CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Nota van Zienswijzen

Gemeenteraad 11 september 2025, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen wijziging Omgevingsplan Buitengebied Someren - deelgebied 5.34.694 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Nota van zienswijzen Omgevingsplan gemeente Someren Buitengebied Someren - Deelgebied 5

Nota van zienswijzen Omgevingsplan gemeente Someren Buitengebied Someren - Deelgebied 5

Titel: Nota van zienswijzen Datum: 14 april 2025 Zaaknummer: 200602921

2/123

Inhoudsopgave 1.1

Object van inspraak en vooroverleg ............................................................................ 5

1.2

Subject van inspraak en vooroverleg .......................................................................... 5

1.3

Procedure................................................................................................................ 5

1.3.1

Voorbereiding ................................................................................................... 5

1.3.2

Ontwerp-omgevingsplan .................................................................................... 5

1.3.3

Vaststellen van het wijzigingsbesluit voor het omgevingsplan ................................. 6

1.3.4

Bekendmaking, kennisgeving, terinzagelegging .................................................... 6

2.

Ingekomen zienswijzen ............................................................................................. 7

3.

Beantwoording zienswijzen ........................................................................................ 8

3.1

Appellant 1 – Zienswijze inzake locatie De Wertstraat 8 ................................................ 8

3.2

Appellant 2 – Zienswijze inzake locatie Slievenstraat 36 ................................................ 9

3.3

Appellant 3 – Zienswijze inzake locatie Houtbroekstraat 8 ............................................. 9

3.4

Appellant 4 – Zienswijze inzake locatie Heiveldsestraat 14 ........................................... 13

3.5

Appellant 5 – Zienswijze inzake locatie Laan ten Boomen 49 ........................................ 14

3.6

Appellant 6 – Zienswijze inzake locatie Ekelhofweg 6 ................................................... 15

3.7

Appellant 7 – Zienswijze inzake locatie Berkeindje 5 .................................................... 18

3.8

Appellant 8 – Zienswijze inzake locatie Heieind 3 ........................................................ 22

3.9

Appellant 9 – Zienswijze inzake locatie Perceel M864 ................................................... 23

3.10

Appellant 10 – Zienswijze inzake locatie Heesterdijk 11 en Heesterdijk 13 .................. 24

3.11

Appellant 11 – Zienswijze inzake locatie Varendonkweg 20 ....................................... 27

3.12

Appellant 12 – Zienswijze inzake locatie Varendonkweg 24 ....................................... 31

3.13

Appellant 13 – Zienswijze inzake locatie Lieropsedijk 68 ........................................... 34

3.14

Appellant 14 – Zienswijze inzake locatie Perceel N34 en Berkeindje 11....................... 36

3.15

Appellant 15 – Zienswijze inzake locatie Heiveldsestraat 27 ...................................... 37

3.16

Appellant 16 – Zienswijze inzake locatie Moorsel 7 .................................................. 41

3.17

Appellant 17 - Zienswijze inzake locatie Otterdijk 3, 7 en Kromvenweg 18 .................. 45

3.18

Appellant 18 – Zienswijze Provincie Noord-Brabant .................................................. 48

3.19

Appellant 19 – Zienswijze inzake locatie Moorsel 3 .................................................. 60

3.20

Appellant 20 – Zienswijze inzake locatie Eindje 6 ..................................................... 64

3.21

Appellant 21 – Zienswijze inzake locatie Moorsel 1 .................................................. 66

3.22

Appellant 22 – Zienswijze inzake locatie Otterdijk 1 ................................................. 69

3.23

Appellant 23 – Zienswijze inzake locatie Moorsel 5 .................................................. 72

3.24

Appellant 24 – Zienswijze inzake locatie Laan ten Boomen 29 ................................... 76

3.25

Appellant 25 – Zienswijze Waterschap Aa en Maas .................................................. 76

3/123

3.26

Appellant 26 – Zienswijze inzake locatie Slievenstraat 65 ......................................... 78

3.27

Appellant 27 – Zienswijze inzake locatie Lieropsedijk 70 ........................................... 79

3.28

Appellant 28 – Zienswijze inzake locatie Houtbroekstraat 9 ...................................... 80

3.29

Appellant 29 – Zienswijze inzake locatie Somerenseweg 44 ...................................... 81

3.30

Appellant 30 – Zienswijze inzake locatie Vaarsehoef 6 .............................................. 83

3.31

Appellant 31 – Zienswijze inzake locatie Kromvenweg 20 ......................................... 86

3.32

Appellant 32 – Zienswijze inzake locatie Meervensedijk 7 ......................................... 87

3.33

Appellant 33 – Zienswijze inzake locatie Laan ten Boomen 40-42 .............................. 92

3.34

Appellant 34 – Zienswijze inzake Kouterstraat 20 .................................................... 95

2.35

Appellant 35 – Zienswijze Waterschap de Dommel................................................... 96

4.

Conclusie ............................................................................................................... 99

5.

Overzicht van de aanpassingen ............................................................................... 101

a. 6.

Regels en kaart ..................................................................................................... 101 Overzicht van ambtshalve verbeteringen .................................................................. 105

Bijlagen .......................................................................................................................... 122

4/123

1. Overzicht van de gevolgde procedure 1.1

Object van inspraak en vooroverleg

Object van zienswijzen is het ontwerp-wijzigingsbesluit van het Omgevingsplan gemeente Someren “Buitengebied – Deelgebied 5”.

1.2

Subject van inspraak en vooroverleg

Inspraak is verleend aan ingezetenen van de gemeente Someren en overige belanghebbenden. Daarnaast is aan de omgevingspartners de mogelijkheid geboden om hun reactie kenbaar te maken.

1.3 1.3.1

Procedure

Voorbereiding

De procedure voor het wijzigen van een omgevingsplan staat in artikel 16.29 van de Omgevingswet, artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 Awb. De gemeente kan een voorbereidingsbesluit nemen met ‘voorbeschermingsregels’ met als doel ongewenste ontwikkelingen tijdens de voorbereidingsperiode van het wijzigingsbesluit te voorkomen. De gemeenteraad heeft hier geen gebruik van gemaakt aangezien het hoofdzakelijk een conserverend wijzigingsbesluit betreft. Vóór het ontwerp-wijzigingsbesluit maakt de gemeente bekend dat ze een wijzigingsbesluit voor het omgevingsplan voornemens is te nemen. En er wordt eventueel een milieueffectrapport (MER) opgesteld. •

Op 5 augustus 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders in het Gemeenteblad kennisgegeven van het voornemen tot wijziging van het omgevingsplan (artikel 16.29 Omgevingswet). Hierin is onder andere de wijze van participatie beschreven (artikel 10.2, lid 1, Omgevingsbesluit).

•

Voor het ontwerp-wijzigingsbesluit van het omgevingsplan is een plan-MER opgesteld en ter advisering voorgelegd aan de commissie m.e.r. De commissie heeft in januari 2025 advies uitgebracht over het plan-MER. Het college heeft dit advies betrokken bij de verdere uitwerking van het vast te stellen wijzigingsbesluit door de gemeenteraad.

1.3.2

Ontwerp-omgevingsplan

De gemeente geeft vóór de terinzagelegging kennis van het ontwerp-wijzigingsbesluit voor het omgevingsplan in het gemeenteblad via de LVBB (artikel 10.3c Omgevingsbesluit). Het ontwerpwijzigingsbesluit is vanaf 28 augustus 2024 beschikbaar gesteld in de landelijke voorzieningen. Op de LVBB en op het DSO. Conform artikel 16.40, lid 3 Omgevingswet is ook het milieueffectrapport voor Deelgebied 5 tegelijkertijd beschikbaar gesteld. De gemeente heeft het ontwerp-wijzigingsbesluit en de bijbehorende stukken gedurende zes weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Van 28 augustus 2024 tot en met 8 oktober 2024. Hiervan is kennis gegeven op de gemeentelijke website en in het gemeenteblad van Someren d.d. 27 augustus 2024. (conform artikel 3:11 Awb en artikel 16.40, lid 3 Omgevingswet).

