Bijlage 4 Archeologische bureauonderzoek De Hoof Ong.
Tekst van het document
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (booronderzoek), verkennende fase De Hoof (ten NO van nr. 4) te Someren Gemeente Someren
KSP Archeologie
Colofon
Versie
1.0
Status
(geanonimiseerd) nn (geanonimiseerd) A (geanonimiseerd) nn
KSP
Rapport
Auteur
__
(geanonimiseerd) senior KNA Prospector)
(geanonimiseerd) _T_
ISSN Foto's
„22155
en
Beheer
afbeeldingen
en
plaats
KSP
Archeologie
:_KSP
Archeologie
_:
te Duiven
documentatie
Autorisatie
_
Datum
124
autorisatie
(geanonimiseerd) senior oktober
KNA
Prospector)
2022
(geanonimiseerd)
ws KSP Archeologie www.ksparcheologie.nl | info @ksparcheologie.nl
Disclaimer Niets uit deze
uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op wijze dan ook, zonder bronvermelding. KSP Archeologie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven welke andere
adviezen. KSP
Archeologie beschikt over het Procescertificaat Archeologie dat is verleend op basis van de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 protocol 4002 ‘bureauonderzoek’ en protocol 4003 ‘inventariserend veldonderzoek onderdeel overig. Wanneer de certificatie-eisen strijdig zijn met de eisen van de bevoegde overheid, dan gaat KSP Archeologie uit van de eisen van de voor
KSP
—
Archeologie
2
Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1. 1 Onderzoekskader Afbakening plan- en onderzoeksgebied 1. 2 Overheidsbeleid 1. 3 1. 4 Toekomstige situatie 1. 5 Onderzoeksdoel en vraagstellingen 2 Bureauonderzoek Huidige situatie 2. 1 Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens 2. 2 2. 3 Historische situatie en mogelijke verstoringen 2. 4 Beschrijving van archeologische gegevens 2. 5 Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden Gespecificeerde archeologische verwachting 2. 6 Conclusie en advies 2. 7 3 Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase 3. 1 Werkwijze 3. 2 Veldsituatie Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens 3. 3 3. 4 Archeologische indicatoren 3. 5 Toetsing van de archeologische verwachting 4 Conclusie en advies Conclusie 4. 1 Beantwoording van de onderzoeksvragen 4. 2 Selectieadvies 4. 3 Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
5 6 6 6 6 7 7 9 9 9 12 16 19 19 20 21 21 21 22 22 22 24 24 24 25 26
Geomorfologische kaart Bodemkaart Archeologische gegevens Boorpuntenkaart Boorbeschrijving Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Lijst van afbeeldingen Figuur 1: Het plangebied (rode kader) op de topografische kaart schaal 1:10. 000 (bron: Kadaster). Figuur 2: Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’- Verbeelding (bron: Crijns Rentmeesters). Figuur 3: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www. ahn. nl). Figuur 4: Het plangebied op de aardkundig waardevolle gebiedenkaart (https://noordbrabant. maps. arcgis. com/apps/webappviewer/). Figuur 5: Het plangebied op de meierijkaart van Hendrik Verhees uit 1794 (bron: https://www. archieven. nl/) Figuur 6: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19 e eeuw (bron: beeldbank. cultureelerfgoed. nl). Figuur 7: Het plangebied op de kaart uit 1901, Bonneblad (bron: www. topotijdreis. nl). Figuur 8: Het plangebied op de topografische kaart uit 1963 (bron: www. topotijdreis. nl). Figuur 9: Het plangebied op de topografische kaart uit 1973 (bron: www. topotijdreis. nl). Figuur 10: Het plangebied op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart van de gemeente Someren (Berkvens 2015). Figuur 11: Foto van het plangebied met in de linker bovenhoek het hoger liggende perceel van Hollestraat 22, gefotografeerd richting het noorden (bron: KSP Archeologie).
4 7 11 11 14 14 15 15 16 19 21
Lijst van tabellen Tabel 1: Overzicht van de onderzoeksmeldingen (OM) en vondstmeldingen (VM) binnen een straal van 300 m rondom het plangebied (bron: archis. cultureelerfgoed. nl). Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.
17 20
KSP Archeologie
3
Administratieve gegevens KSP
(geanonimiseerd) 0m
Projectnummer
Opdrachtgever
:
Uitvoerder/projectleider
:
Bevoegde overheid
Gemeente
Deskundige
1:
namens
bevoegde Onderzoeksmelding
(geanonimiseerd) Archeologie, (geanonimiseerd) B senior KNA Prospector)
KSP
Someren
Omgevingsdienst Zuidoost
Brabant
(ODZOB)
overheid
(geanonimiseerd)
Provincie
Noord-Brabant
Gemeente
Someren
Toponiem
…__De
Centrum-coördinaat
…_x:
Kadastrale gegevens Periode uitvoering
Hoof Someren 176.426
Sectie
/ y: 377.097
S, nummer:
Oktober
1942
(deels)
2022
onderzoek
176000
176500
T
2
«
+/
176000
Figuur
KSP
1: Het
plangebied (rode kader) op
Archeologie
@
177000
de
topografische
kaart
schaal
1:10.000
(bron: Kadaster).
KsP
JS
Archeologie a Md
Samenvatting Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan De Hoof (ten NO van nr. 4) in Someren (gemeente Someren). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de nieuwbouwplannen van twee woningen. KSP
Het
doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting nader gespecificeerd/bijgesteld. Aangezien de dekzandrug ter plekke van het plangebied is ontgrond tot minimaal 1,0 m -mv en op grond van het historisch kaartmateriaal er geen bebouwingsresten te verwachten zijn in het zuidoostelijke deel van het plangebied, is de archeologische verwachting voor alle perioden binnen het gehele plangebied bijgesteld naar geen verwachting. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het veldonderzoek is gebleken dat de oorspronkelijke enkeerdgrond is verstoord en na de zandwinning is teruggestort om de grond weer geschikt te maken voor landbouw, waarbij ook nog eventueel aanwezige resten van een podzolbodem zijn verdwenen. Het potentiële archeologische sporenniveau, gerekend vanaf de top van de C-horizont, is minstens tot een diepte van 70 cm en waarschijnlijk zelfs tot een diepte van ruim 100 cm afgegraven. Op basis hiervan blijft, zoals aangegeven in het bureauonderzoek, dat voor alle archeologische perioden geen verwachting meer geldt gehandhaafd.
Aangezien van het potentiële archeologische sporenniveau minstens 70 tot mogelijk ruim 100 cm is verdwenen door afgraving (gerekend vanaf de top van de C-horizont) en daarmee geen archeologische verwachting meer geldt, adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek.
