CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

7e. Bijlage 4 toelichting BP Somerdaal fase 2 flora en fauna

Gemeenteraad 21 april 2022, gemeente SomerenBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Somerdaal fase 2.16.817 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek J.F.G. Maassen

Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

Ecologische quickscan

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

2

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

J.F.G. Maassen

Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren Ecologische quickscan Datum 14-7-2020

3

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

4

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

Maassen ecologisch advies en onderzoek Jan Mosmanslaan 23 5237 BB ’s-Hertogenbosch T 073-6410858 maassen36@ziggo.nl K.v.K 64413152 btw-id NL001289728826 rek.no NL55 INGB 0003 0208 71

Projectno. Tekst en samenstelling Foto’s Foto op omslag In opdracht van

Wijze van citeren Contactpersoon Status Datum

2007-2 J. Maassen J. Maassen J. Maassen Somerdaal b.v. Heikantstraat 2 Someren J.F.G. Maassen, ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren. Mw. Bianca Goertz (Crijns Rentmeesters b.v.) Definitief 14-7-2020

© 2020 Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, ‘s-Hertogenbosch

Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoeklocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere verstrekte gegevens. De opdrachtgever vrijwaart Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

5

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

6

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

Inhoud 1

2

3

4

5

6

7

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doelstelling 1.3 Toetsingskader 1.4 Leeswijzer Het plangebied, beoogde ontwikkeling en ingrepen 2.1 Ligging van het plangebied 2.2 Inrichting en het huidig gebruik van het plangebied 2.3 Beoogde ingrepen en ontwikkelingen Wettelijk kader 3.1 Inleiding 3.2 Soortenbescherming 3.3 Gebiedsbescherming 3.4 Bijzondere provinciale beschermingszones 3.5 Bescherming houtopstanden 3.6 Rode Lijsten Onderzoeksresultaat en effectenbeoordeling 4.1 Methodiek 4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Natura 2000-gebied 4.2.2 Provinciale beschermingszones. 4.3 Soortenbescherming 4.3.1 Vaatplanten en bladmossen 4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) 4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) 4.3.4 Vogels 4.3.5 Reptielen 4.3.6 Amfibieën 4.3.7 Vissen 4.3.8 Vlinders en libellen 4.3.9 Overige ongewervelden 4.4 Bescherming houtopstanden Conclusie 5.1 Samenvatting effectenbeoordeling 5.2 Toetsing aan de Wet natuurbescherming Voorzorgsmaatregelen, mitigatie en aanbeveling 6.1 Algemene voorzorgsmaatregelen 6.2 Bijzondere voorzorg- en mitigatiemaatregelen 6.2 Aanbeveling en advies Bronnen Bijlage 1 - Toelichting soortenbescherming Bijlage 2 - Soorten van de Vogelrichtlijn Bijlage 3 - Soorten van de Habitatrichtlijn Bijlage 4 - Nationaal beschermde soorten (‘andere soorten’) Bijlage 5 - Soorten met een vrijstelling

7

9 9 9 9 10 11 11 12 13 15 15 15 17 18 18 19 21 21 22 22 24 28 28 28 31 32 35 36 37 38 39 40 41 41 42 45 45 45 45 47 49 50 51 54 57

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

8

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Recreatieondernemer Somerdaal b.v. heeft het voornemen om fase 2 van de ontwikkeling van een recreatiepark met bungalows voor niet-permanente bewoning tot uitvoering te brengen. Voor fase 1 zijn alle wettelijke procedures doorlopen en is de uitvoering gestart. Er is reeds een infrastructuur en een basis groenvoorziening aangelegd. Het terrein is gelegen achter het erf van adres heikantstraat 2 te Someren. Fase 2 wordt uitgevoerd op het aangrenzend perceel oostelijk van het huidige perceel en het erf van Heikantstraat 2. Momenteel is het perceel in gebruik voor de grootschalige teelt van graszoden. Crijns Rentmeesters bv te Someren heeft de opdracht om deze ontwikkeling mogelijk te maken binnen de gestelde wettelijke kaders. In het kader van deze wettelijke kaders dient een quickscan flora en fauna te worden uitgevoerd. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek heeft eerder een quickscan voor fase 1 uitgevoerd (J.F.G. Maassen, Herontwikkeling perceel Heikantstraat 2, 3-102018) en is ook voor fase 2 aangezocht om deze uit te voeren.

1.2 Doelstelling Doormiddel van deze quickscan worden aanwezige beschermde natuurwaarden in beeld gebracht en de mogelijke effecten daarop als gevolg van de beoogde herontwikkeling. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen/uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Beoordeeld wordt welke wijze en in welke mate de beoogde ontwikkeling effect kan hebben op het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten. Aanvullend wordt bepaald of ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000- gebieden, gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, speciale provinciale beschermingszones en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Als de beoogde ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten die een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming tot gevolg kunnen hebben, wordt de noodzaak voor een ontheffingsaanvraag beoordeeld en/of doet deze quickscan aanbeveling voor vervolgstappen om overtreding van deze verbodsbepalingen te voorkomen.

1.3 Toetsingskader Deze quickscan toets aan • Wet natuurbescherming op de onderdelen o Wnb soortenbescherming: hoofdstuk o Wnb gebiedsbescherming o Wnb houtopstanden •

Provinciale regelgeving op de onderdelen o Groenblauwe mantel o Natuur Netwerk Brabant

•

Gemeentelijke regelgeving op het onderdeel o APV-bomenkap

9

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de inrichting van het plangebied, de ligging van het plangebied in de omgeving en de voorgenomen ingrepen en herontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het wettelijk kader geschetst dat de Wet natuurbescherming en de provinciale regelgeving biedt. Hoofdstuk 4 beschrijft in het eerste onderdeel de uitvoering van het onderzoek en de methoden die hierbij gehanteerd worden. In de volgende onderdelen van dit hoofdstuk worden de gebiedsbescherming en soortenbescherming behandeld. Per gebied en soortgroep wordt behandeld welk effect de ingrepen op beschermde soorten en gebieden kunnen hebben. In hoofdstuk 5 worden de mogelijke effecten die tot een overtreding van de Wet natuurbescherming kunnen leiden op beschermde gebieden en soorten kort samengevat. Aangegeven wordt welke overtredingen van wetsartikelen mogelijk zijn en voor welke ingrepen vervolgonderzoek en/of ontheffing nodig zijn. In hoofdstuk 6 wordt aangegeven welk voorzorg- en mitigatiemaatregelen gewenst zijn om overtredingen te voorkomen.