5/123

Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging kon iedereen schriftelijk en/of mondeling een zienswijze omtrent het ontwerp-omgevingsplan naar voren brengen bij het college van burgemeester en wethouders. Er zijn meerdere zienswijzen ingediend over het ontwerpwijzigingsbesluit voor het omgevingsplan. Daarnaast is gedurende de zienswijzenperiode zowel mondeling als schriftelijk overleg gevoerd met de meest voorname omgevingspartners in deelgebied 5, zijnde de provincie Noord-Brabant en de waterschappen Aa en Maas en De Dommel. Dit overleg is ook na de zienswijzenperiode voortgezet om de meest optimale regeling te kunnen formuleren in het wijzigingsbesluit. Deze overwegingen zijn betrokken bij het opstellen van het definitief vast te stellen wijzigingsbesluit door de gemeenteraad. 1.3.3

Vaststellen van het wijzigingsbesluit voor het omgevingsplan

De gemeenteraad is bevoegd om een wijzigingsbesluit voor het omgevingsplan te nemen, tenzij dat door de gemeenteraad voor bepaalde situaties of onderwerpen is gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders in een delegatiebesluit. Omdat er een milieueffectrapport is opgesteld bedraagt de minimumtermijn twee 2 weken tussen het aflopen van de zienswijzentermijn en het vaststellen van het omgevingsplan (artikel 16.40, lid 4 en artikel 16.50, lid 2 Omgevingswet). Deze termijn is van toepassing en inmiddels ook verstreken. Bij de vaststelling van het wijzigingsbesluit moet de gemeenteraad, los van de algemene motiveringsplicht van een besluit (artikel 3:46 Awb), ook aangeven welke rol publieksparticipatie heeft gespeeld. Daarbij moet aangegeven worden hoe aan publieksparticipatie is gedaan, wat de resultaten daarvan zijn en hoe de gemeente invulling heeft gegeven aan haar participatiebeleid. 1.3.4

Bekendmaking, kennisgeving, terinzagelegging

De gemeenteraad maakt het besluit bekend door het te publiceren in het gemeenteblad via de LVBB. Tegelijk met de bekendmaking geeft de gemeente kennis van de terinzagelegging van de bijbehorende stukken. Daarnaast stuurt de raad een exemplaar van het besluit aan degenen die zienswijzen over het ontwerpbesluit hebben ingediend en de omgevingspartners en adviseurs (artikelen 3:42, 3:44, lid 2, en 3:45 Awb en artikel 6 Bekendmakingswet). Hierbij moet worden vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan, beroep mogelijk is (artikelen 3:43 tot en met 3:45 Awb). De wijziging van het omgevingsplan treedt na 4 weken nadat het besluit is bekend gemaakt in werking 1.3.5

Beschikbaar stellen van het omgevingsplan

De regels van het omgevingsplan worden zichtbaar in het DSO. Gemeenten moeten de wijziging van het omgevingsplan digitaal publiceren via de LVBB, het landelijke publicatieplatform. De regels van het omgevingsplan komen dan automatisch in het Omgevingsloket. Iedereen kan zo de kaart zien en welke regels waar gelden.

6/123

2. Ingekomen zienswijzen Gedurende de termijn zijn de volgende schriftelijke zienswijzen ingekomen: Appellant

Zienswijze inzake locatie

Datum verstuurd

Datum ingekomen

1

De Wertstraat 8

10-09-2024

11-09-2024

2

Slievenstraat 36

17-09-2024

18-09-2024

3

Houtbroekstraat 8

30-09-2024

07-10-2024

4

Heiveldsestraat 14

30-09-2024

07-10-2024

5

Laan ten Boomen 49

30-09-2024

07-10-2024

6

Ekelhofweg 6

02-10-2024

07-10-2024

7

Berkeindje 5

02-10-2024

07-10-2024

8

Heieind 3

04-10-2024

07-10-2024

9

Perceel M864

04-10-2024

07-10-2024

10

Heesterdijk 11 en 13

07-10-2024

07-10-2024

11

Varendonkweg 20

03-10-2024

08-10-2024

12

Varendonkweg 24

04-10-2024

08-10-2024

13

Lieropsedijk 68

04-10-2024

08-10-2024

14

Perceel N34 en Berkeindje 11

06-10-2024

08-10-2024

15

Heiveldsestraat 27

07-10-2024

08-10-2024

08-10-2024

09-10-2024

16

Moorsel 7

07-10-2024

08-10-2024

17

Otterdijk 3, Otterdijk 7 en Kromvenweg 18

07-10-2024

08-10-2024

19

Moorsel 3

08-10-2024

08-10-2024

20

Eindje 6

08-10-2024

08-10-2024

21

Moorsel 1

07-10-2024

09-10-2024

22

Otterdijk 1

07-10-2024

09-10-2024

23

Moorsel 5

07-10-2024

09-10-2024

24

Laan ten Boomen 29

07-10-2024

09-10-2024

26

Slievenstraat 65

07-10-2024

09-10-2024

27

Lieropsedijk 70

07-10-2024

09-10-2024

28

Houtbroekstraat 9

07-10-2024

09-10-2024

04-11-2024

05-11-2024

29

Somerenseweg 44

07-10-2024

09-10-2024

30

Vaarsehoefweg 6

07-10-2024

09-10-2024

31

Kromvenweg 20

08-10-2024

09-10-2024

32

Meervensedijk 7

08-10-2024

09-10-2024

06-11-2024

08-11-2024

33

Laan ten Boomen 40-42

08-10-2024

09-10-2024

34

Kouterstraat 20

08-10-2024

10-10-2024

Van de omgevingspartners zijn daarnaast reacties ontvangen: Appellant

Locatie

Datum verstuurd

Datum ingekomen

18

Provincie Noord-Brabant

08-10-2024

08-10-2024

25

Waterschap Aa en Maas

07-10-2024

09-10-2024

35

Waterschap de Dommel

08-10-2024

10-10-2024

3. Beantwoording zienswijzen Tijdens de termijn van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan zijn 35 zienswijzen ingediend. De zienswijzen worden onderstaand samengevat waarbij de essentie wordt weergegeven. Vervolgens wordt de zienswijze beantwoord waarbij de gehele zienswijze in ogenschouw is genomen.

3.1

Appellant 1 – Zienswijze inzake locatie De Wertstraat 8 Zienswijze

Gemeentelijke beantwoording

Zienswijze inzake De Wertstraat 8, 5715BA Lierop, d.d. 10 september 2024, datum ingekomen 11 september 2024 3.1.1

In het ontwerp dat nu ter inzage ligt is de aanduiding

In het tijdelijke deel van het omgevingsplan is voor deze locatie een

‘Specifieke vorm van wonen - Ruimte voor ruimte woning’ met

aanduiding ‘Specifieke vorm van wonen – Ruimte voor ruimte woning’

de bijbehorende bebouwingsvoorschriften niet opgenomen. Het

opgenomen. In de regels is bepaald dat voor een dergelijke woning de

betreft de maximaal toegestane oppervlakte voor bijgebouwen

maximaal toegestane inhoud 900 m3 mag bedragen. De gezamenlijke

(150 m2) en de toegestane inhoud van de woning (900 m3). Een

oppervlakte van bijgebouwen mag 150 m2 bedragen.

medewerker van de afdeling heeft aangegeven dat de

In de systematiek van het Omgevingsplan gemeente Someren worden

bouwmogelijkheden abusievelijk niet zijn meegenomen.

Ruimte voor ruime woningen niet meer specifiek aangeduid. In de bepaling ‘Burgerwoning bouwen – buitengebied’ is opgenomen dat de inhoud van woningen maximaal 750 m³ mag bedragen, tenzij anders aangegeven met de omgevingsnorm ‘maximum inhoud woning’. In de bepaling ‘bijgebouwen bij een woning bouwen’ is opgenomen dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij woningen maximaal 100 m² mag bedragen, tenzij anders aangegeven met de omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte bijgebouwen’. Voor ruimte voor ruimte woningen worden door deze omgevingsnormen een inhoud van maximaal 900 m3 toegestaan en een maximale oppervlakte aan bijgebouwen van 150 m2. Voor de locatie De Wertstraat 8 zijn deze omgevingsnormen abusievelijk niet opgenomen. Dit is hersteld. Daarnaast ontbrak abusievelijk de locatie ‘bijgebouwen’. Deze is alsnog opgenomen.

