7c. Regels BP Jan Smitslaan 1
Tekst van het document
Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren - regels
20
15 december 2022
5.5.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.5.1 is niet vereist voor: a. werken en/of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan in uitvoering waren en hiervoor een vergunning is verleend; b. werken en/of werkzaamheden welke het normale onderhoud en beheer betreffen c. werken en/of werkzaamheden gerelateerd aan de uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan, zoals opgenomen in bijlage 3. 5.5.3 Toelaatbaarheid De in artikel 5.5.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien: a. de werken en/of werkzaamheden verband houden met de doeleinden, die aan de geldende bestemming zijn toegekend; b. het uitvoeren van deze werken en/of werkzaamheden noch direct noch indirect onevenredige afbreuk doet aan de waarden en kwaliteiten van de desbetreffende gronden en de mogelijkheden voor herstel van deze waarden en kwaliteiten niet (onevenredig) worden verkleind, zoals omschreven in: 1. de (dubbel)bestemming met eventuele aanduiding(en); 2. het beeldkwaliteitsplan buitengebied.
Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren - regels
21
15 december 2022
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6.
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7.
Voorrangsregeling dubbelbestemmingen
7.1 Voorrangsregeling dubbelbestemmingen Wanneer gronden in het plan tevens zijn aangewezen voor één of meer dubbelbestemmingen moeten, indien sprake is van strijdigheid tussen de verschillende regels, de volgende voorrangsregels in acht worden genomen: a. de regels in de dubbelbestemming(en) die van toepassing zijn gaan vóór de regels die in andere bestemmingen voor de gronden gelden; b. indien voor gronden meerdere dubbelbestemmingen van toepassing zijn, geldt het strengste regiem ten aanzien van al deze dubbelbestemmingen.
Artikel 8.
Algemene bouwregels
8.1 Uitsluiting aanvullende werking Bouwverordening De voorschriften van de Bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard blijven conform het bepaalde in artikel 9, lid 2 van de Woningwet buiten toepassing behalve ten aanzien van de volgende onderwerpen: a. de richtlijnen voor het verlenen van vrijstelling van de stedenbouwkundige bepalingen; b. de bereikbaarheid van gebouwen voor het wegverkeer; c. de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten; d. het bouwen bij ondergrondse transportleidingen; e. de ruimte tussen bouwwerken. 8.2 Bestaande afwijkende maten en hoeveelheden a. Indien afstandsmaten tot de bestemmingsgrens en/of de (as van de) openbare weg tot bestaande bouwwerken en/of de bouw- en/of goothoogten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet voldoen en op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer respectievelijk minder bedragen dan in gevolge het in hoofdstuk 2 en/of hoofdstuk 3 bepaald is, dan mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal danwel minimaal toelaatbaar worden aangehouden. b.
In het geval van volledige sloop en (her-)bouw van bouwwerken, zowel gebouwen als bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is het bepaalde onder sub a alleen van toepassing indien de (her-)bouw geschiedt op exact dezelfde plaats en met inachtneming van geldende bouw- en goothoogten, danwel een minder afwijkende bouw- en goothoogte. 8.3 Ondergronds bouwen 8.3.1 Algemeen Ondergronds bouwen in de vorm van maximaal één bouwlaag (tot maximaal 3,50 m 1 onder peil) is toegestaan binnen de gevelgrenzen van de (bedrijfs-)woning en de verder binnen bouwvlakken toegestane bebouwing met uitzondering van dierenverblijven en andere gebouwen die zijn bedoeld voor het huisvesten van de veestapel. De inhoud van wat ondergronds wordt gebouwd telt niet mee bij het bepalen van de maximale toegestane inhoud van een gebouw. 8.3.2 Afwijken voor het ondergronds bouwen buiten de gevelgrenzen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 8.3.1 voor het toestaan van ondergrondse bebouwing buiten de gevelgrenzen van de bovengrondse bebouwing. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. er is sprake van maximaal één ondergrondse bouwlaag, tot maximaal 3,50 m 1 onder peil; b. het ondergronds gebouwde wordt niet gebruikt voor de huisvesting van de veestapel; Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren - regels
22
15 december 2022
c.
