8a Toelichting Bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3
Tekst van het document
TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN BUITENGEBIED SOMEREN DEELGEBIED 3
ORDITO.NL
TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN BUITENGEBIED SOMEREN DEELGEBIED 3 GEMEENTE SOMEREN Planstatus
Vastgesteld
Datum
24 juni 2021
Plan identificatie
NL.IMRO.0847.BP02020022-VS01
3
Inhoudsopgave 1
Inleiding
6
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding Doelstelling Ligging en begrenzing plangebied Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer
6 6 7 9 10
2
Werkwijze
11
2.1 2.2 2.3
Integrale controles Systematiek Proces
11 12 14
3
Visie op het buitengebied
15
3.1 3.2 3.3
Uitgangspunten Beeldkwaliteitsplan Ontwikkeling met respect voor cultuurhistorie, natuur en landschap
15 15 16
4
Omgevingskwaliteiten
18
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8
Inleiding Verfijning omgevingskwaliteiten Gebiedsbeschrijving deelgebied 3 Eisen aan leefomgeving en mogelijke effecten Wijze van bestemmen op basis van omgevingskwaliteiten Beschrijving gebiedsbestemmingen Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk en werkzaamheden Dubbelbestemmingen t.b.v. omgevingskwaliteiten
18 18 20 27 30 32 34 40
5
Beleidskader
42
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
Achtergrond Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Geactualiseerde en aangevulde beleidsuitgangspunten
42 42 44 56 66
6
Onderbouwing wijzigingen
85
6.1 6.2 6.3 6.4
Inleiding Wijzigingen per locatie Uitvoerbaarheid en borging bij wijzigingen Algemene wijzigingen in regels en verbeelding
85 85 120 120
7
Sectorale aspecten
124
7.1 7.2
Bodemkwaliteit Water
124 124
4
7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8 7.9 7.10 7.11
Luchtkwaliteit Geluid Geurhinder Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Natuur Erfgoedwet: archeologie en cultuurhistorie Ladder voor duurzame verstedelijking M.e.r.-procedure
129 132 133 134 135 138 143 146 147
8
Uitvoerbaarheid
148
8.1 8.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke betrokkenheid en procedure
148 149
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1. Ruimtelijke onderbouwing Boerenkamplaan 53 Bijlage 2. Ruimtelijke onderbouwing Boerenkamplaan 107 en 107a Bijlage 3. Ruimtelijke onderbouwing Braamstraat 2 Bijlage 4. Ruimtelijke onderbouwing Moostscheiding 9 Bijlage 5. Ruimtelijke onderbouwing Peelweg 1 Bijlage 6. PlanMER Bijlage 7. Toetsingsadvies Commissie m.e.r. Bijlage 8. Eindverslag inspraak en vooroverleg Bijlage 9. Nota van zienswijzen
5
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding De gemeente Someren heeft een groot buitengebied met veel verschillende functies. Het buitengebied is lang hoofdzakelijk voor agrarische doeleinden in gebruik geweest. Veel agrarische bedrijven stoppen echter, waardoor er op de vrijgekomen locaties nieuwe kansen ontstaan. De diversiteit in functies in het buitengebied neemt daardoor toe, een transitie die op vele plekken in Nederland zichtbaar is. Deze ontwikkeling houdt het buitengebied levendig, maar er moet wel voor gewaakt worden dat deze functies ook passen binnen het buitengebied van Someren. Dit heeft ertoe geleid dat de gemeente Someren het beleid voor niet-agrarische functies (het NAF-beleid) heeft geactualiseerd. Dit beleidskader biedt meer ruimte aan de ontwikkeling van niet-agrarische functies in het buitengebied, maar waarborgt ook dat bestaande en nieuwe functies niet met elkaar gaan botsen. Voor deze nieuwe ontwikkelingen, maar ook voor bestaande situaties zal gekeken moeten worden of deze passen in de visie voor het Somerense buitengebied. Daarom heeft de gemeente Someren ervoor gekozen een intensief traject te starten waarbij alle locaties in het buitengebied integraal worden gecontroleerd. Met de bewoners en ondernemers wordt het gesprek aangegaan over hun toekomstplannen.
Aan de hand van deze controles kan zo een duurzaam bestemmingsplan worden opgesteld dat overeenkomt met de feitelijke situatie.
1.2 Doelstelling Het geldende bestemmingsplan voor een groot deel van het buitengebied is het bestemmingsplan Buitengebied Someren (2011). Dit is een conserverend plan geweest waaraan geen controles ten grondslag hebben gelegen. Daarnaast zijn er diverse partiële herzieningen en postzegelbestemmingsplannen vastgesteld, waarbij niet altijd een uniforme werkwijze is gehanteerd en is het beleid in de afgelopen jaren op verschillende vlakken gewijzigd. Het doel van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Someren - Deelgebied 3’ is een uniform, leesbaar bestemmingsplan gebaseerd op de feitelijke functies die aanwezig zijn in het buitengebied uitgaand van de uitgevoerde integrale controles. Het buitengebied van Someren is voor het overzicht en een zorgvuldige benadering in 7 (voorheen 6) deelgebieden verdeeld. Het bestemmingsplan voor deelgebied 1 is op 30 november 2017 vastgesteld en het bestemmingsplan voor deelgebied 2 is op 5 maart 2020 vastgesteld. Deze toelichting heeft betrekking op deelgebied 3, het gedeelte van het Somerense buitengebied dat zich ten oosten van deelgebied 1 en 2 bevindt. Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan voor deelgebied 3 zijn alle bedrijven en woningen in dit gebied bezocht en is er bekeken of de bestaande situatie overeenkomt met het bestemmingsplan.
6
Uit deze controles is gebleken dat op verschillende locaties de feitelijke situatie niet overeenkomt met het bestemmingsplan. Vervolgens zijn per locatie de legalisatiemogelijkheden van de strijdigheden onderzocht binnen de bestaande wet- en regelgeving. Bij de locaties waar legalisatie een optie is, is in overleg met de eigenaren een manier gezocht om de strijdigheden op te lossen. Als de eigenaren hebben besloten tot een wijziging voor hun perceel dan is dit opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3. Het eindproduct is een actueel bestemmingsplan dat overeenkomt met de bestaande situatie.
1.3 Ligging en begrenzing plangebied Dit bestemmingsplan is opgesteld voor deelgebied 3, het deel gelegen ten oosten van deelgebied 1 en 2. Op Figuur 1 is de ligging van de deelgebieden globaal weergegeven. De volgorde van de deelgebieden is in 2018 aangepast ten opzichte van de eerdere planning. Daarna is in 2020 deelgebied 6 gesplitst in twee delen (deelgebied 6 en 7). Deelgebied 3 wordt globaal begrensd door de kern van Someren-Dorp in het noorden. Van daar volgt het gebied de Boerenkamplaan tot aan de kern van Someren- Eind. Aan de oostzijde loopt het gebied door tot aan de gemeentegrens van de gemeente Asten. Het zuiden van het deelgebied wordt begrensd door de gemeentegrens Nederweert en in het zuidwesten worden het plangebied begrensd door de Zuid-Willemsvaart.