3.2

Appellant 2 – Zienswijze inzake locatie Slievenstraat 36 Zienswijze

Gemeentelijke beantwoording

Zienswijze inzake Slievenstraat 36 5711 PK Someren, d.d. 17 september 2024, datum ingekomen 18 september 2024 3.2.1

Door appellant is een beplantingsplan en uitwerking van de

Het beplantingsplan is opgenomen als bijlage bij het omgevingsplan. Voor

landschapsinvesteringsregeling ingeleverd op 11 april 2024 met

deze locatie zijn echter niet de omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte

het verzoek deze mee te nemen in het ontwerp-omgevingsplan

bijgebouwen’ en de locatie ‘Landschappelijke inpassing’ opgenomen. Dit is

waarmee wordt voorzien in de legalisatie van 333 m2 aan

hersteld door het opnemen van de omgevingsnorm ‘maximum oppervlakte

bijgebouwen. Dit is niet opgenomen in het

bijgebouwen’ voor deze locatie waarmee een gezamenlijke oppervlakte

ontwerp-omgevingsplan.

van 333 m2 aan bijgebouwen wordt toegestaan. Daarnaast is de locatie ‘Landschappelijke inpassing’ opgenomen.

3.3

Appellant 3 – Zienswijze inzake locatie Houtbroekstraat 8 Zienswijze

Gemeentelijke beantwoording

Zienswijze inzake Houtbroekstraat 8, 5711PT Someren, d.d. 30 september 2024, datum ingekomen 7 oktober 2024 3.3.1

Het omgevingsplan wordt als onduidelijk ervaren. Door

De Omgevingswet heeft inderdaad een andere systematiek dan de Wet

verschillen in de systematiek tussen het geldende

ruimtelijke ordening. Ook het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO),

bestemmingsplan en het ontwerp-omgevingsplan is een

waarop het omgevingsplan te zien is, verschilt van de voorgaande digitale

vergelijking tussen de bestaande en nieuwe planologische

omgeving van ruimtelijke plannen. Hierdoor zitten er verschillen in de

rechten van appellant nauwelijks te maken.

raadpleegbaarheid en leesbaarheid van het bestemmingsplan en het omgevingsplan. Dit is een gegeven. Binnen de gestelde wettelijke kaders moet de gemeente het omgevingsplan opstellen en publiceren. De Omgevingswet is activiteitgericht. Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De systematiek werkt samengevat als volgt. In hoofdstuk 4 zijn 3 gebiedstypen aangeduid en een aantal thematische gebiedsaanwijzingen.

9/123

Binnen de gebiedstypen zijn verschillende functies toegestaan. In hoofdstuk 4 is daartoe een doorverwijzing opgenomen naar de functies in hoofdstuk 5. Deze komen overeen met de enkelbestemmingen uit de bestemmingsplannen. In hoofdstuk 5 is opgenomen welke activiteiten (aanleg, bouw- en gebruiksactiviteiten) zijn toegestaan binnen een functie en is een doorverwijzing opgenomen naar hoofdstuk 6. In de thematische gebiedsaanwijzingen in hoofdstuk 4 is een rechtstreekse doorverwijzing opgenomen naar hoofdstuk 6. In hoofdstuk 6 zijn vervolgens de activiteiten gereguleerd. Waar deze in de bestemmingsplannen waren opgenomen bij de betreffende bestemming, zijn deze in de nieuwe systematiek opgenomen binnen één hoofdstuk en meer thematisch gegroepeerd. De activiteiten zijn alleen toegestaan op een locatie indien deze op de kaart zijn aangeduid met een werkingsgebied (in de regels locatie genoemd). In artikel 6.3 is bepaald dat alleen activiteiten die zijn opgenomen in het omgevingsplan zijn toegestaan. Uitgangspunt van het DSO is dat een overzicht van de op een locatie geldende regels kan worden verkregen door op de locatie te klikken en vervolgens door te klikken op de functies en bijbehorende regels/toegestane activiteiten. In de bijbehorende motivering is bovendien voor een aantal locaties waar een ontwikkeling plaatsvindt aangegeven wat er concreet is gewijzigd. 3.3.2

Op deze locatie is een pluimveehouderij aanwezig en in het

In het ontwerp-omgevingsplan is art. 6.243 opgenomen binnen afdeling

ontwerp-omgevingsplan zijn regels voor veehouderijen

6.5 (Gebruiksactiviteiten) en subparagraaf 6.5.3.3 (veehouderij

opgenomen. Er is bepaald dat het verboden is om zonder

exploiteren). In art. 6.243 is bepaald dat het verboden is om zonder

10/123

omgevingsvergunning de bedrijfsvoering van een veehouderij te

omgevingsvergunning de bedrijfsvoering van de veehouderij te wijzigen

wijzigen. Ook is bepaald dat het verboden is om het aantal

en/of het aantal landbouwhuisdieren in een dierenverblijf uit te breiden.

landbouwhuisdieren in een dierenverblijf uit te breiden. Deze

Deze regeling is opgenomen als vertaling van de regels die in het

verbodsbepaling is niet opgenomen in het geldend

bestemmingsplan zijn opgenomen onder ‘Specifieke gebruiksregels’. In

bestemmingsplan.

deze regeling is opgenomen dat het gebruiken van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de huisvesting van dieren, met als doel

De vergunningplicht in artikel 6.243 is niet beleidsneutraal en is

om de bestaande veestapel uit te breiden, niet toegestaan is.

een extra beperking voor de bedrijfsvoering van appellant.

Dit is conform het huidige beleid dat een toename van de oppervlakte

Appellant verzoekt de vergunningplicht van artikel 6.243 te

dierenverblijven niet is toegestaan zonder vergunning.

schrappen. Na een nadere heroverweging is in het vast te stellen omgevingsplan dit artikel gewijzigd in verband met de leesbaarheid. Er is opgenomen dat het verboden is zonder omgevingsvergunning het gebruik van een bestaand gebouw te wijzigen, gericht op het in gebruik nemen als dierenverblijf. Hiermee is een zelfde strekking beoogd als in de voorgaande regeling. 3.3.3

Op de locatie is naast bebouwing ook verharding aanwezig. Ter

Het vigerende plan voor deze locatie is het tijdelijk deel van het

plaatse van de verharding aan de noord- en oostzijde van de

omgevingsplan ‘Buitengebied 2014 herziening Houtbroekstraat 8’. De

locatie is de gebiedsaanduiding agrarisch grondgebruik

bestaande rechten uit dit plan worden overgenomen in het omgevingsplan.

opgenomen. Hierbinnen is verharding volgens de regels niet

Op een aantal onderdelen worden functies en werkingsgebieden iets

toegestaan. In het huidige bestemmingsplan is een specifieke

aangepast om recht te doen aan bestaande en legaal opgerichte situaties.

aanduiding opgenomen voor de verharding aan de oostzijde. De aanwezige verharding is noodzakelijk en onmisbaar voor het

Binnen het tijdelijk deel van het omgevingsplan ‘Buitengebied 2014

functioneren van het pluimveebedrijf.

herziening Houtbroekstraat 8’ is er een functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – bestaande erfverharding’ opgenomen voor

Appellant verzoekt alle verhardingen aan de noord- en oostzijde

de verharding aan de oostzijde. Binnen de agrarische functie in het

van de bedrijfslocatie binnen de regels toe te staan.

ontwerp-omgevingsplan is geen specifiek werkingsgebied opgenomen voor deze bestaande verharding. Dit heeft te maken met de gewijzigde systematiek van de Omgevingswet en daarmee het omgevingsplan welke activiteitgericht is. Dit deel van het perceel valt binnen de gebiedsaanwijzingen ‘agrarisch grondgebruik’ en ‘landschappelijk

11/123

waardevol gebied’. In de regels zijn bepalingen opgenomen betreffende het aanbrengen van oppervlakteverhardingen. Deze komen overeen met de huidige regeling. Dit betreft bovendien bestaande legale verharding welke onder de eerbiedigende werking van artikel 6.4 valt. Voor de verharding aan de noordzijde van de locatie geldt dat deze in strijd met het vigerende plan is opgericht. Het bestemmingsplan is in 2015 vastgesteld en de verharding is tussen 2016 en 2017 zonder vergunning aangelegd. Er is hiermee geen aanleiding om voor deze verharding de functie voor de veehouderij te verruimen. Daarnaast is het op basis van provinciaal beleid ook niet mogelijk om het functievlak voor de veehouderij verder te vergroten. Na vaststelling van dit omgevingsplan zal met appellant contact worden opgenomen om te bespreken hoe zal worden omgegaan met de verharding aan de noordzijde van de locatie. 3.3.4

