CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage PlanMER

Gemeenteraad 11 september 2025, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen wijziging Omgevingsplan Buitengebied Someren - deelgebied 5.31.258 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

126 alinea's met “omgevingsplan”: 1 25 54 56 74 113 351 356 358 359 364 369 373 377 384 412 416 419 424 426 432 441 450 452 458 468 469 474 478 484 488 491 492 504 509 519 550 551 577 588 …

,

23/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Een veehouder heeft daarbij de keuze om op bedrijfslocatieniveau te voldoen of met ieder verouderd huisvestingssysteem te voldoen. In de Omgevingsverordening zijn ook mogelijkheden opgenomen waarmee een veehouder zonder aanpassing van verouderde huisvestingssystemen aan de ammoniakemissie-eisen kan voldoen. Het gaat om regelingen voor het voldoen door het houden van minder dieren; natuurinclusieve veehouderijen en regelingen voor veehouders die uiterlijk op 1 januari 2028 stoppen. 3. 2. 2 Alternatief 2: ‘Worstcase’ Naast het in beeld brengen van de referentiesituatie wordt als eerste alternatief de worstcasesituatie in beeld gebracht. Het gaat dan om de (theoretisch) maximale in/opvulling van de ontwikkelmogelijkheden die het nieuwe omgevingsplan voor deelgebied 5 Someren biedt (zie paragraaf 3. 3). Het gaat om het benutten van alle ontwikkelmogelijkheden van het ontwerpomgevingsplan. Nog los van de omgevingsplan-technische maatregelen is eerst vastgesteld of deze worstcase binnen de milieugebruiksruimte past en of deze worstcase voldoende realiteitswaarde heeft. De overige ontwikkelingen zoals die over verbreding van de landbouw en kwaliteitsslagen binnen de recreatieve sector zijn niet via alternatieven beschouwd. Van deze ontwikkelingen zal een inschatting van de (milieu)gevolgen worden gegeven als hier maximaal op wordt ingezet ,

,

,

Bij het beschrijven van de mogelijkheden voor uitbreiding van veehouderijen in de vorm van extra staloppervlak is een relatie gelegd met de restricties die de provincie Noord-Brabant heeft opgenomen in een Zone Beperkingen Veehouderij Deze gebieden zijn opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening. Hierbij is aangesloten bij de grenzen van het extensiveringsgebied die op grond van de voormalige Reconstructiewet waren vastgesteld. In de aangewezen gebieden gelden (vergaande) beperkingen voor alle veehouderijen. Deze beperkingen zijn opgenomen als rechtstreeks werkende regels. Doel van de aanduiding is om een verdere intensivering vanwege ontwikkelingen in de veehouderij in de aangeduide gebieden tegen te gaan. Binnen het gebied wordt een uitzondering gemaakt voor grondgebonden veehouderijen; de voorwaarden die hieraan worden gesteld zijn voor alle veehouderijen gelijk. .

3. 2. 3 Alternatief 3: Het planalternatief Het planalternatief bestaat uit de mogelijkheden die worden geboden in het voorliggende omgevingsplan Buitengebied Deelgebied 5 Someren (zie paragraaf 3. 3). Het verschil met het worstcase scenario (alternatief 2) is de toevoeging van een specifiek gebruiksverbod (stikstofplafond) in de planregels van het omgevingsplan. Door dit stikstofplafond te hanteren zijn emissietoenames die (kunnen) leiden tot een relevante toename van stikstofdepositie vanuit het plangebied uitgesloten. Hiermee wordt zeker gesteld dat uitvoering van het omgevingsplan voor wat betreft stikstof niet leidt tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.

3. 3

Mogelijkheden omgevingsplan buitengebied

De belangrijkste agrarische en recreatieve ontwikkelingen die het omgevingsplan buitengebied Deelgebied 5 mogelijk maakt staan hieronder puntsgewijs vermeld.

24/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Uitbreidingen Het omgevingsplan bevat geen wijzigingsbevoegdheden voor vergroting of vormverandering voor bouwvlakken die zijn bestemd als agrarisch bedrijf. De ruimte (tot 15 ha) die door de provincie (onder strikte voorwaarden) wordt geboden wordt in dit plan niet generiek mogelijk gemaakt. De gemeente staat er weliswaar niet onwelwillend tegenover maar ervaring leert dat het toepassen van het provinciaal beleid dusdanig maatwerk verlangt dat dergelijke voornemens beter buitenplans worden beoordeeld. ,

Agrarisch - Agrarisch bedrijf Ter plaatse van de bestemming Agrarisch bedrijf zijn de gronden bestemd voor de uitoefening van agrarisch bedrijf met bijbehorende bedrijfsbebouwing en/of ondersteunende voorzieningen. De ruimtelijke kwaliteit van alle gebouwen dient hierin gewaarborgd te zijn de dakhelling dient tussen de 20 en 60 graden te zijn. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en ondersteunende kassen gelden de volgende bepalingen: Maximaal toegestane goothoogte 45 m Maximaal toegestane bouwhoogte 10 m Afstand tot de bestemmingsgrens tenminste 5 m Afstand tot de as van de weg ten minste 20 m De maximaal toegestane oppervlakte voor teeltondersteunende kassen is 1. 000 m2 ,

,

Overig In het omgevingsplan zijn kleinschalige recreatieve ontwikkelingen voor woningen en agrarische bedrijven via een afwijkingsbevoegdheid mogelijk zoals een minicamping tot 25 kampeermiddelen 4 Mestbewerking bij agrarische bedrijven is toegestaan als de mest afkomstig is van het eigen bedrijf en mits dit vanuit het oogpunt van leefklimaat waaronder volksgezondheid milieu en landschap inpasbaar is ,

,

3. 4

Beoordelingsmethodiek effecten

De beschrijving en beoordeling van milieueffecten richt zich vooral op de effecten van de agrarische bestemmingen. De alternatieven worden op diverse thema’s vergeleken. Deze te beschouwen thema’s en de bijbehorende beoordelingsaspecten en -criteria staan weergegeven in tabel 3. 1. De referentiesituatie die in het MER van belang is is de huidige situatie plus de autonome ontwikkeling. De autonome ontwikkeling wordt inzichtelijk gemaakt door aan te haken bij de regels in de provinciale omgevingsverordening trends en vastgesteld beleid. Het gaat specifiek om toekomstig zekere ontwikkelingen binnen en buiten het plangebied: dit zijn bestemde en vergunde activiteiten die zeker binnenkort ingevuld worden evenals generieke plan-overstijgende ontwikkelingen. De te verwachte effecten worden in tabellen gewaardeerd (gescoord). Hierbij worden de volgende waarderingen onderscheiden: ,

,

,

,

4 Gemeentelijke statistieken

laten echter zien dat het aantal overnachtingen de afgelopen 15 jaar schommelt rond de 90. 000 per jaar. Een trend die zou wijzen op een toename tekent zich in deze statistieken niet af. 25/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Tabel 3. 1 Effectwaardering Symbool -

0/0 0/+ +

4 4. 1

Betekenis Negatief Licht negatief effect Geen effect (neutraal) Licht positief effect Positief effect

Onderzoek stikstofemissies veehouderijen Veehouderijen in het plangebied

In onderstaande kaart zijn de bouwblokken van de veehouderijen zoals opgenomen in het concept ontwerp-omgevingsplan weergegeven. Het betreft in totaal 34 locaties van veehouderijen. In onderstaande kaart zijn ook de nabij het plangebied gelegen veehouderij-locaties weergegeven (zonder bouwblok). De basis voor de weergave van het type en de omvang van de veehouderij is de registratie van (milieu)vergunningen en meldingen van veehouderij in de Kernregistratie Dierenverblijven (raadpleging KRD in juli 2024 correctie op basis van controle in augustus 2024). ,

Figuur 4. 1 - Veehouderijen in en om het plangebied (zie ook figuur 2. 2)

Uitgedrukt in economische omvang en het aantal locaties zijn melkvee- en pluimvee- locaties het sterkst vertegenwoordigd (11 locaties met enkel melkrundvee 4 locaties met melkvee en paarden en 8 locaties met pluimvee) 6 locaties met enkel paarden 4 locaties met varkens en 1 locatie met enkele schapen. Er zijn 13 locaties met een kleine/beperkte economische omvang van de veehouderij (kleiner dan 70 nge); 12 locaties met een omvang tussen 70 en 200 nge en 9 locaties met een omvang van 200 nge of meer. De Nederlandse grootte-eenheid (nge) is een ,