10

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

2 HET PLANGEBIED, BEOOGDE ONTWIKKELING EN INGREPEN. 2.1 Ligging van het plangebied Fig.1. Ligging van het plangebied (rood vlak) in de omgeving. Luchtfoto: Google Earth

Het plangebied is gelegen binnen het buitengebied van de gemeente Someren hemelsbreed op 1,5 km afstand westelijk van de bebouwde kom van Someren. Het hoogwaardig natuurgebied de Strabrechtse Heide, onderdeel van het Natura 2000-gebied Strabrechtse Heide & Beuven ligt op de zeer korte afstand van slechts 1,25 km noordelijk van het plangebied. Het plangebied ligt binnen een directe omgeving van een kleine beouwingsconcentratie van enkele woningen omgeven door ruim en hoog groen op de kruising van van de Heikantweg met de Vaarselweg. De regionale hoofdweg de Provinciale weg vormt op deze hoogte een landschappelijke scheiding van de meer natuurlijke heide- en bosgebieden aan de noordkant van de weg met het agrarische gebied aan de zuidkant van de weg waarbinnen het plangebied ligt. Dit agrarische gebied dat het plangebied omgeeft, wordt gedomineerd door en intensieve vorm van landbouw die de grootschalige teelt van mais en graszoden betreft. Een opvallend en natuurlijk element binnen deze omgeving is een verwaarloosd voormalig kampeerterrein ter hoogte van de kruising van de Provincialeweg met de Vaarselweg. Dit braakliggend terrein is verwilderd tot een halfnatuurlijk bos met veel hoge dichte wintergroene heesters.Een omgeving die zeer geschikt is als schuilplek en foerageergebied voor wild, roofvogels (uilen) en vleermuizen.

Dit terrein ligt op ongeveer 200m noordelijk van het plangebied en is in ecologische zin daarvan geisoleerd door het tussenliggend agrarisch terrein dat bestaat uit uitgestrekte maisvelden. Binnen de droge omgeving met grondwatertrapVII ontbreekt elke vorm van open water. Alle watergangen zijn van het soort dat het grootste deel van het jaar geheel droog staan. De bodem bestaat uit humusrijke en leemarme zandgronden die bodemkundig gedefinieerd worden als hoge zwarte enkeerdgronden (bodemdata.nl).

11

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

2.2. Inrichting en huidig gebruik van het plangebied Fig.2.Het plangebied is blauw gemarkeerd en omkaderd. (bron: kadaster.com)

Het plangebied betreft een oppervlak landbouwgrond dat ten tijde van het veldbezoek in gebruik was voor de teelt van graszoden. Zonder een zichtbare fysieke afscheiding grenst het plangebied aan de westkant aan de naburige percelen die eveneens in gebruik zijn voor de teelt van graszoden. Het plangebied en deze naburige percelen ogen als één groot groen tapijt waarop elke natuurwaarde uitgesloten kan worden. Elk ander element, als bebouwing en hoger opgaand groen, ontbreekt. Onkruiden worden intensief bestreden zodat de ingezaaide cultuurgrassen de enige soorten zijn die zich hier kunnen handhaven. Verwacht wordt dat de bemesting en het gebruik van grondwater voor besproeiing eveneens bijzonder intensief zijn.

Het plangebied gezien in zuid-noord-zuidrichting. Links de haag als afscheiding met fase 1

De begroeiing binnen het plangebied

Aan de noordkant van de grasvlakte en het plangebied ligt als afscheiding met de achterliggende maisvelden een hoofdwatergang die de gekanaliseerde loop van een kleine beek betreft en intensief onderhouden wordt. Ten tijde van het veldbezoek voerde de watergang een laag waterpeil van regenwater. De begroeiing laat zien dat de watergang het grootse deel van het jaar droog staat. Aan

12

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

de overkant van de openbare weg waarlangs het plangebied ligt bepalen maisvelden eveneens het beeld.

Omgeving

Gekanaliseerde beek

Aan de oostkant grenst het perceel aan de nieuwe oprijlaan naar het recreatieterrein en het perceel waarop fase 1 van de projectontwikkeling in uitvoering is. Als afscheiding met beide percelen is een fungeert een jonge houtwal van nog lage struiken die in het kader van de landschappelijke inpassing van fase 1 zijn aangeplant. De uitvoering van fase 1 betreft alsnog de aanleg van de bestratingsstructuur en ondergrondse voorzieningen van riool en elektra. De enige bebouwing die gerealiseerd is betreft een modelbungalow die voorlopig voor demonstratiedoeleinden bestemd is. Voor de opvang en berging van regenwater is een infiltratiepunt (waada) aangelegd.

Zicht op fase 1

2.3 Beoogde ingrepen en ontwikkelingen. De beoogde ontwikkelingen betreffen de volgende. -Op een onbebouwd perceel vinden grondwerkzaamheden plaats voor de aanleg van bestrating, ondergrondse infrastructuur en de installatie van 31 vakantiechalets. -De begroeiing bestaat uit een gecultiveerde grasmat die door de huidige pachter voor de aanvang van de uitvoerende werkzaamheden geoogst wordt als verhandelbare grasmatten. Er ontbreken natuurlijke groenstructuren die geamoveerd dienen te worden.

13

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

-Er vinden geen bouwwerkzaamheden plaats, noch heiwerkzaamheden of aanleg van permanente funderingen; 31 geprefabriceerde chalets worden op het terrein in geheel afgebouwde staat geïnstalleerd op een daarvoor bestemde ondergrond. -Voor de ontwikkeling behoeven geen bestaande bebouwing of houtstructuren die kapvergunningsverplichting zijn of als beschermde houtopstand aangemerkt kunnen worden geamoveerd te worden. Wel wordt de houtwal die enige jaren geleden aangeplant als terreinafscherming verplaats naar de nieuwe terreingrens. -Het terrein verkrijgt een nieuwe groene inrichting die aansluit op de ecologische en landschappelijke omgeving. Het terrein en de chalets worden afgeschermd door houtwallen; verspreid over het terrein worden bomen aangeplant. Er wordt uitsluitend gekozen voor inheemse houtsoorten die van belang kunnen zijn voor de voedselvoorziening en leefgebied van vogels en zoogdieren die in de omgeving verwacht worden. Voor de berging en infiltratie van regenwater in de bodem worden vijvers aangelegd waar zich moerassige begroeiingen kunnen ontwikkelen. Er wordt naar een lichtplan gestreefd dat de lichtbelasting op de omgeving zoveel mogelijk beperkt.

14

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

3. WETTELIJK KADER 3.1. Inleiding Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van soorten (soortbescherming) en bescherming van gebieden (gebiedsbescherming).

