorgelegd moeten worden. Het DB en AB kunnen dan natuurlijk nog wel zelf beoordelen of zij een besluit aanmerken als majeur dossier en een zienswijze willen vragen. Daarnaast wordt voorgesteld om die zienswijze procedure dan ook aan te passen, in die zin dat altijd het college wordt gevraagd om een zienswijze te geven. Het AB vergadert immers maar een paar keer per jaar en omdat de AB-leden het college vertegenwoordigen is het efficiënter om de colleges rechtstreeks te bevragen. Artikel 27. Voorhangprocedures gemeenteraden 1. De raden van deelnemende gemeenten worden op basis van deze regeling in de gelegenheid gesteld om binnen 12 weken hun zienswijze kenbaar te maken ten aanzien van de volgende besluiten: a. Het treffen van een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 4 lid 2; b. Het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, coöperaties en verenigingen als bedoeld in artikel 4 lid 3; c. Het instellen van bestuurscommissies als bedoeld in artikel 21 lid 1; d. Het vaststellen van de ontwerpbegroting en begrotingswijzigingen als bedoeld in artikel 37; e. Het vaststellen van het uittredingsplan als bedoeld in artikel 50; f.

Het vaststellen van het liquidatieplan als bedoeld in artikel 55; 2. Indien grote beleidswijzigingen worden voorbereid, worden de raden van de deelnemende gemeenten door het Dagelijks bestuur in de

gelegenheid gesteld om daarop binnen 12 weken hun zienswijze kenbaar te maken. 3. Voorafgaand aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze gegeven is stelt het Dagelijks bestuur, de raden van de deelnemende gemeenten en, indien het een besluit van het Algemeen bestuur betreft, het Algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, bedoeld in het eerste en tweede lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Toelichting artikel 27: In de gemeenschappelijke regeling moet worden bepaald of, en zo ja voor welke door het bestuur te nemen besluiten een zienswijze aan de raden wordt gevraagd. Oogmerk is dat gemeenteraden dan hun opvatting kenbaar kunnen maken voordat een bepaald besluit is genomen. De gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen schrijft hierin niets verplicht voor. De wet heeft slechts tot doel een bewuste afweging door de deelnemers in de gemeenschappelijke regeling te bevorderen. In diverse artikelen is reeds bepaald dat besluiten voor een zienswijze aan de raden voorgelegd moeten worden. Dit zijn zwaarwegende besluiten waarbij het wenselijk is dat de raden betrokken worden. Omwille van het overzicht zijn alle besluiten die, op basis van de wet of de gemeenschappelijke regeling Peelgemeenten 2024, voor een zienswijze aan de raden voorgelegd moeten worden opgesomd in artikel 27.

In lid 2 is daarnaast toegevoegd dat grote beleidswijzigingen ook voor een zienswijze aan de raden worden voorgelegd. De raden kunnen op deze manier in een vroeg stadium worden meegenomen en zo krijgen zij op een laagdrempelige manier inspraak in de beleidscyclus. Omdat grote beleidswijzigingen niet heel vaak voorkomen blijft echter ook de doelmatigheid van het samenwerkingsverband in stand. Een zienswijzeprocedure bij de raden is immers tijdrovend, waardoor dit proces niet voor alle besluiten wenselijk is. Op deze manier is getracht een goede afweging te maken tussen doelmatigheid enerzijds en het op het juiste moment betrekken van de raden anderzijds. Lid 3 is letterlijk overgenomen van artikel 10 lid 6 Wgr. Deze bepaling is overgenomen, omdat men anders mogelijk niet bewust is van het feit dat er een terugkoppeling moet worden gegeven aan de raden voorafgaand aan het nemen van het besluit. HOOFDSTUK 10. Verantwoording en informatievoorziening

HOOFDSTUK 10. Verantwoordingsplicht en informatievoorziening

Artikel 25. Interne inlichtingenplicht en verantwoordingsplicht lid Dagelijks bestuur

Artikel 28. Verantwoordingsplicht lid Dagelijks bestuur

1. Het Dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het Algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het Dagelijks bestuur gevoerde bestuur.

1. Het Dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het Algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het Dagelijks bestuur gevoerde bestuur.

2. Het Dagelijks bestuur geeft het Algemeen bestuur alle inlichtingen die het Algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.

2. Het Algemeen bestuur kan een lid van het Dagelijks bestuur, indien dit lid het vertrouwen van het Algemeen bestuur niet meer bezit, ontslag verlenen.

3. Het Algemeen bestuur regelt van welke besluiten van het Dagelijks bestuur in ieder geval kennisgeving wordt gedaan aan de leden van het Algemeen bestuur. Daarbij kan het Algemeen bestuur de gevallen bepalen waarin met ter inzage legging kan worden volstaan. Het Dagelijks bestuur laat de kennisgeving of ter inzage legging achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang. 4. Het Algemeen bestuur kan een lid van het Dagelijks bestuur, indien dit lid het vertrouwen van het Algemeen bestuur niet meer bezit, ontslag verlenen. Toelichting wijzigingen hoofdstuk 10: De bepalingen in dit hoofdstuk zijn opnieuw gegroepeerd, omdat de nieuwe bepalingen over de actieve informatieplicht van het bestuur richting de gemeenteraden dan beter ingevoegd konden worden. De bepalingen zijn inhoudelijk niet gewijzigd. Als een bestaande bepaling wel inhoudelijk is gewijzigd, dan is dat in de toelichting aangegeven. Toelichting artikel 28: Het nieuwe artikel is beperkt tot de bepalingen over de verantwoordingsplicht. De bepalingen over informatievoorziening door het DB zijn verwerkt in artikel 30 nieuw. Artikel 26. Externe inlichtingenplicht