,

,

26/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

economische maatstaf in de landbouw en wordt per ha en per dier berekend. Met behulp van de nge is de grootte van de tak veehouderij van de veehouderijlocaties onderling te vergelijken. In onderstaande tabel zijn de veehouderij-locaties weergegeven. In bijlage 4 is dit overzicht ook opgenomen inclusief enkele extra afgeleide gegevens per veehouderij-locatie. ,

Tabel 4. 1: veehouderij-locaties in het plangebied , inclusief vergunde emissies van ammoniak , geur , fijn stof , emissies ammoniak uitgaand van geregistreerde en vergunde dierplaatsen (KRD) en emissie-eisen provinciale omgevingsverordening (2 perioden) , oppervlak bouwblok , economische omvang vergunde dierplaatsen (nge) en verhouding economische omvang dierplaatsen tot omvang bouwblok. ammoniakgeur NH3

Ou

fijn stof

NGE dierenNH3 staleiseNnH3 staleisebnouwblok

Fs

totaal

tm 2027

va 2028

NGE per ha

dossier 5711PA20 5711PA24 5711PB14 5711PG1 5711PJ65 5711PL64 5711PL74 5711PM32 5711PS64 5711PT4

type Krd

Vleeskuikens Zeugen Melkrundvee Melkrundvee Melkrundvee Melkrundvee Melkrundvee Vleesvee Paarden Vleeskuikens

6780 1896 695 1100 782 2629 1710 118 246 6051

76250 22824 1744 0 0 0 0 0 0 46200

5083342 162371 12092 9500 15808 31262 15490 3230 0 3097022

300 261 33 63 129 275 148 11 73 243

2773 704 568 1100 687 1611 862 118 246 2300

2311 704 514 1100 592 1412 756 118 246 2020

opp (ha)

341 , 151 , 139 , , 116 , 120 , 162 , 101 , 127 167 , 188 ,

88 173 24 54 107 170 146 9 44 129

5711PT6 5711PT8 5711PT9 5711PV12 5711PV8 5711PW16 5711PW2

Vleesvarkens Vleeskuikens Vleeskuikens Paarden Paarden Melkrundvee Paarden

3012 2073 7678 152 15 334 48

36248 63020 68573 0 0 0 0

234000 3840250 2471520 0 0 2888 0

80 371 447 36 4 19 11

828 2073 4130 152 15 334 48

828 2073 3442 152 15 334 48

, 303 , 303 , 254 191 , 122 , 052 , 128 ,

26 123 176 19 3 37 9

5715AA49 5715AB42 5715AG44 5715BB6 5715BC3 5715BD17 5715PX9 5715PZ15 5715RB34 5715RB37 5715RB40 5715RC6 5715RD11 5715RG18 5715RH1 5715RH3

Dekberen Vleeskuikens Vleeskuikens Melkrundvee Melkrundvee Paarden Paarden Schapen Paarden Vleeskuikens Melkrundvee Melkrundvee Vleesvee Paarden Vleeskuikens Melkrundvee

2992 8715 4804 1589 1279 297 240 93 118 7449 2314 3216 107 146 3660 905

10173 19530 45299 0 117 1317 0 1037 0 5513 0 0 248 0 34254 0

97920 903000 3017300 15940 13898 5227 0 0 1402 683468 26344 28920 3717 0 2283600 8008

142 108 179 159 106 28 63 7 17 103 214 276 12 33 135 118

452 4872 1650 926 696 240 240 93 118 2249 890 1616 100 146 1245 505

452 1830 1376 817 623 216 240 93 118 1149 712 1416 100 146 1038 455

, 187 315 , 218 , 122 , 106 , 034 , 212 , 127 , 097 , , 125 , 124 , 170 , 039 119 , 145 , 146 ,

76 34 82 130 100 83 30 6 18 83 173 163 31 28 93 81

5715RH7 Vleesvarkens Totaal 34 locaties

659 73902

18832 46670 45117922114189

70 4274

659 35246

659 28105

, 112 54

62 80

Uit deze tabel is het volgende af te leiden Er zijn grote onderlinge verschillen tussen de economische omvang van de veehouderijtak per locatie in relatie tot de omvang van het bouwblok. Er zijn bouwblokken die intensief zijn benut voor het houden van dieren (hogere waarde nge per hectare) en bouwblokken waar de veehouderijtak slechts een klein aandeel heeft of niet (meer) intensief wordt benut voor het houden van dieren (lage waarde nge per hectare) Er is sprake van een grote opgave voor het reduceren van de ammoniakemissies uit stallen. De vergunde/geregistreerde ammoniakemissie uit stallen is voor alle 34 27/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

veehouderijlocaties samen circa 73. 900 kg NH3/jaar. Op basis van de staleisen uit de provinciale omgevingsverordening per 2024/2026 en de nu vergunde dierplaatsen moet deze emissie gereduceerd worden tot circa 35. 250 kg NH3/jaar (meer dan een halvering van de stalemissies) en op de langere termijn (staleisen vanaf 2028) tot circa 28. 100 kg NH3/jaar een afname van meer dan 60%. De grootse ammoniakreducties zijn er voor locaties met een grotere tak veehouderij (melkvee pluimvee varkens). Omdat veel van deze stallen ouder zullen zijn dan 15/20 jaar of omdat om de eisen op locatieniveau te kunnen halen zullen stallen op deze locaties op korte termijn aangepast moeten worden. Of zullen er andere maatregelen moeten worden genomen om aan de emissie-eisen te kunnen voldoen zoals management-maatregelen het houden van minder dieren. Of zal het houden van dieren in de categorieën met emissie-eisen beëindigd moeten worden als de stallen niet worden aangepast. Voor enkele diercategorieën zoals paarden en schapen zijn er geen staleisen. Deze dieren worden in kleine aantallen gehouden / zijn in kleine aantallen vergund. De bijdrage aan de totale ammoniakemissie van die dieren is nu beperkt.

Het is denkbaar dat het aantal vergunde / gemelde dierplaatsen in deze categorieën stijgt vanwege het ontbreken van emissie-eisen en omdat veehouders de niet (meer) benutte stikstofruimte (deels) willen benutten. ,

,

,

,

,

,

4. 2

Ontwikkeling van de veehouderijen

Ontwikkeling in het verleden , gemeente Someren De afgelopen jaren is het aantal veehouderijlocaties met een vergunning of melding voor het houden van landbouwhuisdieren in Someren gedaald. Dat blijkt uit onderstaande grafiek waarin de ontwikkeling van het aantal veehouderij-locaties en de emissies van ammoniak geur en fijn stof uit stallen van veehouderijen in de gemeente Someren (uitgaande van de actuele emissiefactoren) is weergegeven op basis van registratie van vergunningen en meldingen van veehouderijen sinds 2000 (bron: KRD- en BVB-gegevens bewerking Pouderoyen Tonnaer). ,

,

,

Het aantal veehouderijlocaties is sinds 2000 gedaald met 37%. De economische omvang van de vergunde dierplaatsen nam toe in de periode 2000 – 2010 (circa 15% toename) bleef daarna redelijk stabiel tot 2020 en daalt sindsdien. De economische omvang per 1 juli 2024 ligt ongeveer op het niveau van 1-1-2000 (+3% t. o. v. 2000). De vergunde emissie van ammoniak (NH3) is op basis van de wettelijke emissiefactoren sterker gedaald dan het aantal locaties (in 2024 bijna gehalveerd t. o. v. 2000). Als er rekening wordt gehouden met mindere prestaties van stallen en stalsystemen qua emissiereductie (conform de correctie in het landelijk Nema-model zoals ook gehanteerd door de WUR en het RIVM NH3 Nema) is de relatieve daling van de vergunde ammoniakemissie minder groot maar nog steeds bijna 40%. De vergunde emissies van geur (Ou) uit stallen zijn minder gedaald. In de laatste jaren daalt de geregistreerde emissie van geur wel (-13% t. o. v. 2000). De vergunde emissie van fijn stof (Fs) vertoonde een stijging tussen 2000 en 2016 nam daarna licht af en ligt in 2024 ongeveer op het niveau van 2000 (+2% t. o. v. 2000). ,

,

,

,

28/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Figuur 4. 2: Aantal locaties , economische omvang vergunde dierplaatsen en vergunde stalemissies in de gemeente Someren. Uitgaand van de actuele wettelijke emissiefactoren en voor ammoniak ook op basis van Nema-factoren (tegenvallende prestaties emissiereductie stalsystemen en technieken). Op basis van registratie BVB en KRD tussen 1-1-2000 en 1-7-2024.