7
Figuur 1 Indeling deelgebieden herziening bestemmingsplan buitengebied
8
1.4 Geldende bestemmingsplannen Binnen deelgebied 3 zijn diverse bestemmingsplannen en herzieningen hiervan van kracht. Deze bestemmingsplannen worden (gedeeltelijk) vervangen door het nieuwe bestemmingsplan voor deelgebied 3. Het betreft de volgende bestemmingsplannen: Geldende bestemmingsplannen / wijzigingsplannen / gerechtelijke uitspraken / voorbereidingsbesluiten Someren Buitengebied Reactieve aanwijzing t.a.v. Buitengebied Someren Boerenkamplaan Gedeeltelijke intrekking reactieve aanwijzing t.a.v. Buitengebied Someren Boerenkamplaan tussen 91-93 te Someren-Eind Buitengebied 2013 Gerechtelijke uitspraak bestemmingsplan "Buitengebied Someren" Bedrijventerrein 't Vaartje Buitengebied Someren (2011), eerste partiële herziening Gerechtelijke Uitspraak Buitengebied 2014 Buitengebied 2013, reparatie locatie Vaartje 45 Plattelandswoningen Someren Brugstraat 9a Veegplan gemeente Someren 2015 Buitengebied 2014 Buitengebied Someren 2e partiële herziening bedrijfswoningen Vlasakkers Kievitstraat 29 Veegplan II Someren 2016 Gerechtelijke uitspraak Buitengebied Someren, 2e partiële herziening, bedrijfswoningen Vlasakkers Veegplan IV gemeente Someren 2016 Hoeksestraat (ong.) Veegplan V, gemeente Someren 2017 Boerenkamplaan 83-85 Parapluplan NAF-beleid Someren Hoogspanningsverbinding Reststroken Someren 2017 Boerenkamplaan 22c Voorbereidingsbesluit Huisvesting Arbeidsmigranten Someren
Boerenkamplaan ong. Parapluplan Parkeren 't Vaartje Someren Veegplan X, gemeente Someren 2020
Vaststellingsdatum 29-06-2011 02-08-2011 28-09-2011 24-04-2012 19-12-2012 26-06-2013 24-07-2013 26-02-2014 25-09-2014 31-12-2014 16-07-2015 26-11-2015 16-12-2015 25-02-2016 21-04-2016 30-06-2016 21-07-2016 30-03-2017 31-05-2017 29-06-2017 26-10-2017 25-01-2018 20-03-2018 28-06-2018 29-11-2018 29-11-2018 12-11-2019 05-03-2020 29-05-2020 04-06-2020 30-07-2020
Tabel 1: Vigerende bestemmingsplannen voor deelgebied 3
Omgevingsvergunning Omgevingsvergunning Gezandebaan 13 Someren
Vaststellingsdatum 17-10-2017
Tabel 2: Vigerende omgevingsvergunningen (projectbesluiten) voor deelgebied 3
9
1.5 Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit verschillende planonderdelen: de verbeelding, de regels en de toelichting. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. Deze bestemmingen zijn gerelateerd aan de in de planregels opgenomen juridische regeling. In de regels is het gebruik van de binnen het plangebied aangegeven gronden en opstallen juridisch geregeld. Per bestemming is aangegeven wat er binnen die bestemming mogelijk is en wat wordt toegestaan. In de toelichting worden de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van eventueel uitgevoerde onderzoeken opgenomen. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de werkwijze die is gekozen bij het opstellen van het bestemmingsplan Buitengebied Someren - Deelgebied 3. Hoofdstuk 3 beschrijft de visie van de gemeente Someren voor het buitengebied. In hoofdstuk 4 worden de omgevingskwaliteiten die aanwezig zijn in deelgebied 3 beschreven. Hoofdstuk 5 behandelt de beleidskaders op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau die van toepassing zijn op dit bestemmingsplan. De retrospectieve toets, oftewel de onderbouwing van de wijzigingen die zijn opgenomen in dit bestemmingsplan ten opzichte van de voorgaande bestemmingsplannen, is te vinden in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 behandelt de sectorale randvoorwaarden op het gebied van bijvoorbeeld archeologie en milieu.
Tot slot wordt in hoofdstuk 8 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven.
10
2 WERKWIJZE 2.1 Integrale controles Het laatste algemene bestemmingsplan voor het gehele buitengebied stamt uit 2011. De gemeente Someren wil uiteindelijk voor het gehele buitengebied een actueel en uniform bestemmingsplan opstellen. Het is daarvoor van belang om te onderzoeken wat de feitelijke situatie (bebouwing én gebruik) is op alle locaties. De gemeente Someren heeft er voor gekozen om een intensief traject te starten waarbij alle bedrijven en woningen in het buitengebied worden bezocht. Fasering Het volledig controleren van het gehele buitengebied kost echter veel tijd. Als gewacht wordt met het in procedure brengen van het bestemmingsplan totdat het hele buitengebied gecontroleerd is, dan zou de informatie uit de eerste controles mogelijk al weer gedateerd zijn. Daarom is er voor gekozen om het buitengebied in zeven deelgebieden op te delen. Op deze manier blijven de werkvoorraad en het werkgebied beheersbaar. Van 2018 tot en met 2020 zijn er bij 40 agrarische bedrijven, 20 niet-agrarische bedrijven, 142 woonbestemmingen en 4 overige bestemmingen (Sport, Recreatie, Maatschappelijk en Horeca) controles uitgevoerd in deelgebied 3. Ook is er gekeken naar bebouwing op agararische gebiedsbestemmingen. Bij deze controles is beoordeeld of de feitelijke situatie overeenkomt met wat het vigerende bestemmingsplan toestaat.
Daarbij zijn diverse strijdigheden aan het licht gekomen, variërend in omvang en soort. Daarnaast is aan bewoners en ondernemers gevraagd of zij nog concrete toekomstplannen hebben op de locatie die relevant zijn voor het bestemmingsplan. Verwachtingen De verwachting was dat op veel locaties de feitelijke situatie niet geheel overeen zou komen met wat volgens het vigerende plan was toegestaan. Deze verwachting werd mede gesterkt door de ervaringen in deelgebied 3. De volgende verdeling is gegeven aan de locaties: 1. Er zijn geen strijdigheden aanwezig 2. Er is sprake van een strijdigheid die eenvoudig te legaliseren valt. 3. Er is sprake van een complexe situatie waarvan moet worden bepaald of deze te legaliseren is aan de hand van het geldende beleid. Het beleid waaraan getoetst wordt, staat nader omschreven in hoofdstuk 5. Mocht blijken dat legalisatie geen optie is, dan volgt na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan een handhavingstraject met als doel de geconstateerde strijdige situatie ook daadwerkelijk te beëindigen.
11
2.2 Systematiek Ten behoeve van het nieuw op te stellen bestemmingsplan heeft een inventarisatie plaatsgevonden van alle bestemmingsvlakken. Per locatie is gekeken wat het huidige gebruik is en welke bebouwing aanwezig is. Vervolgens is getoetst of de feitelijke situatie past binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan voor die locatie biedt en of de bebouwing met vergunning is opgericht. Controles De controles van de bedrijfspercelen zijn uitgevoerd door de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant. Het betreft zowel agrarische als niet-agrarische bedrijven en ook de horeca-, recreatie-, sport- en maatschappelijke bestemmingen. Bij 46 van de 64 bedrijfspercelen zijn situaties geconstateerd die niet in overeenstemming zijn met het geldende planologische regime voor het gebruik en/of de bouwmogelijkheden voor de gronden. Op de overige 18 bedrijfspercelen zijn geen strijdigheden geconstateerd. De controles van de woonbestemmingen zijn uitgevoerd door adviesbureau Intersolum in opdracht van de gemeente Someren. Bij 105 woonbestemmingen is er sprake van strijdigheden met het bestemmingsplan. Bij de overige 37 woonbestemmingen zijn geen strijdigheden geconstateerd. De strijdigheden bestaan voornamelijk uit voorzieningen die zich buiten het bestemmingsvlak bevinden of een grotere oppervlakte aan bebouwing dan toegestaan, maar ook strijdig gebruik komt voor.
Bureauonderzoek Door middel van een bureaustudie is nader onderzoek gedaan naar het bestemmingsplan, in het verleden verleende bouw- en gebruiksvergunningen, de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen en luchtfoto’s op perceelsniveau. Vervolgens is getoetst of legalisatiemogelijkheden van de strijdige situatie en/of de aangeleverde toekomstplannen passend zijn binnen het beleid voor het buitengebied. Voorafgaand aan de individuele gesprekken naar aanleiding van de inventarisatie heeft de gemeente Someren op 18 juni 2019 een informatiebijeenkomst georganiseerd. Eigenaren van locaties met grotere strijdigheden zoals strijdig gebruik of aanzienlijke overschrijdingen van het bouwvlak zijn uitgenodigd voor deze bijeenkomst. Tijdens de informatiebijeenkomst is een algemene uitleg gegeven over de werkwijze van de gemeente bij het opstellen van het nieuwe bestemmingsplan en het belang van een goede bestemming. Keukentafelgesprek In de aanloop naar het voorontwerp bestemmingsplan zijn keukentafelgesprekken gevoerd met de eigenaren van percelen in deelgebied 3 om te bespreken welke strijdigheden zich voordoen, welke oplossingen hiervoor zijn en of er nog eventuele nieuwe plannen zijn. Aan de hand van bureauonderzoek en de uitgevoerde controles zijn rapporten opgesteld die dienen als basis voor deze gesprekken. Niet voor alle locaties heeft een keukentafelgesprek plaatsgevonden.