Artikel 29. Verantwoordingsplicht lid Algemeen bestuur

1. Het Algemeen bestuur en Dagelijks bestuur van het openbaar lichaam verstrekt schriftelijk aan de colleges en de raden de door een of meer leden van die colleges en raden gevraagde inlichtingen zo spoedig mogelijk, voor zover dat niet strijdig is met het openbaar belang.

1. Het lid van het Algemeen bestuur dat door de deelnemende gemeente is afgevaardigd is aan het college en de raad verantwoording schuldig over het door hem in het Algemeen bestuur gevoerde beleid.

2. De inlichtingen worden in ieder geval binnen twee maanden schriftelijk verstrekt en wel door het Dagelijks bestuur, tenzij de inlichtingen uitdrukkelijk van het Algemeen bestuur of de voorzitter worden verlangd.

2. Het college kan een door hem aangewezen lid van het Algemeen bestuur, indien dit lid het vertrouwen van dat college niet meer bezit, als zodanig ontslag verlenen.

Toelichting artikel 29: Dit is artikel 27 oud, maar dan beperkt tot de verantwoordingsplicht van een AB-lid. Bepalingen over informatievoorziening door het AB zijn verwerkt in artikel 31 nieuw.

Artikel 27. Externe inlichtingenplicht en verantwoordingsplicht lid Algemeen bestuur 1. Het lid van het Algemeen bestuur dat door de deelnemende gemeente is afgevaardigd is aan het college verantwoording schuldig over het door hem in het Algemeen bestuur gevoerde beleid. 2. Een lid van het Algemeen bestuur verstrekt aan het college dat hem heeft aangewezen de door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen, voor zover zulks niet strijdig is met het openbaar belang.

Artikel 30. Interne informatievoorziening 1. Het Dagelijks bestuur geeft het Algemeen bestuur alle inlichtingen die het Algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. 2. Het Algemeen bestuur regelt van welke besluiten van het Dagelijks bestuur in ieder geval kennisgeving wordt gedaan aan de leden van het Algemeen bestuur. Daarbij kan het Algemeen bestuur de gevallen bepalen waarin met ter inzage legging kan worden volstaan. Het Dagelijks bestuur laat de kennisgeving of ter inzage legging achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang.

3. De inlichtingen worden zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee maanden in een vergadering van dat college of schriftelijk verstrekt. 4. Het college kan een door hem aangewezen lid van het Algemeen bestuur, indien dit lid het vertrouwen van dat college niet meer bezit, als zodanig ontslag verlenen. 5. Het reglement van orde van het Algemeen bestuur regelt de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid. 6. Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de raden. Toelichting artikel 30: Deze bepalingen stonden in artikel 25 lid 2 en 3 oud. Omdat dit artikel betrekking heeft op de informatievoorziening van het DB richting het AB is dit artikel “interne informatievoorziening” genoemd. Artikel 31. Externe informatievoorziening 1. Een lid van het Algemeen bestuur verstrekt aan het college dat hem heeft aangewezen de door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen, voor zover dat niet strijdig is met het openbaar belang. 2. Het Algemeen bestuur, Dagelijks bestuur en de voorzitter van het openbaar lichaam verstrekken schriftelijk aan de raden de door een of

meer leden van die raden gevraagde inlichtingen zo spoedig mogelijk, voor zover dat niet strijdig is met het openbaar belang. 3. De inlichtingen worden in ieder geval binnen twee maanden schriftelijk verstrekt en wel door het Dagelijks bestuur, tenzij de inlichtingen uitdrukkelijk van het Algemeen bestuur of de voorzitter worden verlangd. 4. Het Algemeen bestuur, het Dagelijks bestuur en de voorzitter geven de raden van de deelnemende gemeenten uit eigen beweging alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. 5. In afwijking van het vierde lid verschaffen het Algemeen bestuur, het Dagelijks bestuur en de voorzitter geen informatie rechtstreeks aan de raden over zaken waaromtrent krachtens artikel 13 of artikel 18 geheimhouding is opgelegd. Indien de raden deze informatie wel nodig hebben voor de uitoefening van hun taken, wordt deze informatie via de colleges met de raden gedeeld onder de voorwaarde dat de colleges krachtens artikel 87 Gemeentewet geheimhouding hebben opgelegd. Toelichting artikel 31: In dit artikel zijn alle bepalingen met betrekking tot informatievoorziening aan colleges en raden gebundeld. Deze bepaling is daarom “Externe informatievoorziening” genoemd. Lid 1 heeft betrekking op de informatieplicht van de AB-leden richting hun college. Deze bepaling stond in artikel 27 lid 2 oud.