3.2 Soortenbescherming Bij de Wet Natuurbescherming gelden een aantal verbodsbepaling ter bescherming van planten- en diersoorten (zie bijlage). De wet kent twee beschermingsniveaus waarbij drie categorieën beschermde soorten worden onderscheiden. • Europees beschermde soorten volgens de Vogelrichtlijn • Europees beschermde soorten volgens de Habitatrichtlijn. • Nationaal beschermde soorten. Europees beschermde soorten Het zwaarst beschermingsniveau gelden de Europees beschermde soorten. De bescherming van vogels is op Europees niveau geformaliseerd doormiddel van de Vogelrichtlijn en die van de overige soortgroepen doormiddel van de Habitatrichtlijn. De Europese bescherming middels de Habitatrichtlijn beschermd soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV en het verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Dit betreffen o.a. alle vleermuissoorten die in Nederland en Europa inheems zijn. Op deze soorten is het beschermingsregime van § 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Voor soorten van Verdrag van Bonn bijlage II is de bescherming bij ingang van de Wet Natuurbescherming opgeheven of deze vallen onder het beschermingsregiem van nationaal beschermde soorten (zie verder bijlage 1).

Nationaal beschermde soorten (“andere soorten”) Voor nationaal beschermde soorten geldt een zwakker beschermingsregiem en er kan per provincie en per soort vrijstelling verleend worden voor ingrepen die betreffen ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. Voor alle inheemse diersoorten, beschermt of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. De ‘andere’ nationale soorten staan vermeld in bijlage A en B van de wet die hoort bij artikel 3.10 en 3.11. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst. Op deze soorten (zie bijlage 4) is het beschermingsregime van § 3.3 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Bescherming verblijfplekken Ook verblijfplaatsen van soorten uit beide categorieën die als “vast” kunnen worden aangemerkt zijn beschermd en worden aangeduid als jaarrond beschermde verblijfplekken. Deze bescherming geldt alleen de vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts éénmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels.

Voor soorten die onder de

15

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

Vogelrichtlijn vallen zijn er verschillende gradaties in beschermingsniveau, afhankelijk hoe kwetsbaar de instandhouding van de soort is in relatie tot gebruik van de vaste verblijfplek (zie hoofdstuk 3.3). In samenhang met de verblijfplek wordt ook de leefomgeving beschermd zover deze van belang is om het functioneren van de verblijfplek mogelijk te maken. Ontheffingsplicht Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. Vaak kunnen maatregelen getroffen worden zodat verbodsbepalingen niet worden overtreden, zoals de werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare periode, het aanpassen van de werkvolgorde of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd. In sommige gevallen kan er gebruik gemaakt worden van vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgelegd voor een van tevoren bepaalde categorie van gevallen. Een toegepaste vorm van vrijstelling is onder meer door het werken met een door het ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode, door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening.

Vrijstelling doormiddel van een goedgekeurde gedragscode geldt voor alle vogelsoorten en nationaal beschermde soorten, zowel voor werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud als voor werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling (een verschil met voorgaande wetgeving). Beschermingsregiem soorten vogelrichtlijn §3.1Wnb

Beschermingsregiem soorten Habitatrichtlijn §3.2 Wnb

Beschermingsregiem andere soorten §3.3 Wnb

Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art3.5 lid 1 Het is verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.10 lid 1a Het is verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen

Art 3.5 lid 4 Het is verboden voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen

Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben

Art 3.5 lid 3 Het is verboden om eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen en te rapen.

Niet van toepassing

Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hum natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hum natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Als dergelijke garanties niet kunnen worden gegeven moet men afhankelijk van de soort en ingreep ontheffing aanvragen van artikelen geformuleerd in de Vogelrichtlijn (§3.1 Wnb), of Habitatrichtlijn (§ 3.2 Wnb) of het beschermingsregiem “Andere soorten” (nationaal beschermde soorten) (§3.3 Wnb). Voor jaarrond beschermde verblijfplekken en functionele leefomgeving van soorten die onder de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijnen vallen is respectievelijk artikel 3.5 lid 4 en artikel 3.1 lid 2 van toepassing en geldt een verbod om de verblijfplekken en functioneel leefgebied te verstoren. De wet beschermt jaarrond beschermde verblijfplekken van nationaal beschermde soorten volgens artikel

16

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

3.10 lid 1b. Bij deze categorie is, evenals bij vogels waarvan de nestelplekken niet jaarrond beschermd zijn, het verbod tot opzettelijke verstoring niet van toepassing, noch de bescherming van de functionele leefomgeving. Onder de term “opzettelijk” moet men ook de zgn. “voorwaardelijke” opzet verstaan; dat betekent dat de initiatiefnemer zich bewust moet zijn van de effecten van zijn handelingen. Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een zorgplicht opgenomen: Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en planten, en ook voor hun directe leefomgeving. De zorg houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht geldt altijd, en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend.

Toetsing In tegenstelling met de voorgaande Flora en Faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van instandhouding van de gehele populatie meer in aanmerking genomen te worden. Een ontheffingsaanvraag wordt o.a. beoordeeld op de volgende punten: • aanwezigheid van aanvaardbare alternatieve mogelijkheden • aanwezigheid van een wettelijk belang • de staat van instandhouding van de soort en behoud van functionaliteit van de verblijfplek. Het wettelijk belang betreft, afhankelijk van de status van de soort, een Nationaal wettelijk belang (Vrijstellingsbesluit) of een Europees wettelijk belang (Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn). Deze wettelijke belangen hebben o.a. betrekking op de openbare veiligheid, volksgezondheid, veiligheid luchtvaart en bescherming van flora en fauna.

3.3 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming onderscheidt twee typen beschermde natuurgebieden •

•

De gebieden die op Europees niveau een bescherming genieten en aangewezen zijn in het kader van de Habitatrichtlijn (HR), Vogelrichtlijn (VR) en Verdrag van Ramsar (wetlands). Deze gebieden vallen onder de noemer van Natura 2000 en betreffen gebieden van grote ecologische waarde. Natuurgebieden en verbindingsstructuren die op landelijke basis zijn ingesteld en vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Deze natuurgebieden en hun onderlinge verbindingen vormen een samenhangend ecologisch netwerk. De NNN is de opvolging van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Natura 2000-gebied Ook hier genieten de gebieden die onder een Europees beschermingsregime vallen de meest striktste bescherming.

17

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

Voor beide categorieën van beschermde gebieden geldt dat activiteiten die een negatief effect hebben op de kwaliteit van de gebieden in het algemeen verboden zijn. Uitgezonderd zijn activiteiten binnen Natura 2000 gebied die uitgevoerd worden in het kader van vastgelegde beheersplannen ten behoeve van Natura 2000 doelen. Een ontheffing wordt alleen verleend als er geen reële alternatieven zijn, de staat van instandhouding van soorten niet in gevaar komt en er sprake is van een groot openbaar belang, dat o.a. de volksgezondheid en openbare veiligheid kan betreffen. De ontheffingsverlening gaat veelal gepaard onder strikte voorwaarden en beperkingen en er is altijd sprake van een compensatieplicht. Bij Natura 2000 gebied wordt doormiddel van een voortoets beoordeeld of er negatieve effecten verwacht kunnen worden en in hoeverre deze als significant beoordeeld kunnen worden. Bij niet-significante negatieve effecten volgt een “lichte “beoordeling doormiddel van een Verslechteringtoets. Bij significante negatieve effecten wordt de “zware” route gevolgd doormiddel van een Passende beoordeling en ADC-toets. Natuur Netwerk Nederland (NNN-gebied) De regelgeving ter wettelijke bescherming van NNN-gebied is vastgelegd in de provinciale ruimtelijke verordeningen.