Op de locatie zijn in het ontwerp-omgevingsplan

In het voorgaande bestemmingsplan had een deel van het perceel de

gebiedsaanduidingen met waarden opgenomen, namelijk

bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ en de

archeologisch waardevol gebied 2, 3 en 4, cultuurhistorisch

aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’. Deze gebieden zijn in het

waardevol gebied en landschappelijk waardevol gebied. De

omgevingsplan overgenomen en omgezet naar de nieuwe systematiek.

begrenzingen komen niet allemaal overeen met het

De gebiedsaanwijzingen ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’ en

bestemmingsplan. Los daarvan zijn de waarden niet (meer)

‘landschappelijk waardevol gebied’ zijn opgenomen binnen de agrarische

aanwezig door de ontwikkeling van het bedrijf.

functie en zijn niet gelegen op de bebouwing. Wel zijn deze gebieden opgenomen ter plaatse van een deel van de verharding. Dit was reeds zo

Appellant verzoekt de gebiedsaanduidingen archeologisch

aangeduid onder het oude bestemmingsplan.

waardevol gebied 2, 3 en 4, cultuurhistorisch waardevol gebied

Er is geen aanleiding om deze gebieden op een andere wijze op te nemen.

en landschappelijk waardevol gebied ter plaatse van de aanwezige bebouwing en verharding op de locatie te

De werkingsgebieden voor archeologisch waardevol gebied worden

verwijderen.

opgenomen op basis van de gemeentelijke Nota archeologiebeleid en bijbehorende kaart met archeologische verwachtingen en waarden. Het is enkel mogelijk om gebieden eruit te knippen als er ook stukken zijn die aantonen dat er geen verwachtingswaarden meer aanwezig zijn. Ten

12/123

tijde van het opstellen van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2014, herziening Houtbroekstraat 8’ is een archeologisch onderzoek opgesteld. Uit dit onderzoek is gebleken dat er sprake is van een archeologische verwachtingswaarde. Deze kunnen daarmee niet verwijderd worden. De verschillende gebiedsaanwijzingen betreffende archeologie overlappen elkaar in het ontwerp-omgevingsplan. Dit is niet correct en is hersteld. 3.3.5

In de digitale weergave van het omgevingsplan lijken meerdere

Het is een terechte constatering dat een aantal gebiedsaanwijzingen en

gebiedsaanduidingen over elkaar heen te liggen waardoor het

locaties elkaar overlappen. Dit zal worden hersteld.

onduidelijk is welke regels van toepassing zijn. Daarnaast is in het vigerende tijdelijke deel van het omgevingsplan de Bijvoorbeeld de aanduiding veehouderij, door de dubbele lijn is

aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden-aarden wal’

het niet duidelijk of de meest westelijke stal binnen de

opgenomen op een deel van het perceel. Deze is in het ontwerp-

aanduiding ligt.

omgevingsplan nog niet verwerkt. In het definitieve omgevingsplan is hiervoor een regeling opgenomen. Deze is toegevoegd aan de landschappelijke inpassingsverplichting.

3.4

Appellant 4 – Zienswijze inzake locatie Heiveldsestraat 14 Zienswijze

Gemeentelijke beantwoording

Zienswijze inzake Heiveldsestraat 14, 5711PB Someren, d.d. 30 september 2024, datum ingekomen 7 oktober 2024 3.4.1

Het omgevingsplan wordt als onduidelijk ervaren. Door

De strekking van deze zienswijze komt overeen met punt 3.3.1.

verschillen in de systematiek tussen het geldende

Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt 3.3.1.

bestemmingsplan en het ontwerp-omgevingsplan is een vergelijking tussen de bestaande en nieuwe planologische rechten van appellant nauwelijks te maken. 3.4.2

Op deze locatie is een rundveehouderij aanwezig en in het

De strekking van deze zienswijze komt overeen met punt 3.3.2.

ontwerp-omgevingsplan zijn regels voor veehouderijen

Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt 3.3.2.

opgenomen. De vergunningplicht in artikel 6.243 is niet

13/123

beleidsneutraal en is een beperking ten opzichte van de bestaande planologische rechten.

3.4.3

In de digitale weergave van het omgevingsplan lijken meerdere

De gebiedsaanwijzingen archeologisch waardevol gebied – 2, 3 en 4 liggen

gebiedsaanduidingen over elkaar heen te liggen. De

inderdaad over elkaar. Dit betreft een technische fout. Dit is hersteld.

archeologisch waardevolle gebiedsaanduidingen van 2, 3, 4 en 5

Dit geldt ook voor de locatie statische opslag. Zowel de locatie ‘statische

lijken te overlappen in de verbeelding.

opslag 500’ als ‘statische opslag 501’ zijn op dit perceel opgenomen in het ontwerp-omgevingsplan. Dit is hersteld. Er is geconstateerd dat het functievlak ‘veehouderij’ nog niet geheel over de vergunde schuur is gelegen. Dit is hersteld in de definitieve versie van het omgevingsplan. Daarnaast ontbrak de locatie ‘bijgebouwen’. Deze is alsnog opgenomen.

3.5

Appellant 5 – Zienswijze inzake locatie Laan ten Boomen 49 Zienswijze

Gemeentelijke beantwoording

Zienswijze inzake Laan ten Boomen 49, 5715AA Lierop, d.d. 30 september 2024, datum ingekomen 7 oktober 2024 3.5.1

Het omgevingsplan wordt als onduidelijk ervaren. Door

De strekking van deze zienswijze komt overeen met punt 3.3.1.

verschillen in de systematiek tussen het geldende

Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt 3.3.1.

bestemmingsplan en het ontwerp-omgevingsplan is een vergelijking tussen de bestaande en nieuwe planologische rechten van appellant nauwelijks te maken. 3.5.2

Op locatie is een K.I. station t.b.v. de varkenshouderij aanwezig

De strekking van deze zienswijze komt overeen met punt 3.3.2.

en in het ontwerp-omgevingsplan zijn regels voor veehouderijen

Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt 3.3.2.

opgenomen. De vergunningplicht in artikel 6.243 is niet beleidsneutraal en is een extra beperking voor de bedrijfsvoering van appellant.

14/123

3.5.3

In de digitale weergave van het omgevingsplan lijken meerdere

In het omgevingsplan is de gemeentelijke Nota Archeologiebeleid en de

gebiedsaanwijzingen over elkaar heen te liggen. De

bijbehorende Archeologische verwachtingen- en waardenkaart verwerkt.

archeologisch waardevolle gebiedsaanwijzingen 3 en 4 lijken te

Er wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden met archeologische

overlappen in de verbeelding. Voor de oppervlakte

waarden en archeologische verwachtingswaarden. Voor de verschillende

bodemverstoring geldt voor beide gebiedsaanwijzingen een

categorieën zijn maximale maatvoeringen opgenomen voor de oppervlakte

oppervlakte van 250m2.

van de bodemverstoring waarvoor geen vergunningsplicht geldt. Deze maatvoeringen zijn overgenomen in het omgevingsplan. Het is een terechte constatering dat de gebiedsaanwijzingen archeologisch waardevol gebied – 3 en 4 over elkaar liggen. Dit is hersteld.

3.6

Appellant 6 – Zienswijze inzake locatie Ekelhofweg 6 Zienswijze

Gemeentelijke beantwoording

Zienswijze inzake Ekelhofweg 6, 5711PX Someren, d.d. 2 oktober 2024, datum ingekomen 7 oktober 2024 3.6.1

Het omgevingsplan wordt als onduidelijk ervaren. Door

De strekking van deze zienswijze komt overeen met punt 3.3.1.

verschillen in de systematiek tussen het geldende

Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt 3.3.1.

bestemmingsplan en het ontwerp-omgevingsplan is een vergelijking tussen de bestaande en nieuwe planologische rechten van appellant nauwelijks te maken. 3.6.2

Appellant heeft met de gemeente in het voortraject afgesproken

Appellant doet het verzoek om het woonfunctievlak aan de westzijde van

dat de verharding aan de westzijde van de locatie volledig in het

het perceel te vergroten, zodat de gehele verharding binnen het

‘woonbestemmingsvlak’ wordt opgenomen. Bewoners

woonfunctievlak is gelegen. De appellant verwijst hierbij naar eerder

constateren dat de begrenzing van de gebiedsaanduiding wonen

gemaakte afspraken met de gemeente en de provincie. Echter heeft de

niet overeenkomt met de gemaakte afspraken. De verharding

gemeente in eerdere beantwoording en in het voorstel aangegeven dat het

aan de westkant ligt nog voor een deel buiten de

woonfunctievlak niet vergroot kan worden over het Natuur Netwerk

gebiedsaanduiding ‘wonen’ en buiten de NNB.