Artikel 27 lid 3 en lid 5 oud zijn komen te vervallen, omdat een individueel lid van het AB zelf moet kunnen bepalen op welke wijze hij/zij verantwoording aflegt aan zijn/haar college of raad. Hierover zijn doorgaans ook binnen een gemeente afspraken gemaakt.. Lid 2 en 3 betreffen de passieve informatieplicht van het bestuur (AB, DB en voorzitter) jegens de raden op grond van artikel 17 lid 1 Wgr. Deze bepalingen stonden in artikel 26 oud. Hierin was ook een passieve informatieplicht van de DB-leden richting de colleges opgenomen, maar die bestaat wettelijk niet. Deze bepaling is aangepast om in de gemeenschappelijke regeling geen verplichting te creëren die de wetgever bewust niet heeft opgenomen. Lid 4 en 5 zijn nieuw toegevoegd en verwoorden de actieve informatieplicht van het bestuur (AB, DB en voorzitter) jegens de raden op grond van artikel 17 lid 2 en 3 Wgr. Deze verplichting is met de wetswijziging in de Wet gemeenschappelijke regelingen gekomen. Op grond van het vierde lid worden de raden periodiek geïnformeerd over alle voor de raden relevante ontwikkelingen. Hierbij is met de accounthouders van de deelnemende gemeenten de werkafspraak gemaakt om dit in eerste instantie eens per kwartaal te doen middels een raadsinformatiebrief. Deze werkafspraak is niet vastgelegd in de gemeenschappelijke regeling, omdat hier dan niet meer van kan worden afgeweken.

Indien de raden een andere frequentie wenselijker vinden, kunnen hier

in de toekomst uiteraard andere afspraken over gemaakt worden. Daarnaast is de werkafspraak gemaakt dat de colleges een afschrift ontvangen van de informatie het bestuur rechtstreeks met de raden deelt. Dit is wenselijk, omdat de raden de AB- en DB-leden hierover kunnen bevragen. Informatie waarop geheimhouding rust wordt niet rechtstreeks met de raden gedeeld, omdat de raden dan eerst in een besloten raadsvergadering moeten besluiten over de geheimhouding. In de praktijk is dit niet goed werkbaar. Informatie waarop geheimhouding wordt daarom via de colleges (die geheimhouding opleggen) met de raden gedeeld. Artikel 28. Informatieplicht rekenkamer(commissies)

Artikel 32. Informatieplicht rekenkamer(commissie)

De rekenkamer(commissie)s van de deelnemende gemeenten, afzonderlijk en in samenwerking met elkaar, worden door het Dagelijks bestuur in staat gesteld om alle informatie te verkrijgen die voor de wettelijke taakuitoefening nodig is, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 184 Gemeentewet.

De rekenkamer(commissie)s van de deelnemende gemeenten, afzonderlijk en in samenwerking met elkaar, worden door het Dagelijks bestuur in staat gesteld om alle informatie te verkrijgen die voor de wettelijke taakuitoefening nodig is, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 184 Gemeentewet.

HOOFDSTUK 11. Uitvoeringsorganisatie

HOOFDSTUK 11. Uitvoeringsorganisatie

Artikel 29. De algemeen directeur

Artikel 33. De algemeen directeur

1. Met de leiding van de uitvoeringsorganisatie van het openbaar lichaam is met inachtneming van het gestelde in of krachtens deze regeling belast de algemeen directeur. Dit behelst in het bijzonder: a. het ontwikkelen en in stand houden van een doeltreffende en doelmatige uitvoeringsorganisatie inclusief een gezonde (financiële) huishouding; b. het direct leiding geven aan de leden van het managementteam; c. het voorzitten van het managementteam; d. het ontwikkelen en in stand houden van een zodanige relatie met het Dagelijks bestuur dat het Dagelijks bestuur haar verantwoordelijkheid daadwerkelijk kan invullen; e. het vertegenwoordigen van de uitvoeringsorganisatie in het maatschappelijk verkeer.

1. Met de leiding van de uitvoeringsorganisatie van het openbaar lichaam is met inachtneming van het gestelde in of krachtens deze regeling belast de algemeen directeur. Dit behelst in het bijzonder: a. het ontwikkelen en in stand houden van een doeltreffende en doelmatige uitvoeringsorganisatie inclusief een gezonde (financiële) huishouding; b. het direct leiding geven aan de leden van het managementteam; c. het voorzitten van het managementteam; d. het ontwikkelen en in stand houden van een zodanige relatie met het Dagelijks bestuur dat het Dagelijks bestuur haar verantwoordelijkheid daadwerkelijk kan invullen; e. het vertegenwoordigen van de uitvoeringsorganisatie in het maatschappelijk verkeer.

2. Het Dagelijks bestuur beslist over het aangaan, wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst met de algemeen directeur.

2. Het Dagelijks bestuur beslist over het aangaan, wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst met de algemeen directeur.

3. Het Dagelijks bestuur stelt voor de algemeen directeur een instructie vast.

3. Het Dagelijks bestuur stelt voor de algemeen directeur een instructie vast.

4. De algemeen directeur staat de bestuursorganen en de commissies van het openbaar lichaam bij in de vervulling van hun taak en woont de vergaderingen van de bestuursorganen als adviseur bij. Hij kan medewerkers van het openbaar lichaam aanwijzen, die hem daarin bijstaan.

4. De algemeen directeur staat de bestuursorganen en de commissies van het openbaar lichaam bij in de vervulling van hun taak en woont de vergaderingen van de bestuursorganen als adviseur bij. Hij kan medewerkers van het openbaar lichaam aanwijzen, die hem daarin bijstaan.