de totale oppervlakte van ondergrondse bebouwing binnen een bouwvlak mag maximaal 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak bedragen met een absoluut maximum van 150 m 2; d. de afstand tot de as van de weg dient minimaal 15 m 1 te bedragen behalve als de bestaande bebouwing dichter op de as van de weg staat, dan is deze afstand bepalend; e. het bouwwerk dient geheel onder het maaiveld te worden gebouwd; f. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 12.2; g. de inhoud van wat ondergronds wordt gebouwd telt niet mee bij het bepalen van de maximale toegestane inhoud van een gebouw. 8.4 Het bouwen van bouwwerken voor geleiding van bomen Voor het bouwen van constructies voor het (ge)leiden van (lei)bomen gelden de volgende bepalingen: a. de constructies mogen uitsluitend binnen een bouwperceel worden gebouwd; b. de bouwhoogte van de constructie mag niet meer bedragen dan 5,00 m 1; c. de constructie voor het (ge)leiden van bomen mag op niet minder dan 0,50 m 1 uit de bouwperceelgrens worden gebouwd; d. de bomen moeten ten allen tijde vanaf het eigen bouwperceel gesnoeid kunnen worden; e. er mag geen sprake zijn van overhangende takken over de bouwperceelgrens. 8.5 Nadere eisen bij bouwactiviteiten a.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering, de afmetingen en de vormgeving van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde, alsmede aan de situering van in- en uitritten en het parkeren op een bouwperceel. b. De onder sub a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met inachtneming van de bouwregels: 1. indien dit noodzakelijk is voor de bescherming en waarborging van de ruimtelijke kwaliteit en/of het stedenbouwkundig danwel landschappelijke beeld, dan wel indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige en/of architectonische inpassing van de bebouwing in de omgeving; 2. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Artikel 9.
Algemene aanduidingsregels
9.1 Vrijwaringszone - vaarweg 9.1.1 Algemeen De gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - vaarweg' zijn, behalve voor de daar voorkomende enkel- en/of dubbelbestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van het doelmatig en veilig functioneren van de nabijgelegen vaarweg. 9.1.2 Bouwregels Op gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - vaarweg' is het, in afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemming(en), verboden enig bouwwerk te bouwen, met uitzondering van de met vaarweg verband houdende bouwwerken. 9.1.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 9.1.2 voor het bouwen overeenkomstig de daar voorkomende enkel- en/of dubbelbestemming(en) indien de belangen van de vaarweg niet worden geschaad. Het bevoegd gezag wint hier voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning schriftelijk advies in bij de betrokken beheerder van de vaarweg. 9.2 Overige zone - groenblauwe mantel 9.2.1 Algemeen Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' zijn de gronden tevens bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van: a. het watersysteem en daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken; b. de landschappelijke waarden en kenmerken.
Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren - regels
23
15 december 2022
9.2.2 Ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel In aanvulling op de regels elders in dit plan gaan ontwikkelingen ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' gepaard met een positieve bijdrage aan: a. de bescherming en ontwikkeling van de waarden als bedoeld in artikel 9.2.1; b. de beeldkwaliteit zoals beschreven in het beeldkwaliteitsplan buitengebied; c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 11.2. 9.3 Functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 1' 9.3.1 Algemeen a. In afwijking van de regels elders in dit bestemmingsplan zijn de gronden ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 1' uitsluitend bestemd voor het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de omliggende functies, gebouwen en/of verhardingen. b. Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 1' moet de landschappelijke inpassing overeenkomstig bijlage 3 ‘Landschappelijke inpassing Jan Smitslaan 1’ of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na de datum van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan zijn uitgevoerd en als dusdanig in stand worden gehouden.
