CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

7b Toelichting incl bijlagen bestemmingsplan Hollestraat ongenummerd

Gemeenteraad 24 juni 2021, gemeente SomerenBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Hollestraat ongenummerd18.037 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ruimtelijke onderbouwing Hollestraat ong. Someren

Plangebied Hollestraat ong. Someren Omschrijving project Realisatie tweetal Ruimte-voor-ruimtewoningen Projectnummer DN65.RO01 Datum en versie rapportage 10 mei 2021, versie 5

Opgesteld door Agron Advies B.V. Pastoor van Schijndelstraat 33a 5469 PS Boerdonk Tel: 0492-347761 Email: info@agronadvies.nl Projectleider Donkers Bouwkundig Tekenburo Relou Den Heikop 6 5424 SW Elsendorp Tel: 0492-352093 Email: info@donkers-relou.nl

Inhoud 1. 1.1 1.2

Inleiding Algemeen Ligging en begrenzing plangebied

1 1 1

2. 2.1 2.2 2.3

Planbeschrijving Bestaande situatie Beoogde situatie Stedenbouwkundige motivatie

3 3 3 6

3. 3.1 3.2 3.3

Beleid Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

7 7 8 13

4. 4.1 4.2 4.3 4.4

Ruimtelijke aspecten Natuur Landschappelijke waarden Cultuurhistorie en archeologie Ontsluiting, verkeer en parkeren

16 16 19 22 25

5. 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

Milieuaspecten M.e.r.-beoordeling Bodem Geluid Geurhinder en veehouderij Bedrijven en milieuzonering Luchtkwaliteit Externe veiligheid Volksgezondheid en veehouderijen

27 27 27 29 29 32 33 34 36

6. 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7

Waterparagraaf Watertoets Waterbeleid Oppervlaktewater Grondwater Omgang hemelwater Omgang huishoudelijk afvalwater Conclusie

38 38 38 39 40 40 41 42

7. 7.1 7.2

Uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid

43 43 44

8. 8.1 8.2 8.3

Juridische verantwoording Algemene opzet Toelichting op de verbeelding Toelichting op de regels

45 45 45 45

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11

Situatietekening en inpassingstudie Berekeningen stikstofdepositie Aerius Calculator Rapportage quick scan flora en fauna Landschappelijk inpassingsplan Rapportages archeologische onderzoeken Rapportage verkennend en nader bodemonderzoek Rapportage akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai Invoergegevens en resultaten berekeningen V-Stacks Vergunning en V-Stacks Gebied Onderzoek externe veiligheid Certificaten Ruimte-voor-ruimtetitels Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

1. Inleiding 1.1 Algemeen De locatie Hollestraat ong. te Someren (hierna: het plangebied) betreft een agrarisch perceel in het buitengebied van de gemeente Someren. Hierop staat een klein gebouw dat dienst doet als dierenverblijf en opslagruimte. Op de locatie zijn de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Someren’ (vastgesteld op 29 juni 2011) en ‘Buitengebied Someren (2011), eerste partiële herziening’ (vastgesteld op 25 september 2014) van toepassing. Het perceel heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch met Waarden – Landschappelijke waarden’ met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie‘. De locatie is tevens gelegen binnen de aanduiding ‘bebouwingsconcentratie’. De initiatiefnemer is voornemens op deze locatie een tweetal Ruimte-voor-ruimtewoningen op te richten. Deze ontwikkeling is in strijd met de regels van de vigerend bestemmingsplannen. Derhalve dient een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen. Onderhavige rapportage betreft de toelichting van dit bestemmingsplan, waarin wordt onderbouwd dat in de beoogde situatie sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt binnen de grenzen van de gemeente Someren, binnen de kernrandzone van de kern Someren. De locatie bestaat uit het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Someren, sectie S, nummer 1670 (gedeeltelijk). Het plangebied grenst aan de oostzijde aan de Hollestraat. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan het plan ‘De Hoof 7’, een plan voor de bouw van een viertal Ruimte-voor-ruimtewoningen. Aan de overige zijden wordt het plangebied begrensd door agrarische gronden. De omgeving wordt gekenmerkt door een menging van verspreid liggende woonbestemmingen en agrarische gronden; het betreft een overgangsgebied tussen stedelijk gebied en het buitengebied. De volgende figuren geven een weergave van de ligging van het plangebied.