KSP Archeologie
5
1
Inleiding
1.1
Onderzoekskader
In
opdracht
(geanonimiseerd) heeft KSP Archeologie B
van
inventariserend
veldonderzoek,
Het onderzoek
is
een
archeologisch
bureauonderzoek
Voor de in dit 6.
voor
beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.1) met bijbehorende (bureauonderzoek bij landbodems) en 4003 (inventariserend veldonderzoek,
protocollen (KNA 4.1) 4002 overig) (www.sikb.nl).
conform
fase
en
de (IVO-(O)verig), booronderzoek) uitgevoerd locatie aan De Hoof (ten NO van nr. 4) in Someren (gemeente Someren). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de nieuwbouwplannen van twee woningen.
uitgevoerd
verkennende
de
rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar en worden beschreven conform formaties, Geologische laagpakketten lagen
Bijlage https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator. Afbakening plan-
1.2
en
onderzoeksgebied
plangebied is gelijk aan het onderzoeksgebied waarvoor het archeologisch onderzoek is uitgevoerd. plangebied is ca. 2.900 m? groot en ligt aan De Hoof in Someren (Figuur 1). Het terrein wordt in het noordoosten begrensd door de Hollestraat, in het zuidoosten door de straat De Hoof, in het zuidwesten door het erf van De Hoof met huisnummer 4, en in het noordwesten door landbouwgrond. Het
Het
1.3 In
Overheidsbeleid 1992
Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang Europees archeologische erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het
heeft
Nederland
het
het
met
wettelijk kader voor
hebben
de
de
verschillende
archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid
vastgelegd. Gemeenten
houden
altijd rekening ruimtelijke ordening). met
bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een vergunning in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Wet
Volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013’ van de gemeente Someren (vastgesteld 26-06-2013) geldt voor het zuidoostelijke deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’ en is op de gemeentelijke archeologische beleidskaart weergegeven als een gebied van archeologische waarde (Figuur 10, categorie 3). Dit betekent dat bij bodemingrepen groter dan 250 m? en dieper dan 0,4 m archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Voor het noordwestelijke deel geldt geen deze de dubbelbestemming archeologie. Aangezien ondergrenzen bij de realisatie van worden overschreden is onderzoek (zie 1.4), nieuwbouwplannen paragraaf archeologisch noodzakelijk. —
In het kader
nodig
KSP
van
de
bestemmingsplanwijziging is voor het plangebied een archeologisch vooronderzoek een bureauonderzoek gecombineerd met een verkennend booronderzoek.
dat bestaat uit
Archeologie
6
1. 4
Toekomstige situatie
Binnen het plangebied zullen twee nieuwe woningen worden gebouwd en vindt landschappelijke inpassing plaats in de vorm van groenvoorziening (Figuur 2). De exacte aard en omvang van de toekomstige bodemverstoring is nog niet bekend, maar zal zeker meer bedragen dan de archeologische ondergrens van 250 m 2 en dieper reiken dan 0,4 m beneden maaiveld.
Figuur 2: Bestemmingsplan ‘De Hoof ong. ’- Verbeelding (bron: Crijns Rentmeesters).
Voor
bekend zijn binnen het plangebied geen graafwerkzaamheden voor een bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne of om niet gesprongen conventionele explosieven op te sporen. Het waterpeil c. q. bodempeil binnen het plangebied zal niet veranderen door de geplande bodemingrepen en zal daarmee geen gevolgen hebben voor de conserveringstoestand van eventuele aanwezige archeologisch resten. 1. 5
zover
Onderzoeksdoel en vraagstellingen
Bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied. resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan wordt vastgesteld of vervolgonderzoek nodig is en zo ja, welke strategie hierbij het beste gevolgd kan worden. Het
Inventariserend Veldonderzoek Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om
KSP Archeologie
7
gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied. Het resultaat
het IVO is een standaardrapport IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies (buiten normen van tijd en geld). Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen. Indien er onvoldoende gegevens voor waardering en selectieadvies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Er kan dan worden geadviseerd tot vervolgonderzoek of om af te zien van verder onderzoek. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d. w. z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. van
inventariserend veldonderzoek kent drie fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Voor het archeologisch onderzoek is het niet altijd nodig om al deze fasen te doorlopen dat hangt af van de situatie. Dit onderzoek betreft een verkennend onderzoek. De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap (bodemopbouw) die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor mogelijk vervolgonderzoek. Het
Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van
bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de ontwikkeling van het gebied?
KSP Archeologie
het
voorgenomen
8
2
Bureauonderzoek
2. 1
Huidige situatie
Om de huidige situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende
bronnen geraadpleegd: Huidige topografische kaart (Figuur 1); Luchtfoto uit 2019 (PDOK); Gemiddelde grondwaterstand verdeeld in grondwatertrappen (Wageningen Environmental Research (2022); Grondwatertrappen gekoppeld aan de Bodemkaart schaal 1:50. 000 versie 2006 (geoplaza. vu. nl); Rijksmonumenten (archis. cultureelerfgoed. nl): geen monumenten/bebouwing aanwezig; geen Gemeentelijke monumenten (https://www. monumenten. nl/plaatsen/someren): gemeentelijke monument/bebouwing aanwezig; Informatie van de opdrachtgever over het plangebied; Informatie over ondergrondse tanks (https://noord-brabant. omgevingsrapportage. nl/); Informatie over kabels en leidingen (KLIC-melding); Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer. kadaster. nl): niet van toepassing, geen bebouwing aanwezig. Het plangebied is momenteel in gebruik als landbouwgrond
en is onbebouwd. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend geen kelders of andere ondergrondse werken aanwezig (bijvoorbeeld funderingen of drainage). Er zijn geen ondergrondse tanks aanwezig (https://noordgeen en brabant. omgevingsrapportage. nl/). Er liggen kabels leidingen (KLIC-melding).
Het plangebied wordt naar verwachting gekenmerkt door een diepe grondwaterstand (grondwatertrap VIIId) (Wageningen Environmental Research 2022). Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand dieper dan 140 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 180 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen. In het verleden was het grondwaterpeil ondieper (grondwatertrap VI). Dit blijkt uit de gemiddelde grondwaterstanden zoals die tot 2006 waren gekoppeld aan de kaarteenheden op de bodemkaart (Bijlage 2). Voor grondwatertrap VI bevond toen de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 40-80 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 120 cm beneden
maaiveld. 2. 2
Beschrijving van aardwetenschappelijke
gegevens
Om het landschap ter plaatse en rondom het plangebied in kaart te brengen, zijn de volgende bronnen
geraadpleegd: Geologische overzichtskaart van Nederland (TNO Geologische Dienst 2021); Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50. 000 versie 2019 (BRO 2020, Maas e. a. 2017); Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50. 000 versie 2018 (BRO 2019); Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www. ahn. nl, AHN4 grid 0,5 x 0,5 m); Aardkundig waardevolle gebiedenkaart (https://noordmaps. brabant. arcgis. com/apps/webappviewer/). Het plangebied ligt in het zuidelijk zandgebied van Nederland. Het is een relatief vlak gebied, dat nooit door het landijs bedekt is geweest (Berendsen 2005). De ondergrond wordt doorsneden door een aantal zuidoost-noordwest georiënteerde breuken, die de Roerdalslenk en het Peel Blok begrenzen. Het plangebied ligt in het dalingsgebied de Roerdalslenk. Het zandpakket waarmee de slenk is opgevuld, is vaak meer dan 15 m dik. De oudere afzettingen zijn als gevolg van tektonische bodemdaling tot grote diepte weggezakt (Berendsen 2005).