Brabant (NNB). In het contact met de appellant heeft de gemeente aangegeven dat zij een deel van de bouwwerken en de verharding aan de westzijde kan legaliseren, maar dat alle verharding buiten het nieuwe

15/123

Appellant verzoekt de begrenzing van de gebiedsaanduiding

woonfunctievlak illegaal blijft gezien het in het NNB ligt. Het verzoek wordt

wonen aan de westzijde ter plaatse van de verharding aan te

dan ook afgewezen.

passen conform de gemaakte afspraken. In het definitieve omgevingsplan grenst het woonfunctievlak zo veel mogelijk aan het NNB, met als uitgangspunt dat er een logisch vlak ontstaat. 3.6.3

De regels in paragraaf 6.4.17 zijn van toepassing op het

Op deze locatie ontbreekt inderdaad de locatie ‘bijgebouwen’. Dit is

bouwen, uitbreiden of wijzigen van bijgebouwen bij woningen

hersteld.

binnen het werkingsgebied bijgebouwen. Het werkingsgebied bijgebouwen is niet opgenomen op de locatie. 3.6.4

Er is in de regels geen mogelijkheid opgenomen om dichter bij

In het omgevingsplan is opgenomen dat bijgebouwen bij een woning op

de grens van de gebiedsaanduiding te bouwen. In het

minimaal 5 meter uit de grens van het gebouwerf gebouwd moeten

voortraject is door de behandelend ambtenaar aangegeven dat

worden. Om aan te sluiten bij het gemeentelijk beleid is alsnog een

in het nieuwe omgevingsplan de mogelijkheid wordt opgenomen

vergunningsmogelijkheid opgenomen om dichter bij de grens te bouwen.

om af te wijken van de 5 meter-regel, zodat onder voorwaarden

Hiertoe is de regeling aangevuld.

dichter bij de grens gebouwd kan worden. Appellant verzoek in het omgevingsplan een mogelijkheid op nemen om af te wijken van de 5 meter uit de grens regel. 3.6.5

In de digitale weergave van het omgevingsplan lijken op de

Het is een terechte constatering dat de omgevingsnormen voor de

locatie meerdere omgevingsnormen voor de maximale

maximale oppervlakte aan bijgebouwen over elkaar liggen. Dit betreft een

oppervlakte aan bijgebouwen over elkaar heen te liggen.

technische fout. Dit is hersteld. Er is een omgevingsnorm opgenomen voor de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen van 214 m².

3.6.7

In artikel 6.152 sub f van de regels van het ontwerp-

De regeling die is opgenomen in het omgevingsplan welke bepaalt dat de

omgevingsplan is opgenomen dat de afstand tussen een

afstand tussen een bijgebouw en de woning maximaal 20 meter mag

bijgebouw en de woning maximaal 20 meter mag bedragen.

bedragen vloeit voort uit gemeentelijk beleid. Dit beleid is vastgesteld door

Appellant verzoekt de bepaling in artikel 6.152 sub f van de

de gemeenteraad, middels een motie, op 22 februari 2018. De concrete

regels te schrappen.

regeling wordt opgenomen bij iedere herziening van het bestemmings-/omgevingsplan in het buitengebied.

16/123

Deze regeling wordt opgenomen om hiermee de uitgangspunten van het gemeentelijke ruimtelijk beleid voor het buitengebied te waarborgen. Met deze maximale afstandseis wil de gemeente bereiken dat er zuinig met ruimte wordt omgegaan en wordt gestreefd naar concentratie van bebouwing. Hiermee wordt de ruimtelijke uitstraling verbeterd. Om deze reden kan de regeling niet worden geschrapt. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in de definitieve regeling alsnog een vergunningsmogelijkheid is opgenomen voor het bouwen van een vrijstaand bijgebouw op een grotere afstand tot de woning dan 20 meter. Hiermee wordt aangesloten bij het gemeentelijk beleid en de afwijkingsmogelijkheid zoals reeds was opgenomen in de meest actuele bestemmingsplannen. Dit betekent dat, indien voldaan wordt aan de voorwaarden, een vergunning aangevraagd kan worden. Appellant verwijst verder naar ambtelijke afspraken welke gemaakt zijn over bouwwerk F uit het inventarisatierapport. De gemeente heeft echter in eerdere beantwoording meegegeven dat bouwwerk F alleen zonder vergunning kan worden geplaatst wanneer de locatie voldoet aan de bouwregels, er is geen toezegging gedaan dat er van de 20 meter regel afgeweken mag worden. Het verzoek wordt afgewezen. 3.6.8

In het voortraject is met de gemeente afgesproken dat na

De bepaling betreffende het bouwen van overkappingen is opgenomen op

vaststelling van het omgevingsplan een omgevingsvergunning

basis van vastgesteld beleid en is gebaseerd op algemene

aangevraagd wordt voor bouwwerk G, onder de regeling voor

stedenbouwkundige uitgangspunten voor het bouwen van overkappingen.

overkappingen. De regeling voor overkappingen in het ontwerp-

Deze regeling is ook in de eerdere herzieningen van het buitengebied

omgevingsplan is strenger geworden dan de regeling van het

opgenomen. De bepaling kan om deze reden niet worden geschrapt.

bestemmingsplan. Aan alle drie de regels voldoet bouwwerk G niet. Appellant verzoekt de bepalingen in artikel 6.157 sub d. en

Na heroverweging is de regeling betreffende het bouwen van

e. van de regels te schrappen.

overkappingen aangepast om beter aan te sluiten bij het meest actuele beleid. In de aangepaste regeling is opgenomen dat gebouwd moet

17/123

worden op minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn. Daarnaast zijn vergunningsmogelijkheden opgenomen voor het bouwen op een kortere afstand tot de grens van het gebouwerf en de as van de weg en op een grotere afstand van de woning (mits voldaan wordt aan de beoordelingsregels). Appellant verwijst naar eerdere gemaakte afspraken met de gemeente wat betreft het vergunnen van overkapping G. De gemeente heeft in eerder contact aangegeven dat bouwwerk G na vaststelling vergund kan worden indien het aantal toegestane vierkante meters aan bijgebouwen op de locatie is opgeplust. Na vaststelling kan dus een vergunning worden aangevraagd voor bouwwerk G.

3.7

Appellant 7 – Zienswijze inzake locatie Berkeindje 5 Zienswijze

Gemeentelijke beantwoording

Zienswijze inzake Berkeindje 5, 5715RD Lierop, d.d. 2 oktober 2024, datum ingekomen 7 oktober 2024 3.7.1

Het omgevingsplan wordt als onduidelijk ervaren. Door

De strekking van deze zienswijze komt overeen met punt 3.3.1.

verschillen in de systematiek tussen het geldende

Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt 3.3.1.

bestemmingsplan en het ontwerp-omgevingsplan is een vergelijking tussen de bestaande en nieuwe planologische rechten van appellant nauwelijks te maken. 3.7.2

Het is gewenst dat de tuin op het perceel 773 binnen de

In voorbereiding op het plan is meermaals met appellant gecommuniceerd

begrenzing van de gebiedsaanduiding wonen komt te liggen in

over perceel N 773. Aan appellant is per brief en per mail toegelicht hoe

plaats van binnen de gebiedsaanduiding agrarisch grondgebruik.

een deel van dit perceel aan het woonfunctievlak kan worden toegevoegd, middels een vormverandering van het functievlak ‘Wonen’. In de correspondentie heeft appellant verzocht om de situatie omtrent het functievlak te handhaven.