29/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Latente ruimte Bovenstaande grafiek is gebaseerd op de registratie van het aantal vergunde en gemelde dierplaatsen en stallen in de gemeente Someren. Deze cijfers wijken af van de opgave van het aantal gehouden dieren in de CBS landbouwtellingen. Een vergelijking van deze cijfers geeft inzicht in de veebezetting (welk deel van de toestemming voor het houden van dieren benut is) en als spiegelbeeld daarvan de latente ruimte (de niet-benutte ruimte in de milieu-toestemmingen voor het houden van dieren).

,

,

Pouderoyen Tonnaer heeft in haar onderzoek voor de provincie Noord-Brabant uit 2023 de latente ruimte in Noord-Brabant in beeld gebracht per gemeente en voor Noord-Brabant als totaal uitgaande van de registratie van vergunningen en meldingen in 2022 en de CBS Landbouwtelling uit 2022 (“Onderzoek effecten maatregelen landbouw voor stikstof en klimaat” opdrachtgever Provincie Noord-Brabant Pouderoyen Tonnaer 22 december 2023). Bij de inschattingen over de behaalde en de te behalen emissiereductie op basis van verleende toestemmingen voor veehouderijen is in dat onderzoek een correctie toegepast voor het niet-benutte deel; de latente ruimte. De latente ruimte is in het algemeen het grootst bij melkrundvee en vleeskalveren en kleiner bij varkens pluimvee en geiten. Er is in dat onderzoek uitgegaan van een (gemiddelde) correctie van 35% van de vergunde emissies van ammoniak uit stallen van Brabantse veehouderijen. De latente ruimte uitgedrukt in de emissies van geur en fijn stof is kleiner omdat bij deze emissies varkens en pluimvee maatgevend is en de latente ruimte voor die diercategorieën kleiner is dan bijvoorbeeld bij melkvee en paarden. ,

,

,

,

,

,

,

De latente ruimte in de gemeente Someren lag in 2022 dicht bij de gemiddelde waarden voor Noord-Brabant. Zonder rekening te houden met de functionele leegstand van 5 à 10% die in de wettelijke emissiefactoren is verdisconteerd was de latente ruimte in 2022 voor de ammoniakemissie 41% voor de vergunde geuremissies 34% en voor de fijn stof emissies uit stallen 24%. Uitgedrukt in economische omvang van de veestapel was de latente ruimte 44%. ,

,

Uitgaande van een correctie voor functionele leegstand (5 à 10%) is in dit MER gerekend met een gemiddelde latente ruimte van 35% in de toestemmingen van veehouderijen in het plangebied.

4. 3

Waarmee worden effecten vergeleken?

Voor het MER is het van belang om te bepalen wat de huidige situatie is in het plangebied en welke autonome ontwikkelingen voorzien zijn. Deze informatie dient om referenties te bepalen voor de in het MER te beschrijven effecten bij de planologische effectuering van de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij zoals geboden in het omgevingsplan. ,

30/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

De huidige situatie is in dit MER voor de veehouderijen beschreven aan de hand van de hiervoor beschreven gegevens uit de registratie van vergunningen en meldingen van veehouderijbedrijven in combinatie met de concept verbeelding uit het omgevingsplan (begrenzing bouwblokken en de daarin toegekende functie veehouderij).

,

Referentie natuur Voor een Voortoets/Passende Beoordeling in het kader van de bescherming van de Natura2000gebieden dient voor een plan als dit omgevingsplan als referentie uitgegaan te worden van de werkelijk gehouden dieraantallen. Dit is in dit MER vertaald als de huidige (milieu)vergunde situatie gecorrigeerd voor de latente ruimte (35% aftrek). ,

Referentie MER Voor het MER is daarnaast de autonome ontwikkeling van belang de ontwikkelingen die te voorzien zijn en waarover al besluitvorming heeft plaatsgevonden. De belangrijkste hiervan zijn de emissie-eisen (maximale emissie per dierplaats / per locatie) uit de provinciale omgevingsverordening. In dit MER is daarbij uitgegaan van de staleisen per 2024 en 2026. De referentie van het MER bestaat uit de werkelijk gehouden dieraantallen in stallen rekening houdend met de maximale emissie per dierplaats uit de provinciale omgevingsverordening. ,

,

Referentie natuur en referentie MER voor de ammoniakemissie uit stallen Voor de emissie van ammoniak uit de stallen van veehouderijen in het plangebied (alle 34 locaties samen) levert bovenstaande de volgende situatie op (zie ook tabel 4. 1): Huidige situatie vergund emissie van ammoniak: 73. 902 kg NH3/jaar Huidige situatie vergund met correctie veebezetting/latente ruimte (-35%): 48. 036 kg NH3/jaar (referentie natuur: benadering om de feitelijk emissie van ammoniak ten tijde van vaststelling van het plan te kunnen inschatten) Huidige situatie vergund met correctie voor latente ruimte en stallen voldoen aan staleisen per 2024 en 2026: 22. 910 kg NH3/jaar (35. 246 kg NH3 uit tabel 4. 1 met een correctie van 35% voor latente ruimte). Dit is voor de ammoniakemissie uit stallen de referentie voor het MER daarmee worden effecten van de beide alternatieven (worstcase alternatief en planalternatief) vergeleken ,

,

,

Hierbij moet worden opgemerkt dat de correctie voor de latente ruimte van 35% is gebaseerd op een gemiddelde voor de gemeente Someren en dat dit voor elke individuele veehouderijlocatie zal verschillen. Informatie over de latente ruimte per veehouderijlocatie is niet beschikbaar voor gebruik in dit milieuonderzoek.

31/120

Kenmerk

4. 4

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Worstcase alternatief

De ontwikkelingsruimte voor de veehouderij (binnen de al bestaande en opnieuw opgenomen bouwvlakken) vormt het voornemen voor het opstellen van het MER en neemt daarom een belangrijke plaats in de effectbeschrijvingen in. Op basis van jurisprudentie moet bij de beschrijving van effecten rekening worden gehouden met de maximale benutting van de bouwmogelijkheden in het omgevingsplan. Het startpunt van waaruit de maximale mogelijkheden zijn bepaald is de omvang van de bij recht toegekende bouwvlakken. ,

Bij het bepalen van de (theoretisch) maximale benutting van de bouwblokken van de veehouderijen in het plangebied is in dit MER uitgegaan van de verhouding tussen de economische omvang van het aantal en type dierplaatsen die zijn vergund en een theoretisch maximum die uitgaat van een sterke intensivering van de bouwblokken van veehouderijen. ,

Gemiddeld is het aantal nge per hectare bouwvlak op basis van de vergunde/gemelde dierplaatsen voor de 34 locaties 80 nge per hectare. Met een maximum van 176 nge/hectare en een minimum van 3 nge per hectare. In de worst-case analyse is uitgegaan van een theoretische verdichting van de bouwvlakken tot 200 nge per hectare voor alle bouwvlakken. Opgemerkt wordt dat dit kengetal voor de economische omvang per hectare bouwblok nog nergens is gerealiseerd in dit gedeelte van de gemeente en bijna een factor 3 hoger is dan het huidige gemiddelde op basis van de vergunde/gemelde dierplaatsen. ,

Gemiddeld is de emissie van ammoniak uit stallen per hectare bouwvlak in de huidige situatie circa 1. 380 kg NH4/jaar met een maximum van bijna 6. 000 kg NH3/jaar per hectare. Uitgaande van de provinciale emissie-eisen per 2024-2026 daalt het gemiddelde tot circa 660 kg NH3/jaar per hectare (met een maximum van circa 1. 800 kg NH3/jaar per hectare) op basis van eisen vanaf 2028 tot gemiddeld circa 525 kg NH3/jaar per hectare (met een maximum van circa 1. 350 kg/NH3 per hectare bouwvlak). ,