KSP Archeologie
9
Het huidige landschap is met name tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (ca. 115. 000 – 11. 755 jaar geleden), ontstaan. Volgens de geologische overzichtskaart van Nederland liggen in het plangebied dan
ook afzettingen aan het oppervlak die in deze periode zijn gevormd, namelijk fluvioperiglaciale afzettingen bedekt met dekzand. In het Weichselien heeft het landijs zich sterk uitgebreid, maar heeft Nederland niet bereikt. Het klimaat is steeds kouder en droger geworden bij een dalende zeespiegel (Stouthamer et al. 2015). Tijdens het Pleniglaciaal (ca. 75. 000 – 15. 700 jaar geleden) is de bodem permanent bevroren geweest. Hierdoor is het sneeuwsmelt- en regenwater gedwongen over het oppervlak af te stromen waarbij zogenaamde
fluvioperiglaciale afzettingen zijn afgezet en dalen uitgesleten. Volgens de geologische overzichtskaart van Nederland komen binnen het plangebied dan ook periglaciale afzettingen voor die zijn afgedekt door dekzand (TNO Geologische Dienst 2021). De fluvioperiglaciale afzettingen liggen in de diepere ondergrond van het plangebied en bestaan uit fijn en grof zand, soms met grind, leemlagen en plantenresten, en worden tot de Formatie van Boxtel gerekend. Volgens de geomorfologische kaart ligt ten noordoosten van het plangebied (op ca. 2,6 km) een groot dal, namelijk het beekdal van de Groote Aa (niet afgebeeld) en ligt op ruim 260 m ten zuidwesten het beekdal van de Kleine Aa (Bijlage 1, code R23). In de koudste en droogste perioden van het Weichselien, met name in het Laat-Pleniglaciaal (ca. 26. 000 – 15. 700 jaar geleden) en Laat-Glaciaal (ca. 15. 700 – 11. 755 jaar geleden), is de vegetatie vrijwel verdwenen, waardoor op grote schaal verstuiving is opgetreden (Stouthamer et al. 2015). Hierbij is dekzand over de fluvioperiglaciale afzettingen afgezet. Dit (soms lemige) zand is kalkloos, fijnkorrelig (150 – 210 μm), goed afgerond, goed gesorteerd en arm aan grind en wordt tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend (Stouthamer e. a. 2015).
Het reliëf van de dekzanden wordt gekenmerkt door vlaktes, depressies en dekzandkopjes, afgewisseld met langgerekte ruggen.
Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een dekzandrug (Bijlage 1, code B53), wat overeenkomt met de landschappen- en archeologische vindplaatsenkaart van de gemeente Someren (Kortlang 2011). Zowel ten noorden als ten zuidwesten van het plangebied is een dekzandvlakte (code M51) waarbinnen een dalvormige laagte (code R23) aanwezig is. Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is het plangebied relatief laag gelegen (lichtgroene kleuren) en licht ruim 1,0 m lager dan de hoger gelegen delen van de dekzandrug (geeloranje tot oranje kleuren) ten noordwesten en ten zuidoosten van het plangebied. De lager gelegen dalen zijn goed te herkennen aan de blauwgroene en blauwen kleuren. Op de aardkundig waardevolle gebiedenkaart (Figuur 4) staat aangegeven dat het plangebied onderdeel uitmaakt van een ontgrondingslocatie. Hier is in het verleden zand gewonnen. Dit verklaard de lage ligging van het plangebied. Binnen de dekzandrug zijn nog meer lage delen aanwezig, die waarschijnlijk ook samenhangen met zandwinning. In het Holoceen (de laatste
ca. 11. 750 jaar) is het klimaat warmer en vochtiger geworden. Door de toenemende vegetatie is het dekzand vastgelegd en is het landschap door geologische processen weinig veranderd. De beken hebben zich ingesneden, waarbij beekdalen zijn ontstaan. Een goed voorbeeld hiervan is het dal van de Kleine Aa op ca. 260 m ten zuidoosten van het plangebied.
KSP Archeologie
10
Figuur 3: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand
van Nederland
(bron: www. ahn. nl).
Figuur 4: Het plangebied op de aardkundig waardevolle gebiedenkaart (https://noordbrabant. maps. arcgis. com/apps/webappviewer/).
KSP Archeologie
11
Op basis van de bodemkaart worden in het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden verwacht (Bijlage 2, code zEZ23). De hoge zwarte enkeerdgronden bestaan uit een donkere, humeuze bovengrond van meer dan 50 cm dik met daaronder de oorspronkelijke bodem. De humeuze bovengrond betreft op de hogere zandgronden vaak een plaggendek, ook wel esdek genoemd. Plaggendekken zijn ontstaan, doordat in ZuidNederland vanaf ca. de 14 e en 15 e eeuw op grote schaal het systeem van potstalbemesting is toegepast (Spek 2004). Plaggen worden met mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid om de bodem vruchtbaarder te maken. In de loop van de tijd is een plaggendek op de oorspronkelijke bodem ontstaan. Op de hogere zandgronden vindt
van nature het bodemvormende proces podzolering plaats. Bij podzolering worden kleine deeltjes, zoals ijzer, aluminium en humus uitgespoeld door infiltrerend regenwater. Dit proces wordt ook wel uitloging genoemd (De Bakker& Schelling 1989). Deze deeltjes worden door het water naar beneden getransporteerd en spoelen daar in, zodat podzolgronden ontstaan. De veldpodzolgronden bestaan uit een donkere, humeuze bovengrond met daaronder de grijze E-horizont (uitspoelingshorizont). Onder de E-horizont ligt de (oranje)bruine B-horizont, waarin humus en ijzer is ingespoeld. De B-horizont gaat geleidelijk over in de (grijs)gele C-horizont. Door de landbewerking die binnen het plangebied heeft plaatsgevonden, zal de podzolgrond deels of geheel zijn opgenomen in de humeuze bovengrond.
2. 3
Historische situatie en mogelijke verstoringen
Om de historische situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende
bronnen geraadpleegd: Oude kadasterkaarten: kadastrale minuut en oorspronkelijk aanwijzende tafels 1811 – 1832 voor toenmalige eigenaar/gebruiker (beeldbank. cultureelerfgoed. nl); Historische kaarten uit de afgelopen 200 jaar (www. topotijdreis. nl); Historisch-landschappelijk informatiesysteem, Histland (Dirkx & Nieuwenhuizen 2013), geraadpleegd via archis. cultureelerfgoed. nl; Cultuurhistorische regiobeschrijving Noord-Brabant (CultGIS/Haartsen 2009); Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant; Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten van onderzoek binnen het onderzoeksgebied: is niet van toepassing; Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www. ikme. nl): geen verwachting op specifieke resten uit WOII; V. 1 & V. 2 inslagen in Nederland (vergeltungswaffen. nl): geen inslagen bekend die voor een bodemverstoring gezorgd kunnen hebben; Uitgevoerd onderzoek niet gesprongen explosieven (https://www. explosievenopsporing. nl/veobommenkaart/): Er is geen vooronderzoek bekend; Topografische kaart van Nederland (Figuur 1); Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer kadaster. nl): geen bebouwing aanwezig: Bouw-/constructietekeningen van te slopen of te wijzingen historische bouwwerk: is niet van toepassing; Gegevens van milieukundig bodemonderzoek (https://noordbrabant. omgevingsrapportage.