18/123

Indien er al dan niet sprake is van een tuin op perceel N 773, behorende bij de woning op Berkeindje 5, is deze in strijd met het voorgaande bestemmingsplan opgericht buiten het woonfunctievlak en op gronden met een agrarische bestemming. Dit vormt dan ook geen aanleiding om het perceel N 773 toe te kennen aan het woonfunctievlak. Daarnaast is het ook niet zo dat het logisch is om het perceel N 773 toe te voegen aan het woonfunctievlak in relatie tot de woningbouwlocatie Lierop-Zuid. Appellant suggereert dat dit plan het onmogelijk maakt om het perceel nog agrarisch te bewerken. Naast dat het plan ten behoeve van Lierop-Zuid nog geen vastgestelde status heeft, blijven de omliggende gronden nog bestemd als agrarische gronden. Doordat het plan geen vastgestelde status heeft, is ook niets te zeggen over het inpassingsplan. Perceel N 773 heeft al meerdere planperiodes een agrarische functie. Alle voorzieningen en al het gebruik wat niet in lijn is met deze functie is in strijd met het plan aanwezig. De grond zal dan ook gebruikt dienen te worden in lijn met de functie agrarisch grondgebruik. Het staat appellant vrij om alsnog een goed onderbouwd verzoek te doen om het woonfunctievlak van vorm te veranderen om hiermee de tuin op het perceel 773 binnen het woonfunctievlak te betrekken. 3.7.3

Aan de noordkant van de locatie is het werkingsgebied

De bebouwingsvrij zone zoals is opgenomen in het ontwerp-

bebouwingsvrije zone opgenomen. Dit werkingsgebied is echter

omgevingsplan komt voort uit de landschappelijke inpassingsverplichting

ook opgenomen ter plaatse van de woning.

uit het voorgaande plan. Voor de woningbouwontwikkeling op dit perceel is indertijd het bestemmingsplan ‘Berkeindje/Vaarsehoefweg’ met het bijbehorende landschappelijk inpassingsplan vastgesteld. Op basis hiervan is er een verplichting om de landschappelijke inpassing uit te voeren. Dit bestemmingsplan maakt deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit landschappelijke inpassingsplan is overgenomen. Conform de systematiek van het omgevingsplan is om deze reden

19/123

eveneens een bebouwingsvrije zone in het plan opgenomen. Op dit perceel is een klein gedeelte van de woning binnen de aanduiding gelegen. Dit betreft een vergund recht en vormt geen aanleiding om de locaties ‘landschappelijke inpassing’ en ‘bebouwingsvrije zone’ op dit perceel te verwijderen. Daarmee zou ook de verplichting vervallen om de landschappelijke inpassing uit te voeren. Bovendien doet dit niks af aan het vergunde recht van de woning. 3.7.4

3.7.5

3.7.6

In het geldend bestemmingsplan “Berkeindje/Vaarsehoefweg”,

In het omgevingsplan is opgenomen dat bijgebouwen bij een woning op

was het mogelijk om een omgevingsvergunning te verkrijgen

minimaal 5 meter uit de grens van het gebouwerf gebouwd moeten

om dichter op de grens van de bestemming Wonen te bouwen.

worden. Om aan te sluiten bij de huidige regeling in het tijdelijk deel van

Die afwijkingsmogelijkheid is echter niet in de regels terug te

het omgevingsplan is alsnog een vergunningsmogelijkheid opgenomen om

vinden.

dichter bij de grens te bouwen. Hiertoe is de regeling aangevuld.

In de digitale weergave van het omgevingsplan lijken op de

Het is een terechte constatering dat de omgevingsnormen voor de

locatie Berkeindje 5 meerdere omgevingsnormen voor de

maximale oppervlakte aan bijgebouwen over elkaar liggen. Dit betreft een

maximale oppervlakte aan bijgebouwen over elkaar heen te

technische fout. Dit is hersteld. Aan deze locatie wordt een

liggen. Hierdoor is het onduidelijk welke omgevingsnorm van

omgevingsnorm gekoppeld voor de maximaal toegestane oppervlakte aan

toepassing is.

bijgebouwen van 150m2.

Appellant verzoekt de bepaling in artikel 6.152 sub f van de

De regeling die is opgenomen in het omgevingsplan welke bepaalt dat de

regels (20-meter-regel) te schrappen.

afstand tussen een bijgebouw en de woning maximaal 20 meter mag bedragen vloeit voort uit gemeentelijk beleid. Dit beleid is vastgesteld door de gemeenteraad, middels een motie, op 22 februari 2018. De concrete regeling wordt opgenomen bij iedere herziening van het bestemmings-/omgevingsplan in het buitengebied. Deze regeling wordt opgenomen om hiermee de uitgangspunten van het gemeentelijke ruimtelijk beleid voor het buitengebied te waarborgen. Met deze maximale afstandseis wil de gemeente bereiken dat er zuinig met ruimte wordt omgegaan en wordt gestreefd naar concentratie van bebouwing.

20/123

Om aan te sluiten bij het beleid is echter wel alsnog een vergunningsmogelijkheid opgenomen om te bouwen op een grotere afstand van de woning. Hiertoe is de regeling aangevuld. 3.7.7

Achter de tuin op de locatie Berkeindje 5 ligt een dierenweide.

Het schuilhutje/dierenhokje waar appellant naar verwijst is zonder

In deze weide staat een schuilhutje/dierenhokje van ca. 10 m².

vergunning en in strijd met het bestemmingsplan en andere wet- en

Appellant verzoekt de regels in artikel 6.178 te verduidelijken

regelgeving opgericht. Dit is ook in de voorbereiding op het plan aan

en zodanig aan te passen dat de bestaande, noodzakelijke

appellant kenbaar gemaakt. Er is meermaals met appellant

schuilgelegenheid in de dierenweide past binnen de regels.

gecommuniceerd over de status van het bouwwerk en de mogelijke oplossingsrichting hieromtrent. Appellant heeft hierbij zelf voorgesteld om het bouwwerk als overkapping (bouwwerk, geen gebouw zijnde) binnen het woonfunctievlak te plaatsen. Hieromtrent is aangegeven dat dit mogelijk is, mits het op te richten bouwwerk aan alle regels uit het omgevingsplan voldoet. Gezien het bouwwerk zonder vergunning en in strijd met het bestemmingsplan en andere wet- en regelgeving is opgericht, is er geen aanleiding om een regeling op te nemen voor het bestaande bouwwerk. Het bouwwerk zal in beginsel dan ook, op de huidige locatie, verwijderd moeten worden. Wel staat het appellant vrij om de mogelijkheden te onderzoeken om voor de schuilgelegenheid alsnog een vergunning te verkrijgen. Hiervoor zal het bouwwerk moeten voldoen aan de gestelde voorwaarden uit het beleid.

21/123

3.8

Appellant 8 – Zienswijze inzake locatie Heieind 3 Zienswijze

Gemeentelijke beantwoording

Zienswijze inzake Heieind 3, 5715BC Lierop, d.d. 4 oktober 2024, datum ingekomen 7 oktober 2024 3.8.1

Appellant heeft een melkveebedrijf met een NB vergunning.

In het tijdelijk deel van het omgevingsplan (bestemmingsplan

Appellant is het niet eens met de ontwerpwijziging

Buitengebied 2011) heeft het bedrijf de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch

omgevingsplan gemeente Someren “Buitengebied Someren -

bedrijf’. De bij het bedrijf behorende gronden hebben de bestemming

Deelgebied 5”, deze heeft namelijk nadelige gevolgen voor

‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke waarden’. Deze bestemmingen

appellant. Het plan is in strijd met een goede ruimtelijke

zijn in het omgevingsplan opgenomen in de functies ‘Agrarisch bedrijf’ en

ordening en evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

‘Agrarisch grondgebruik’ met de bijbehorende regelingen.

De bezwaren richten zich op het gebied ten oosten van het bedrijf en percelen Someren N132 en N150. Deze gronden zijn

Op 22 december 2023 is het ontwerpbestemmingsplan ‘Lierop-Zuid, fase

aangekocht door de gemeente en hiervoor is in december het

1’ gepubliceerd en ter inzage gelegd. Appellant heeft toen zes weken de

ontwerpbestemmingsplan ‘Lierop Zuid – fase 1’ ter inzage

tijd gehad om een zienswijze tegen dit ontwerpbestemmingsplan in te

gelegd. De gronden van appellant liggen op korte afstand van

dienen. Omdat het ontwerpbestemmingsplan ‘Lierop-Zuid, fase 1’ nog in

een nieuw te ontwikkelen woongebied. Appellant wordt hierdoor

procedure is en nog niet definitief vastgesteld, is het plan niet opgenomen

belemmerd in zijn bedrijfsvoering. Er wordt volgens appellant

in deze wijziging omgevingsplan gemeente Someren “Buitengebied

geen rekening gehouden met zijn belangen bij de realisatie van

Someren - Deelgebied 5” en maken de gronden die binnen het

de woonwijk.

ontwerpbestemmingsplan ‘Lierop-Zuid, fase 1’ vallen geen onderdeel uit van deze wijziging van het omgevingsplan. Voor appellant heeft deze

Appellant wil graag in overleg met de gemeente over de

wijziging van het omgevingsplan dan ook geen belemmeringen in zijn

mogelijkheden van zijn bedrijf. Daarnaast vraagt appellant het

bedrijfsvoering tot gevolg.

ontwerp-omgevingsplan niet vast te stellen of in ieder geval aan te passen aan de ingediende zienswijze.