Het uitgangspunt voor de bescherming van gebieden die vallen onder Natuurnetwerk Nederland is de eis dat de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden niet door een ingreep worden aangetast. In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied geldt het ‘Nee, tenzij’ principe. In principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten

3.4 Bijzondere provinciale beschermingszones Groenblauwe mantel De provincie Noord-Brabant heeft in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (2010) een keuze gemaakt voor behoud en versterking van de kwaliteiten van het landelijk gebied. Voor dit doel zijn 2 robuuste structuren ingesteld; de agrarische structuur en de groenblauwe structuur. De groenblauwe structuur bestaat uit de Groenblauwe mantel en het kerngebied Groenblauw. De Groenblauwe mantel is een buffer tussen het kerngebied Groenblauw met het agrarisch en verstedelijkt gebied. Het kerngebied Groenblauw bestaat uit de ecologische hoofdstructuur (NNN) inclusief de ecologische verbindingszones en de gebieden voor behoud en herstel van watersystemen. De Groenblauwe mantel geeft naast de ontwikkeling van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap; Vanuit de watercomponent wordt vooral ingezet op het kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen. In Artikel 6 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant worden de doelstellingen van de Groenblauwe mantel geformuleerd en de verbodsbepalingen die gelden voor de Groenblauwe mantel.

Deze verbodsbepalingen verbieden activiteiten die in strijd zijn met de hiervoor aangegeven doelstellingen met betrekking tot natuurbescherming, behoudt van landschappelijke kwaliteiten, bescherming van watersystemen en behoudt van bufferfunctie met het groenblauwe kerngebied.

3.5 Bescherming houtopstanden De Wet natuurbescherming § 4.1. Houtopstanden vervangt de voormalige Boswet, waarbij dezelfde voorwaarden grotendeels gelden. Evenals de Boswet betreft de bescherming in het algemeen houtopstanden buiten de bebouwde kom zover deze een groter oppervlak van 10 are hebben of een rij van meer dan 20 bomen betreffen, geen deel uitmaken van begroeiingen op erven of in tuinen en

18

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

geen aanplant voor cultuurdoeleinden en houtwinning betreffen. Er geldt een meld- en heraanplant plicht.

3.6 Rode lijsten Rode lijsten geven een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of duidelijk achteruit zijn gegaan. Rode lijsten hebben een signaleringfunctie en geen juridische status. Plaatsing op de lijst betekent daarom niet automatisch dat de soort beschermd is. Daarvoor is opname van de soort onder de Wet natuurbescherming nodig. De Rode lijsten zijn richtinggevend voor toekomstig beleid. Van overheden en terrein beherende organisaties wordt verwacht dat zij bij beleid en beheer rekening houden met de Rode lijsten.

19

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

20

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

4. ONDERZOEKSRESULTAAT 4.1 Methodiek Literatuuronderzoek In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden, waarbij is gekeken naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied en directe omgeving. Er is voor het soortenonderzoek gebruikgemaakt van gegevens van diverse websites, o.a. van de nationale databank (NDFF), kennisdocumenten en diverse verspreidingsatlassen. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de ligging van het plangebied ten opzichte van relevante natuurterreinen in de omgeving, de ligging ten opzichte van Natuurbeschermingswet-gebieden als Habitat- en Vogelrichtlijngebieden en Natuurnetwerk Nederland (NNN), en bijzonder provinciale beschermingszones (Groenblauwe mantel). Daarvoor is o.a. gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord- Brabant. Bron van de NDFF-gegevens die in het verslag vermeld worden is: NDFF - quickscanhulp.nl; datum van 9-7-2020

Veldonderzoek Het veldbezoek werd op 8-7-2020 tussen 11.00 en 12.00 uur uitgevoerd door dhr. J. Maassen. Tijdens het veldbezoek was het rond de graden 22 C, weinig wind(wk1), geheel bewolkt en regenachtig. Een weertype dat als getypeerd kan worden als nat zomerweer. Tijdens de uitgevoerde veldonderzoeken zijn de aanwezige biotopen in het plangebied vastgesteld. Ook is onderzoek gedaan naar biotopen en natuurwaarden in de directe aangrenzende omgeving waarop ontwikkelingen binnen het plangebied van invloed op kunnen zijn. Aan de hand van de aanwezige biotopen kan worden bepaald of er mogelijk beschermde soorten voorkomen. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen, die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige biotopen zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn verwerkt in onderstaande notitie.

21

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Natura 2000 Fig.4 Ligging van de plangebieden (binnen de rode cirkel waar de pijl naar toe wijst) ten opzichte van Natura 2000 gebied (rood gearceerd). Bron: Provincie Noord-Brabant

Ligging

Rond Someren ligt een ring van Natura 2000-gebieden. Inde richting van de wijzers van de klok zijn dat respectievelijk Deurnsche Peel & Mariapeel, Groote Peel, Weerter- en Budelerbergen & Ringselven, Leenderbos en Groote Heide & De Plateaux en Strabrechtse Heide & Beuven. Het dichtst nabij gelegen Natuur 2000gebied is Strabrechtse Heide & Beuven op een noordwestelijke afstand van slechts 1,2 km hemelsbreed van het plangebied. De overige gebieden liggen op een grotere afstand die varieert tussen de 5 en 10 km.

Wettelijke kader

Externe werking De Wet natuurbescherming onderscheid naast een directe aantasting, de interne werking, ook een indirecte aantasting door factoren die op afstand van invloed zijn, de zgn. externe werking. Stikstofwetgeving In de ‘Handreiking woningbouw en Aerius’ van de Rijksoverheid blijkt uit de algemene conclusie dat bij maximaal 50 laagbouwwoningen, gebouwd op zandgrond op minimaal 7 km afstand van een Natura 2000-gebied, de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/jaar is. Voor projecten met een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar hoeft geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. In de andere gevallen op kortere afstand van een Natura 2000gebied en/of voor de bouw van meer woningen waarbij de depositie mogelijk hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar, is alsnog een Aeriusberekening vereisd.

Effectenbeoordeling

Het plangebied en omliggende gebied maakt geen deel uit van Natura2000gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is daarom geen sprake. Alle Natura 2000 gebieden liggen op voldoende ruime afstand om geen negatieve invloeden verwacht worden van factoren met een externe werking die met een korte reikwijdte op afstand werken, als bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. De ontwikkeling kan wel van een negatieve of positieve invloed zijn als gevolg van de externe werking van de volgende factoren.