nl/): geen melding binnen het plangebied; Luchtfoto uit 2019 (PDOK); Geomorfologische kaart van Nederland: hierop zijn geen bodemverstoringen t. p. v. het plangebied aangegeven; Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50. 000: hierop zijn geen bodemverstoringen t. p. v. het plangebied aangegeven;
KSP Archeologie
12
gronden project Alterra (Brouwer & Van der Werff 2012): hierop zijn geen bodemverstoringen t. p. v. het plangebied aangegeven; Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www. ahn. nl): hierop zijn afgravingen zichtbaar (zie paragraaf 2. 2); In het kader van dit onderzoek zijn geen archieven geraadpleegd omdat een gerichte vraagstelling ontbreekt. Vergraven
Hieronder volgt een beschrijving van het historische gebruik (bebouwing, grondgebruik, historische wegen etc. ) van het plangebied en de directe omgeving. Daarnaast is gekeken of er sprake is van (mogelijke) bodemverstoringen en/of bodemvervuilingen (aard, omvang, diepteligging en locatie) binnen het plangebied. Het plangebied ligt binnen de regio de Peel. De Peel omvat de voormalige woeste gronden (veenmoerassen), die als een groot, aaneengesloten complex het hart van het gebied vormen, en de omliggende dorpen en buurtschappen die gebruik maakten van deze gronden. Lange tijd vormde dit ondoordringbare veengebied een barrière tussen de Kempen en de Meierij van Den Bosch aan de westkant en de dorpen van de Maasvallei in het oosten. Rondom de Peel ligt een ring van dorpen die al in de Middeleeuwen zijn ontstaan, waaronder Someren. Het waren agrarische dorpen, met grote akkercomplexen en vrij weinig weilanden. De boeren gebruikten de randen van de Peel om hun vee te weiden, om strooisel te winnen voor de potstallen en om, op bescheiden schaal, turf te steken (Haartsen 2009). Het plangebied ligt ten zuidwesten van de historische kern van Someren en maakt onderdeel uit van een landbouwcomplex behorend bij het gehucht De Kleine Hoeven (Figuur 8).
Volgens Histland behoort het plangebied tot het landschapstype van de essen (kampontginningen met plaatselijke essen), waarvan de mate van verandering in de loop van de tijd niet is vastgesteld. Volgens de landschapskaart met historische vindplaatsen (Kortlang 2011) zijn er geen vindplaatsen binnen het plangebied of de
directe omgeving aanwezig. Voor de historische ontwikkeling is historisch kaartmateriaal geraadpleegd. Op de kaart van Verhees uit 1794 (Figuur 5 is het plangebied onbebouwd en in gebruik als akkerland. Dit is een figuratieve kaart die daardoor moelijk te georeferen is en grote afwijkingen kan vertonen. Ook de op deze kaart weergegeven bebouwing is niet betrouwbaar. Op het minuutplan uit het begin van de 19 e eeuw (Figuur 6) is het plangebied onbebouwd en in gebruik als akkerland. Ten zuidoosten van het plangebied is bebouwing aanwezig (huidige locatie De Hoof huisnummer 4). Op de kaart uit ca. 1901 (Figuur 7) is het landschapsgebruik goed te herkennen. De akkers zijn met een witte kleur weergegeven en de weilanden met een lichtgroenen kleur. Het plangebied is in gebruik als akkerland. Op de kaart uit 1963 (Figuur 8) is te zien dat het deel zuidoostelijke deel van het plangebied in gebruik is als weiland en het
noordwestelijke deel nog in gebruik is als akkerland. Waarschijnlijk is het zuidoostelijke deel al ontgrond (Figuur 4) ten behoeve van zandwinning. Op de kaart uit 1973 (Figuur 9) is het gehele plangebied in gebruik als weiland en is het gehele plangebied ontgrond. Het plangebied is tot op heden (Figuur 1) onbebouwd en in gebruik als landbouwgrond
KSP Archeologie
13
Figuur 5: Het plangebied op de meierijkaart van Hendrik Verhees uit 1794 (bron: https://www. archieven. nl/)
Figuur 6: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19 e eeuw (bron: beeldbank. cultureelerfgoed. nl).
KSP Archeologie
14
Figuur 7: Het plangebied op de kaart uit 1901, Bonneblad (bron: www. topotijdreis. nl).
Figuur 8: Het plangebied op de topografische kaart uit 1963 (bron: www. topotijdreis. nl).
KSP Archeologie
15
Figuur 9: Het plangebied op de topografische kaart uit 1973 (bron: www. topotijdreis. nl).
Binnen het plangebied zijn geen bodemverontreinigingen, saneringen of ondergrondse olietanks, benzinepompinstallaties en dergelijke bekend waardoor archeologische resten mogelijk verloren zijn gegaan (https://noord-brabant. omgevingsrapportage. nl/). De bodem
kan zijn aangetast door het eeuwenlange gebruik als akkerland. Gemiddeld reikt de bodembewerking ten behoeve van de landbouw tot 30 – 50 cm beneden maaiveld. Daarnaast is het plangebied ontgrond, waarbij tot een diepte van ca. 1,0 m -mv (na verwijderen esdek) geel zand is gewonnen.
2. 4 Om
Beschrijving van archeologische gegevens een
beeld te krijgen van de archeologische gegevens, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Archeologische Monumenten Kaart (AMK) (via archis. cultureelerfgoed. nl); Beschermde archeologische Rijksmonumenten (via archis. cultureelerfgoed. nl); Archeologische onderzoeken en vondstlocaties uit het Archeologische Informatiesysteem (Archis) (archis. cultureelerfgoed. nl); Digitaal Archief (DANS) Rapporten en onderzoeksgegevens van archeologisch onderzoek (https://easy. dans. knaw. nl/); Historische kaarten (zie paragraaf 2. 3); Gemeentelijke archeologische verwachtingen- en waardenkaart (Berkvens 2015).
Binnen het plangebied zijn geen archeologische monumenten (AMK-terreinen), onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen aanwezig. Voor het plangebied zijn de AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondstlocaties bekeken die binnen dezelfde landschappelijke eenheid liggen (straal van ca. 300 m) als het plangebied. Hierbinnen zijn alleen onderzoeksmeldingen en vondstlocaties gemeld (Tabel 1, Bijlage
KSP Archeologie
16
3). De meldingen liggen allemaal rondSomeren in de gemeente Someren, tenzij anders vermeld in Tabel 1. Onderzoeks/vondstmelding OM 2160426100
Locatie en ligging
Type onderzoek
Aard vondstlocatie/resultaten
Datering
Hollestraat 28 Hollestraat 28 Landgoed heihorsten
Geen info in Archis en DANS. Voegt niets toe aan huidig onderzoek Zie tekst Geen info in Archis en DANS
n. v. t.
OM 2191603100 OM 2265021100 OM 2423328100 OM 2431688100
De Hoof 7 Hollestraat
Zie tekst Zie tekst
NTL
OM 2462281100
Hollestraat Holleweg
Geen rapportage i. v. m. faillissement Zie tekst
Onbekend
OM 4922787100 VM 2774901100
Someren
Bureauonderzoek 2007 door ArchAeO Proefsleuven 2008 Proefsleuven 2009 door Grontmij Begeleiding 2013 Bureau- en booronderzoek 2014 Proefsleuven 2014 door Archeodienst Bureau- en booronderzoek 2020 Niet-archeologisch 1987
IJZ en ME Onbekend
n. v. t.
n. v. t.