5. De algemeen directeur is bestuurder zoals bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden en vertegenwoordigt de uitvoeringsorganisatie in het overleg met de ondernemingsraad.

5. De algemeen directeur is bestuurder zoals bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden en vertegenwoordigt de uitvoeringsorganisatie in het overleg met de ondernemingsraad.

6. Aan de algemeen directeur wordt maximaal mandaat verleend door het Algemeen dan wel Dagelijks bestuur. De algemeen directeur kan, voor zover hij daartoe bevoegd is, binnen de uitvoeringsorganisatie gebruik maken van het verlenen van ondermandaten.

6. Aan de algemeen directeur wordt maximaal mandaat verleend door het Algemeen dan wel Dagelijks bestuur. De algemeen directeur kan, voor zover hij daartoe bevoegd is, binnen de uitvoeringsorganisatie gebruik maken van het verlenen van ondermandaten.

7. De algemeen directeur wordt aangewezen als secretaris zoals bedoeld in artikel 19 van deze regeling.

7. De algemeen directeur wordt aangewezen als secretaris zoals bedoeld in artikel 20 van deze regeling.

HOOFDSTUK 12. Personeel en arbeidsvoorwaarden

HOOFDSTUK 12. Personeel en arbeidsvoorwaarden

Artikel 30. Personeel

Artikel 34. Personeel

1. Bij het openbaar lichaam zijn medewerkers werkzaam.

1. Bij het openbaar lichaam zijn medewerkers werkzaam.

2. Het aangaan, wijzigen en beëindigen van arbeidsovereenkomsten met het personeel geschiedt door het Dagelijks bestuur.

2. Het aangaan, wijzigen en beëindigen van arbeidsovereenkomsten met het personeel geschiedt door het Dagelijks bestuur.

3. Het Dagelijks bestuur kan de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden tot het aangaan, wijzigen en beëindigen van arbeidsovereenkomsten met het personeel van het openbaar lichaam mandateren aan de algemeen directeur met de bevoegdheid van ondermandaat aan overige leden van het management.

3. Het Dagelijks bestuur kan de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden tot het aangaan, wijzigen en beëindigen van arbeidsovereenkomsten met het personeel van het openbaar lichaam mandateren aan de algemeen directeur met de bevoegdheid van ondermandaat aan overige leden van het management.

Artikel 31. Arbeidsvoorwaarden

Artikel 35. Arbeidsvoorwaarden

1. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO SGO (Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties) van toepassing.

1. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO SGO (Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties) van toepassing.

2. Het Dagelijks bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden van de algemeen directeur en het overig ambtelijk personeel dat in dienst is bij het openbaar lichaam.

2. Het Dagelijks bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden van de algemeen directeur en het overig ambtelijk personeel dat in dienst is bij het openbaar lichaam.

HOOFDSTUK 13. Financiële bepalingen

HOOFDSTUK 13. Financiële bepalingen

Artikel 32. Jaarlijkse conferentie Het Dagelijks bestuur organiseert jaarlijks een conferentie met in ieder geval de colleges en mogelijk ook andere partijen over de onderlinge afstemming en verbeteringen bij de uitvoering van de taken zoals belegd bij het openbaar lichaam, zulks gericht op een effectieve en efficiënte taakuitvoering en kostenbeheersing. Toelichting vervallen artikel 32 oud: Het artikel over de jaarlijkse conferentie komt te vervallen, omdat hier in de praktijk geen uitvoering aan wordt gegeven. Artikel 33. Kadernota

Artikel 36. Kadernota

Het Dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt in december, doch in ieder geval voor 15 april van het jaar voorafgaande aan dat jaar waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders (kadernota) aan de raden van de deelnemende gemeenten.

Het Dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt in december, doch in ieder geval voor 30 april van het jaar voorafgaande aan dat jaar waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders (kadernota) aan de raden van de deelnemende gemeenten.

Toelichting artikel 36: Termijn voor het toezenden van de kadernota is aangepast conform artikel 34b Wgr. Artikel 34. Begroting

Artikel 37. Begroting

1. Het Dagelijks bestuur stelt elk jaar een ontwerp begroting op van het openbaar lichaam overeenkomstig het bepaalde in artikel 186 tot en met 213 Gemeentewet alsmede het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

1. Het Dagelijks bestuur stelt elk jaar een ontwerp begroting op van het openbaar lichaam overeenkomstig het bepaalde in artikel 186 tot en met 213 Gemeentewet alsmede het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

2. De ontwerpbegroting geeft inzicht in de uitvoeringskosten en de te ontvangen inwonerbijdrage van de deelnemende gemeenten.

2. De ontwerpbegroting geeft inzicht in de uitvoeringskosten en de te ontvangen inwonerbijdrage van de deelnemende gemeenten.

3. De ontwerpbegroting en begrotingswijzigingen worden minimaal 8 weken voordat deze worden vastgesteld door het Algemeen bestuur aan de raden van de deelnemende gemeenten gezonden om hen in de gelegenheid te stellen daarop hun zienswijze kenbaar te maken.

3. De ontwerpbegroting en begrotingswijzigingen worden minimaal 12 weken voordat deze worden vastgesteld door het Algemeen bestuur aan de raden van de deelnemende gemeenten gezonden om hen in de gelegenheid te stellen daarop hun zienswijze kenbaar te maken.