1

Kern Someren

Figuur 1: Topografische ligging plangebied (plangebied rood omkaderd)

Figuur 2: Luchtfoto plangebied (plangebied rood omkaderd)

2

2. Planbeschrijving 2.1

Bestaande situatie

Het plangebied betreft een agrarisch perceel in het buitengebied van Someren dat als zodanig in gebruik is (dierenweide, grasland, moestuin). Hierop staat een klein gebouw (circa 20 m²) dat dienst doet als dierenverblijf en opslagruimte. Op de locatie zijn de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Someren’ (vastgesteld op 29 juni 2011) en ‘Buitengebied Someren (2011), eerste partiële herziening’ (vastgesteld op 25 september 2014) van toepassing. Het perceel heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch met Waarden – Landschappelijke waarden’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie‘. Daarnaast zijn de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – aardkundig waardevol’ en ‘specifieke vorm van waarde – cultuurhistorisch waardevol’ van toepassing. De locatie is tevens gelegen binnen de aanduiding ‘bebouwingsconcentratie’. Het plangebied maakt deel uit van een bebouwingsconcentratie die is gelegen aan de rand van de kern Someren. In de directe omgeving van het plangebied zijn door de jaren heen verschillende Ruimte-voorruimtewoningen gerealiseerd/gepland, waaronder op de noordelijk gelegen locatie De Hoof 7, ter plaatse van een voormalige veehouderijlocatie, en ten zuiden van het plangebied aan weerszijden van de Hollestraat. De volgende figuur geeft een impressie van de huidige situatie.

Figuur 3: Foto bestaande situatie perceel

2.2

Beoogde situatie

De initiatiefnemer is voornemens binnen het plangebied een tweetal Ruimte-voor-ruimtewoningen met bijbehorend bouwwerk op te richten. De volgende figuur toont de gewenste situatie (zie ook bijlage 1).

3

Figuur 4: Situatietekening beoogde situatie

Er ontstaan op deze wijze een tweetal bouwpercelen (woonbestemmingen) met een oppervlakte van elk 2.500 m². De volgende figuur toont het inrichtingsplan met maatvoeringen en de positionering van de bebouwing (zie ook bijlage).

4

Figuur 5: Inrichtingsplan met maatvoeringen

Bij de uitwerking van de bouwplannen voor de woningen en de inrichting van het terrein wordt aandacht besteed aan de aspecten duurzaamheid, circulair bouwen en klimaatadaptatie: • Bij de bouw van de woningen wordt gebruik gemaakt van duurzame circulaire bouwmaterialen (waaronder hout); • Bij de bouw van de woningen worden klimaatneutrale voorzieningen toegepast (zoals zonnepanelen, warmtepomp). • Op het perceel wordt per woning een hemelwaterberging gerealiseerd in de vorm van een wadi en zaksloot, waar het hemelwater dat op afkomstig is van het verhard oppervlak wordt geïnfiltreerd; • Door het aanbrengen van beplanting in het kader van de landschappelijke inpassing van de percelen wordt een belangrijke bijdrage geleverd in de opvang en opslag van CO 2 uit de lucht. Daarnaast vormen de nieuwe aan te leggen beplantingselementen (waaronder bomen, bosjes en bloemrijk grasland) aantrekkelijke habitats voor flora en fauna, zeker in combinatie met nestkasten voor vogelsoorten als koolmezen en voorzieningen voor vleermuizen die de initiatiefnemer in het plangebied wil toepassen. Deze maatregelen leveren een belangrijke bijdrage aan de stimulering van de biodiversiteit; • Met de aankoop van de Ruimte-voor-ruimtetitels wordt indirect een flinke milieuwinst behaald. Enerzijds door het uit de markt halen van fosfaatrechten en anderzijds doordat elders door de 5

sanering van (een) intensieve veehouderij(en) de emissie van ammoniak, fijn stof, geur en endotoxinen verdwijnt. Ten behoeve van de realisatie van de woningen wordt een tweetal Ruimte-voor-ruimtetitels verworven. Deze ontwikkeling is in strijd met de regels van de vigerende bestemmingsplannen; er wordt een tweetal woningen gerealiseerd binnen een agrarische bestemming. Derhalve dient een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen.