Vuurstenen spits
NEOMNEOL Kleine Hoeven, Niet-archeologisch 1990 Keramiek, bewoning VM 3101508100 IJZ Hollestraat-Loovebaan MEV-MEL Ooyvaarsrijt, Niet archeologische 1987 Zie tekst VM 3149989100 IJZ Sparrestraat 5-7 ROM MEL Tabel 1: Overzicht van de onderzoeksmeldingen (OM) en vondstmeldingen (VM) binnen een straal van 300 m rondom het plangebied (bron: archis. cultureelerfgoed. nl).
Onderzoeksmelding 2191603100 (Hollestraat 28, Mostert e. a. 2009) Het plangebied bevindt zich aan de rand van een dekzandrug. In de bodemprofielen was te zien dat de bodem zich in een lager gelegen deel van het landschap ontwikkeld. De hoge zwarte enkeerdgrond met een gelaagde, gevlekte A-horizont bevindt zich boven een geoxideerde C-horizont. Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden in totaal 70 sporen aangetroffen, bestaande uit kuilen, paalkuilen en een greppel. Er werden in totaal twee vindplaatsen aangetroffen. Vindplaats 1 bestond uit paalkuilen uit de IJzertijd die over het hele plangebied liggen verspreid. Deze vindplaats strekt zich waarschijnlijk alle richtingen uit in en rondom het plangebied. Vindplaats 2 bestond uit een greppel uit de Middeleeuwen. Ten noordoosten en oosten van het plangebied, richting de hoger gelegen dekzandruggen, worden meer (bewonings)sporen uit de Middeleeuwen verwacht. Geen vervolg. Onderzoeksmelding 2423328100 (De Hoof 7, Hos 2013) De put is tot circa 0,5 meter onder maaiveld verdiept en reikte slechts op een enkele pek tot op de Chorizont. Op dit stuk is een A-C profiel waargenomen. De bovenste 0,60 meter bestond uit een geroerd pakket dat bodemkundig geclassificeerd kan worden als een hoge zwarte enkeerdgrond. Hieronder ligt een C-horizont bestaande uit gele Zs2. Er zijn twee archeologische sporen aangetroffen.
Het betreft twee vierkante paalkuilen met een donkergrijs – zwarte gevlekte vulling, die vermoedelijk in de Nieuwe tijd C (1850 – heden) gedateerd kunnen worden. Vermoedelijk hebben de palen gediend als hekwerk. Er zijn geen vondsten aangetroffen. Onderzoeksmelding 2431688100 (Hollestraat, Koeman 2014) Er is dekzand aangetroffen. In het plangebied zijn geen restanten van de oorspronkelijke podzolbodem meer aangetroffen. In plaats daarvan is de natuurlijke ondergrond afgedekt met een humeuze bovengrond (plaggendek) met een dikte van minimaal 60 tot maximaal 120 cm dik. Vervolg in noordwestelijke deel indien ingrepen dieper reiken dan 60 cm -mv.
KSP Archeologie
17
Onderzoeksmelding 4922787100 (Holleweg, Wijnen 2021) Op 30 à 90 cm -mv in de ondergrond is in de meeste gevallen zwak siltig, matig fijn zand al dan niet met roestvlekken aangetroffen. In een paar boringen is bovenin matig siltig, zeer fijn zand (lemig zand) aangetroffen. Bij deze afzettingen gaat het om dekzanden. De humeuze bovengrond (A-horizont) bestaat voornamelijk uit zwak humeus, lemig zand. Algemeen voldoet de dikte van de A-horizont van de bodem net wel/net niet om geclassificeerd te worden als het bodemtype enkeerdgronden. In de bovenste 30 à 40 cm bestaat de moderne bouwvoor voornamelijk uit donkerbruin of donker grijsbruin, zwak humeus, matig siltig zand. Vervolgens is in de meeste boringen (boring 1, 3, 4, 7, 9, 10 en profielputjes 11 en 12) bruin, zwak humeus, matig siltig zand van een oude akkerlaag aanwezig, die bij benadering op een oude cultuurlaag lijkt. Advies proefsleuven. Vondstmelding 3149989100 (Ooyvaarsrijt en Sparrestraat 5-7, Verwers 1990) In het plan Ooyvaarsrijt heeft (geanonimiseerd) (Someren) zeer veel IJzertijd aardewerk verzameld, B evenals enkele Laat-Middeleeuwse scherven. Een bijzondere vermelding verdient de vondst van een klein bronzen kopje van een ever dat mogelijk uit de Romeinse Tijd dateert. Op de Einderakkers is een perceel gedeeltelijk afgeschoven en gediepploegd.
Daarbij is een gedeelte van een nederzetting uit de vondsten IJzertijd en de Romeinse periode verloren gegaan. Van die plek heeft eel (geanonimiseerd) Tevens waarnemen. uit de genoemde perioden verzameld. heeft hij enige paalgaten kunnen Uit de
onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen blijkt dat binnen verwachten zijn binnen die delen die niet zijn ontgrond/afgegraven.
de
dekzandrug
vindplaatsen
te
,
Op de gemeentelijke archeologische verwachtingen en waardenkaart ligt het zuidoostelijke deel van het plangebied binnen een gebied van hoge archeologische waarde (worden waarschijnlijk historische bebouwingsresten verwachte van het gehucht De Kleine Hoeven) en ligt het noordoostelijke deel in een gebied zonder archeologische verwachting (Figuur 10). Dat het zuidoostelijke deel van het plangebied binnen een gebied van hoge archeologische waarde ligt, is in tegenspraak met het historisch kaartmateriaal (Figuur 5 en Figuur 6) alsmede met de ontgrondingsgegevens/-aanwijzingen (Figuur 4 en Figuur 3).
KSP
Archeologie
18
Figuur 10: Het plangebied op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart van de gemeente Someren (Berkvens 2015).
2. 5
Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden
Aangezien het plangebied momenteel onbebouwd is, zijn geen (ondergrondse) bouwhistorische resten binnen het plangebied bekend (paragraaf 2. 1). Op basis van de monumentenlijsten (paragraaf 2. 1) zijn binnen het plangebied geen (ondergrondse) bouwhistorische resten aanwezig. Op grond van het historisch kaartmateriaal (paragraaf 2. 3) en de archeologische gegevens (paragraaf 2. 4) worden deze ook niet verwacht. 2. 6
Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van de gegevens uit het bureauonderzoek (paragraaf 2. 1 t/m 2. 5) is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (samengevat in Tabel 2). Deze verwachting zal in
de onderstaande tekst worden toegelicht.
KSP Archeologie
19
Periode
Verwachting
Laat-Paleolithicum – Neolithicum
Geen
Verwachte kenmerken vindplaats
Diepteligging sporen
Bewoningssporen, tijdelijke kampementen, vuursteen artefacten, haardkuilen
Nederzetting: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, fragmenten aardewerk, Neolithicum – Volle natuursteen, gebruiksvoorwerpen Middeleeuwen (tot in Geen Begravingsresten: kringgreppel, de 13 e eeuw) fragmenten aardewerk (urn), verbrande botresten Huisplaats: cultuurlaag, (paal)kuilen, Late Middeleeuwen (vanaf de 13 e eeuw)– Geen greppels, bakstenen, fragmenten Nieuwe tijd aardewerk, gebruiksvoorwerpen Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.