,

Bij de invulling van het worst-case alternatief wordt rekening gehouden met maximale groei binnen de begrensde bouwvlakken en de mogelijkheid voor omschakeling van veehouderijbedrijven naar een ander type veehouderij omdat het (concept) omgevingsplan dit in principe toestaat. ,

Uitgangspunten voor het worst-case alternatief zijn: volledige benutting latente ruimte in vergunningen en meldingen. volledige benutting ruimte op het bouwvlak tot een maximum van 200 nge/hectare. Bestaande stallen voldoen aan de eisen uit de omgevingsverordening 2024/2026 en de uitbreidingen van stallen voldoen aan de eisen uit de omgevingsverordening 2024/2026. De gemiddelde ammoniakemissie per hectare bouwblok na verduurzaming en maximale invulling is 1800 kg NH3/jaar per hectare bouwvlak. De emissies van geur en fijn stof nemen ten opzichte van de referentie toe vanwege uitbreiding van stallen en invulling van de latente ruimte. Omdat omschakeling binnen veehouderij-takken is toegestaan is een extra toename van geur/fijn stof/ammoniak ook ,

,

32/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

locaties waar nu geen intensieve veehouderij is gevestigd in het worst-case alternatief niet uitgesloten. Voor intensieve veehouderijen (pluimvee en varkens) en andere die zijn gelegen in de zone beperkingen veehouderij (geen toename staloppervlak intensieve veehouderijen toegestaan op basis van de provinciale omgevingsverordening zie onderstaand figuur 4. 2) is er geen mogelijkheid van een toename boven de vergunde emissies van geur en fijn stof (door uitbreiding of omschakeling). Van de 34 locaties zijn ongeveer de helft van deze locaties gelegen in de zone beperkingen veehouderij waarvan 4 locaties met pluimvee of varkens. Voor intensieve veehouderijen (pluimvee en varkens) die niet zijn gelegen in de zone beperkingen veehouderij (8 locatie) neemt de emissie van geur en fijn stof naar rato van de invulling van het bouwvlak toe voor zover de milieuregels (geur en fijn stof) een toename niet onmogelijk maken. Dat geldt ook voor de locaties waar nu geen pluimvee of varkensbedrijf is gevestigd mits niet gelegen in de zone beperkingen veehouderij. op

,

,

,

,

,

Figuur 4. 3 Zone beperkingen veehouderij (provinciale omgevingsverordening)

33/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Invulling worstcase alternatief voor de ammoniakemissie uit stallen In onderstaand tekstkader is geïllustreerd dat er bij de hiervoor beschreven invulling van het worst-case alternatief een toename van de ammoniakemissie uit stallen t. o. v. van de feitelijke ammoniakemissies uit stallen van veehouderijen kan optreden ondanks de emissiereductie die bereikt moet worden door verduurzaming van bestaande stallen en de emissiearme bouw van nieuwe stallen. De emissie van ammoniak uit stallen in het worst-case alternatief is wel lager dan de nu vergunde emissie maar hoger dan de emissie op basis van de referentie natuur. ,

,

Invulling referentie(s) en alternatieven voor de emissies van ammoniak uit de stallen van veehouderijen in het plangebied (alle 34 locaties samen) afgeronde waarden: ,

Huidige situatie vergund: circa 73. 900 kg NH3/jaar. Referentie natuur (vergund met correctie latente ruimte 35%): circa 48. 000 kg NH3/jaar. Referentie MER: circa 22. 900 kg NH3/jaar (vergund staleisen correctie latente ruimte) Invulling worstcase alternatief (invulling latente ruimte intensivering en staleisen): 61. 200 kg NH3/jaar. Invulling planalternatief (met stikstofplafondregeling): zie de volgende paragraaf. ,

,

,

Uit bovenstaande analyse blijkt dat een toename van de stikstofemissie- en depositie uit stallen van veehouderijen in het plangebied zonder aanvullende regelingen c. q. toetsingen niet is uit te sluiten. Ook al is een dergelijke ontwikkeling (conform het worst-case alternatief) theoretisch wijkt zo’n ontwikkeling af van de ontwikkelingen in Someren in de afgelopen 24 jaar en past deze niet bij de opgaven ten aanzien van stikstofreductie en de strikte toetsingskaders op het gebied van stikstof en natuur. ,

,

,

Voor het gedeeltelijk in het plangebied gelegen Natura2000-gebied Strabrechtse Heide en Beuven geldt dat er in de huidige situatie sprake is van een voor stikstof sterk overbelaste situatie en dat deze overbelasting ook in de komende jaren zal blijven; ook na reductie van de stalemissies van de veehouderijen in het plangebied uitgaande van de provinciale staleisen uit de omgevingsverordening. Voor het oplossen van de stikstofoverbelasting is een reductie van circa 70% nodig ten opzichte van het jaar 2020 uit alle bronnen in Nederland en uit buitenland. Dat geldt ook voor de verder weg gelegen Natura2000-gebieden. Dit is o. a. beschreven in het rapport “Onderzoek effecten maatregelen landbouw voor stikstof en klimaat” opdrachtgever Provincie Noord-Brabant Pouderoyen Tonnaer 22 december 2023. Zie figuur 4. 4. ,

,

,

34/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Figuur 4. 4: Prognose 2030 stikstof overbelasting Natuar2000-gebied Strabrechtse Heide & Beuven en effecten scenario’s stikstofreductie (bron: Onderzoek effecten maatregelen landbouw voor stikstof en klimaat , provincie Noord-Brabant , Pouderoyen Tonnaer , 2023 , bewerkt)

Reducties van 50% of meer van de stikstofemissie uit alle bronnen in het binnen- en buitenland liggen met de huidige regelgeving en regelingen niet binnen bereik. Voor het MER en het omgevingsplan is het daarom het uitgangspunt dat gedurende een lange periode (nu niet nader in te perken) een toename van de stikstofemissie- en depositie gepaard kan gaan met negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura2000-gebieden in- en rond het plangebied. Om het omgevingsplan vast te kunnen stellen moet een toename van de stikstofdepositie met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Maar een toename van de emissie uit stallen kan zeker op een individuele locatie zonder aanvullende regeling in het omgevingsplan niet met zekerheid uitgesloten worden. Het gaat hierbij om een toename t. o. v. de feitelijke emissie. Omdat de latente ruimte in vergunningen en meldingen van veehouderijen relatief groot is leidt een gedeeltelijke benutting van de latente ruimte als er geen emissie reducerende maatregelen worden genomen tot een toename van de emissie van ammoniak ten opzichte van de feitelijke emissie. Daarom is in het omgevingsplan een regel opgenomen die er op is gericht te borgen dat er geen toename van de emissie en depositie mag zijn ten opzichte van de feitelijke en legale emissie en depositie van stikstof ten tijde van vaststelling van het omgevingsplan.