4. Het Dagelijks bestuur voegt de commentaren op de ingediende zienswijze bij de ontwerpbegroting zoals deze aan het Algemeen bestuur wordt aangeboden.

4. Het Dagelijks bestuur voegt de commentaren op de ingediende zienswijze bij de ontwerpbegroting zoals deze aan het Algemeen bestuur wordt aangeboden.

5. Het Algemeen bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusie die het daaraan verbindt voorafgaande aan het vaststellen van de begroting.

5. Het Dagelijks bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusie die het daaraan verbindt voorafgaande aan het vaststellen van de begroting.

6. Het Dagelijks bestuur stuurt de door het Algemeen bestuur vastgestelde begroting vóór 1 augustus van het jaar voorafgaand aan dat jaar waarvoor de begroting dient op aan Gedeputeerde Staten.

6. Het Dagelijks bestuur stuurt de door het Algemeen bestuur vastgestelde begroting vóór 15 september van het jaar voorafgaand aan dat jaar waarvoor de begroting dient op aan Gedeputeerde Staten.

7. Besluiten tot wijzigen van de begroting kunnen tot uiterlijk het einde van het betreffende begrotingsjaar worden genomen.

7. Besluiten tot wijzigen van de begroting kunnen tot uiterlijk het einde van het betreffende begrotingsjaar worden genomen. 8. In afwijking van het onder het derde lid vermelde, kunnen begrotingswijzigingen, die niet leiden tot een aanpassing van de gemeentelijke bijdragen, direct worden vastgesteld door het Algemeen bestuur.

Toelichting artikel 37: Lid 3 en 5 zijn in overeenstemming gebracht met artikel 34 Wgr. Lid 6 is in overeenstemming gebracht met artikel 34 Wgr. Lid 8 is toegevoegd, omdat dit reeds de bestaande werkwijze/werkafspraak is. In artikel 35 lid 6 Wgr is bepaald dat voor begrotingswijzigingen afwijkende afspraken gemaakt kunnen worden in de gemeenschappelijke regeling. Omdat er in de praktijk een afwijkende afspraak wordt gehanteerd is deze nu ook verankerd in de gemeenschappelijke regeling. Artikel 35. Periodieke rapportage

Artikel 38. Periodieke rapportage

1. Het Dagelijks bestuur informeert de colleges periodiek over de ontwikkelingen, geïndiceerde zorgkosten en/of uitvoeringskosten.

1. Het Dagelijks bestuur informeert de colleges periodiek over de ontwikkelingen, geïndiceerde zorgkosten en/of uitvoeringskosten.

2. Aanvullend op het eerste lid verstrekt het Dagelijks bestuur de colleges jaarlijks een rapportage met betrekking tot de geïndiceerde zorgkosten.

2. Aanvullend op het eerste lid verstrekt het Dagelijks bestuur de colleges jaarlijks een rapportage met betrekking tot de geïndiceerde zorgkosten.

Artikel 36. Jaarrekening en jaarverslag

Artikel 39. Jaarrekening en jaarverslag

1. Het Dagelijks bestuur zendt voor 15 april van het jaar dat volgt op het verslagjaar de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten.

1. Het Dagelijks bestuur zendt voor 30 april van het jaar dat volgt op het verslagjaar de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten.

2. Het Algemeen bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag betrekking hebbende op de uitvoeringskosten vast vóór 1 juli van het jaar dat volgt op het verslagjaar.

2. Het Algemeen bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag betrekking hebbende op de uitvoeringskosten vast vóór 1 juli van het jaar dat volgt op het verslagjaar.

3. Het Dagelijks bestuur stuurt de door het Algemeen bestuur vastgestelde jaarrekening en jaarverslag betrekking hebbende op de uitvoeringskosten vóór 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarvoor de jaarrekening betrekking heeft aan Gedeputeerde Staten en aan de colleges.

3. Het Dagelijks bestuur stuurt de door het Algemeen bestuur vastgestelde jaarrekening en jaarverslag betrekking hebbende op de uitvoeringskosten vóór 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarvoor de jaarrekening betrekking heeft aan Gedeputeerde Staten en aan de colleges.

Toelichting artikel 39 lid 1: Termijn voor het toezenden van de voorlopige jaarrekening is aangepast conform artikel 34b Wgr. Artikel 37. Verdeling der kosten

Artikel 40. Verdeling der kosten

1. De uitvoeringskosten worden tussen de deelnemende gemeenten in beginsel verrekend op basis van door het CBS geregistreerde inwoneraantal waarbij als peildatum 1 januari van het voorafgaande jaar geldt, tenzij bij besluit anders wordt overeengekomen.

1. De uitvoeringskosten worden tussen de deelnemende gemeenten verrekend op basis van de door de gemeenten bepaalde benodigde capaciteit in de gebiedsteams enerzijds en de door het CBS geregistreerde inwoneraantal waarbij peildatum 1 januari van het voorgaande jaar geldt anderzijds. De berekening van de kosten vindt plaats op basis van de integrale kostprijs.

2. De geïndiceerde zorgkosten worden door het openbaar lichaam met elke deelnemende gemeente individueel afgerekend op basis van de werkelijk gerealiseerde kosten van de verstrekkingen, tenzij andere (regionale) verrekeningsafspraken zijn vastgesteld.