Onder de bouwvoor, in de top van de C-horizont, die door afgraving minimaal 1,0 m is verlaagd.
Het landschap heeft met
name voor de prehistorische mens een belangrijke rol gespeeld in de keuze bewoningslocatie. Het plangebied lag oorspronkelijk op een dekzandrug afgedekt door een enkeerdgrond, waardoor op grond van de ouderdom van de te verwachten afzettingen vindplaatsen aanwezig konden zijn vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Doordat het gehele plangebied onderdeel uitmaakt van een ontgrondingslocatie, die ook is ontgrond tot minimaal 1,0 m mv (wat blijkt het AHN), is de kans zeer klein dat er nog archeologische resten bewaard zijn gebleven. voor
een
Vandaar dat aan zowel vuursteenvindplaatsen van jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met Neolithicum, alsmede aan nederzettingsvindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Volle middeleeuwen (tot in de 13 e eeuw) en bebouwingsresten uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd geen verwachting is toegekend. 2. 7
Conclusie en advies
Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingen en waardenkaart ligt het zuidoostelijke deel van het plangebied binnen een gebied van hoge archeologische waarde en ligt het noordoostelijke deel in een gebied zonder archeologische verwachting (Figuur 10). Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting nader gespecificeerd/bijgesteld. Aangezien de dekzandrug ter plekke van het plangebied is ontgrond tot minimaal 1,0 m -mv en op grond van het historisch kaartmateriaal er geen bebouwingsresten te verwachten zijn in het zuidoostelijke deel van het plangebied, is de archeologische verwachting voor alle perioden binnen het gehele plangebied bijgesteld naar geen verwachting. Het advies is
om de verwachting te toetsen door middel van een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase. Met dit onderzoek wordt de bodemopbouw in kaart gebracht en wordt de intactheid van de bodem en het potentiële archeologische niveau vastgesteld.
KSP Archeologie
20
3
Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase
3. 1
Werkwijze
Voor het verkennend booronderzoek is uitgegaan
boordichtheid van 6 boringen per hectare. Aangezien het plangebied een oppervlakte heeft van 2. 900 m 2 zijn er 5 boringen gezet (Bijlage 4). van een
Vanwege het geringe oppervlak zijn de boringen zo gelijkmatig mogelijk over het plangebied verdeeld. De exacte boorlocaties zijn uitgezet met een handheld GPS toestel. De hoogteligging van de boringen ten opzichte van NAP is bepaald op basis van het AHN. De boringen zijn geplaatst met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot minimaal 20 cm in de C-horizont of doorgezet tot maximaal 1,1 m beneden maaiveld. Het opgeboorde sediment is met de hand verbrokkeld en versneden en met het blote oog geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen en aardewerk. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de bodemclassificatie volgens De Bakker & Schelling (1989) (Bijlage 5). 3. 2
Veldsituatie
Het plangebied is in gebruik als weiland en geheel vlak (wat ook blijkt uit de maaiveldhoogtes van de boringen in bijlage 5). Duidelijk is te zien dat het perceel van het erf en huis aan de Hollestraat 22 ten noordwesten van het plangebied ruim 70 cm hoger ligt dan het plangebied. Dit geldt ook voor het perceel dat wat verder naar het noordwesten ligt. Hieruit komt duidelijk naar voren dat de dekzandrug,
die oorspronkelijk terplekke van het plangebied lag, is afgegraven. Onderstaande foto geeft een indruk van het terrein (Figuur 11).
Figuur 11: Foto van het plangebied met in de linker bovenhoek het hoger liggende perceel van Hollestraat 22, gefotografeerd richting het noorden (bron: KSP Archeologie).
KSP Archeologie
21
3. 3
Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens
3. 3. 1 Lithologie en geologie De onverstoorde natuurlijke ondergrond bestaat uit zwak siltig zeer fijn zand dat goed is afgerond en goed gesorteerd. Dit zand is geïnterpreteerd als dekzand behorend tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel. Het dekzand is aangetroffen vanaf 45-85 cm -mv en is afgedekt door een humeus zandpakket met gele zandvlekken. Het humuze zandpakket ligt meestal met een scherpe ondergrens op het dekzand. Het gevlekte uiterlijk (geele zandvlekken) van het humeuze zandpakket is een aanwijzing dat dit dek na de zandwinning is teruggestort om de grond weer als landbouwgrond te
kunnen gebruiken. 3. 3. 2 Bodem Op grond van het bureauonderzoek werden er binnen het plangebied enkeergronden verwacht. Hoewel de humeuze bovengrond (Ap-horizont) in de meeste boringen dikker is dan 50 cm (45-85 cm dik), geven de aanwezige gele zandvlekken in de humeuze bovengrond aan dat deze niet is ontstaan door geleidelijke bemesting met plaggen in de loop van de tijd, maar dat deze moet zijn teruggestort nadat een deel van het dekzand is afgegraven. Er zijn geen resten van een podzolbodem aangetroffen, die
mogelijk nog onder de oorspronkelijke enkeerdgrond bewaard zou kunnen zijn gebleven. 3. 4
Archeologische indicatoren
Bij de controle van het opgeboorde bodemmateriaal zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Het booronderzoek had overigens een verkennend karakter. De afwezigheid van archeologische indicatoren zegt dan ook niets over de kans dat een vindplaats binnen het plangebied aanwezig is. 3. 5
Toetsing van de archeologische verwachting
Op grond
van het in het terrein vastgestelde hoogteverschillen tussen het plangebied en de niet afgegraven delen (minimaal 70 cm, maar waarschijnlijk zelfs meer dan een meter), blijkt dat het terrein in het verleden is afgegraven. Dit komt overeen met de ontgrondingsvergunning, die voor het terrein is verleend (Figuur 4). Hierdoor is de enkeerdgrond niet meer intact en zijn eventueel nog aanwezige resten van een podzolbodem verdwenen. Gezien de diepte van de ontzanding wordt de kans klein geacht dat mogelijk aanwezige archeologische sporen bewaard zijn gebleven.
Vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars bestaan voornamelijk uit strooiing van fragmenten vuursteen en ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, in de bovengrond van de oorspronkelijke podzolgrond. Aangezien het dekzand deels is afgegraven, zijn eventueel aanwezige vuursteenvindplaatsen verloren gegaan. In het bureauonderzoek is aangegeven dat er geen verwachting meer geldt voor vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met Neolithicum. Op grond van de veldresultaten blijft deze verwachting gehandhaafd. Nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd bestaan niet alleen uit fragmenten aardewerk, maar ook uit diepere sporen zoals paalgaten en afvalkuilen. Deze sporen kunnen tot in de C-horizont reiken. Aangezien van het potentiële archeologische sporenniveau minstens 70 tot mogelijk ruim 100 cm is verdwenen door afgraving (gerekend vanaf de top van de C-horizont), is de kans klein dat er nog archeologische sporen bewaard zijn gebleven (voor zover deze al aanwezig waren). In het bureauonderzoek is aangegeven dat er geen verwachting meer geldt voor nederzettingsresten uit de perioden Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13 e eeuw). Op grond van de veldresultaten blijft deze verwachting gehandhaafd.