Deze restrictie is onderdeel van het planalternatief niet van het worst-case alternatief. ,

,

,

,

,

,

,

35/120

Kenmerk

4. 5

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Planalternatief

Het planalternatief gaat uit van het opnemen van de hiervoor beschreven stikstofplafondregeling. Daarnaast gaat het planalternatief uit van de hiervoor beschreven trendmatige ontwikkeling tussen 2000 en 2024 en houdt rekening met de opgaven met betrekking tot stikstof klimaat en water. ,

Doorrekeningen van het effect van het halen van de stikstofreductiedoelen die door het Rijk zijn gesteld voor de verschillende binnenlandse sectoren laten zien dat ook na het bereiken van deze reducties in 2030 of daarna de stikstofdepositie op het grootste deel van het areaal van het Brabants Natura2000-gebied hoger is dan de kritische depositiewaarde. Een verdere reductie van de stikstofemissies en –deposities en een verdere reductie van de emissies van broeikasgassen uit de landbouw (zeker voor de periode tot 2050) ligt op basis van de huidige inzichten alleen binnen bereik bij een sterke reductie van de veestapel. Dit omdat mogelijkheden om de emissie van stikstof en broeikasgassen via technische- en managementmaatregelen te reduceren begrensd zijn (zie o. a. Onderzoek effecten maatregelen landbouw voor stikstof en klimaat” opdrachtgever Provincie Noord-Brabant Pouderoyen Tonnaer 22 december 2023 en het rapport “effect van nieuwe inzichten op het bereiken van de NPLG stikstofdoelen” RIVM-briefrapport 2024-0054). ,

,

,

,

,

,

Het planalternatief gaat uit van de volgende ontwikkelingen Afname van het aantal locaties waar er (bedrijfsmatig) vee wordt gehouden. Een afname van de veestapel vanwege deelname van veehouderijen aan stoppersregelingen zoals LBV en LBV+ en vergelijkbare (toekomstige) regelingen. Vanwege de impact van milieueisen verduurzaming en groei aantal dieren binnen emissieplafonds op een deel van de bestaande veelal grotere veehouderij-locatie. In combinatie met krimp of stoppen van een deel van de bestaande veelal kleinere veehouderijlocaties. Op welke veehouderijlocaties er sprake zal zijn van (door)ontwikkeling in de veehouderij en op welke veehouderijlocaties een andere ontwikkeling (consolideren verbreding omschakeling functieverandering etc. ) zal plaatsvinden is onzeker. Daarom zijn in dit MER aannames gedaan met betrekking tot de groep locaties waar (door)ontwikkeling waarschijnlijk is en de groep waar (door)ontwikkeling minder waarschijnlijk is. In dit MER is er ‘onderzoeksmatig’ van uitgegaan dat intensivering zal c. q. kan plaatsvinden op locaties van veehouderijen met een veehouderijtak van 100 nge of meer. Het betreft in totaal 18 locaties met in totaal 32. 7 hectare bouwvlak De vergunde emissie van ammoniak van deze locaties in gemiddeld circa 2000 kg/NH3 per hectare bouwvlak (in totaal is de vergunde stalemissie op deze 18 locaties circa 66. 500 kg NH3/jaar).

Op basis van de staleisen vanaf 2024/2026 en bij een gelijke veebezetting daalt de vergunde emissie naar circa 30. 000 kg NH3 (gemiddeld circa 925 kg NH3/jaar per hectare bouwvlak); op basis van de staleisen vanaf 2028 bij een gelijke veebezetting daalt de emissie naar circa 23. 200 kg NH3 circa 710 kg/NH3/jaar per hectare bouwvlak. In het planalternatief is uitgegaan van modernisering en uitbreiding van deze locaties tot een gemiddelde van 1. 200 kg NH3/jaar per hectare (net onder de referentiesituatie natuur). Voor deze 18 locaties samen (327 hectare bouwvlak) is dat circa 39. 250 kg NH3/jaar (iets onder de referentie natuur van deze 18 locaties samen vergund met een correctie van 35% circa 43. 000 kg/NH3/jaar). ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

36/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

De ontwikkeling/intensivering vindt plaats binnen dezelfde diercategorie als het huidig type. Omschakeling is (onder voorwaarden) toegestaan maar in het planalternatief is het uitgangspunt dat de groei op de 18 locaties plaats vindt via uitbreiding van stallen en dieren in dezelfde categorie als de nu gehouden dieren. Van de 17 locaties met een omvang van 100 nge of meer zijn er 8 locaties met melkrundvee 8 locaties met pluimvee en 2 locaties met varkens. Alleen ontwikkeling binnen de begrensde bouwblokken. Het omgevingsplan biedt geen planologische mogelijkheden voor vergroting van bouwblokken. De ontwikkeling van de pluimvee- en varkenslocaties vindt plaats binnen de individuele milieuruimte ten aanzien van geurhinder (gemeentelijke voorgrondnormen) en de cumulatieve geurnormen zoals opgenomen in de provinciale omgevingsverordening en het omgevingsplan. Voor de rundveebedrijven is het uitgangspunt dat deze voldaan- en blijven voldoen een de minimumafstand van 50 meter en dat deze afstand geen beperking oplevert voor de ontwikkeling. Verder is het uitgangspunt dat op locaties van veehouderijen met een veehouderijtak van minder dan 100 nge (16 locaties totale omvang bouwvlak circa 208 hectare emissie ammoniak vergund circa 7. 380 kg/NH3/jaar) de economische omvang gelijk blijft krimpt of stopt.

Dat is voor de ammoniakemissie uit stallen praktisch vertaald door voor deze locaties uit dat ze blijven maar wel via verduurzaming het houden van minder dieren of via andere maatregelen voldoen aan de provinciale emissie-eisen: voor deze groep veehouderijen is uitgegaan van (gemiddeld) de vergunde ammoniakemissie gecorrigeerd voor de staleisen 2024-2026 en de referentie natuur voor deze 16 locaties. Voor deze 16 locaties is dat samen circa 4. 800 kg NH3/jaar. Uitgangspunt voor deze 16 locaties is een gemiddelde emissie per hectare bouwblok van circa 230 kg/NH3/jaar. ,

,

,

,

,

,

,

Invulling referentie(s) en alternatieven voor de emissies van ammoniak uit de stallen van veehouderijen in het plangebied (alle 34 locaties samen) afgeronde waarden: ,

Huidige situatie vergund: circa 73. 900 kg NH3/jaar. Referentie natuur (vergund met correctie latente ruimte 35%): circa 48. 000 kg NH3/jaar. Referentie MER: circa 22. 900 kg NH3/jaar (vergund staleisen 2024-2026 correctie latente ruimte 35%). Invulling worstcase alternatief (invulling latente ruimte en intensivering staleisen zoals beschreven in de vorige paragraaf): 61. 200 kg NH3/jaar. Invulling planalternatief (zoals in deze paragraaf beschreven): circa 44. 000 kg NH3/jaar. ,

,

,

,

37/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Initiatief Houtbroekstraat 9 Someren Op de locatie Houtbroekstraat 9 te Someren (gelegen in het plangebied waar dit MER betrekking op heeft) is er een initiatief voor omschakeling van een vleeskuikenbedrijf naar een veehouderij met een combinatie van vleeskuikens en paarden opfok. De beoordeling van de onderzoeken die zijn uitgevoerd t. b. v. de aanvraag omgevingsvergunning voor dit initiatief zijn nog niet afgerond. Op basis van de beschikbare gegevens over het initiatief zijn de emissies van ammoniak geur en fijn stof na realisatie van het initiatief vergelijken met de uitgangspunten (vergunde emissies en afgeleide berekeningen) die voor deze locatie in het planalternatief zijn gehanteerd. ,

Op basis van die vergelijking kan worden geconcludeerd dat: De emissie van ammoniak op basis van de vergunde en gerealiseerde dierplaatsen aanzienlijk lager is dan de vergunde ammoniakemissie en iets lager is dan de referentie-natuur waar in dit MER voor deze locatie van is uitgegaan; De emissie van ammoniak (aangevraagde situatie) na realisatie van het initiatief aanzienlijk lager is dan referentie-natuur en iets lager dan de referentie-MER waar in dit MER voor deze locatie van is uitgegaan; De emissie van ammoniak (aangevraagde situatie) na realisatie van het initiatief aanzienlijk lager is dan de emissie van ammoniak in het planalternatief waar in dit MER voor deze locatie van is uitgegaan; De emissie van geur fijn stof en endotoxinen (aangevraagde situatie) na realisatie van het initiatief lager is dan de van emissie van geur fijn stof en endotoxinen in het planalternatief waar in dit MER voor deze locatie van is uitgegaan. ,

,

Bij de realisatie van dit initiatoef zijn de milieueffecten van deze locatie beperkter dan als uitgangspunt voor deze locatie is gehanteerd in dit MER.

38/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Natuur

5

Een belangrijk onderwerp van dit milieueffectrapport is het aspect natuur. Er is inzichtelijk gemaakt of door ontwikkelingsmogelijkheden in het omgevingsplan (significant) negatieve effecten kunnen optreden op relevante natuurwaarden. Belangrijk is daarbij ook of eventuele effecten een probleem kunnen vormen voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan in het licht van de Omgevingswet. Dit hoofdstuk gaat in op de effecten op natuurwaarden.