2. De geïndiceerde zorgkosten worden door het openbaar lichaam met elke deelnemende gemeente individueel afgerekend op basis van de werkelijk gerealiseerde kosten van de verstrekkingen, tenzij andere (regionale) verrekeningsafspraken zijn vastgesteld.

3. De kosten die verband houden met de uitvoering van faciliterende taken als bedoeld in artikel 7 van deze regeling, worden verdeeld op basis van de afspraken die zijn vastgelegd in de betreffende dienstverleningsovereenkomst. Deze financiële afspraken kunnen afwijken van het eerste en tweede lid van dit artikel. Toelichting artikel 40: Lid 1 is aangepast overeenkomstig de nieuwe rekensystematiek voor de uitvoeringskosten. Lid 3 is toegevoegd omdat voor de faciliterende taken waarschijnlijk een andere verrekenafspraak zal worden gemaakt in de dienstverleningsovereenkomst. Dit lid maakt het mogelijk om voor deze taken afwijkende financiële afspraken te maken.

Artikel 38. Verplichte uitgaven

Artikel 41. Verplichte uitgaven

Wanneer aan het Algemeen bestuur blijkt dat de raad van een deelnemende gemeente niet voldoet of zal voldoen aan het gestelde in artikel 39 van deze regeling, doet het Algemeen bestuur aan Gedeputeerde Staten het verzoek over te gaan tot overeenkomstige toepassing van artikel 194 van de Gemeentewet.

Wanneer aan het Algemeen bestuur blijkt dat de raad van een deelnemende gemeente niet voldoet of zal voldoen aan het gestelde in artikel 42 van deze regeling, doet het Algemeen bestuur aan Gedeputeerde Staten het verzoek over te gaan tot overeenkomstige toepassing van artikel 194 van de Gemeentewet.

Artikel 39. Financiële gegoedheid

Artikel 42. Financiële gegoedheid

1. De deelnemende gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan alle verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

1. De deelnemende gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan alle verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

2. Indien aan het Algemeen bestuur blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het Algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.

2. Indien aan het Algemeen bestuur blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het Algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.

3. De deelnemers verbinden zich in geval van opheffing van het openbaar lichaam een liquidatieplan op te stellen dat voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de deelnemers te verdelen op een in het plan te bepalen wijze.

3. De deelnemers verbinden zich in geval van opheffing van het openbaar lichaam een liquidatieplan op te stellen dat voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de deelnemers te verdelen op een in het plan te bepalen wijze.

Artikel 40. Financiële voorschriften

Artikel 43. Financiële voorschriften

1. Het Algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten vast voor het financieel beleid alsmede het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. De artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

1. Het Algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten vast voor het financieel beleid alsmede het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. De artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Deze verordening als bedoeld in het eerste lid bevat in elk geval regels over: a. waardering en afschrijving van activa; b. algemene doelstellingen en te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede de administratieve organisatie van de financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening.

2. Deze verordening als bedoeld in het eerste lid bevat in elk geval regels over: a. waardering en afschrijving van activa; b. algemene doelstellingen en te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede de administratieve organisatie van de financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening.

3. Het Algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financieel beheer en de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst.

3. Het Algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financieel beheer en de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst.

4. Het Algemeen bestuur wijst de accountant aan die belast wordt met de controle op de in artikel 36 genoemde jaarrekening.

4. Het Algemeen bestuur wijst de accountant aan die belast wordt met de controle op de in artikel 39 genoemde jaarrekening.

5. De accountant zendt de accountantsverklaring en een verslag van bevindingen aan het Algemeen bestuur.

5. De accountant zendt de accountantsverklaring en een verslag van bevindingen aan het Algemeen bestuur.

6. De verordeningen als bedoeld in het eerste en derde lid van dit artikel worden binnen twee weken na vaststelling gezonden aan Gedeputeerde Staten.

6. De verordeningen als bedoeld in het eerste en derde lid van dit artikel worden binnen twee weken na vaststelling gezonden aan Gedeputeerde Staten.

7. Het openbaar lichaam verzekert zich tenminste tegen:

7. Het openbaar lichaam verzekert zich tenminste tegen:

a. burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade aan personen en goederen; b. wettelijke aansprakelijkheid voor vermogensschade. 8. Als de verzekering een voor rekening van het openbaar lichaam komende schade niet dekt wordt deze gedragen door het openbaar lichaam.

a. Werkgeverschaprisico’s; b. Fraude en beroving. 8. Als de verzekering een voor rekening van het openbaar lichaam komende schade niet dekt wordt deze gedragen door het openbaar lichaam. 9. Schade die ontstaat door taken die in mandaat namens de deelnemende gemeenten worden uitgevoerd, is verzekerd via de aansprakelijkheidsverzekeringen van de deelnemende gemeenten.