22

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

Stikstofdepositie De meest kritieke factor die op grotere afstand werkzaam en op basis van zijn reikwijdte van bijzonder negatieve invloed kan zijn op kwetsbare natuurgebieden, betreft de factor stikstofdepositie. In de uitvoerende fase kan een tijdelijke verhoging van de factor stikstofdepositie plaats vinden ten gevolge de uitstoot van het bouwverkeer en machines die tijdens de uitvoering gebruikt worden. Na de uitvoerende fase kan verwacht worden dat de verblijfsfunctie van de chalets en de verkeersbewegingen die deze genereert een nieuwe bron van stikstofuitstoot is. Gelet op de schaal, aard en duur van de werkzaamheden kan binnen de uitvoerende fase een toename van stikstofuitstoot verwacht worden die zeer tijdelijk van aard is en waarvan redelijkerwijs verwacht kan worden dat de bijdrage aan de bestaande stikstofuitstoot geheel verwaarloosbaar is. Een meer permanente bron van stikstof uitstoot is de nieuwe verblijfs- en recreatieve functie die het plangebied verkrijgt. Aangezien het plangebied binnen de 7-km straal van Natura 2000-gebied ligt eist de wetweging om een verslechtering van Natura 2000-gebied of overschrijding van de gestelde drempelwaarden geheel uit te sluiten een Aeriusberekening om de verwachte stikstofuitstoot vast te stellen.

Recreatiedruk Ook een factor waarvan de werking ook als een werking op afstand kan worden beschouwd is de recreatieve druk op natuurgebieden. Het plangebied ligt op voldoende afstand van kwetsbare natuurgebieden om geen directe “uitzaaiing” vanuit het plangebied van recreatieve activiteiten die van min of meer ongecontroleerde aard zijn (b.v. spelen van kinderen, uitlaten van honden) te verwachten. Het toekomstig recreatiepark richt zich op een publiek van welgestelde senioren waarvan verwacht kan worden dat deze een zachte vorm van recreatie prefereren zoals het fietsen en wandelen op het daarvoor bestemde padenstelsel. Gelet op schaal en aard van de te verwachten toename van de recreatieve activiteit ten gevolge van de plannen wordt daarom geen toename verwacht die van directe invloed is op de kwaliteiten van de natuurgebieden of op enige significante wijze een bijdrage levert aan de bestaande publieksdruk op kwetsbaar natuurgebied. Gebruik van bestrijdingsmiddelen Een andere factor die een werking op afstand kan genereren is het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Bestrijdingsmiddelen verplaatsen zich op een diffuse manier via water en lucht en kunnen over grote afstanden hun invloed doen gelden. De effecten daarvan zijn veelal niet direct zichtbaar. Het terrein is momenteel in gebruik voor de teelt van grasmatten.

Om deze onkruidvrij te houden is een intensief gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen nodig. Verwacht kan worden dat de nieuwe functie die het grondgebied verkrijgt en het voorgenomen milieuvriendelijk toekomstig beheer een sterke afname betekent van gebruik bestrijdingsmiddelen ten opzichte van de periode dat het grondgebied in agrarisch gebruik was. Wateronttrekking De teelt van grasmatten eist, zeker met de droge zomers van de laatste jaren, veel water. Dit water wordt veelal onttrokken aan het grondwater en via de water verspillende vorm van besproeiing toegediend. Deze wateronttrekking kan bijdragen aan de daling van het grondwaterpeil en tot verdroging binnen Natura 2000-gebied leiden. Verdroging is vooral een bedreiging voor de kwetsbare

23

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

milieus van zwak gebufferde waters die voor het nabijgelegen Natura 2000gebied als kwalificerend gelden. Als gevolg van de herontwikkeling stopt deze vorm van watergebruik op het grondgebied waar het plangebied uit bestaat en zal sprake zijn van een afname van deze factor die een externe werking op afstand kan genereren. Het regenwater dat op de daken van de bungalows valt wordt niet middels het riool afgevoerd maar weer ter plekke in de bodem geïnfiltreerd. Conclusie Negatieve effecten op Natura 2000 gebied die tot verslechtering en of een aantasting van een significante aard kunnen leiden worden niet verwacht voor de factor recreatiedruk; voor de negatieve factoren die betrekking hebben op het gebruik van bestrijdingsmiddelen en wateronttrekking wordt een afname verwacht ten opzichte van de huidige situatie. Als een Aeriusberekening aantoont dat de toename van de stikstofdepositie binnen de geldende toegestane normen voor Natura 2000-gebied valt, wordt een toetsing aan de Natura 2000 wetgeving niet noodzakelijk geacht.

4.2.2 Provinciale beschermingszones. NNN-gebied ligging

De dichtstbijzijnde NNN-gebieden liggen op een afstand van slechts ongeveer 0,5 km hemelsbreed van het plangebied. In noordwestelijke richting zijn dit gebieden waaraan het beheertype N16.03 van Droog bos met productie is toegekend; in oostelijke richting is dit het beekdal van Kleine Aa. De beekloop van de Kleine Aa fungeert tevens als ecologische verbindingszone binnen het landschap.

Fig.3 Ligging van het plangebied (binnen rode cirkel) ten opzichte van de NNN-structuren (helder gekleurde oppervlakken). Verklaring. Enkel gearceerd: Natte Natuurparels. Dubbel gearceerd: Natura 2000gebied. Groen: overig NNBgebied. Bron: Ruimtelijke Plannen provincie NoordBrabant

24

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

Toelichting

Voor NNN-gebied geldt de externe werking alleen indien sprake is van een aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken zoals die in het beheerplan zijn vastgelegd. Zover de externe werking betrekking heeft op de toevoer van stoffen door lucht en water geldt deze alleen in het kader van de Wet natuurbescherming (Natura 2000-gebied) en niet voor NNN-gebied.

NNB-gebied Beleidskader

De Verordening ruimte NB stelt in artikel 5.1.lid 7, dat als een bestemmingsplan gelegen buiten het Natuur Netwerk Brabant leidt tot een aantasting van de wezenlijke ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water, negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd.

NNB-gebied effecten

Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van de NNN/EHS gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is daarom geen sprake. De nabijgelegen NNN-gebied liggen op een dusdanige ruime afstand dat geheel geen invloed verwacht wordt van factoren die met een korte reikwijdte op afstand werken, als bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. Een werking op afstand kan hier uitsluitend betrekking hebben op en toename van publieksdruk. Het plangebied ligt op voldoende afstand van NNNgebied om geen directe “uitzaaiing” vanuit het plangebied van recreatieve activiteiten die van min of meer ongecontroleerde aard zijn (b.v. spelen van kinderen, uitlaten van honden) te verwachten. Het toekomstig recreatiepark richt zich op een publiek van welgestelde senioren waarvan verwacht kan worden dat deze een zachte vorm van recreatie prefereren zoals het fietsen en wandelen op het daarvoor bestemde padenstelsel. Gelet op schaal en aard van de te verwachten toename van de recreatieve activiteit ten gevolge van de plannen wordt daarom geen toename verwacht die de wezenlijk waarden en kenmerken van NNN-gebied aantasten

Conclusie

NNN-gebied effecten die de wezenlijke waarden en kenmerken van NNB-gebied aantasten kunnen geheel uitgesloten worden. Een toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht.