Zodra een definitief besluit is genomen over de woningbouwontwikkeling en het ontwerpbestemmingsplan ‘Lierop-Zuid, fase 1’, zal dit worden bekend gemaakt en gepubliceerd. Op dat moment staat voor appellant de beroepsmogelijkheid tegen de woningbouwontwikkeling open. Het verzoek omtrent het in overleg treden over de mogelijkheden van zijn

22/123

bedrijf zijn duidelijk en doorgegeven aan de behandelend ambtenaar omtrent het bestemmingsplan ‘Lierop-Zuid, fase 1’.

3.9

Appellant 9 – Zienswijze inzake locatie Perceel M864 Zienswijze

Gemeentelijke beantwoording

Zienswijze inzake Perceel M864, d.d. 4 oktober 2024, datum ingekomen 7 oktober 2024 3.9.1

Het ontwerp-omgevingsplan wordt als ongebruiksvriendelijk en

De strekking van deze zienswijze komt overeen met punt 3.3.1.

ondoorgrondelijk ervaren. De wijzigingen op het perceel voldoen

Kortheidshalve verwijzen wij naar onze reactie onder punt 3.3.1.

niet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De functies zijn niet goed zichtbaar. De begrenzingen van de functies zijn onvoldoende nauwkeurig vastgelegd. Het programma geeft met enige regelmaat een foutmelding waardoor het niet zeker is dat appellant kennis heeft kunnen nemen van het complete ontwerp-omgevingsplan. 3.9.2

In het ontwerp is onvoldoende rekening gehouden met het

Appellant heeft aangegeven dat er onvoldoende rekening wordt gehouden

belang van de eigenaar. Op 9 januari 1968 is een

met de belangen van de burger. Appellant geeft aan dat er in 1968 een

bouwvergunning verleend voor de oprichting van een

vergunning is verleend voor een recreatiewoning en dat het gebruik van

recreatiewoning. Sinds die tijd is dit perceel door de familie

het bouwwerk als recreatieverblijf ofwel vergund is ofwel

gebruikt voor recreatie. Appellant kan zich daarom niet

overgangsrechtelijk beschermd is. De vergunning ziet echter toe op het

verenigen met de aanduidingen voor agrarisch grondgebruik,

oprichten van een schaapskooi, een bouwwerk ten behoeve van schapen.

landschappelijk waardevol gebied en schuilgelegenheid. Er

Dit komt ook overeen met de agrarische bestemming die er altijd al

wordt beroep gedaan op het overgangsrecht. Met de

gelegen heeft. Het vergunde gebruik is dan ook agrarisch, en niet

vergunningaanvraag in 1968 is beoogd om een zomerhuisje aan

recreatief. Dat het bouwwerk de naam Schaapskooi heeft verkregen doet

te vragen en het perceel recreatief te gebruiken. In de

er niet aan af dat het bouwwerk een agrarische functie moet hebben.

daaropvolgende bestemmingsplannen had het perceel een

Vergunningen worden immers niet verleend op een naam van het

agrarische bestemming. In het ontwerp-omgevingsplan heeft

bouwwerk, maar op het type bouwwerk. Het overgangsrecht gaat voor

het perceel een agrarische functie en is het gebouw als

deze locatie niet op gezien het overgangsrecht alleen geldt voor gebruik

23/123

3.9.3

schuilhut opgenomen. Dit komt waarschijnlijk door de naam van

wat ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan al niet strijdig

de woning: Schaapskooi. Appellant wil graag in gesprek en

werd bevonden. Het recreatieve gebruik was in 1976 ook al strijdig met

verzoekt de gemeente om de recreatiewoning met een deel van

het bestemmingsplan, hierdoor kan het overgangsrecht niet opgaan. De

de grond een recreatieve functie te geven, met de

appellant kan het bouwwerk terugbrengen naar de originele vergunde

landschappelijke inpassing als voorwaardelijke verplichting.

status voor het houden van schapen.

In de digitale weergave van het omgevingsplan liggen meerdere

Het is een terechte constatering dat een aantal gebiedsaanduidingen

gebiedsaanduidingen archeologie over elkaar heen waardoor het

archeologie elkaar overlappen. Dit zal worden hersteld.

onduidelijk is welke regels van toepassing zijn.

3.10

Appellant 10 – Zienswijze inzake locatie Heesterdijk 11 en Heesterdijk 13

Zienswijze

Gemeentelijke beantwoording

Zienswijze inzake Heesterdijk 11 en 13, 5711PW Someren, d.d. 7 oktober 2024, datum ingekomen 7 oktober 2024 3.10.1

Appellant stelt dat er in voorbereiding van het omgevingsplan

Het klopt dat er in voorbereiding van dit omgevingsplan veelvuldig contact

veelvuldig contact is geweest met de gemeente over het

is geweest met appellant en dat er gesproken is over de locaties

planologisch regime op de locaties Heesterdijk 11 en 13. Het

Heesterdijk 11 en 13. Voor Heesterdijk 13 is een separaat

doel van deze overleggen was voor appellant om de

bestemmingsplan in procedure gebracht (postzegelplan). Dit

daadwerkelijke fysieke situatie van beide percelen correct vast

bestemmingsplan was ten tijde van de ter inzagelegging van het ontwerp-

te leggen. Appellant heeft moeten constateren dat de gemaakte

omgevingsplan nog niet onherroepelijk. Deze locatie maakte daarom in

afspraken niet correct in het plan zijn vastgelegd.

zijn geheel dan ook geen onderdeel uit van het ontwerp-omgevingsplan. In een mail van 10 augustus 2023 is aangegeven welke stappen gezet dienden te worden om een en ander te kunnen regelen. Onderdeel hiervan wat het opstellen van het bestemmingsplan voor Heesterdijk 13 en door appellant laten opstellen van een beplantingsplan voor Heesterdijk 11. Vervolgens is op 1 december 2023 nog een algemene herinneringsbrief verstuurd aan appellant, met het verzoek in actie te komen als een en ander nog niet heeft geleidt tot concrete oplossingsrichtingen. Op 5 maart

24/123

2024 stuurt appellant een mail waaruit blijkt dat men niet weet wat de status is van de locaties ten opzichte van het omgevingsplan. Een mail van de adviseur zou later volgen. Op 8 maart 2024 is door onze projectmedewerker gereageerd op de mail van 5 maart 2024 en is aangegeven dat een mail van de adviseur wordt afgewacht. Een mail die nooit is binnengekomen. Op 18 september 2024 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen appellant en de projectmedewerker en is afgesproken dat een overleg wordt ingepland om de situatie te bespreken. Dit overleg heeft op 3 oktober 2024 plaatsgevonden. Het ontwerpomgevingsplan is op 22 augustus 2024 gepubliceerd. Gezien dit tijdspad en de ontbrekende stukken is het evident dat appellant heeft moeten constateren dat de gemaakte afspraken niet zijn meegenomen in het ontwerp-omgevingsplan. Uit het overleg van 3 oktober 2024 zijn een aantal concrete vervolgstappen in beeld gebracht om te bezien of een en ander toch nog meegenomen kan worden in het omgevingsplan. 3.10.2

Appellant verzoekt dat de aanwezige bebouwing op beide

Voor Heesterdijk 13 is een separaat bestemmingsplan in procedure

percelen wordt aangemerkt als vergund dan wel beschouwd als

gebracht (postzegelplan). Deze is inmiddels onherroepelijk en verwerkt in

vallende onder het overgangsrecht.

het definitieve omgevingsplan. Voor Heesterdijk 11 is uit een inventarisatie gebleken dat er een overschot aan bouwwerken aanwezig is. Een deel van de bebouwing op Heesterdijk 11 is zonder vergunning en in strijd met het bestemmingsplan opgericht. Deze zijn dus in beginsel ook niet aan te merken als vergund of overgangsrechtelijk beschermd. Met appellant is in de voorbereiding op dit omgevingsplan gesproken over een oplossingsrichting om alle bouwwerken als legaal aan te kunnen merken. Om dit te kunnen bereiken is een beplantingsplan welke wordt opgesteld door of namens appellant noodzakelijk. Inmiddels is een goedgekeurd beplantingsplan ingediend,

25/123

waarmee de bouwwerken gelegaliseerd kunnen worden. 3.10.3

Appellant verzoekt dat een gedeelte van het woonfunctievlak op

Om het aantal toegestane vierkante meters aan bijgebouwen op de locatie

Heesterdijk 11 wordt verkleind en een agrarische bestemming

Heesterdijk 11 te verruimen is besproken hoe dit kan worden opgenomen.

krijgt. Daarnaast zou een gedeelte van het woonfunctievlak van

Als onderdeel van deze oplossingsrichting wil appellant het

Heesterdijk 11 worden toegevoegd aan het woonfunctievlak van

woonfunctievlak verkleinen zodat de waardevermeerdering lager uitvalt en

Heesterdijk 13. Appellant geeft aan dat dit gewenst is op basis

de ontwikkeling kan worden gezien als een categorie 2-ontwikkeling in het

van de feitelijke situatie.

kader van de Landschapsinvesteringsregeling.