De eigenaren van locaties waar geen strijdigheden zijn geconstateerd of
12
waar de strijdigheden van eenvoudige aard waren, hebben een brief ontvangen. In enkele gevallen heeft er naar aanleiding van de brief alsnog een gesprek plaatsgevonden. Scenario’s per locatie Volgend op de keukentafelgesprekken en brieven is per locaties uitgezocht welke legalisatiemogelijkheden er waren voor de strijdigheden. Dit heeft geleid tot een voorstel per bestemmingsvlak over de mogelijkheden voor ontwikkeling dan wel legalisatie binnen de spelregels van de ruimtelijke ordening. Dit heeft in alle gevallen geresulteerd in een aantal oplossingsmogelijkheden: 1) De strijdige situatie wordt door de eigenaar op de locatie opgelost. Overtollige bebouwing wordt bijvoorbeeld gesloopt, voorzieningen worden binnen het bouwvlak geplaatst of er wordt alsnog een vergunning aangevraagd. 2) Strijdige situaties die op te lossen zijn met een minimale bestemmingsplanwijziging behoeven geen uitgebreide ruimtelijke onderbouwing. Deze wijzigingen worden door middel van een retrospectieve toets verantwoord en correct opgenomen in het bestemmingsplan. 3) Voor situaties waar sprake is van een grotere ruimtelijke impact van de legalisatie worden door de eigenaren ruimtelijke onderbouwingen/toekomstplannen ingediend om zo het (beoogde) gebruik/bebouwing te verantwoorden op basis van een toets aan relevante wet- en regelgeving op het gebied van de ruimtelijke ordening en milieu.
4) Als er geen legalisatiemogelijkheden zijn of als eigenaren niet mee willen werken aan een oplossing wordt na inwerkingtreding van het bestemmingsplan handhavend opgetreden tegen strijdig gebruik en strijdige bebouwing. Daar waar ontwikkeling of legalisatie geheel of gedeeltelijk tot de mogelijkheden behoort, is het resultaat hiervan opgenomen in dit bestemmingsplan. Indien ontwikkeling of legalisatie niet mogelijk is gebleken of de eigenaren niet mee hebben willen werken aan de noodzakelijke acties en verplichtingen, is het uitgangspunt dat de gemeente het handhavingstraject in gang gaat zetten. Voor een aantal percelen loopt parallel aan dit bestemmingsplan al een separate planologische procedure om te komen tot een wijziging van het bestemmingsplan. Na vaststelling van deze postzegelplannen worden deze, indien tijdig gereed, opgenomen in deze algehele herziening van deelgebied 3. Na vaststelling van dit bestemmingsplan ‘Buitengebied Someren - Deelgebied 3’ is voor dit deelgebied van het buitengebied van Someren een plan beschikbaar dat voor zover mogelijk overeenkomt met de feitelijk aanwezige situatie, dan wel de beoogde situatie.
13
2.3 Proces Samengevat bestaat het gehele proces van de eerste controle tot aan de vastlegging in een bestemmingsplan of een handhavingstraject uit de in Figuur 2 uitgewerkte werkzaamheden. Voor alle percelen wordt dit proces doorlopen, omdat er behoefte is aan een volledige en integrale herziening van het bestemmingsplan buitengebied. De plannen die hieruit voortvloeien worden gebundeld en leiden per deelgebied tot een actueel, integraal en leesbaar bestemmingsplan.
Figuur 2 Werkwijze
14
3 VISIE OP HET BUITENGEBIED 3.1 Uitgangspunten In het bestemmingsplan Buitengebied uit 2011 en de daaropvolgende herzieningen is gekozen voor een bestemmingsplan dat ruimte biedt aan maatschappelijke dynamiek. De ontwikkeling van het platteland in Someren is gebaseerd op een sterke relatie tussen drie pijlers: omgevingskwaliteit, economie en leefbaarheid. Dat betekent dat financieeleconomisch gezonde (agrarische) bedrijven met een duurzaam productieproces zich de komende jaren kunnen blijven ontwikkelen op plekken die daarvoor geschikt zijn. In het bestemmingsplan uit 2011 is kwalitatieve ontwikkeling de basis voor de toekomst van bewoners en gebruikers van het buitengebied. Het plan biedt ruimte voor ontwikkeling, voor burgers en bedrijven die komen met voorstellen met respect voor de karakteristieke waarden van landschap, natuur en milieu. Het motto van het bestemmingsplan uit 2011 en navolgende herzieningen is: ‘Verdien de ruimte’. Dit motto sluit nog steeds aan bij de visie van de gemeente op het buitengebied en zal dan ook voor het nieuwe plan het motto blijven. Concreet betekent dit dat er ruimte is voor ontwikkeling en/of het legaliseren van bestaande strijdige situaties, mits er ook een bijdrage wordt geleverd aan de instandhouding en waar mogelijk verbetering van de ruimtelijke kwaliteit binnen de gemeente Someren.
Vaak vereist de wens om bepaalde kwaliteiten te behouden of te versterken ook een actief handelen. In gebieden met grote cultuurhistorische of natuurlijke waarden bestaat vaak ook dynamiek. Deze dynamiek kan worden gebruikt om de gewenste versterking van de omgevingskwaliteiten te realiseren. Veranderingen moeten niet alleen passen, maar moeten ook mede ten dienste staan van onderliggende kwaliteiten en waarden. De betreffende ontwikkelingen moeten dan ook gericht zijn op het behouden, versterken of herstellen van die kwaliteiten en waarden die dat gebied nu juist die specifieke kwaliteit geven.
3.2 Beeldkwaliteitsplan Tegelijk met het vaststellen van het bestemmingsplan Buitengebied in 2011 is het Beeldkwaliteitsplan vastgesteld. Dit bevat richtlijnen voor landschappelijke inpassing van bebouwing en ondersteunende voorzieningen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zeker in het buitengebied, moeten bijdragen aan de versterking en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het beeldkwaliteitsplan moet een inspiratiebron voor ontwikkelingen in het buitengebied zijn.
15
We kunnen in het buitengebied verschillende landschapstypen onderscheiden en ieder landschapstype vraagt om een andere bijdrage aan de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Daarom zijn in het beeldkwaliteitsplan ontwerprichtlijnen opgenomen die bij aanvang van elke ruimtelijke ontwikkeling kunnen worden meegenomen om op een passende wijze invulling te geven aan de in het bestemmingsplan Buitengebied opgenomen randvoorwaarden ten aanzien van bijvoorbeeld een goede landschappelijke inpassing. Het beeldkwaliteitsplan wordt dan ook nog steeds gebruikt als toetsingskader voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Het beeldkwaliteitsplan dient vooral om inhoud te geven aan het motto ‘Verdien de ruimte’, wat wil zeggen: nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijk, mits er ook sprake is van ruimtelijke kwaliteitswinst. Zo kan een uitbreiding van een bouwblok alleen plaatsvinden als voldaan wordt aan het beeldkwaliteitsplan. Ook zal ten aanzien van wijzigingsbevoegdheden (voorbeeld: uitbreiding van bouwvlakken) en ontheffingen (voorbeeld: een minicamping bij een boerderij) het beeldkwaliteitsplan zich doen gelden. Wie aan de hand van het beeldkwaliteitsplan met goede oplossingen komt die landschap, natuur en milieu niet alleen ontzien, maar zelfs versterken, werkt mee aan een duurzame ontwikkeling van het Somerense buitengebied.
In het bestemmingsplan is vastgelegd wat de planologische rechten en plichten zijn. Het beeldkwaliteitsplan is zowel een inspiratiedocument als het toetsingskader voor het waarborgen en verhogen van de ruimtelijke kwaliteit bij alle ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Het beeldkwaliteitsplan is daarmee een integraal onderdeel van het bestemmingsplan. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen als bijlage bij de regels van bestemmingsplan Buitengebied Someren (2011) en is ook bij het voorliggende bestemmingsplan ‘Buitengebied Someren - Deelgebied 3’ een bijlage bij de regels.