Groenblauwe mantel Ligging Het Provinciaal milieu- en waterplan 2016-2021 van de Verordening ruimte Noord-Brabant wordt op de kaart Gezondheid-1 het plangebied aangeduid als gelegen binnen de structuur ‘Groenblauwe mantel’ en buiten het “Zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen”. Beleidskader

De ontwikkeling betreft een niet-agrarische functie waardoor artikel 6.10 van de Verordening ruimte Noord-Brabant (geconsolideerde versie 2019) van toepassing is. Binnen het kader van deze quickscan is alleen de beoordeling op basis van lid 1b artikel 6.10 van toepassing. Dit lid 1b van artikel 6.10 stelt dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel kan voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie anders dan bepaald in de artikelen 6.7 tot en met artikel 6.9, mits de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1 lid1 (bescherming groenblauwe mantel) gepaard gaat met een positieve bijdrage aan

25

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Artikel 6.1 lid 1 betreft de bescherming van de groenblauwe mantel. Artikel 6.1 lid 1 stelt: een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel: a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden; b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

Fig.6 Het Ligging van plangebied aangegeven met rode pion. Verklaring Blauwgroen: blauwgroene mantel Groen: NNB-gebied Rood gearceerd: zoekgebied behoud en herstel van watersystemen Bron: Ruimtelijke Plannen provincie Noord-Brabant

Effectenbeoordeling

Toetsing Artikel 6.10 lid 1b en 6.1 lid 1. Groenblauwe mantel De nieuwe groene inrichting van het plangebied wordt op een dusdanige wijze gerealiseerd dat deze een landschappelijke en ecologische verbetering betekent ten opzichte van de voorgaande situatie. De herontwikkeling betekent daarom geen directe aantasting of inperking van bestaande ecologische en landschappelijke waarden; eerder is sprake van een verbetering van de kwaliteit daarvan ten opzichte van de huidige situatie. Negatieve effecten op de kwaliteiten van waterhuishouding en inperking van het waterbergend vermogen liggen niet voor de hand. Daar de landbouwfunctie op het perceel die veel watergebruik eist vervalt betekent dit een lichte afname van grondwateronttrekking en de negatieve effecten op de waterhuishouding daarvan. Tevens betekent de nieuwe bestemming een afname van de intensieve landbouw en de schadelijk effecten daarvan, zoals gebruik van bestrijdingsmiddelen. De nieuwe gebruiksfuncties van een extensieve vorm van recreatie past als activiteit binnen de economische doelstellingen van de Groenblauwe mantel en de functies die middels het gemeentelijke bestemmingsplan aan het onderhavige bestemmingsgebied is toegekend. De randvoorwaarden die middels bestemmingsplanprocedures aan de ontwikkeling zijn toegekend garanderen dat aan artikel 6.1 lid 1b wordt voldaan.

26

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

Conclusie

Op basis van de beschikbare gegevens en de aard van de planontwikkeling worden geen overtredingen verwacht met betrekking tot Artikel 6.1 lid 1 en 6.10 lid 1b van de Verordening ruimte Noord-Brabant.

27

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

4.3 Soortenbescherming 4.3.1 Vaatplanten Bescherming en voorkomen Wnb §3.2

Wnb §3.3

NDFF-gegevens

Habitatrichtlijn Een viertal inheemse plantensoorten zijn strikt beschermd middels bijlage 4 van bijlage 4 van de Habitatrichtlijn. Deze vaatplanten betreffen de drijvende waterweegbree, kruipend moerasscherm, groenknolorchis en zomerschroeforchis. Voor bijlage 4-soorten geldt de strikte bescherming ook buiten hun prioritair aangewezen habitatgebieden. Genoemde soorten zijn te strikt gebonden aan een hoogwaardig natuurlijk milieu van water, moerassen en vochtige heide en blauwgraslanden om binnen de directe omgeving van het plangebied te verwachten. De drijvende waterweegbree is als habitatrichtlijnsoort landelijk de minst zeldzame vaatplant en komt tamelijk wijdverspreid in de provincie Noord-Brabant voor. De soort is gebonden aan een hoogwaardige zachte waterkwaliteit van beken en vennen. Nationale bescherming Onder de nationale bescherming vallen 76 soorten vaatplanten waarvan de meeste uiterst zeldzaam zijn. Onder deze beschermingscategorie een hoog aandeel zeldzame akkeronkruiden die als gevolg van de intensivering van de akkerbouw vrijwel uit het agrarisch landschap verdwenen zijn. Een aantal zeer zeldzame soorten uit onderhavige beschermingscategorie groeit op stenige standplaatsen en kan op oude muren aangetroffen worden. In tegenstelling tot de voormalige Flora- en Faunawet zijn door de Wet natuurbescherming niet alle orchideeënsoorten meer beschermd.

Onder de nationale bescherming vallen zo’n 8 soorten die allen in de provincie Noord-Brabant uiterst zeldzaam of uitgestorven zijn. De NDFF-gegevens melden binnen de 0-1 km-straal gen beschermde plantensoorten. Binnen de 1 -5 km wordt alleen de drijvende waterweegbree vermeld.

Waarnemingen Het plangebied bestaat uit één gesloten grasmat waar elke andere soort dan de ingezaaide cultuurgrassen bestreden wordt. Alleen op de oostelijke perceelgrens, onder de daar aangeplante houtgewassen, is wat ruimte voor algemene onkruiden van akkers en akkerranden. Soorten die hier geconstateerd werden waren reukloze kamille, groene naaldaar, hanenpoot, klein streepzaad, klein kruiskruid, harig knopkruid en jakobskruiskruid. Effecten beoordeling

Conclusie Negatieve effecten op beschermde plantensoorten kunnen geheel uitgesloten worden. De condities ontbreken om deze te verwachten.