Appellant geeft aan dat in zijn opdracht een beplantingsplan wordt opgesteld met hierin de bestaande aanwezige beplanting.

Ook voor een ontwikkeling in categorie 2 is het noodzakelijk dat een

Dit plan wordt ter beschikking gesteld aan de gemeente, zodat

beplantingsplan wordt opgesteld door of namens appellant. Inmiddels is

dit kan worden opgenomen ¡n het plan.

een goedgekeurd beplantingsplan ingediend, waarmee de bouwwerken gelegaliseerd kunnen worden. De wijzigingen zijn verwerkt in het definitieve omgevingsplan. Het woonfunctievlak van Heesterdijk 11 is aangepast en verkleind. Aan het overige deel is de functie Agrarisch grondgebruik toegekend. De omgevingsnorm maximum oppervlakte bijgebouwen 350 m2 is toegekend.

3.10.4

Appellant verzoekt dat het eerder opgestelde postzegelplan voor

Het bestemmingsplan voor Heesterdijk 13 heeft op 22 november 2022 als

Heesterdijk 13 wordt meegenomen met de wijziging van het

ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen. Gegeven het feit dat het

omgevingsplan. Appellant stelt dat dit plan eind 2022 ter inzage

landschappelijke inpassingsplan voor deze locatie nog verder moest

heeft gelegen maar dat dit plan niet is vastgesteld door de

worden uitgewerkt en dit op zich heeft laten wachten kon het plan nog niet

gemeenteraad. Dit terwijl appellant aangeeft dat dit op grond

worden vastgesteld. Vervolgens is door het college van burgemeester en

van artikel 38 WRO, juncto afdeling 3.4 van de Awb wel binnen

wethouders bepaald dat er gewerkt ging worden met een prioritering in

12 weken na het einde van de terinzagelegging had gemoeten.

het behandeling van de plannen, gegeven de ambtelijke bezetting en de werkvoorraad. Dit heeft er toe geleidt dat de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Heesterdijk 13’ is vertraagd. Het bestemmingsplan is op 12 december 2024 vastgesteld. Deze is inmiddels onherroepelijk. Het bestemmingsplan is verwerkt in het definitieve omgevingsplan. Appellant verwijst naar artikel 38 van de Wro en afdeling 3.4 van de Awb.

26/123

Vermoedt wordt dat appellant artikel 3.8 van de Wro bedoeld. De relevantie van afdeling 3.4 van de Awb begrijpen wij niet. De reden waarom het plan niet binnen 12 weken is vastgesteld is reeds toegelicht.

3.11

Appellant 11 – Zienswijze inzake locatie Varendonkweg 20 Zienswijze

Gemeentelijke beantwoording

Zienswijze inzake Varendonkweg 20, 5711PA Someren, d.d. 3 oktober 2024, datum ingekomen 8 oktober 2024 3.11.1

In het huidige geldende omgevingsplan van rechtswege (het

In het omgevingsplan van rechtswege heeft het perceel de aanduiding

voormalige bestemmingsplan Buitengebied 2014) is het

‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’.

uitvoeren van een intensieve veehouderij mogelijk. In het

In het ontwerp-omgevingsplan heeft het perceel de functie ‘Veehouderij’.

ontwerp-omgevingsplan is voor deze locatie niet het

De locatie ‘dierenverblijf’ is nog niet toegewezen aan dit perceel in het

werkingsgebied dierenverblijven opgenomen. Alleen binnen dit

ontwerp-omgevingsplan. Dit is hersteld.

werkingsgebied mogen dierenverblijven worden gebouwd, gewijzigd of uitgebreid. Dit betekent een forse beperking voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van appellant. 3.11.2

Wijzigingen aan de dierenverblijven waarbij geen sprake is van

Uitgangspunt van het omgevingsplan is het beleidsneutraal overzetten van

een toename van de oppervlakte daarvan, hoeven vanuit het

de regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan waarbij het meest

provinciaal beleid niet aan de regels voor zorgvuldige

actuele vastgestelde beleid in de regels is verwerkt. Met de regeling voor

veehouderijen te voldoen. Vanuit het ontwerp-omgevingsplan

het bouwen van dierenverblijven is geen wijziging ten opzichte van de

moet dit op basis van artikel 6.109 wel. Dit betekent een

huidige regeling beoogd. Op basis van het omgevingsplan is het bouwen

verdere beperking van de mogelijkheden voor appellant.

van nieuwe dierenverblijven niet toegestaan. Er is een vergunningsplicht opgenomen voor het uitbreiden van de bestaande oppervlakte aan dierenverblijven. In de bijbehorende beoordelingsregels is opgenomen dat onder andere voldaan moet zijn aan de regels van een zorgvuldige veehouderij. Dit is conform het huidig gemeentelijk beleid en conform de provinciale Omgevingsverordening.

27/123

3.11.3

In de artikelen 6.109 onder e, 6.237 en 6.243 is bepaald dat er

Naar aanleiding van de ingekomen reacties, de actualiteit van het

bij ontwikkelingen ten aanzien van agrarische bedrijven,

onderwerp en de jurisprudentie hierover is met betrekking tot de

veehouderijen en dierenverblijven geen sprake mag zijn van

genoemde bepalingen een heroverweging gemaakt. Uitgangspunt van dit

een toename van stikstofdepositie vanuit het desbetreffende

omgevingsplan is een beleidsarme overzetting van functies en regels. De

agrarisch bedrijf op de betreffende gronden, ten opzichte van de

functies en activiteiten die in dit omgevingsplan worden toegestaan,

referentiesituatie op het (de) maatgevende gevoelige Natura

vloeien voort uit de voorgaande regeling. Er worden in het omgevingsplan

2000-gebied(en). Het is gezien de definitie onvoldoende

daarmee geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

duidelijk wat wordt verstaan onder de referentiesituatie.

De bescherming van de Natura 2000-gebieden is gewaarborgd door middel

En deze regels betreffen een verdere beperking ten aanzien van

van rijksregels in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving

het huidige beleid zoals is opgenomen in het huidig geldend

(Bal). Deze regels zijn opgenomen met het oog op de natuurbescherming

omgevingsplan van rechtswege.

en zien op activiteiten die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben. In het Bal is een vergunningsplicht opgenomen voor deze Natura 2000-activiteiten. Voor het beoordelen van een natura 2000-activiteit is de provincie bevoegd gezag dan wel is er advies en instemming nodig van de provincie. Deze regeling geldt onverkort. Er is daarnaast een verschil in systematiek tussen de voormalige wettelijke regeling en de Omgevingswet. Het principe van de ‘onlosmakelijke samenhang’ geldt onder de Omgevingswet niet meer. Dat betekent dat een initiatiefnemer zelf bepaald in welke volgorde activiteiten aangevraagd worden. Indien bijvoorbeeld een bouwactiviteit tevens leidt tot een natura 2000-activiteit, kan initiatiefnemer ervoor kiezen eerst de bouwactiviteit aan te vragen en pas in een later stadium de natura 2000-activiteit. Voor de bouwactiviteit is het college van burgemeester en wethouders bevoegd. Voor de Natura 2000-activiteit is de provincie bevoegd. De daadwerkelijke toetsing of een activiteit leidt tot een significant nadelig gevolg voor een natura 2000-gebied ligt daarmee bij de provincie. De regeling in het omgevingsplan zou tot een dubbele vergunningsplicht leiden. Dit is niet in

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15608616/2