5. 1

Beoordelingskader

De ontwikkelingsruimte die het omgevingsplan mogelijk maakt kan op verschillende manieren van invloed zijn op beschermde natuur. Onderstaande tabel toont welke beoordelingskaders zijn toegepast voor dit onderdeel Tabel 5. 1 Wijze van beoordeling effecten op natuur Aspect Criterium Gebiedsbescherming – Natura Uitvoerbaarheid omgevingsplan , 2000

betreft: Effecten op instandhoudingsdoelstelen door mogelijk gemaakte ontwikkelingen

Gebiedsbescherming – Provinciaal beleid: NNN , Natte Natuurparels ,

Uitvoerbaarheid omgevingsplan , betreft: Effecten op wezenlijke

Attentiezone waterhuishouding , Werkingsgebied ‘behoud en herstel van watersystemen’ , de Groenblauwe mantel

kenmerken en waarden door mogelijk gemaakte ontwikkelingen

Beschermde soorten

Uitvoerbaarheid omgevingsplan , betreft: Effecten op beschermde

Beoordeling Kwantitatief en kwalitatief

Kwalitatief

Kwalitatief

soorten , mogelijkheid overtreding verbodsbepalingen door mogelijk gemaakte ontwikkelingen Beschermde houtopstanden

Uitvoerbaarheid omgevingsplan , betreft: Effecten op beschermde houtopstanden , mogelijkheid

Kwalitatief

kappen beschermde houtopstanden door mogelijk gemaakte ontwikkelingen Biodiversiteit

Uitvoerbaarheid omgevingsplan betreft: Effecten op rode lijst soorten , effecten op mogelijk

Kwalitatief

ecosysteem herstel

De bovenstaande beoordelingskaders komen in dit hoofdstuk achtereenvolgens aan bod. Hiermee wordt een volledig beeld gevormd van relevante effecten op natuurwaarden en de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan op het gebied van de natuurwetgeving.

39/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Ontwikkelingen en te verwachten effecten

5. 2

De ontwikkelingen die het nieuwe omgevingsplan mogelijk maakt natuurwaarden hebben zijn:

,

en een

mogelijk effect op de

Uitbreiding bebouwing binnen bestaande bouwvlakken Kleinschalig recreatief medegebruik Mestbewerking indien de mest afkomstig is van het eigen bedrijf Kleinschalige ontwikkelingen zoals het plaatsen van lichtmasten beheer en onderhoud ,

Daarnaast vinden er ook nog andere ontwikkelingen plaats in deelgebied 5. Vanuit de Groenblauwe Gebiedsgerichte Aanpak wordt het landelijke gebied getransformeerd. Dit gebeurt door in en bij natuurgebieden oplossingen te zoeken voor een sterkere natuur met voldoende water en een goede kwaliteit in combinatie met een goede bodem en de toekomst van de landbouw. Hierbij wordt er gewerkt bij verschillende natuurgebieden in heel Brabant. Zo ook bij de Strabrechtse Heide. Om de natuurwaarden van de Strabrechtse Heide te herstellen is het vooral nodig om de stikstofdepositie te verminderen. In 2024 wordt een visie opgesteld. In dit project liggen kansen voor de natuur in deelgebied 5. Vanuit het waterschap Aa en Maas wordt er gewerkt aan de Slievense Loop en ’t Aa-dal Zuid. Bij de Slievense Loop worden er maatregelen genomen om overlast van vervuild water te verkleinen. Door het verminderen van overlast zal gelijktijdig ook de impact van vervuild water op het ecosysteem afnemen. Binnen ’t Aa-dal Zuid wil het waterschap de verschillende functies van het gebied waaronder natuur landbouw recreatie en water elkaar laten versterken. Binnen beide projecten liggen kansen voor de natuur van deelgebied 5. ,

,

,

,

Type effecten Effecten op natuur kunnen op verschillende manieren optreden. De typen effecten zijn te verdelen in fysieke en niet-fysieke effecten. Hieronder zijn de typen effecten benoemd die kunnen optreden ten gevolge van de eerdergenoemde ontwikkelingsruimte die het omgevingsplan biedt. Op deze onderdelen is in de ecologische effectbeoordeling getoetst aan de relevante wetgeving: Omgevingswet (Natura 2000-gebieden en beschermde soorten) en provinciaal beschermde gebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland (NNN). ,

Directe effecten Oppervlakteverlies en versnippering Verandering populatiedynamiek en verandering soortensamenstelling Kap of snoei van vegetatie Aantasten of verwijderen van verblijfplaatsen/essentieel leefgebied soorten Indirecte effecten (externe werking) Verontreiniging Effecten op het watersysteem: vernatting of verdroging Verstoring door geluid licht trilling of optische verstoring Verzuring of vermesting ten gevolge van stikstofuitstoot veehouderijen (emissies uit stallen en emissies t. g. v. aanwending en bewerking van mest) en t. g. v. verkeer en mobiele werktuigen ,

,

40/120

Kenmerk

5. 3

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Huidige natuurwaarden en autonome ontwikkeling

De natuurwaarden binnen deelgebied 5 van het buitengebied Someren zijn voornamelijk afhankelijk van de bos- en natuurgebieden maar ook van landschapselementen en bebouwing in het agrarisch gebied. Er zijn natuurwaarden aanwezig die zijn beschermd door de Omgevingswet onder soortbescherming respectievelijk gebiedsbescherming. ,

In het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Strabrechtse Heide & Beuven. Daarnaast liggen er ook meerdere Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied: De Groote Peel Weerter- en Budelerbergen & Ringselven Deurnse Peel & Mariapeel Leenderbos Groote Heide & De Plateaux Sarsven en De Banen Leudal ,

5. 3. 1 Autonome ontwikkeling biodiversiteit Bij de beschrijvingen van de natuurwaarden is geen nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. De achtergrond daarvan wordt hieronder toegelicht. Uit de Balans van de Leefomgeving 2020 [PBL 202019] blijkt dat de Nederlandse natuur zich langzaam herstelt maar dat dit vooralsnog onvoldoende is om gestelde doelen binnen Europa te behalen. Dit gemiddelde beeld van herstel wordt echter sterk gekleurd door de toename van algemenere soorten. Voor veel zeldzame soorten is sprake van een aanhoudende teruggang. Met name soorten die hoge eisen stellen aan de kwaliteit van het leefgebied en soorten die kenmerkend zijn voor het agrarisch landschap nemen in veel gevallen nog steeds sterk af. Deze negatieve trend valt onder andere te verklaren doordat ruimtelijke en milieucondities nog onvoldoende zijn voor herstel. Door aanhoudende verdroging vermesting verzuring en een gebrek aan ruimtelijke samenhang blijft sprake van een verslechtering van de biodiversiteit. ,

,

,

,

41/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Wetgeving Er mag van worden uitgegaan dat de gebieds- en soortenbescherming in het kader van de Omgevingswet behoud en ontwikkeling van het NNN en andere ruimtelijke beschermingsregimes een belangrijke bijdrage leveren aan het remmen van de achteruitgang van biodiversiteit. Dat er desondanks toch nog steeds sprake is van een vervlakking van de biodiversiteit hangt zoals hiervoor omschreven dus vooral samen met een onvoldoende verbetering van duurzame ruimtelijke en milieucondities. Hoewel de milieucondities de laatste decennia wel verbeterd zijn is momenteel sprake van een afvlakking van de snelheid van verbetering. Op korte termijn zullen daardoor de gestelde doelen voor duurzame milieucondities voor behoud van biodiversiteit nog niet gehaald worden. Hoewel er veel onzekerheid is over de doelstellingen in de tijd geldt wel dat de ambities voor het realiseren van het NNN grotendeels intact blijven. In het kader van de Habitat- en Vogelrichtlijn heeft Nederland zich verder verplicht om zorg te dragen voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebieden. Ook voor veel Europees en nationaal bedreigde soorten geldt dat sprake blijft van een passende bescherming via de Omgevingswet waar het gaat om bijvoorbeeld ruimtelijke ingrepen zowel binnen als buiten natuurgebieden. ,