4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) Voorkomen en bescherming Habitatrichtlijn Wnb§3.2

Habitatrichtlijn

28

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

Onder de Europese bescherming van de Habitatrichtlijn vallen een aantal zeezoogdieren, die vanzelfsprekend binnenlands uitgesloten kunnen worden. Binnenlands kunnen als Europees beschermde zoogdieren wel bever, otter, noordse woelmuis en verschillende soorten vleermuizen verwacht worden. De groep van vleermuizen wordt in een apart hoofdstuk behandeld. De bever is een soort die vanuit het rivierengebied steeds verder via de beekdalen zuidwaarts in Brabant oprukt. De soort wordt steeds vaker in het stroomgebied van de Dommel waargenomen. Ook van de otter vertoont een soortgelijk verspreidingspatroon, maar is alsnog veel zeldzamer. Uitgezonderd van vleermuizen ligt het plangebied in het algemeen te ver buiten het landelijk verspreidingsgebied en specifiek habitatgebied van soorten waarvoor het strikte beschermingsregime van de Habitatrichtlijn geldt om deze te verwachten. Nationaal beschermd (‘andere soorten’) Wnb §3.3

Nationaal bescherming zonder vrijstelling Op basis van ligging en landschappelijke omgeving kunnen in de nabijheid van het plangebied een aantal soorten uit het middelzware beschermingsregiem waarvoor geen vrijstelling geldt verwacht worden. Dit betreffen eekhoorn, das, kleine marterachtigen en steenmarter. De bescherming zonder vrijstelling van kleine marterachtigen, als wezel, bunzing en hermelijn geldt alleen de provincies Noord-Brabant en Noord-Holland. Deze soorten komen vrij algemeen voor en zijn moeilijk vast te stellen. Kleine marterachtigen verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals houtwallen en greppels. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. Kleine marterachtigen zijn moeilijk vast te stellen op basis van een kort en éénmalig veldbezoek. De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten.

De steenmarter laat gewoonlijk duidelijke sporen na als uitwerpselen, prooiresten, stank en krabsporen. De voorkeurshabitat voor eekhoorn bestaat uit gemengde bossen, bosrijke tuinen, parken en houtwallen, daar waar voedselmogelijkheden voorhanden zijn. De das kent een grootschaliger landschapsgebruik dan voornoemde soorten en onderhoudt verblijfplekken buiten de directe bebouwde omgeving. Het zwaartepunt van het Brabants verspreidingsgebied van de das is geconcentreerd in de oostelijke helft van de provincie en in het bijzonder noordoostelijk deel van de provincie. Nationale bescherming met vrijstelling Een nationale bescherming met vrijstelling geldt voor een aantal algemene zoogdieren die in de meeste gevallen als uitgesproken cultuurvolger gelden. Uit deze beschermingscategorie kunnen in het bijzonder binnen de bebouwde omgeving in het algemeen een aantal kleine zoogdiersoorten als gewone bosspitsmuis, huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis en egel verwacht worden. Deze zullen zich voornamelijk op terreindelen waar voldoende dekking door

29

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

begroeiing is ophouden. Grotere soorten als ree, haas en vos zullen kunnen de directe nabijheid van bebouwing mijden indien er geen duidelijke voedselbron is. Voor al deze soorten is slechts de zorgplicht van toepassing, d.w.z. dat onnodig doden of verwonden vermeden dient te worden. Effectenbeoordeling NDFF-gegevens Habitatrichtlijn De NDFF-gegevens vermelden binnen de 25 km-straal buiten een incidentele waarneming van de wolf alleen de bever. Overige soorten Uit het middelzware beschermingsregiem van andere soorten waarvoor gen vrijstelling geldt vermelden de NDFF-gegevens alleen de eekhoorn. Uit eigen waarneming (2018) is de das, althans sporen daarvan, binnen de 0-1km-straal bekend. Andere soorten die in de directe omgeving op basis van hun verspreidingsbeeld verwacht kunnen worden zijn kleine marterachtigen (bunzing, wezel) en steenmarter. De NDFF-gegevens melden deze pas binnen de 1-5 km-straal. Voor de egel die binnen de 1 km-straal wordt vermeld, geldt een vrijstelling. Waarneming

Tijdens het veldbezoek werden geen waarnemingen van zoogdieren gedaan.

Effecten

Habitatrichtlijn Uitgezonderd van vleermuizen (die hier in een apart hoofdstukje behandeld worden) ligt het plangebied te ver buiten het landelijk verspreidingsgebied en specifiek habitatgebied van soorten waarvoor het strikte beschermingsregiem van de Habitatrichtlijn geldt om deze in de nabije omgeving te verwachten. Op basis van de inrichting kunnen soorten uit deze zware beschermingscategorie ook geheel uitgesloten worden. Uit de middelzware beschermingscategorie kan de eekhoorn in de onmiddellijke omgeving verwacht worden. Echter binnen het plangebied ontbreken geschikte houtbegroeiingen en voedselbomen voor deze soort geheel, zodat deze uitgesloten kan worden. Ook das, kleine marterachtigen en steenmarter kunnen dicht nabij het plangebied voorkomen. Hooguit kunnen deze foeragerend of doortrekkend aan de terreinranden aangetroffen worden. Echter het grote open oppervlak van het plangebied dat geen enkele verblijfsmogelijkheid, voedsel noch schuilgelegenheid biedt zal door deze soorten vermeden worden. Negatieve effecten op verblijfplekken van deze soorten die als jaarrond beschermd gelden kunnen geheel uitgesloten worden. Uit de lichte beschermingscategorie waarvoor een vrijstelling geldt kunnen egel en kleine bodem bewonende zoogdieren als veldmuis, rosse woelmuis, bosspitsmuis nabij het plangebied verwacht worden.

Echter ook deze zullen het grote open oppervlak waar het plangebied uit bestaat vermijden en hooguit aan de terreinranden waar nog enige beschutting en voedsel te vinden is aangetroffen worden. Voor deze soorten geldt uitsluitend de zorgplicht.

Conclusie

Al gevolg van de voorgenomen ontwikkeling kunnen negatieve effecten op jaarrond beschermde verblijfplekken van zoogdieren en de aantasting van het functioneel leefgebied voor de instandhouding van de verblijfplekken van

30

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

soorten waarvoor de strikte bescherming van de habitatrichtlijn geldt, geheel uitgesloten worden.

4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) Bescherming en voorkomen Alle in Nederland voorkomende vleermuizen staan vermeld in Tabel 3 bijlage IV Bescherming van de Europese habitatrichtlijn en zijn daardoor op Europees niveau Wnb § 3.2 beschermd. Deze bescherming betreft ook de vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan:” het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”.

Vleermuizen onderhouden verschillende type verblijfplekken als paarverblijven, winterverblijven, kraamverblijven en zomerverblijven. Voor de staat van instandhouding van de lokale populatie van de soort zijn de kraamverblijven en de grote winterverblijven van het grootst belang. In gebruik van paarverblijven zijn vleermuizen het meest flexibel. In de loop van het seizoen wisselen vleermuizen regelmatig van verblijfplaats waarbij gebruik wordt gemaakt van vaste routes tussen de verblijfplekken. Eveneens tussen foerageergebieden en verblijfplaatsen onderhouden vleermuizen vaste routes. Bij het gebruik van deze routes oriënteren vleermuizen zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen en houtwallen. Dit gehele systeem van verbindingsroutes en foerageergebieden die het functioneren van de verblijfplaatsen voor hun specifieke functies mogelijk maakt wordt de functionele leefomgeving genoemd. Ingrepen binnen de functionele leefomgeving die het functioneren van de verblijfplaatsen aantasten worden door de wetgever gelijkgesteld aan de aantasting van verblijfplekken zelf. In deze zin is de functionele leefomgeving even strikt beschermd als de verblijfplekken.