KSP Archeologie
22
De resultaten van het veldonderzoek geven geen aanleiding om de in het bureauonderzoek opgesteld geen verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13 e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen.
KSP Archeologie
23
4
Conclusie en advies
4. 1
Conclusie
doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart is aan het zuidoostelijke deel van het plangebied een gebied van hoge archeologische waarde toegekend en ligt het noordoostelijke deel in een gebied zonder archeologische verwachting (Figuur 10). Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting nader gespecificeerd/bijgesteld. Aangezien de dekzandrug ter plekke van het plangebied is ontgrond tot minimaal 1,0 m -mv en op grond van het historisch kaartmateriaal er geen bebouwingsresten te verwachten zijn in het zuidoostelijke deel van het plangebied, is de archeologische verwachting voor alle perioden binnen het gehele plangebied bijgesteld naar geen verwachting. Het
Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het veldonderzoek is gebleken dat de oorspronkelijke enkeerdgrond is verstoord en na de zandwinning is teruggestort om de grond weer geschikt te maken voor landbouw, waarbij ook nog eventueel aanwezige resten van een podzolbodem zijn verdwenen. Het potentiële archeologische sporenniveau, gerekend vanaf de top van de C-horizont, is minstens tot een diepte van 70 cm en waarschijnlijk zelfs tot een diepte van ruim 100 cm afgegraven. Op basis hiervan blijft, zoals aangegeven in het bureauonderzoek, dat voor alle archeologische perioden geen verwachting meer geldt gehandhaafd. Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing. 4. 2
Beantwoording van de onderzoeksvragen Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? De onverstoorde natuurlijke ondergrond bestaat uit zwak siltig zeer fijn zand dat goed is afgerond en goed gesorteerd. Dit zand is geïnterpreteerd als dekzand behorend tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel. Het dekzand is aangetroffen vanaf 45-85 cm -mv en is afgedekt door een humeus zandpakket met gele zandvlekken. Op grond van de veldwaarnemingen is minimaal 70 tot mogelijk meer dan 100 cm van het dekzand afgegraven. Hoewel de humeuze bovengrond (Ap-horizont) in de meeste boringen dikker is dan 50 cm (4585 cm dik), geven de aanwezige gele zandvlekken in de humeuze bovengrond aan dat deze niet is ontstaan door geleidelijke bemesting met plaggen in de loop van de tijd, maar dat deze moet zijn teruggestort nadat een deel van het dekzand is afgegraven. Er zijn geen resten van een
podzolbodem aangetroffen, die mogelijk nog onder de oorspronkelijke enkeerdgrond bewaard zou kunnen zijn gebleven. is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? Op basis van het bureauonderzoek was vastgesteld dat voor alle archeologische perioden geen verwachting meer gold. Uit het veldonderzoek is gebleken dat de oorspronkelijke enkeerdgrond is verstoord en na de zandwinning is teruggestort om de grond weer geschikt te maken voor landbouw, waarbij ook nog eventueel aanwezige resten van een podzolbodem zijn verdwenen. Het potentiële archeologische sporenniveau, gerekend vanaf de top van de C-horizont, is minstens tot een diepte van 70 cm en waarschijnlijk zelfs tot een diepte van ruim 100 cm afgegraven. Op basis hiervan blijft, zoals aangegeven in het bureauonderzoek, dat voor alle archeologische perioden geen verwachting meer geldt gehandhaafd. Wat
KSP Archeologie
24
Is een (deels) intact potentieel niveau aanwezig en zo ja, op welke diepte en wordt deze bedreigd
door de voorgenomen bodemingrepen? Aangezien van het potentiële archeologische sporenniveau minstens 70 tot mogelijk ruim 100 cm is verdwenen door afgraving (gerekend vanaf de top van de C-horizont), is de kans klein dat er nog archeologische sporen bewaard zijn gebleven (voor zover deze al aanwezig waren). Daarom vormen de voorgenomen graafwerkzaamheden geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief.
4. 3
Selectieadvies
Aangezien van het potentiële archeologische sporenniveau minstens 70 tot mogelijk ruim 100 cm is verdwenen door afgraving (gerekend vanaf de top van de C-horizont) en daarmee geen archeologische verwachting meer geldt, adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Dit selectieadvies betekent nog niet dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Someren), die vervolgens een selectiebesluit neemt. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het
onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5. 10, bij de minister gemeld te worden. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of info @cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologische informatiesysteem. Daarnaast wordt het advies gegeven om de vondst ook bij de gemeente te melden.
KSP Archeologie
25
Literatuur Boeken, rapporten en artikelen Bakker, H. de & Schelling, J. (1989). Systeem van de bodemclassificatie voor Nederland: de hogere niveaus. (Tweede druk bewerkt door Brus, D. J. & Wallenburg C. van) Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie, Wageningen. Berendsen, H. J. A. (2005). Landschappelijk Nederland. Perspectief Uitgevers, Utrecht. Berkvens, R. (2015). Actualisering archeologiekaart gemeente Someren. Omgevingsdienst ZuidoostBrabant. Centraal College van Deskundigen Archeologie (2018). Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4. 1. Stichting voor Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Haartsen,
A. (2009).
Ontgonnen
Verleden. Regiobeschrijvingen provincie Noord-Brabant.
Bureau
Lantschap. Hos, T. H. L. (2013). Archeologische begeleiding van de sanering van zinkassen. De Hoof 7 te Someren in de gemeente Someren Econsultancy, rapport 12122042. 30, Swalmen. .
Koeman,
S. M. (2014). Bureauonderzoek en Inventariserend Hollestraat te Someren. Archeodienst, rapport 431, Zevenaar.
Veldonderzoek,
verkennende
fase:
Kortlang, F. P. (2011). De Archeologiekaart van Someren. Een archeologische waarden- en beleidskaart voor de gemeente Someren. ArchAeO, rapport 0913 in samenwerking met het ACVU. Moster, M. Verbeek, C. (2009). Someren (NB), Hollestraat 28. Proefsleuvenonderzoek. BILAN, rapport 2009/150, Tilburg. ,
Nederlands Normalisatie Instituut (1990). NEN-5104:1989 grondmonsters. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft.
NL,
Classificatie
van
onverharde
Spek, T. (2004). Het Drentse esdorpen landschap: een historisch geografische studie. Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Stouthamer, E. Cohen, K. M. & Hoek, W. Z. (2015). De vorming van het land: geologie en geomorfologie. Perspectief Uitgevers, Utrecht. ,
Verwers, W. J. H. (1990). Jaarverslag van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 1990.
Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Hollestraat (ong. ) te Someren, gemeente Someren (NB). Laagland Archeologie, rapport 547, Almelo.