3.3 Ontwikkeling met respect voor cultuurhistorie, natuur en landschap Iedere gemeente heeft zijn karakteristieke plekken die voor de plaatselijke bevolking een bijzondere betekenis hebben. Zo kan het gaan om een gehucht met oude boerderijen langs een oude straat of zelfs een klein hakhoutbosje midden op de akkergronden in het beekdal. Vaak liggen deze bijzondere plekken op historisch gezien logische locaties, bijvoorbeeld aan de rand van oude bouwlanden, op knooppunten van oude wegen of nabij een oversteek van een beekloopje. De gemeente wil in de agrarische gebieden met bijzondere waarden het landschap herstellen op basis van de oorspronkelijke historische en ontginningskenmerken. Het zijn de gebieden die met wat extra zorg voor bebouwing, erf en kavelgrensbeplanting al snel een bovengemiddelde kwaliteit opleveren. Het zijn echter ook gevoelige gebieden voor grootschalige en gebiedsvreemde ingrepen. Hier moet zorgvuldig mee worden omgegaan. Niet alleen als het om de vorm en omvang gaat, maar ook als het om de functie gaat. De gemeente Someren streeft er naar dat van tevoren over veranderingen van het patroon van verkaveling, wegen en waterlopen en functies wordt nagedacht en hierbij te overwegen hoe de historische draad in de landschapsontwikkeling zo goed mogelijk bewaard kan worden. Dat houdt niet in dat alles bij het oude moet blijven, maar dat nieuwe
16
ontwikkelingen zo goed mogelijk in het historische landschap moeten worden ingepast. Bij ingrepen in de bodem, waterhuishouding en beplanting, die verder strekken dan het bestaande beheer en onderhoud, zal steeds worden gekeken of deze ingepast kunnen worden in de historische landschapsopbouw. Voor nieuwe functies geldt dat een afweging moet worden gemaakt over welke impact een functie op de omgeving heeft. Zo kan een dagrecreatief bedrijf behoefte hebben aan parkeerplaatsen ter plaatse van een bolle akker of kan een verandering van gebruik leiden tot meer verkeersbewegingen. Vanwege de toename van verkeer kan uiteindelijk een verbreding van een weg nodig zijn waarvoor mogelijk historische laanstructuren moeten verdwijnen. Daarom is het toestaan van bepaalde functies is niet altijd wenselijk.
17
4 OMGEVINGSKWALITEITEN 4.1 Inleiding Het plangebied herbergt diverse natuur- en landschapswaarden. Deze omgevingskwaliteiten zijn van grote betekenis voor de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van het plangebied. Ze vormen het vertrekpunt voor het bepalen van het ruimtelijke beleid voor het buitengebied. De waarden in het landschap en de natuur zijn kwetsbaar voor veranderingen die onder andere als gevolg van de ontwikkelingen binnen de landbouw, maar ook andere functies te verwachten zijn. Het buitengebied van de gemeente Someren bevat diverse omgevingskwaliteiten, die onder te verdelen zijn in onderstaande hoofdgroepen, te weten: - Natuurwaarden Natuurwaarden zijn het geheel aan waarden die aan een gebied zijn toegekend in verband met het voorkomen van biotische en/of abiotische elementen die bijdragen aan de diversiteit en natuurlijkheid van een gebied. - Landschapswaarden Landschapswaarden zijn het geheel aan waarden in verband met bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object, in de zin van karakteristieke verschijningsvorm, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit, dat bestaat uit aardkundige, cultuurhistorische, archeologische en visueel-ruimtelijke waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang. Bij ontwikkelingen in het buitengebied moet altijd rekening worden gehouden met de aanwezige waarden en kwaliteiten in de omgeving.
Meer en meer wordt duidelijk dat hierbij niet alleen naar de directe impact van een ingreep op de specifieke plek moet worden gekeken, maar zeker ook naar de indirecte gevolgen in de omgeving van de activiteit. Nieuwe ontwikkelingen hebben immers niet alleen gevolgen voor de locatie zelf. Ook kunnen bepaalde functies in meer of mindere mate gevolgen hebben voor de directe of zelfs wijdere omgeving.
4.2 Verfijning omgevingskwaliteiten Binnen deze omgevingskwaliteiten kan een verfijning worden aangebracht. Deze verfijning geeft meer inzicht in de voorkomende waarden en vervolgens ook aan de criteria voor toetsing van activiteiten en ontwikkelingen. Dit is tevens de basis voor de toepassing van de diverse regelingen voor het aanvragen van een omgevingsvergunning en het toepassen van eventuele gebruiksverboden binnen de bestemmingsregels. Door deze verfijning ontstaat op voorhand meer duidelijkheid voor de aanvrager (burger) en de toetser (overheid) bij het aanvragen en het beoordelen van een omgevingsvergunning.
18
Natuur Onderstaande verfijning kan worden aangebracht binnen de natuurwaarden. Verfijning Omschrijving natuurwaarden/Biotoop Amfibieën en reptielen Een soortgroep die kenmerkend is voor gevarieerde gebieden, vaak met een afwisseling van natte en droge terreindelen. Specifiek voor amfibieën (kikkers, padden, salamanders) is verder de aanwezigheid van open water van belang dat dient als voortplantingsbiotoop. In het agrarisch gebied is de soortgroep afhankelijk van kleine landschapselementen (bosjes, houtwallen, poelen), ruige slootkanten, wegbermen e.d. Bosvogels Een soortgroep die kenmerkend is voor gevarieerde bosgebieden, vaak met een afwisseling met opener terreindelen zoals stuifzand of heide. Vooral grotere aaneengesloten gebieden zijn vanwege de rust in het broedseizoen geschikt. Moerasvogels Een soortgroep die kenmerkend is voor natte/vochtige terreinomstandigheden en een afwisselende begroeiing, zoals moerasbos, rietmoeras, ruige oevers, slootkanten, natte graslanden e.d. Natte biotoop Een soortgroep die kenmerkend is voor natte dagvlinders terreinomstandigheden. Dagvlinders zijn in een aantal gevallen gebonden aan specifieke vegetaties en de daarin voorkomende waardplanten. Net als planten/plantengemeenschappen komt deze soortgroep zowel voor in bos- en natuurgebied als in het agrarisch gebied waarbij een kleinschalige en gevarieerde inrichting van belang is.
Planten en Een soortgroep die betrekking heeft op individuele plantengemeenschappen plantensoorten of op plantengemeenschappen die kenmerkend zijn voor natuur- en bosgebieden, met name in de beekdalen en heidegebieden (vennen), maar ook in kleine landschapselementen, slootkanten e.d. in het agrarisch gebied. Struweelvogels Een soortgroep die kenmerkend is voor het relatief kleinschalig cultuurlandschap, waarin veel landschapselementen alsmede ruige slootkanten, wegbermen e.d. voorkomen, of onderdelen van het cultuurlandschap die liggen in de nabijheid van grotere natuur- en/of bosgebieden. Weidevogels Soortgroep die kenmerkend is voor het relatief grootschalige en open cultuurlandschap, waarbij in het broedseizoen, lopend van 1 maart - 15 juni, m.n. rust, een relatief groot graslandareaal en, in mindere mate, een relatief hoge grondwaterstand belangrijk zijn. Hydrologisch waardevol Waarden in verband met een specifieke waterhuishoudkundige situatie voor daaraan gebonden (voor natuurwaarden) organismen (planten en dieren), leefgemeenschappen en potenties voor de ontwikkeling daarvan, met daarbij behorende kwantitatieve aspecten (zoals hoge waterstand,
19
stabiel waterpeil) en/of kwalitatieve aspecten (voedselarm, onvervuild), zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang. Tabel 3: Verschillende waarden binnen de functie Natuur.