Toelichting artikel 43: Lid 7 is in overeenstemming gebracht met de praktijk. De GR Peelgemeenten is niet verzekerd tegen aansprakelijkheid voor schade aan personen en goederen en voor vermogensschade, omdat de GR Peelgemeenten volledig in mandaat werkt. Daarom worden deze risico’s gedekt door de aansprakelijkheidsverzekeringen van de deelnemende gemeenten. In lid 9 is dit toegelicht en in lid 7 zijn de verzekeringen opgenomen die de GR Peelgemeenten wel heeft afgesloten. HOOFDSTUK 14. Archief

HOOFDSTUK 14. Archief

Artikel 41. Archiefbescheiden

Artikel 44. Archiefbescheiden

1. Het Dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam. Dit overeenkomstig een door het Algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995, vast te stellen regeling, de Archiefverordening, die aan Gedeputeerde Staten moet worden medegedeeld.

1. Het Dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam. Dit overeenkomstig een door het Algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995, vast te stellen regeling, de Archiefverordening, die aan Gedeputeerde Staten moet worden medegedeeld.

2. Het Dagelijks bestuur is tevens belast met de zorg voor de archiefbescheiden die worden gevormd krachtens de aan het openbaar lichaam eventueel in de toekomst gedelegeerde taken.

2. Het Dagelijks bestuur is tevens belast met de zorg voor de archiefbescheiden die worden gevormd krachtens de aan het openbaar lichaam eventueel in de toekomst gedelegeerde taken.

3. Voor de door deelnemende gemeenten gemandateerde taken berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij deze gemeenten.

3. Voor de door deelnemende gemeenten gemandateerde taken berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij deze gemeenten.

4. Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de gemandateerde taken is belast de archivaris van de deelnemende gemeente(n).

4. Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de gemandateerde taken is belast de archivaris van de deelnemende gemeente(n).

5. Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam is belast de streekarchivaris van het RHCe.

5. Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam is belast de streekarchivaris van het RHCe.

6. Bij opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4 lid 1 van de Archiefwet 1995.

6. Bij opheffing van de gemeenschappelijke regeling en bij uittreding van een deelnemende gemeente wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4 lid 1 van de Archiefwet 1995.

Artikel 42. Archiefbewaarplaats

Artikel 45. Archiefbewaarplaats

1. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de gemandateerde taken is aangewezen de archiefbewaarplaats van de deelnemende gemeente(n).

1. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de gemandateerde taken is aangewezen de archiefbewaarplaats van de deelnemende gemeente(n).

2. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van het openbaar lichaam is aangewezen de archiefbewaarplaats van het RHCe.

2. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van het openbaar lichaam is aangewezen de archiefbewaarplaats van het RHCe. Artikel 46. Terbeschikkingstelling 1. De deelnemende gemeenten stellen tijdig aan het Dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de gemandateerde taken. 2. In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden vastgelegd. 3. In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de ter beschikkingstelling.

Toelichting artikel 46: De bepaling over de ter beschikkingstelling van archiefbescheiden is bij de laatste wijziging in 2020 geschrapt, maar dient op grond van artikel 4 lid 3 van de Archiefwet 1995 wel te worden opgenomen in de regeling. De modelbepaling uit de Handreiking Inrichting informatie- en archiefbeheer bij samenwerkingsverbanden is in de regeling verwerkt. HOOFDSTUK 15. Evaluatie

HOOFDSTUK 15. Evaluatie

Artikel 43. Evaluatie

Artikel 47. Evaluatie

Het Algemeen bestuur zal ieder vierde jaar, voor het eerst in 2024, een interne of externe evaluatie (laten) uitvoeren. De onderwerpen van de evaluatie worden door het Algemeen bestuur bepaald.

Het Algemeen bestuur zal ieder vierde jaar, voor het eerst in 2024, een interne of externe evaluatie (laten) uitvoeren. De onderwerpen van de evaluatie worden door het Algemeen bestuur bepaald.

HOOFDSTUK 16. Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing

HOOFDSTUK 16. Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing

Artikel 44. Toetreding

Artikel 48. Toetreding

1. Toetreding van een college van een andere gemeente tot de gemeenschappelijke regeling vindt plaats op voorwaarde dat een volstrekte meerderheid van de colleges van de deelnemende gemeenten daarmee instemt.

1. Toetreding van een college van een andere gemeente tot de gemeenschappelijke regeling vindt plaats op voorwaarde dat een volstrekte meerderheid van de colleges van de deelnemende gemeenten daarmee instemt.

2. Het Algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan hier nadere voorwaarden aan verbinden.

2. Het Algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan hier nadere voorwaarden aan verbinden.

3. Toetreding vindt plaats met ingang van 1 januari van het jaar volgende op dat waarin de voor toetreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking is getreden, het college van de toetredende gemeente daartoe heeft besloten en voldoet aan de eventueel door het Algemeen bestuur aan de toetreding verbonden voorwaarden.

3. Toetreding vindt plaats met ingang van 1 januari van het jaar volgende op dat waarin de voor toetreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking is getreden, het college van de toetredende gemeente daartoe heeft besloten en voldoet aan de eventueel door het Algemeen bestuur aan de toetreding verbonden voorwaarden.

Artikel 45. Uittreding

Artikel 49. Uittreding

1. Op 9 december 2016 is de Gemeenschappelijke regeling Peelgemeenten getroffen. Gedurende vijf jaar na deze datum dan wel na datum toetreding tot deze gemeenschappelijke regeling is uittreding niet mogelijk.

1. Alvorens een deelnemende gemeente het besluit tot uittreding neemt, stelt deze deelnemende gemeente het Dagelijks en Algemeen bestuur van het voornemen en de motieven van uittreding op de hoogte.