Wijnen, J. (2021). Bureauonderzoek
en
Kaartmateriaal Actueel Hoogtebestand van Nederland (2014-2019). AHN3, grid 0,5 x 0,5m: www. ahn. nl en de ruwe data via https://downloads. pdok. nl/ahn3-downloadpage/
KSP Archeologie
26
Actueel Hoogtebestand van Nederland (2020- naar verwachting 2022). AHN4, grid 0,5 www. ahn. nl en de ruwe data via https://www. ahn. nl/ahn-viewer
x
0,5m:
Archeologische Monumenten Kaart (2014) Geraadpleegd via archis. cultureelerfgoed. nl. Archeologische onderzoeks- en vondstmeldingen (actueel). Geraadpleegd via archis. cultureelerfgoed. nl Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG): https://bagviewer. kadaster. nl Basisregistratie Grootschalige Topografie via WMTS-server: https://geodata. nationaalgeoregister. nl/tiles/service/wmts?request=GetCapabilities&service=WMTS Basisregistratie Topografie Achtergrondkaarten (BRT-A) via WMTS-server: https://geodata. nationaalgeoregister. nl/tiles/service/wmts?request=GetCapabilities&service=WMTS Bestemmingsplan: www. ruimtelijkeplannen. nl Bodemkwaliteit: https://noord-brabant. omgevingsrapportage. nl/ Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50. 000 versie 2018 (gepubliceerd in de Basis Registratie Ondergrond december 2019). Wageningen Environmental Research. Geraadpleegd via https://geodata. nationaalgeoregister. nl/bzk/bro-bodemkaart/atom/v1_0/bro-bodemkaart. xml. Bonnebladen en Topografische kaarten van Nederland schaal 1:25. 000: www. topotijdreis. nl (Kadaster). Brouwer,
F.
&
M. M.
der Werff, (2012). Vergraven gronden: Inventarisatie van ‘diepe’ grondbewerkingen, ophogingen en afgravingen. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2336. van
Digitaal Archief (DANS) Rapporten (https://easy. dans. knaw. nl/);
en
onderzoeksgegevens
van
archeologisch
onderzoek
Digitale Kadastrale kaart van Nederland v4 via WMS server: https://geodata. nationaalgeoregister. nl/kadastralekaart/wms/v4_0?service=WMS&version=1. 3. 0&request=GetCapabilities Dirks, G. H. P. & Nieuwenhuizen, W. (2013). HISTLAND: historisch-landschappelijk informatiesysteem. Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-werkdocument 331. Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50. 000 versie 2019 (gepubliceerd in de BasisRegistratie 2020). UR. Ondergrond maart Alterra, Wageningen Geraadpleegd via https://geodata. nationaalgeoregister. nl/bzk/brogmm/atom/v1_0/index. xmlLegenda: Maas, G. J. S. P. J. v. Delft & A. H. Heidema. (2017). " Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000 (2017). " http://legendageomorfologie. wur. nl/. Wageningen, Wageningen Environmental Research. ,
Grondwatertrappenkaart van de bodemkaart 1:50. 000 versie tot 2006: http://geoplaza. vu. nl/ data/dataset/bodemkaart-van-nederland/resource/2398cef7-957e-4ba5-b218-08ac275d72fb. Indicatieve Kaart Militair Erfgoed: www. ikme. nl KLIC-meldingen via www. kadaster. nl
KSP Archeologie
27
Luchtfoto / PDOK 25 cm RGB WMTS server: Beeldmateriaal via https://geodata. nationaalgeoregister. nl/luchtfoto/rgb/wmts?request=GetCapabilities&service=wmt s
Kadastrale kaarten 1811-1832. http://beeldbank. cultureelerfgoed. nl Rijksmonumenten openbaar/wfs
(2019):
Geraadpleegd
via
WFS
server:
Geologische Dienst (2021): Geologische https://www. dinoloket. nl/ondergrondmodellen.
TNO
https://data. geo. cultureelerfgoed. nl/
Kaart
van
Nederland
2021
van server: Topografische kaart Nederland schaal 1:25. 000 (rasterbestand) via WMS https://geodata. nationaalgeoregister. nl/top25raster/wms?request=GetCapabilities&service=wms. Kadaster.
Topografische kaart van Nederland schaal 1:10. 000 (rasterbestand) via WMS server: https://geodata. nationaalgeoregister. nl/top10nlv2/wms?request=GetCapabilities&service=wms V. 1 & V. 2 inslagen in Nederland: vergeltungswaffen. nl
Vooronderzoek en Opsporing niet-gesprongen explosieven: https://www. explosievenopsporing. nl/veobommenkaart/ Wageningen Environmental Research (2022). Grondwaterspiegeldiepte Model voor Nederland (50x50 meter grid) https://service. pdok. nl/bzk/bro-grondwaterspiegeldiepte/wms/v1_0
Websites Geologische eenheden (formaties): https://www. dinoloket. nl/stratigrafische-nomenclator
KSP Archeologie
28
Bijlage 1
KSP Archeologie
Geomorfologische kaart
Bijlage 2
KSP Archeologie
Bodemkaart
Bijlage 3
KSP Archeologie
Archeologische
gegevens
Bijlage 4
KSP Archeologie
Boorpuntenkaart
KSP Archeologie
Bijlage 5 Boorbeschrijvingen Projectnummer Project Datum Beschrijver Type grond Boordiameter Bijzonderheden
: 22155
Boring 1 2 3 4 5
Y (m RD) 377. 100 377. 093 377. 070 377. 097 377. 115
Z (m+NAP) via AHN3 25,32 25,35 25,37 25,38 25,36
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Vondsten
dbrgr lgegr
gele zandvlekken Fe3
Ap/X C
Opmerkingen scherpe grens met onder dekzand
1 weiland
55 100
Z2s1 Z2s1
h2
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Vondsten
Z2s1 Z2s1
h2
dbrgr gele zandvlekken lgegr/orgrFe3
Ap/X C
Opmerkingen scherpe grens met onder dekzand
2 weiland
75 110
Boring 3
Textuur Z2s1 Z2s1 Z2s1
Humus h2 h1
Kleur Bijzondere bestanddelen brgr gele zandvlekken brgr/gewiFe3 orge Fe3
Horizont Ap/X Ap C
Opmerkingen
Vondsten
weiland
Diepte in cm 35 45 100
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Vondsten
4 weiland
85 110
Z2s1 Z2s1
h2
dbrgr lgegr
gele zandvlekken Fe3
Ap/X C
Opmerkingen scherpe grens met onder dekzand
Boring
Diepte in cm
Textuur
Humus
Kleur
Bijzondere bestanddelen
Horizont
Vondsten
5 weiland
60 100
Z2s1 Z2s1
h2
dbrgr orwj
gele zandvlekken Fe3
Ap/X C
Opmerkingen scherpe grens met onder dekzand
: De Hoof Someren : 20-10-2022 : Erik Schorn : Zand : Edelman 7 cm : Geen
X (m RD) 176. 453 176. 432 176. 419 176. 411 176. 433
Pagina 1 van 1
verploegd dekzand
KSP Archeologie
Bijlage 6
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Samengesteld door E. A. Schorn (BAAC) naar aanleiding van de publicatie: De steentijd van Nederland (2005). Onder redactie van: Jos Deeben, Erik Drenth, Marie-France van Oorsouw en Leo Verhart.
KSP Archeologie
KSP Archeologie
Archeologische periodes volgens het Archeologisch Basis Register Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
KSP Archeologie