,

,

,

,

,

Inpassing in ruimtelijk beleid en toetsing Beïnvloeding van milieucondities hangt veelal samen met langlopende beleidsambities en ontwikkelingen op landelijke of zelfs internationale schaal. Deze worden niet wezenlijk beïnvloed door het ruimtelijke ordeningsspoor op lokale schaal en blijven hier verder buiten beschouwing. Vanuit het perspectief van het omgevingsplan hanteren we daarom als uitgangspunt dat de autonome ontwikkeling van natuurwaarden op basis van geldend beleid en geldende wetgeving minimaal neutraal zal (moeten) zijn. Dit betekent concreet dat we de autonome ontwikkeling gelijk stellen aan de huidige situatie. Bij de beschrijvingen van de natuurwaarden voor het buitengebied van Someren deelgebied 5 is daarom geen nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. ,

5. 3. 2 Natura 2000-gebieden De toetsing van effecten op Natura 2000-gebieden betreft een passende beoordeling zoals bedoeld in artikel 3. 85 Bkl van de Omgevingswet. Daarbij is onder meer ruime aandacht besteed aan mogelijkheden in relatie tot de milieukwaliteit binnen het Natura 2000-areaal (met name stikstofdepositie). In ruime omgeving van de gemeente liggen diverse gebieden die zijn beschermd onder de Omgevingswet. Dit zijn Natura 2000-gebieden (zie tabel 5. 2 en figuur 5. 1) in zowel binnen- als buitenland. Effecten op gebieden tot op circa 25 km afstand van deelgebied 5 worden meegenomen in de beoordeling. Effecten van verstoring door licht geluid en optische verstoring op deze afstand zijn uitgesloten. Daarnaast worden effecten van stikstof op een grotere afstand dan 25 kilometer niet meegenomen in AERIUS. De gebiedsbeschrijving en de beschrijving van de doelen per gebied zijn opgenomen in bijlage 3. ,

42/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Tabel 5. 2 Nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Per gebied is de minimale tussengelegen afstand (indicatief) tot deelgebied 5 van het buitengebied van Someren (VR = Vogelrichtlijn; HR = Habitatrichtlijn) Natura 2000-gebied Type gebied Stikstofgevoelig Afstand (km) Strabrechtse Heide & Beuven VR + HR Ja 0

weergegeven

Groote Peel Leenderbos , Groote Heide & De Plateaux Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

VR + HR VR + HR VR + HR

Ja Ja Ja

65, 7 75,

Deurnse Peel & Mariapeel Sarsven en De Banen Leudal

VR + HR HR HR

Ja Ja Ja

9 15 21

Figuur 5. 1 Ligging van het plangebied ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden

5. 3. 3 Gebiedsbescherming - provinciaal beleid Naast de bepalingen van de Omgevingswet gelden door de provincie Noord-Brabant in de omgevingsverordening vastgelegde (aanvullende) beschermingsregels voor natuurgebieden die deel uitmaken van provinciaal beschermde gebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De provincie Noord-Brabant stelt regels ten aanzien van: Het Natuurnetwerk Brabant (NNB; de provinciale invulling van het NNN) De Ecologische Verbindingszones (EVZ) Natte Natuurparels De zogenaamde ‘attentiezone waterhuishouding’ Werkingsgebied ‘behoud en herstel van watersystemen’ De Groenblauwe Waarden 43/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

In het plangebied liggen wel delen van het Natuurnetwerk Brabant (onderdeel van het NNN) en andere provinciaal beschermde gebieden zoals EVZ de groenblauwe mantel natte natuurparels attentiezones waterhuishouding en werkingsgebieden in het kader van behoud en herstel van watersystemen. ,

,

,

In de navolgende paragrafen is het provinciaal beleid per relevant gebiedstype toegelicht. NNB - Natuurnetwerk Brabant Alle grotere natuurgebieden ook de gebieden die niet zijn aangemerkt als Natura 2000-gebied zijn in Nederland planologisch beschermd. Deze gebieden maken deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) het samenhangende netwerk van natuurgebieden in Nederland. Het beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in het NNN het ‘nee tenzij’-regime. Ruimtelijke ingrepen in het NNN met negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied zijn in beginsel niet toegestaan. Een dergelijk project kan alleen doorgaan als er geen reële alternatieven mogelijk zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Een initiatiefnemer is in dit geval verplicht om de negatieve effecten te mitigeren. Dit houdt in dat het optreden van negatieve effecten wordt voorkomen of beperkt door aanvullende maatregelen te treffen. Bij overblijvende negatieve effecten is compensatie de laatste stap om de optredende schade te herstellen (ministerie van LNV 2007). ,

,

,

,

,

,

Het omgevingsplan dient regels te stellen betreft het behoud herstel of de duurzame ontwikkeling van de ‘ecologische waarden en kenmerken’ van het Natuurnetwerk Brabant. De ‘wezenlijke waarden en kenmerken’ zijn de natuurbeheertypen die zijn vastgesteld in de beheertypen- en ambitiekaart van het Natuurbeheerplan [provincie Noord-Brabant 2024]. Ontwikkelingen dienen niet alleen te worden getoetst op directe effecten maar ook op indirecte effecten (externe werking) met uitzondering van verspreiding van stoffen door de lucht of water. Negatieve effecten moeten waar mogelijk worden beperkt. Overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. ,

,

,

,

,

Binnen het plangebied liggen verschillende NNN-gebieden. Het gaat hier voornamelijk om natuurterreinen langs de Kleine Aa en om bossen en natuurterreinen als onderdeel van de Strabrechtse Heide en de bijbehorende vencomplexen. Het plangebied is onderdeel van regio ‘De Peel’ (Provincie Noord-Brabant 2024). Kenmerkend voor de regio zijn hoogteverschillen en de invloed van kwel. Binnen het gebied ligt de focus op de zandgronden. De agrarische natuurwaarden zijn door ontwatering en verkaveling onder druk gezet. Het doel is dan ook om via randenbeheer en dooradering doelsoorten van zowel droge als natte omstandigheden terug te winnen of indien nog aanwezig te versterken. Ook wordt er gekeken naar manieren om water in het gebied langer vast te houden. ,

,

,

In het plangebied zijn verschillende gebieden aangewezen als NNB; onderdeel van het NNN. Het gros van de gebieden is onderdeel van Natura 2000-gebied Strabrechtse Heide & Beuven. Belangrijke beheertypen hierbinnen zijn Vochtige Heide (N06.04) Droge heide (N07. 01) en Zwakgebufferd ven (N06. 05) en Droog bos met productie (N16. 03). Rondom de Kleine Aa liggen verschillende landbouwgronden die al wel begrensd zijn als NNN maar op dit moment nog bestaan uit landbouwgronden die nog omgezet moeten worden naar natuur (N00. 01). Ook ligt hier rivier- en beekbegeleidend bos (N14. 01) en Hoog- en laagveenbos (N14. 02). ,

,

44/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Verspreid in het plangebied liggen ook verschillende bosjes met beheertype Vochtig bos met productie (N16. 04) of Droog bos met productie (N16. 03). EVZ - Ecologische Verbindingszones Het omgevingsplan moet regels opstellen om te voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de realisatie het behoud en het beheer van Ecologische Verbindingszones. Hierbij is het vooral van belang regels te stellen die bebouwing en grote oppervlakteverharding in het gebied beperken. ,

Binnen het plangebied liggen 2 Ecologische Verbindingszones (figuur 5. 2). Deze verbindingszones zijn bedoeld om verschillende natuurgebieden met elkaar te verbinden zodat soorten van het ene gebied naar het andere gebied kunnen verplaatsen. De verbindingszones binnen het plangebied zijn een deel van De kleine Aa aan de zuidkant en Zuid-Willemsvaart – Zuid aan de oostkant van het plangebied. De EVZ’s vormen een essentiële bouwsteen van het NNB en functioneren als migratieroutes voor soorten. De Zuid-Willemsvaart en De Kleine Aa zijn naar verwachting vooral van ecologische waarde voor vissen vleermuizen otter en bever die deze watergang (kunnen) gebruiken om te migreren. Daarnaast zijn er verschillende soorten ongewervelden en landzoogdieren die profiteren van de EVZ. ,

,

,

Figuur 5. 2 Ecologische verbindingszones in de omgeving van het plangebied

45/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Groenblauwe waarden Binnen de Groenblauwe waarden mag geen omgevingsplan worden vastgesteld dat negatieve effecten heeft op het behoud het herstel of de duurzame ontwikkeling van het bodem- en watersysteem en de ecologische kenmerken en waarden die daarmee samenhangen (Omgevingsverordening artikel 5. 46). ,

,

Grote delen van het plangebied welke niet zijn begrensd als NNB zijn wel opgenomen in de Groenblauwe Waarden (figuur 5. 3). Het betreft hoofdzakelijk agrarische gebieden grenzend aan het Natura 2000 en NNB.