Landschap Ook voor de landschapswaarden kan een verfijning worden aangebracht, te weten: Verfijning Omschrijving landschappelijke/ abiotische waarden Aardkundig waardevol Waarden die samenhangen met de geologische, geomorfologische en/of bodemkundige kenmerken en ontstaanswijze van een gebied, zoals bodemopbouw en samenstelling, hoogteverschillen en de daarmee samenhangende waterhuishouding. Cultuurhistorisch Waarden die samenhangen met de nalatenschap van de mens, door zijn aanwezigheid en activiteiten in het verleden, waardevol zichtbaar in het huidige landschap. Hierbij gaat het om archeologisch, historisch- landschappelijk, historischgeografisch en/of historisch- bouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bijvoorbeeld bolle akkers), verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Beslotenheid/ De beslotenheid van het landschap wordt belichaamd door Bosrandsituaties houtwallen en -opstanden en bomenrijen langs wegen en paden. Openheid/grootschalig Waardevolle open gebieden zijn gebieden zonder bebouwing. jong ontginningspatroon De relatief kleinschalige oude akkers zijn geheel open. Hier moet ook de beplanting zeer zuinig en alleen in de randen worden toegepast. In de weidse open gebieden in de jonge ontginningen kan wel beplanting voorkomen (zoals de versterkte lanenstructuur), maar het gebied mag niet dicht beplant worden.
Tabel 4: Verschillende waarden binnen de functie Landschap.
4.3 Gebiedsbeschrijving deelgebied 3 Dit bestemmingsplan heeft betrekking op deelgebied 3 van het buitengebied van Someren. In het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. In de omgeving van het plangebied liggen meerdere Natura 2000-gebieden; de Groote Peel, Strabrechtse Heide & Beuven en Weerter- en Budelerbergen & Ringselven. Landschapstypen In het deelgebied komen verschillende landschapstypen voor (zie figuur 3). Het zuidelijke gedeelte van het plangebied is een Jonge heideontginning. Daarboven ligt een strook met Oudere heideontginningen. Tevens wordt een gedeelte van het gebied aangemerkt als Beekdallandschap. Ook ligt in het oostelijke gedeelte Heide- en Boslandschap. In het noordwestelijke gedeelte ligt het Kampenlandschap met daarin een waardevol open gebied. Deze landschapstypen zijn beschreven in het beeldkwaliteitsplan voor het buitengebied (zie ook paragraaf 3.2).
20
Figuur 3 Gebiedsindeling landschap (Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011)
Het ‘Kampenlandschap’ is een cultuurhistorisch kleinschalig en halfopen landschap. De verdeling van het landschap is onregelmatig en er zijn veel structuurelementen aanwezig. Oorspronkelijk zijn er in het Kampenlandschap veel houtwallen, hagen, boomsingels en beplanting aanwezig. Daarnaast liggen in dit gebied oude akkers die vrij van bebouwing en beplanting zijn. Bij ontwikkelingen is het wenselijk aan te sluiten bij de kleinschaligheid van het landschap. De ‘Jonge Heideontginningen’ worden gevormd door regelmatige en rechtlijnige patronen. De Jonge Heideontginningen bestaan voornamelijk uit agrarisch productielandschap met een beleving van grootschalige open gebieden. Belangrijk voor dit gebied zijn de aanwezige boomlanen en de openheid van het gebied. Er zijn in dit gebied veel agrarische bedrijven aanwezig. Een goede landschappelijke inpassing van deze bedrijven is wenselijk vanwege de openheid en doorzichten in het gebied. De ‘Oude Heideontginningen’ vormen een overgangslandschap van gronden die tot ongeveer 1910 ontgonnen zijn. De landschappelijke lijnen zijn minder organisch dan die van
21
het Kampenlandschap en de schaal is iets groter, maar ook in dit landschap hoort een rijke groenstructuur van houtwallen, lanen en bospercelen. Ontwikkelingen in deze ontginningen kunnen grootschaliger zijn dan in de oude landschappen, maar moeten begeleid worden door stevige houtwallen of bosstroken. Het ‘Beekdallandschap’ bestaat uit laag gelegen, natte en kleinschalige landschappen. Omdat de beekdalen gevoelig zijn voor hoog water, zijn deze gebieden van oudsher minder voor bebouwing geschikt. De meeste beken in de gemeente Someren zijn tot rechte sloten en watergangen vergraven en er is nog maar weinig beplanting aanwezig. Nieuwe bebouwing is niet wenselijk in deze gebieden. Het ‘Heide- en Boslandschap’ bestaat ten slotte uit uitgestrekte natte en droge heidegebieden met een aantal grote vennen in de bossen. Transformatie van naaldbos naar gemengd loofbos is gewenst. Cultuurhistorische waarden zijn in dit landschap belangrijk en moeten hierbij gewaarborgd blijven. Behoud, beheer en versterking van de natuur- en landschappelijke waarden staan in dit gebied voorop. Functioneel wordt over het algemeen alleen extensieve recreatie als gebruik toegestaan. Het kanaal de Zuid- Willemsvaart Door deelgebied 3 stroomt de interregionale waterweg de Zuid- Willemsvaart.
Dit kanaal is in de 19e eeuw gegraven als korte scheepvaartverbinding tussen Zuidoost-Brabant en de Maas bij ’s-Hertogenbosch. Het kanaal zorgde in vroegere tijden voor de afvoer van turf uit de Peel. Het kanaal wordt gevoed met Maaswater. De Zuid-Willemsvaart heeft een belangrijke functie voor de scheepvaart. Het kanaal maakt onderdeel uit van het hoofdvaarwegennet. De Zuid-Willemsvaart is een Rijksvaarweg van CEMT-klasse III, deze klasse-indeling van vaarwegen voor de scheepvaart is afgestemd op Europees niveau. Voor deze CEMT-klasse geldt volgens het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een vrijwaringszone van 20 meter aan weerszijden van de vaarweg. Langs de Zuid-Willemsvaart komt en kwam een aantal bijzondere plantensoorten voor, die veelal kenmerkend zijn voor het rivierengebied. Voorbeelden zijn echte karwij, Kruisbladwalstro, Geel walstro en Kleine bevernel. De Zuid-Willemsvaart heeft een functie als migratieroute voor diverse diergroepen, zoals dagvlinders, bosvogels en vleermuizen. De Zuid- Willemsvaart is aangewezen als ecologische verbindingszone. Binnen deze gebiedsaanduiding moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor het aanbrengen van verhardingen boven de 100 m². Daarnaast is het niet toegestaan om in deze zone te bouwen zonder dat er wordt afgeweken middels een omgevingsvergunning.
Het kanaal maakt deel uit van de Natuur Netwerk Nederland die door de provincie NoordBrabant is opgenomen in de Interim omgevingsverordening (IOV). Vanwege deze ecologische waarden heeft het kanaal een dubbelbestemming ‘Waarde – Ecologie’. Hiermee wordt geborgd dat de gronden mede bestemd zijn voor herstel, instandhouding, versterking en duurzame ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden. Door deze bijbehorende regels op te nemen in dit bestemmingsplan, worden ook in de toekomst de
22
waarden van de Zuid- Willemsvaart blijvend meegenomen in overwegingen betreffende ontwikkelingen in het gebied. Het beekdal van de Aa en de Eeuwelsche loop Vanuit Limburg stroomt de Aa, vroeger ook wel de Groote Aa genoemd, door het oostelijke deel van de gemeente Someren. In het deelgebied heeft de Aa een aftakking die de Eeuwelsche loop wordt genoemd. Ter hoogte van de Kalkweg komt de Eeuwelsche loop samen met de Aa. Het gedeelte van het beekdal van de Aa en de Eeuwelsche loop dat zich binnen deelgebied 3 bevindt, bestaat voornamelijk uit open landbouwgebieden, bos en natuur. Het gebied is nauwelijks bewoond, afgezien van enkele boerderijen nabij het kanaal. De meeste beken in de gemeente Someren zijn tot rechte sloten en watergangen vergraven. In dit gebied is dit grotendeels ook het geval voor de Aa en de Eeuwelsche loop. Wel is er ten zuiden van de Kalkweg een gedeelte, waar de Aa meanderend door de natuur stroomt. Het beekdal ligt gemiddeld 1 à 2 meter lager dan de begeleidende hoge gronden waarop de meeste bebouwing staat. Vaak is een steilrand aanwezig op de overgang van dal naar hoge grond. Soms is deze rand beplant met bomen. In het stroomgebied van de Aa wordt gewerkt aan een integraal project, genaamd Aa-dal Zuid. Dit project maakt onderdeel uit van ‘Onweerstaanbaar Someren’.