Voorkomen en verspreiding

Op basis van landschapskenmerken worden binnen de directe omgeving vooral soorten van het open en half besloten landschap die in enige mate als cultuurvolger gelden verwacht worden. De betreft in de eerste instantie de gewone dwergvleermuis; de meest algemene vleermuis in Nederland die vrijwel overal binnen de bebouwde omgeving voorkomt en voornamelijk in of aan bebouwing verblijft. De laatvlieger is eveneens voor zijn verblijf geheel afhankelijk van verbouwing en na de gewone dwergvleermuis de meest algemene vleermuissoort in Nederland. In tegenstelling tot de gewone dwergvleermuis is de laatvlieger meer een soort van het open veld. Een andere algemene soort die ook veel boven open terrein foeragerend kan worden aangetroffen en met grote zekerheid binnen landschappelijke omgeving verwacht kan worden, is de boom bewonende rosse vleermuis. Deze soort is voor zijn verblijfplekken afhankelijk van oude bomen van lanen, bossen en stadsparken.

Effectenbeoordeling De NDFF-gegevens melden binnen de 0-1 km-straal geen vleermuizen. Binnen NDFF de 1-5 km-straal worden de gewone dwergvleermuis, de gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis vermeldt. Gelet op het ruim landschapsgebruik van vleermuizen kunnen deze soorten vrijwel zeker ook nabij het plangebied verwacht worden. Waarnemingen

Waarnemingen

31

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

Het onderzoek vond plaats op een tijd van de dag waarop vleermuizen niet actief zijn. Sporenonderzoek was niet mogelijk daar binnen het plangebied elk element ontbreekt dat vleermuizen verblijf kan bieden.

Verblijfplekken binnen het plangebied ontbreekt elk element als bebouwing en holle bomen dat verblijf kan bieden. Negatieve effecten op de jaarrond beschermde verblijfplekken van vleermuizen kunnen daarom geheel uitgesloten worden.

leefgebied

Het grote open oppervlak waar het plangebied uit bestaat zal geheel door vleermuizen vermeden worden. De monotone grasmat is van geen enkel belang voor de insecten waarop vleermuizen jagen. Ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling wordt geen enkele aantasting van foerageergebied verwacht, nog aantasting van structuren die van belang zijn als trek en foerageerroute. De voorgenomen nieuwe groene inrichting zal al snel een verbetering van het leefgebied van vleermuizen betekenen ten opzichte van de huidige situatie.

Conclusie

Verblijfplekken Tijdens het veldbezoek werden geen vaste verblijfplekken en geschikte verblijfsmogelijkheden geconstateerd. Verblijfplekken van vleermuizen binnen het plangebied en invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling kunnen uitgesloten worden en daarmee ook negatieve effecten op jaarrond beschermde verblijfsplaatsen van vleermuizen. Foerageergebied Op basis van inrichting wordt het plangebied van een geen betekenis geacht voor het leefgebied van vleermuizen. Er vinden geen ingrepen plaats aan groenstructuren die van betekenis kunnen zijn als trek- en foerageerroute. De nieuwe groene inrichting zoals die voorgenomen is betekent zeker een verbetering voor het lokale leefgebied van vleermuizen.

4.3.4 Vogels Bescherming Toelichting

Beschermingscategorieën.

Alle vogels zijn Europees beschermd door middel van de Vogelrichtlijn. In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd. De wet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval aanwezig is. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd (zie overzicht hieronder). Voor een verdere toelichting zie bijlage2. Soorten uit categorieën 1, 2, 3 en 4 (een ontheffingsaanvraag altijd noodzakelijk is. Nesten jaarrond beschermd, vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Soorten: Boomvalk, Buizerd, Gierzwaluw, Grote gele kwikstaart, Havik, Huismus, Kerkuil, Oehoe, Ooievaar, Ransuil, Roek, Slechtvalk, Sperwer, Steenuil, Wespendief en Zwarte wouw. Soorten uit de categorie 5, jaarrond bescherming verblijfplekken optioneel Soorten: Blauwe reiger, Boerenzwaluw, Bonte vliegenvanger, Boomklever, Boomkruiper, Bosuil, Brilduiker, Draaihals, Eidereend, Ekster, Gekraagde roodstaart, Glanskop, Grauwe vliegenvanger, Groene specht, Grote bonte specht, Hop, Huiszwaluw, IJsvogel, Kleine bonte specht, Kleine vliegenvanger, Koolmees, Kortsnavelboomkruiper, Oeverzwaluw, Pimpelmees, Raaf, Ruigpootuil, Spreeuw, Tapuit, Torenvalk, Zeearend, Zwarte kraai, Zwarte mees, Zwarte roodstaart en Zwarte specht.

32

Ecologische quickscan – Ontwikkeling fase 2 van recreatiepark Somerdaal te Someren

Overige soorten: verblijfplekken alleen beschermd indien sprake is van een daadwerkelijk broedgeval Soorten: overige soorten

Voorkomen en verspreiding Categorie 1, 2, 3 Verblijfplekken in gebouwen en 4 Uit deze zwaarste beschermingscategorie worden binnen de landschappelijke omgeving met kleinschalige bebouwing een aantal soorten verwacht worden Wnb §3.1 die als uitgesproken cultuurvolgers gelden en voor hun verblijfsmogelijkheden geheel afhankelijk van bebouwing zijn. Dit betreffen huismus, gierzwaluw, slechtvalk, kerkuil en steenuil. Uitgezonderd van de gierzwaluw en slechtvalk zullen deze soorten het grote oppervlak aan landbouwgronden vermijden en zich verplaatsen en voedsel zoeken binnen de bebouwde linten en langs groenstructuren. De gierzwaluw broedt vooral in meer verstedelijk gebied op plekken als onder dakpannen en in holten en nissen in of aan de bebouwing. De slechtvalk broedt uitsluitend in hoge bebouwing of op andere hoge objecten die door mensenhanden gebouwd zijn. Verblijfplekken voornamelijk in bomen Onder de zware beschermingscategorie vallen ook een aantal roofvogels die nesten onderhouden in bomen. De nestelplekken kunnen holten in bomen betreffen, zelfgemaakte nesten in bomen en grote nesten in bomen van andere vogels. Veel van deze soorten zijn gebonden aan bossen en bosranden of foerageren boven het open veld. Soorten als buizerd, havik, wespendief, boomvalk, sperwer en ransuil vallen binnen deze categorie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11400861/1