2. Alvorens een deelnemende gemeente het besluit tot uittreding neemt, stelt de deelnemende gemeente het Dagelijks en Algemeen bestuur van het voornemen en de motieven van uittreding op de hoogte.

2. Een deelnemende gemeente kan, na vooraf verkregen toestemming van de gemeenteraad, besluiten uit deze gemeenschappelijke regeling te treden. De deelnemende gemeente zendt het besluit tot uittreding aan het Algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het Algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen.

3. Een deelnemende gemeente kan, na vooraf verkregen toestemming van de gemeenteraad, besluiten uit deze gemeenschappelijke regeling te treden. De deelnemende gemeente stelt het Algemeen bestuur van dit besluit op de hoogte.

3. Tenzij het Algemeen bestuur een kortere termijn bepaalt, kan de uittreding niet eerder plaatsvinden dan tegen 31 december van het

tweede kalenderjaar volgend op de datum van de in het tweede lid bedoelde ontvangstdatum.

4. De uittredende partij is uittreedkosten verschuldigd aan het openbaar lichaam. De financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties van uittreding komen volledig voor rekening van de uittredende partij.

4. Het Dagelijks bestuur zendt een besluit tot uittreding aan de colleges van de overige deelnemende gemeenten.

5. Het Algemeen bestuur stelt een regeling met betrekking tot uittreding vast. In deze regeling worden de richtlijnen met betrekking tot de procedure van uittreding en de berekening van de uittredingskosten opgenomen.

5. De colleges van de overige deelnemende gemeenten kunnen gedurende een periode van drie maanden na toezending als bedoeld in het vierde lid een zienswijze toezenden aan het Algemeen bestuur. Het Algemeen bestuur betrekt de zienswijze bij het opstellen van het uittredingsplan.

6. Uittreding vindt alleen plaats indien wordt voldaan aan de voorwaarden die het Algemeen bestuur aan de uittreding verbindt en met ingang van 1 januari van het jaar volgende op dat jaar waarin de voor uittreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking treedt. 7. Bij gedeeltelijke uittreding is het bepaalde in dit artikel van overeenkomstige toepassing. Artikel 50. Uittredingsplan 1. Het Algemeen bestuur stelt een uittredingsplan vast. Het uittredingsplan regelt de gevolgen van de uittreding. 2. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële-, juridische-, personele- en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 3. Het uittredingsplan bepaalt de systematiek voor berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 4. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt, als bedoeld in artikel 53 lid 1.

5. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg zijn van de beslissing tot uittreding van een deelnemer. 6. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig, te maken dan wel te dragen door het openbaar lichaam die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij ingegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 7. Het openbaar lichaam brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt, als bedoeld in artikel 53 lid 1, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom. 8. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 9. De in het derde lid bedoelde systematiek wordt gebaseerd op: a. Relevante wet- en regelgeving; b. Relevante jurisprudentie; c. Feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding.

Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. 10. Feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het moment van daadwerkelijke uittreding kunnen niet leiden tot wijziging van de hoogte van de uittreedsom, tenzij de uitgetreden deelnemer dan wel het Algemeen bestuur kan aantonen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou zijn bepaald indien: a. de uittredende deelnemer dan wel het Algemeen bestuur onjuiste inlichtingen heeft verstrekt waarvan deze diende aan te nemen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou luiden indien de onjuiste inlichtingen niet zouden zijn verstrekt;

b. de uittredende deelnemer dan wel het Algemeen bestuur inlichtingen die hem op het moment van het bepalen van de uittreedsom bekend waren niet heeft verstrekt terwijl de uittredende deelnemer dan wel het Algemeen bestuur redelijkerwijs had moeten aannemen dat deze inlichtingen van invloed zouden kunnen zijn op de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. 11. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk betaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het Algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. 12. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het vierde lid wordt een risico-opslag van 10 procent toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. 13. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen voorlopige uittreedsom. 14.

Het uittredingsplan wordt minimaal 12 weken voordat het door het Algemeen bestuur wordt vastgesteld door het Dagelijks bestuur aan de raden van de deelnemende gemeenten gezonden om hen in de gelegenheid te stellen daarop hun zienswijze kenbaar te maken. Artikel 51. Externe deskundige 1. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het Algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het Algemeen bestuur het concept uittredingsplan voorbereidt. De onafhankelijke deskundige kan, in overleg met het Algemeen bestuur, voor specifieke onderdelen van het uittredingsplan andere deskundigen inschakelen.

2. De kosten voor het inschakelen van de onafhankelijke externe deskundige en overige inschakelde deskundigen vallen onder de frictiekosten als bedoeld in artikel 50 lid 5. 3. Het Algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het Dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het Algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van meerderheid van stemmen in het Algemeen bestuur. Artikel 52. Uittreedsom 1. Ten minste 12 maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het Algemeen bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het Algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek die hiervoor is opgenomen in het uittredingsplan en op de jaarrekening van het openbaar lichaam over het meest recent verstreken begrotingsjaar. 2. Uiterlijk 6 maanden na het moment van uittreding stelt het Algemeen bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het Algemeen bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek die hiervoor is opgenomen in het uittredingsplan en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13790137/1