Het doel is de ontwikkeling van een robuust, klimaatbestendig, ecologisch goed functionerend en een leefbaar beekdal, waarin het nu en in de toekomst goed wonen, werken en verblijven is. Voor de Aa van de Limburgse grens tot aan de A67 is een beekdalontwikkelplan opgesteld. Hierin zijn de opgaven voor optimalisatie van het peilbeheer, voorkomen van wateroverlast, voorkomen van verdroging, verbetering van ecologische waarden, beekherstel, maatregelen voor vis-migratie en ecologische verbindingszones integraal uitgewerkt. Daarnaast zijn kansen voor het versterken van recreatie, landschap en cultuurhistorie meegenomen. Hiervoor zijn samen met de omgeving diverse varianten verkend en is uiteindelijk een voorkeursvariant voor de beekdalontwikkeling uitgewerkt. Op basis van de voorkeursvariant is het projectplan waterwet opgesteld. Het projectplan waterwet beschrijft de voorgestelde maatregelen en te verwachten effecten. Daarnaast zijn beheer, en onderhoud en monitoring beschreven. Op hoofdlijnen bestaan de maatregelen uit: het aanpassen van het profiel van de beken, waarbij zowel ruimte wordt gegeven aan ecologische ontwikkeling als ruimte voor water voor conserveren, berging en afvoer.
Inrichting van een strook van gemiddeld 40 meter rondom de waterloop, het aanpassen van kunstwerken (met name stuwen en duikers), het aanleggen van voorzieningen voor vismigratie, het aanleggen en/of toegankelijk maken voor recreatief medegebruik. Tot slot zijn er maatregelen ten behoeve van bereikbaarheid voor beheer en onderhoud. Het Aa dal bezit nog plaatselijk hoge natuurwaarden, die mede in stand worden gehouden door kwel uit de Zuid-Willemsvaart. Het landschap is hier en daar nog relatief kleinschalig met loofbosjes, singels en extensief beheerde graslanden. De botanische waarden zijn grotendeels teruggedrongen tot bosjes, sloten en greppels. Hier worden soorten aangetroffen als Moerasviooltje, Bosbies, Holpijp en Waterviolier. In natte hooilanden
23
groeien naast vele exemplaren van de Brede orchis, soorten als Grote ratelaar, Waterdrieblad, Kleine valeriaan en Moerasstreepzaad.
Figuur 4 Beekdal van de Aa
De gronden in het beekdal hebben overwegende de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden – Abiotische waarden’, ‘Natuur’ en ‘Bos’. Daarnaast liggen in het beekdal meerdere aanduidingen ter bescherming van de aanwezige waarde. Rond de Aa en de Eeuwelsche loop komen onder andere de volgende aanduidingen voor: • ‘Specifieke vorm van waarde - aardkundig waardevol’: deze aardkundige waarden hebben betrekking op het reliëf en de bodemopbouw ter plaatse. Deze aanduiding is opgenomen om bijvoorbeeld de beekdalranden, de steilranden en microreliëf, te beschermen; • ‘Waarde - Ecologie’: deze zones maken onderdeel uit van het Natuur Netwerk Brabant of vallen onder het regime van de Wet natuurbescherming; • ‘Specifieke vorm van waarde – hydrologisch waardevol’: Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van de aanwezige hydrologische waarden. • ‘Waterstaat – Reserveringsgebied waterberging’: deze zones mogen in de toekomst mogelijk in aanmerking komen om te worden ingericht als waterbergingsgebied.
24
•
‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’: het waterbergingsgebied omvat het bestaand inundatiegebied. Dit is een gebied dat onder water gezet kan worden om elders overstromingen te voorkomen. • ‘Waarde – Archeologie’: dit zijn zones waar rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische resten die nader aandacht vragen. Door het toekennen van deze aanduidingen en bijbehorende regels, worden ook in de toekomst de waarden van dit landschap blijvend meegenomen in overwegingen betreffende ontwikkelingen in het gebied. Starkriet In deelgebied 3 bevindt zich in het beekdal van de Aa, het Starkriet (wat sterk riet betekent). Dit is een nieuw natuurgebied langs de bovenloop van de Aa en is aangelegd in 2000. Het gebied is aangelegd door het Waterschap Aa en Maas als ‘nat’ natuurgebied om wateroverlast te voorkomen bij hevige regenval. Het gebied dient daarmee als buffer welke onder andere moet voorkomen dat de autosnelweg A2 bij Den Bosch onder water loopt zoals in 1995 nog gebeurde. Met Europese subsidie werd het gebied uitgebreid met voormalige landbouwgrond welke werd omgetoverd tot een drassig woest ogend stukje natuur, waarin de 300 meter langer geworden Aa weer als vanouds kronkelt. De ooit kronkelende Aa was bij het Starkriet in de 19e eeuw, ten behoeve van de trekschuit, recht getrokken.
Aarden wallen van verschillende hoogtes binnen het gebied zorgen ervoor dat delen bij stijgende waterstanden onderlopen. Er is een overstromingsvlakte van circa 50 hectare gecreëerd welke bij extreme omstandigheden 250.000 kubieke meter water kan bergen. Om het gebied is een kade aangelegd om de aangrenzende gronden te beschermen van wateroverlast. Het gebied is toegankelijk, maar drassig. Er zijn rietlanden en er liggen verwilderde griendbossen. In dit bestemmingsplan wordt het natuurgebied beschermd door de bestemmingen ‘Bos’ en ‘Natuur’ en de aanduiding ‘waarde – ecologie’ aan deze gronden toe te kennen. Weidevogelgebied In het Broek In het zuidelijke gedeelte van deelgebied 3 bevindt zich het weidevogelgebied In het Broek (zie figuur 5). Weidevogelgebied In het Broek wordt aan de zuidzijde begrensd door de gemeentegrens met Nederweert, aan de oostzijde door de gemeentegrens met Asten, aan de westkant door de Zuid- Willemsvaart, de Valenpeelsedijk en de Peelweg en aan de noordzijde door de Gezandebaan. Het gebied is grotendeels aangemerkt als Jonge Heideontginning en Beekdallandschap.
25
Figuur 5 Kaartbeeld uit landschapsbeleidsplan In het Broek
Dit gebied is vrij dun bebouwd en rustig van aard. Het vormt één geheel met de zeer open gebieden ten noordwesten en zuidoosten van de Groote Peel in Asten en Nederweert. Belangrijke doorgaande wegen ontbreken ook daarbuiten nog. De Gezandebaan langs de noordgrens is de belangrijkste weg, die het gebied scheidt van het beboste Aa dal. Er zijn veel zandwegen, waarvan enkele de oudste ontginningsstructuur aangeven. De Peelweg is de voortzetting, maar ook het uiteinde, van het oude bewoningslint van Someren en Eind ten oosten van de Zuid – Willemsvaart. Het ligt vlak bij de Groote Peel en het is een belangrijk gebied voor weidevogels. Vroeger was het een moerasgebied waaruit de Aa ontsprong. Qua ontginningsgeschiedenis en opbouw is dit gebied goed te vergelijken met de Diepenhoek ten westen van de Zuid – Willemsvaart. Het gebied is rond 1900 ontgonnen. Langs de Jan Smitslaan ligt een oude beplante kade die het gebied ten noorden ervan volledig scheidt van het zeer open gebied ten zuiden ervan, over de grens met Nederweert. Het is een restant van een van de kaden langs het oude kanaal naar de voormalige turfstrooiselfabriek juist ten zuidoosten van het gebied (1900). De kade is karakteristiek voor de oude Brabantse kanalen en heeft een waardevolle eikenbosbegroeiing. Het is een van de weinige oude houtwallen in Someren.
De Weerterbaan in Asten vormt een oude weg met gevarieerde eikenbeplanting, die de open ruimte aan de oostzijde begrenst. Langs verschillende zandwegen dwars door het gebied komt een middeloude boombeplanting voor, waardoor de openheid sterk beperkt wordt. De gemiddelde maat van werkelijk open ruimten is hier slechts 500 meter.