Figuur 5. 3 Gebieden aangewezen als Groenblauwe waarden in de omgeving van het plangebied

Attentiezone waterhuishouding Binnen de attentiezone waterhuishouding gelden strengere regels met betrekking tot wateronttrekking. Een omgevingsplan ter plaatse van Attentiezone waterhuishouding strekt tot de bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het Natuurnetwerk Brabant. Als een omgevingsplan hier niet aan voldoet kan het niet worden vastgesteld. Het Natura 2000-gebied aan de westkant van het plangebied is aangewezen als Attentiezone Waterhuishouding (figuur 5. 4). Bovendien zijn alle onderdelen van het NNB ook aangewezen als Attentiezone Waterhuishouding.

46/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Figuur 5. 4 Weergave van de gebieden die niet aangewezen zijn als attentiezone waterhuishouding

Natte Natuurparels Natte natuurparels zijn de waterafhankelijke delen van het NNB die behoren tot een samenhangend complex van natuurgebieden die sterk afhankelijk zijn van hoge grondwaterstanden of kwel. Ook wordt hier gewerkt ingezet op verbetering van de waterkwaliteit. Het Natura 2000-gebied is ook begrensd als Natte Natuurparel. Dit gebied is bovendien ook begrensd als NNB. Werkingsgebied ‘Behoud en herstel watersystemen’ In deze gebieden is het beleid vanuit een regionaal belang gericht op behoud verbetering en herstel van het natuurlijke watersysteem. Het gaat om: Waterlopen met de functie waternatuur (Natte) ecologische verbindingszones Gebieden die in de reconstructie- en gebiedsplannen zijn aangeduid als 'ruimte voor beek- en kreekherstel' ,

Binnen de gebieden zijn of worden maatregelen uitgevoerd op het gebied van natuurontwikkelingen zoals het laten hermeanderen van beken het aanleggen van plasdraszones en het herstel van kwel. Binnen de gebieden gelden beperkingen voor functies en activiteiten die het realiseren van watersysteemherstel belemmeren of onnodig kostbaar maken. In zijn algemeenheid is er sprake van een zone van 25 m rondom een waterloop. Het werkingsgebied behoud en herstel van watersystemen overlapt voor een deel met het Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone (NNB-evz) en de groenblauwe mantel. Binnen behoud en herstel van watersystemen zijn dan aanvullend specifieke regels gesteld ter bescherming van het belang zoals het ophogen van gronden. ,

,

,

,

47/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

5. 3. 4 Beschermde soorten De Omgevingswet beschermt in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland maar soms ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. Er worden drie beschermingsregimes onderscheiden: Vogels: Het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Wettelijk kader: artikel 11. 37 Bal. Ze zijn Europees beschermd via de Vogelrichtlijn (1979) Dieren en planten: Het gaat hier om inheemse dieren en planten die Europees beschermd zijn door de Habitatrichtlijn (1992) en/of de verdragen van Bern en Bonn (1979). Wettelijk kader: artikel 11. 46 Bal Nationaal beschermde soorten: Het gaat hier om soorten die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn of de verdragen van Bern en Bonn vallen. Wettelijk kader: artikel 11. 54 Bal. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd ,

,

Per beschermingsregime geldt een verbodsbepaling. Tabel 5. 1 geeft een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in de bescherming van verblijfplaatsen en de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Noord-Brabant kan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen waarmee het bevoegd gezag ondanks die verbodsbepalingen tóch toestemming geeft voor een bepaald project. Dit kan alleen wanneer er sprake is van een geldend wettelijk belang er geen reële alternatieven zijn en er geen effect is op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Wettelijk kader bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en dan in het bijzonder de artikelen 8.74j 8. 74k en 8. 74l voor respectievelijk vogels andere Europeesrechtelijk beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. ,

,

,

,

Tabel 5. 1 Verbodsbepalingen soortenbescherming. VR = Vogelrichtlijn , HR = Habitatrichtlijn. Cijfers verwijzen naar de wetsartikelen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Beschermingsregime Vogels - VR Dieren – Planten – Dieren Planten HR/Bonn/Bern HR/Bonn/Bern Verbodsbepaling nationaal nationaal Dieren of planten: Doden of vangen

11. 37. 1. a

11. 46. 1 a

Storen/verstoren

11. 37. 1. d 11. 46. 1 b (tenzij 11. 37. 3)

Plukken , verzamelen , afsnijden , ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of

11. 54. 1. a

11. 46. 1. e

11. 39. 1

11. 47. 1. b

11. 54. 1. c

11. 47. 1. b

vervoeren

Nesten , voortplantingsplaatsen , rustplaatsen: Vernielen , beschadigen of wegnemen nesten Beschadigen of vernielen

11. 37. 1. b 11. 37. 1. b

11. 46. 1. d

11. 54. 1. b

rustplaatsen (alleen HR en nationaal: of (vaste) voortplantingsplaatsen) 48/120

Kenmerk

Beschermingsregime

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Vogels - VR

Dieren –

Planten –

Dieren -

Planten -

Verbodsbepaling Eieren:

HR/Bonn/Bern

HR/Bonn/Bern

nationaal

nationaal

Vernielen (alleen VR en 11. 37. 1. b nationaal: of beschadigen)

11. 46. 1. c

Rapen

11. 37. 1. c

11. 46. 1. c

Onder zich hebben

11. 37. 1. c

11. 54. 1. c

In tabel 5. 4 is weergegeven welke beschermde soorten en vogelnesten van de Omgevingswet kunnen voorkomen in het plangebied. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen soorten waarvoor het agrarisch gebied belangrijk is als leefgebied en soorten die zich in hun verspreiding vooral beperken tot de bos- en natuurgebieden. Dit onderscheid is gemaakt omdat het omgevingsplan vooral ontwikkelingsruimte biedt in het agrarisch gebied. Het belang van het agrarisch leefgebied voor de verwachte soorten is in de navolgende alinea’s nader toegelicht. ,

Soortgroep

Soort

Amfibieën

Alpenwatersalamander Heikikker Kamsalamander Poelkikker Rugstreeppad

Dagvlinders

Bruine eikenpage Gentiaanblauwtje Grote vos Grote weerschijnvlinder Iepenpage Kleine ijsvogelvlinder Kommavlinder Spiegeldikkopje Teunisbloempijlstaart Veldparelmoervlinder

Grondgebonden zoogdieren

Bever Bunzing Boommarter Das Eekhoorn Hermelijn Otter Steenmarter Waterspitsmuis Wezel Wild zwijn

Kevers

Vermiljoenkever Vliegend hert

Libellen

Beekrombout 49/120

Kenmerk

R002-1294663LEH-V01-agv-NL

Soortgroep

Soort Bosbeekjuffer Gevlekte glanslibel Gevlekte witsnuitlibel Speerwaterjuffer

Reptielen

Hazelworm Levendbarende hagedis Zandhagedis

Vaatplanten

Drijvende waterweegbree Wilde ridderspoor

Vissen

Grote modderkruiper

Vleermuizen

Baardvleermuis Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis Kleine dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Tweekleurige vleermuis Watervleermuis

Vogels

Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief

Amfibieën Soorten zoals alpenwatersalamander heikikker kamsalamander en poelkikker komen behalve in natuurgebieden soms ook voor in het agrarisch gebied. Hierbij worden sloten poelen en overhoeken als leefgebied gebruikt. Daarnaast kan de rugstreeppad voorkomen in het agrarisch buitengebied. Deze soort bevolkt relatief makkelijk tijdelijke habitats met name wanneer sprake is van ondiepe wateren en vergraven zandige terreinen zoals bij braakliggende bouwterreinen. ,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15608599/1