9.3.2 Bouwregels a. Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing 1' is het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet toegestaan. b. Het bepaalde onder sub a is van toepassing ongeacht eventuele bouw-, gebruiks- en/of afwijkingsregels van andere op de gronden voorkomende (dubbel)bestemmingen elders in dit plan. c. Percelen en delen van percelen met de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen landschappelijke inpassing1' worden niet aangemerkt als erf, zoals bedoeld in artikel 1, bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht. 9.3.3 Regels voor het uitvoeren van een werk en/of werkzaamheden 9.3.3.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen landschappelijke inpassing 1’ de volgende werken en/of werkzaamheden uit te (laten) voeren: a. erfbeplanting, landschappelijke inpassing en voorzieningen ten behoeve van hydrologisch neutraal bouwen en/of gebruiken te verwijderen voor zover deze voorzieningen en maatregelen zijn opgenomen in bijlage 3; b. (half)verhardingen aan te leggen. 9.3.3.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 9.3.3.1 is niet vereist voor werken en/of werkzaamheden: a.
waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend; b. welke op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan in uitvoering waren en hiervoor een vergunning is verleend; c. welke het normale onderhoud en beheer betreffen. 9.3.3.3 Toelaatbaarheid De in artikel 9.3.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien: a. de werken en/of werkzaamheden zijn opgenomen in een aangepaste landschappelijke inpassingsplan dat kwalitatief en kwantitatief gelijk gesteld kan worden met het landschappelijke inpassingsplan uit bijlage 3 en als dusdanig is goedgekeurd door het bevoegd gezag; b. het aangepaste landschappelijke inpassingsplan als voorwaardelijke bepaling en instandhoudingsverplichting wordt opgenomen in de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.3.3.1.
Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren - regels
24
15 december 2022
Artikel 10.
Algemene afwijkingsregels
10.1 Afwijken voor het houden van evenementen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in deze regels voor het houden van een (al dan niet meerdaags) evenement in het buitengebied met dien verstande dat: a. het evenement maximaal één keer per jaar wordt georganiseerd; b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omliggende (agrarische) bedrijven en woningen en rekening wordt gehouden met aanwezige milieuhygiënische aspecten, waaronder begrepen ten minste de aspecten geur, geluid en veiligheid; c. er geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden; d. onder andere zijn toegestaan tenten, paviljoens en kramen. 10.2 Afwijken van de maatvoering met maximaal 10% Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in deze regels voor een andere maatvoering dan de in deze regels voorgeschreven minimale en/of maximale bouwmaten (hoogte, oppervlakte, inhoud etc.) en/of bebouwingspercentages tot maximaal 10% van die maten en/of percentages, met dien verstande dat: a. de afwijking vanuit een goede of doelmatige functionele, stedenbouwkundige, bouwkundige of architectonische inpassing noodzakelijk is; b.
de afwijking alleen mag worden toegepast indien elders in deze regels geen andere regels voor afwijking van deze maten zijn opgenomen; c. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 11.2. 10.3 Afwijken voor het bouwen op kleinere afstand tot de bestemmingsgrens Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de minimaal vereiste afstand tot de bestemmingsgrens, zoals elders opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan, voor de bouw van bedrijfsgebouwen, een bedrijfswoning, bijgebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (niet-)agrarische bedrijven mogen niet worden belemmerd; b. er moet worden aangetoond dat de afwijking voldoet aan de eisen die gelden in het kader van het woon- en leefklimaat; c. er moet worden aangetoond dat de afwijking noodzakelijk is vanuit bedrijfseconomisch, landschappelijk of stedenbouwkundig belang op basis van de onderliggende bestemming, danwel een algemeen maatschappelijk belang; d. de landschappelijke, stedenbouwkundige en/of cultuurhistorische kenmerken van (bouwwerken in) de directe omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast door toepassing van de afwijkingsbevoegdheid; e. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering; f.
de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 11.2. 10.4 Afwijken voor het bouwen op kleinere afstand tot de (as van de) weg Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in deze regels voor het bouwen op een kleinere afstand tot de (as van de) weg dan is voorgeschreven met dien verstande dat: a. de noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering en/of perceelsinrichting is aangetoond; b. er geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden; c. de overschrijding niet mag leiden tot een vermindering van de gebruiksmogelijkheden van de gronden voor piekberging en infiltratie; d. de wegbeheerder en het waterschap worden gehoord; e. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd, niet minder is dan minimaal de afstand van bestaande reeds dichter bij de weg gelegen bebouwing in hetzelfde bouw- of bestemmingsvlak. Als het bouwperceel aan twee of meer zijden direct grenst aan een weg is het mogelijk om slechts tot één weg die bestaande, kleinere afstand aan te houden. Tot de andere weg dient een afstand van niet minder dan 10 m1 te worden aangehouden.
Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren - regels
25
15 december 2022
10.5 Afwijken voor het bouwen op grotere afstand tussen een vrijstaand bijgebouw en de woning Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de maximale afstand van 20 meter tussen een vrijstaand bijgebouw en de woning, zoals elders opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan, voor de bouw van bijgebouwen. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: a. er is geen sprake van planologische en/of milieuhygiënische belemmeringen; b. er moet worden aangetoond dat de afwijking noodzakelijk is vanuit landschappelijk of stedenbouwkundig belang op basis van de onderliggende bestemming, danwel een algemeen maatschappelijk belang; c. de landschappelijke, stedenbouwkundige en/of cultuurhistorische kenmerken van (bouwwerken in) de directe omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast door toepassing van de afwijkingsbevoegdheid; d. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering; e. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 11.2. 10.6 Afwijken voor een grotere bouwhoogte van terreinafscheidingen buiten een bouwvlak Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.1 sub b voor het bouwen van terreinafscheidingen met een grotere bouwhoogte. Hierbij gelden tenminste de volgende randvoorwaarden: a.
de maximaal toegestane bouwhoogte bedraagt 2,50 m 1; b. de terreinafscheiding is noodzakelijk ten dienste van de in artikel 3.1 genoemde bestemming; c. aangetoond is dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van de omliggende functies en de binnen de bestemming aanwezige gebiedswaarden en -kwaliteiten; d. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 11.2. 10.7 Afwijken voor het oprichten van buitenrijbanen voor paarden buiten een bouwvlak Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.1 sub a voor het oprichten van een buitenrijbaan voor paarden. Hierbij gelden tenminste de volgende randvoorwaarden: a. er is maximaal één buitenrijbaan toegestaan, direct aansluitend aan een bestemmingsvlak 'Bedrijf' of daarmee gelijk te stellen bestemming waar een (bedrijfs-)woning en gebouwen opgericht mogen worden en/of aanwezig mogen zijn; b. de buitenrijbaan is uitsluitend voor hobbymatig gebruik toegestaan; c. de afstand van de buitenrijbak tot enige (bedrijfs-)woning van derden bedraagt minimaal 50 m 1; d. de oppervlakte van de buitenrijbaan bedraagt maximaal 1.200 m 2; e. de bouwhoogte van de afscheiding van de rijbak bedraagt maximaal 1,50 m 1; f. per buitenrijbak zijn maximaal 4 lichtmasten toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1.
de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 6,00 m 1; 2. binnen een afstand van 100 m 1 van gronden met de bestemming 'Natuur', 'Bos' en/of de gebiedsaanduiding 'overige zone - ecologische verbindingszone' zijn geen lichtmasten toegestaan. g. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 11.2.
Artikel 11.
Overige regels
11.1 Hydrologisch neutraal ontwikkelen a. Alle gronden binnen het plangebied zijn mede bestemd voor het behoud, herstel en/of versterking van de waterhuishoudkundige waarden. b. Regenwater dient op eigen terrein te worden opgevangen en verwerkt. c. Uitgangspunt voor 'omgaan met afstromend hemelwater' is de voorkeursvolgorde: hergebruik – vasthouden – bergen – afvoeren. d. Indien het toepassen van de in dit bestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden resulteren in een toename aan verhard oppervlak, vindt in alle gevallen een toets plaats aan de eis dat er sprake moet zijn van hydrologisch neutraal ontwikkelen conform de Keur, beleidsregels en algemene regels van het betreffende waterschap. Het bevoegd gezag wint in die gevallen advies in van het betrokken waterschap.
Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren - regels
26
15 december 2022
11.2 Waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit 11.2.1 Algemeen a. Een ruimtelijke ontwikkeling draagt bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het bij de ontwikkeling betrokken gebied en de naaste omgeving en in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: 1. alle gronden binnen het plangebied zijn mede bestemd voor landschapsopbouw in de vorm van een landschappelijke inpassing en voor het behoud, herstel en/of versterking van de waterhuishoudkundige waarden; 2. nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn alleen toegestaan als deze niet leiden tot een onevenredige aantasting van natuur- en landschapswaarden, cultuurhistorische en aardkundige waarden; 3. de landschappelijke inpassing moet in een redelijke verhouding staan tot de aard en omvang van de desbetreffende ruimtelijke ontwikkeling. b. Alle ruimtelijke ontwikkelingen die op basis van de Landschapsinvesteringsregeling gemeente Someren als categorie 2 of 3 ontwikkeling worden aangemerkt, moeten vergezeld gaan van een landschappelijk inpassingsplan, dat voldoet aan het beeldkwaliteitsplan buitengebied. 11.2.2 Principe van zorgvuldig ruimtegebruik Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, als bedoeld in artikel 11.2.1 sub a, houdt in ieder geval in dat: a.
in geval van vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat eerst gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing; b. uitbreiding van het toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden; c. uitbreiding van het toegestane ruimtebeslag dient aansluitend aan de bestaande bebouwing plaats te vinden in het kader van concentratie van bebouwing en zuinig ruimtegebruik. 11.3 Waarborgen van de belangen van derden en andere aanwezige waarden Het toepassen van de in dit bestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden is slechts toegestaan, indien is aangetoond dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van andere aanwezige waarden en belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven. 11.4 Parkeren, laden en lossen 11.4.1 Algemeen Ten behoeve van het gebruik in relatie tot de omvang van het gebruik, moet een ontwikkeling voorzien in voldoende parkeergelegenheid, als ook (verkeers)ruimte voor het laden en lossen van goederen, met dien verstande dat: a. dit alleen van toepassing is wanneer sprake is van nieuwbouw, herbouw, uitbreiding, binnenplanse afwijking en/of een (functie)wijziging; b.
de noodzakelijke parkeervoorzieningen en verkeersruimte(n) als dusdanig en feitelijk voor onbepaalde tijd in stand moeten worden gehouden; c. voor het bepalen van het benodigde aantal parkeerplaatsen en verkeersruimte(n) worden de parkeerkencijfers en parkeernormen van het CROW gebruikt; d. de te realiseren voorzieningen mogen zich in, op of onder een gebouw, dan wel op of onder het daarbij behorende bouwperceel bevinden, doch uitsluitend binnen het geldende bestemmingsvlak. 11.4.2 Afwijken van de parkeernorm in verband met bijzondere omstandigheden Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 11.4.1 voor wat betreft de te hanteren parkeernorm(en) indien het voldoen aan de parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, dan wel naar het oordeel van het bevoegd gezag op andere wijze in de benodigde parkeergelegenheid wordt voorzien. 11.4.3 Afwijken van de parkeernorm en/of ruimte voor laden en lossen in verband met een andere wijze van oplossen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 11.4.1 voor wat betreft het realiseren van voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor het laden en lossen van goederen op eigen terrein indien op een andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren - regels
27
15 december 2022
11.4.4 Minimale afmeting van parkeerplaatsen Een ruimte voor het parkeren van voertuigen moet tenminste de afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s c.q. bedrijfswagens. Hierbij gelden de volgende minimale afmetingen: a. voor een voor gehandicapten gereserveerde parkeerruimte voor personenauto’s: 1. bij haaksparkeren: ten minste 3,50 m 1 bij 5,00 m1; 2. bij langsparkeren: niet mogelijk en toepasbaar; b. voor een reguliere parkeerruimte voor personenauto’s: 1. bij haaksparkeren: ten minste 2,50 m 1 bij 5,00 m1; 2. bij langsparkeren: ten minste 1,80 m 1 bij 5,50 m1; c. voor parkeren ten behoeve van bedrijfswagens moet de benodigde parkeerbehoefte en –ruimte op basis van de bedrijfsvoering en/of een melding Activiteitenbesluit danwel Omgevingsvergunning milieu concreet in beeld worden gebracht.
Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren - regels
28
15 december 2022
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 12.
Overgangsrecht
12.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder sub a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder sub a met maximaal 10%. c. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 12.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, zoals bedoeld onder sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 13.
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Jan Smitslaan 1, Someren’.
Bestemmingsplan Jan Smitslaan 1, Someren - regels
29