26
Het gebied heeft voornamelijk de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Abiotische waarden’ met hierop de aanduiding ‘hydrologisch waardevol’. Deze waarden zijn hier toegekend vanuit het landschappelijke oogpunt en de waarde van het gebied voor weidevogels. Het behoud van de zandwegen in dit gebied is belangrijk om de rust in het gebied te behouden. Daarnaast is het van belang de bebouwing te concentreren rond de bestaande bebouwde locaties, zodat de openheid hier niet beïnvloed wordt. Het behoud van de zandwegen en de concentratie van bebouwing worden gewaarborgd in het bestemmingsplan. Waardevolle groenstructuren In het plangebied is diverse waardevolle laanbeplanting aanwezig. Verspreid ligt er nog een enkel klein bosperceel van waarde. De laanbeplantingen liggen doorgaans binnen de meer algemene en voor meerdere doeleinden bruikbare bestemmingen ‘Verkeer’ of ‘Agrarisch’. In deelgebied 3 liggen de primaire groenstructuren alleen op de bestemming ‘Verkeer’. Het bestemmingsplan bevat een verbod op het verwijderen van landschapselementen in deze waardevolle groene hoofdstructuur zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Hiervoor is op de verbeelding een specifieke aanduiding ‘primaire groenstructuur’ opgenomen.
Biodiversiteit en landschappelijke inpassing In voorkomende gevallen is er bij ontwikkelingen sprake van landschappelijke inpassing en soms zelfs van het toevoegen van extra waardevolle landschapselementen. Enerzijds om functies en bouwpercelen in de omgeving in te passen, anderzijds om ook de biodiversiteit voor de lange termijn te bevorderen. De gemeente Someren is van mening dat een bestemming ‘Bos’ of ‘Natuur’ pas toepasbaar is als het gaat om grotere en specifiek van ander gebruik uitgesloten gebieden. De hoofdbestemming ‘Groen’ vindt de gemeente onwenselijk. Dit impliceert vaak stedelijk groen met het nodige multifunctionele gebruik dat daar bij hoort. Deze suggestie wil de gemeente niet wekken bij deze categorie groene elementen. Er is bewust voor gekozen om dergelijke landschappelijke inpassingen niet apart te bestemmen, maar op te nemen binnen de hoofdbestemming. Indien er sprake is van een uitvoeringsverplichting en instandhoudingsplicht, dan is / wordt dat geborgd via een beperkende functieaanduiding binnen die hoofdbestemming: de aanduiding ‘landschappelijke inpassing’.
4.4 Eisen aan leefomgeving en mogelijke effecten Eisen aan de leefomgeving Er is onderscheid te maken tussen soorten waarvoor het agrarisch gebied belangrijk is als leefgebied en soorten die zich in hun verspreiding vooral beperken tot de bos- en natuurgebieden. In deelgebied 3 komen agrarische gebieden en natuur- en bosgebieden voor.
27
Eisen aan leefomgeving soorten in het agrarisch gebied Een groot deel van de soorten die voorkomen in het agrarisch gebied (ontginningsgebieden) leeft vooral in en om landschapselementen. Het belang van het agrarisch leefgebied voor de verwachte soorten is in de volgende alinea’s nader toegelicht. Vaatplanten In het agrarisch gebied kunnen diverse zwaarder beschermde vaatplanten voorkomen. Drijvende waterweegbree komt behalve in natuurgebieden (vennen en dergelijke) incidenteel ook voor in sloten en beken in het agrarisch gebied. Verder groeit blaasvaren op bouwwerken zoals oude muren, waterkeringen en waterputten. Op basis van regionale verspreidingsgegevens kunnen enkele akker(on)kruiden (bijvoorbeeld dreps) in potentie voorkomen in het plangebied. Echter, door het intensief beheerde karakter van de agrarische grond in het plangebied wordt de aanwezigheid van deze groep planten uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Een aantal grondgebonden zoogdieren kan voorkomen in het agrarisch gebied, waaronder de steenmarter, boommarter, wezel, hermelijn en eekhoorn. De steenmarter heeft onder meer verblijfplaatsen in gebouwen zoals agrarische schuurtjes. De hermelijn en de wezel hebben een divers scala aan verblijfplaatsen in holen, zoals oude konijnen- of muizenholen, onder boomwortels, maar ook in oude gebouwen en schuren.
Ze foerageren vaak op randzones tussen bos en agrarisch gebied en maken gebruik van lijnelementen zoals watergangen en structuren met voldoende dekking als houtwallen. De boommarter en de eekhoorn hebben verblijfplaatsen in bomen, maar foerageren hierbij ook in het agrarisch gebied. Ook de das foerageert in het agrarisch gebied. Vleermuizen Diverse vleermuissoorten kunnen voorkomen in het agrarisch buitengebied. Een deel van deze soorten maakt gebruik van bebouwing als vaste rust- en verblijfplaats. Daarnaast kunnen alle genoemde soorten gebruik maken van bijvoorbeeld bomenrijen in het agrarisch gebied als vliegroute of als foerageergebied. Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) In het agrarisch buitengebied kunnen een aantal vogelsoorten broeden waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Zo broeden de steenuil en kerkuil in hoge bebouwing en de huismus en gierzwaluw in en onder dakbedekking. De roek, de buizerd en de ransuil broeden in hoge bomen, zoals in houtwallen in het agrarisch gebied. De ooievaar broedt op hoge bouwwerken zoals schoorstenen, of op palen. Amfibieën Soorten zoals de alpenwatersalamander, de kamsalamander en de poelkikker komen, behalve in natuurgebieden, soms ook voor in het agrarisch gebied. Hierbij worden sloten, poelen en overhoeken als leefgebied gebruikt.
Daarnaast kan de rugstreeppad voorkomen in het agrarisch buitengebied. Deze soort bevolkt relatief makkelijk tijdelijke habitats, met
28
name wanneer sprake is van ondiepe wateren en vergraven zandige terreinen zoals bij braakliggende bouwterreinen. Vissen De grote modderkruiper kan incidenteel voorkomen in waterlopen in het agrarisch gebied, meestal in de wat bredere watergangen met een goed ontwikkelde water- en oevervegetatie. Eisen aan leefomgeving soorten in het natuur- en bosgebied Het natuur- en bosgebied herbergt onderstaande natuurwaarden: Amfibieën en reptielen Een soortgroep die kenmerkend is voor gevarieerde gebieden, vaak met een afwisseling van natte en droge terreindelen. Specifiek voor amfibieën (kikkers, padden, salamanders) is de aanwezigheid van open water van belang, dat dient als voortplantingsbiotoop. In het agrarisch gebied is de soortgroep afhankelijk van kleine landschapselementen (bosjes, houtwallen, poelen), ruige slootkanten, wegbermen e.d. Planten en plantgemeenschappen Een soortgroep die betrekking heeft op individuele plantensoorten of op plantengemeenschappen die kenmerkend zijn voor natuur- en bosgebieden, met name in de beekdalen en heidegebieden (vennen) maar daarnaast ook voor kleine landschapselementen, slootkanten e.d. in het agrarisch gebied.
Directe en indirecte effecten Ingrepen in het plangebied kunnen een mogelijk effect hebben op de aanwezige waarden. Deze effecten kunnen op verschillende manieren optreden. De effecten zijn te verdelen in directe en indirecte effecten: Directe effecten - Oppervlakteverlies en versnippering van natuur; - Verandering populatiedynamiek en bewuste verandering soortensamenstelling; - Kap of snoei van vegetatie; - Aantasten of verwijderen van verblijfplaatsen. Indirecte effecten (externe werking) - Verontreiniging; - Verstoring door geluid, licht, trilling of optische verstoring; - Verzuring of vermesting t.g.v. stikstofuitstoot veehouderijen en verkeer aantrekkende werking. In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen om te voorkomen dat de aanwezige waarden in het landschap worden aangetast. Bij elke ontwikkeling dient de afweging gemaakt te worden in welke mate deze de natuur- en/of landschapswaarden in het gebied
29
aantasten. Daarom zijn op voorhand de eerder genoemde aanduidingen opgenomen om de bestaande waarden te beschermen.
4.5 Wijze van bestemmen op basis van omgevingskwaliteiten Het buitengebied is opgedeeld in diverse gebiedsbestemmingen met betrekking tot omgevingskwaliteiten: - Natuur (zie paragraaf 4.6.1); - Bos (zie paragraaf 4.6.2); - Agrarisch met waarden - Abiotische waarden (zie paragraaf 4.6.3); - Agrarisch met waarden - Landschapswaarden (zie paragraaf 4.6.4); - Agrarisch (zie paragraaf 4.6.5). Het onderscheid tussen diverse agrarische gebieden met waarden en overig agrarisch gebied is gebaseerd op de aanwezigheid van: - omgevingskwaliteiten; - beplantingselementen; - waterhuishouding (natte natuur/vochtige omstandigheden); - (kleinschalige) hoogteverschillen; - rustige omstandigheden/onverharde wegen; - openheid. Deze specifieke waarden die aanwezig zijn in het buitengebied van Someren zijn reeds in de voorgaande bestemmingsplannen gewaardeerd en in de regels verwerkt. Er is geen aanleiding om in deze herziening van deelgebied 3 deze waarden te heroverwegen en het beleid aan te passen. De gebiedsbestemmingen uit het bestemmingsplan Buitengebied Someren (2011) zijn dan ook overgenomen. Onafhankelijk van de uiteindelijke gebiedsbestemmingen, die de gronden krijgen, wordt een extra bescherming opgenomen voor de gronden met bijzondere landschapswaarden.
Door middel van differentiatievlakken worden extra regels opgenomen, die moeten voorkomen dat de aanwezige waarden worden aangetast, of erger nog, verloren gaan. In het plangebied deelgebied 3 zijn onderstaande landschapswaarden expliciet aangeduid: - specifieke vorm van waarde - aardkundig waardevol - specifieke vorm van waarde - cultuurhistorisch waardevol - specifieke vorm van waarde - visueel waardevol; openheid
30
Figuur 6 Specifieke waarden (Bestemmingsplan Buitengebied Someren 2011)
De natuur- en landschapswaarden zijn verder niet specifiek aangeduid op de verbeelding, uitgezonderd ‘hydrologisch waardevol’, omdat alle afzonderlijke waarden beschermd worden met dezelfde bouwregels, verbodsbepalingen en een stelsel voor een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Tevens
31
geldt dat, indien natuurwaarden voorkomen, niet ook nog eens de landschapswaarden zijn weergegeven, omdat de bescherming van de natuurwaarden prioriteit heeft boven, en ook voldoende wordt geacht voor de bescherming van, de landschapswaarden. Om aanvragen van een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden (voorheen de aanlegvergunning) en gebruiksverboden van de bestemmingsregels te kunnen toetsen is in figuur 6: Specifieke waarden (Bestemmingsplan Buitengebied Someren 2011) een verfijning van de natuurwaarden weergegeven. In deze afbeelding zijn ook de specifieke landschapswaarden aangegeven.
4.6 Beschrijving gebiedsbestemmingen In deze paragraaf worden de gebiedsbestemmingen beschreven. Daarbij is steeds een onderscheid te maken in de onderdelen ‘Algemeen’ en ‘Beleid’. Natuur Algemeen In deze bestemming zijn de bestaande natuurgebieden opgenomen en de eigendommen van natuurbeherende instanties. In het plangebied deelgebied 3 zijn er alleen enkele natuurbestemmingen in particulier eigendom. Beleid Voor de bestemming Natuur is het beleid gericht op: - behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurgebieden in het algemeen en in het bijzonder afhankelijk van de omgeving in de vorm van amfibieën en reptielen, bosvogels, moerasvogels, dagvlinders, planten en plantengemeenschappen en struweelvogels; - behoud, herstel en/of ontwikkeling van abiotische en landschapswaarden; - waterhuishoudkundige doeleinden ten behoeve van de natuurwaarden in het algemeen en van de op de verbeelding aangeduide hydrologische waarden in het bijzonder; - eventueel in combinatie met extensief recreatief medegebruik. Bos Algemeen In deze bestemming zijn de bestaande bosgebieden opgenomen. Het betreft in deelgebied 3 enkele percelen. Beleid Voor de bestemming Bos is het beleid gericht op: - bosbouwkundige doeleinden ten behoeve van het behoud van duurzaam bos ter plaatse en behoud van de groeiplaats; - eventueel extensief recreatief medegebruik;
32
-
het behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurwaarden, abiotische en landschapswaarden voor zover aanwezig en aangeduid; waterhuishoudkundige doeleinden ten behoeve van de genoemde doeleinden.
Agrarisch gebied met abiotische waarden Algemeen Een deel van de agrarische gronden ten oosten gelegen ten opzichte van de ZuidWillemsvaart heeft in deelgebied 3 de bestemming Agrarisch met abiotische waarden. De bestemming ‘Agrarisch met waarden - Abiotische waarden’ wordt toegekend in gebieden waar actuele of potentiële waarden liggen in de vorm van aardkundige en/of hydrologische waarden, overgangen tussen natte en droge gronden of een strategische ligging tussen bestaande bos- of natuurgebieden. Beleid Het bestemmingsplan ziet niet actief op het realiseren van natuurontwikkeling. Het reikt slechts het planologische kader aan. Dit gaat enerzijds om het tegengaan van ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden, zoals het ontstaan van nieuwe bouwlocaties. Anderzijds gaat het om het intact laten van de potenties van deze gebieden, gekoppeld aan actuele abiotische omstandigheden of ligging, via een (beperkte) regulering van het grondgebruik. Dit om op kortere of langere termijn een onttrekking aan de landbouw, op vrijwillige basis, en een omvorming tot een groter samenhangend aaneengesloten natuurgebied niet onmogelijk te maken. Hiermee samenhangend geldt voor gedeelten van deze bestemming, die worden gekenmerkt door ‘nattere’ terreinomstandigheden, de aanduiding ‘hydrologisch waardevol’.
Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van de aanwezige hydrologische waarden. De gebieden binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Abiotische waarden’ behouden, naast het bestaande en voort te zetten agrarische gebruik, tevens potenties voor natuurontwikkeling. Het streven is tenminste een stand-still. Agrarisch grondgebruik, al dan niet bedrijfsmatig, is toegestaan. Voor een aantal werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden moet een omgevingsvergunning (voorheen aanlegvergunning) worden aangevraagd. Op basis van de flexibiliteitbepalingen (afwijken en wijziging) zijn er ontwikkelingsmogelijkheden. Deze zijn afhankelijk van de concrete locatie. De aanvaardbaarheid van ontwikkelingen op een bepaalde locatie wordt mede beoordeeld op basis van het beeldkwaliteitsplan. Voor de locaties waar een agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend, geldt de afzonderlijke bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’. Agrarisch gebied met landschapswaarden Algemeen Een groot deel van het plangebied ten westen van de Zuid- Willemsvaart en een klein deel ten oosten hiervan heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’. In het algemeen is bij het weergeven van de landschapswaarden geprobeerd om de grotere
33
structuren naar voren te laten komen en in het veld herkenbare grenzen te gebruiken die van belang zijn, zodat geen versnipperde regelgeving optreedt. In de gemeente Someren zijn de landschapswaarden onder te verdelen in: - aardkundig waardevol; - cultuurhistorisch waardevol; - openheid/grootschalig ontginningspatroon; - beslotenheid/bosrandzone. Beekdalen en aanliggende overgangen naar de hogere gronden zijn zoveel mogelijk begrensd op wegen, waterlopen, perceelgrenzen en andere logische topografische grenzen met de aanduiding ‘aardkundige waarden’. Beleid Binnen deze bestemming geldt als doelstelling een duurzaam agrarisch gebruik; de hoofdfunctie is landbouw. Voor het agrarische bodemgebruik wordt gestreefd naar het bereiken van een algemene milieukwaliteit met een duurzaam evenwicht op lange termijn ten opzichte van het fysieke milieu. Tevens geldt het behoud/herstel van de landschapswaarden en de mogelijkheid voor extensief recreatief medegebruik. Agrarisch gebied Algemeen Waar geen of betrekkelijk geringe waarden voorkomen heeft het gebied de bestemming ‘Agrarisch’ gekregen. De uitoefening van het agrarisch bedrijf staat hier voorop. Er zijn geen, te behouden, bijzondere natuur- en/of landschapswaarden aanwezig. Beleid Binnen deze bestemming is het bereiken van een duurzaam agrarisch gebruik wenselijk en realiseerbaar.