2.3

Stedenbouwkundige motivatie

Het plangebied aan de Hollestraat is gelegen aan de westzijde van Someren en betreft een enkele kadastrale kavel van 12.280 m². Zowel de Hollestraat als De Hoof betreft een historische weg. De Hollestraat was van oudsher een verbindingsweg tussen de historische wegen haaks op de Kleine Aa. De historische (en huidige) bebouwing groepeert zich langs deze wegen haaks op de Kleine Aa (zoals de Dellerweg en De Hoof). Het plangebied is gesitueerd tegen de bebouwingscluster van De Hoof. Meer bepaald maakt het plangebied deel uit van de groene wig tussen de bebouwing rondom de Dellerweg en de bebouwing rondom De Hoof. In de huidige situatie is het plangebied agrarisch bestemd en ook als zodanig in gebruik met een aantal dierenweitjes, een kleine schuur en een moestuin. Opvallend zijn de redelijk grote bomen in de (geiten)weitjes en de aanliggende groenstructuur die bestaat uit een losse rij eiken aan de noordzijde en een onvolledige rij wegbegeleidende eiken aan de Hollestraat. Het betreft telkens Zomereik (Quercus robur). Het plangebied kent daarmee een duidelijk ruimtelijk kader aan twee zijden wat de ruimtelijke werking van de groene wig (en ook het doorzicht) vanaf de Loovebaan versterkt. De groene wig wordt steeds breder richting de Kleine Aa. De zichtrelatie gaat onder en tussen de bomen. De twee woningen worden gerealiseerd op twee aansluitende kavels.

De woningen en bijbehorende bouwwerken zijn losstaand en vormen een klein erf. De nieuwe woningen sluiten aan op de nieuwe woningen in de oksel van de Hollestraat en De Hoof. De woningen worden ontsloten vanaf de Hollestraat middels een gedeelde inrit die eindigt in een gemeenschappelijk verhard erf.

6

3. Beleid 3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Deze visie vervangt een aantal nationale nota’s, waaronder de Nota Ruimte. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke beleid en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: • De concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken (door het creëren van een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat); • De bereikbaarheid verbeteren; • Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De SVIR schept geen directe kaders voor de beoogde ontwikkeling en andersom vormt onderhavige ontwikkeling geen belemmering voor de belangen zoals die zijn gesteld in de landelijke structuurvisie. 3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking (art.3.1.6. lid 2 Besluit ruimtelijke ordening) is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut. De ladder moet verplicht worden toegepast bij ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling (wonen, werken, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen) mogelijk maken. Sinds 1 juli 2017 is de gewijzigde Ladder van toepassing (besluit tot wijziging Bro). Een van de wijzigingen betreft een vereenvoudiging door het loslaten van de afzonderlijke ‘treden’ en het vervangen van het begrip ‘actuele regionale behoefte’ door ‘behoefte’. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt voor de wijziging is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. In de Nota van Toelichting bij het besluit wordt opgemerkt dat ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen, niet gezien worden als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder.

Daarnaast blijkt uit jurisprudentie dat het oprichten van een tweetal woningen ook niet wordt beschouwd als een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder kan dan ook buiten beschouwing blijven.

7

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant

Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant (‘De kwaliteit van Brabant; Visie op de Brabantse Leefomgeving’) vastgesteld. De Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving en bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren (tot 2050). Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De visie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De reden voor het opstellen van een Omgevingsvisie is de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 in werking treedt. In de Omgevingswet voegt het Rijk alle regels voor de fysieke leefomgeving samen; over ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De nieuwe wet zorgt voor minder en overzichtelijke regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. De wet verplicht provincies en gemeenten een visie op de leefomgeving te ontwikkelen. De Structuurvisie schept geen directe kaders voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied en andersom vormt onderhavige ontwikkeling geen gevaar voor de belangen zoals die zijn gesteld in de structuurvisie. 3.2.2

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld (geconsolideerd per 8 december 2020), vooruitlopend op de Omgevingswet. Deze wet vervangt 26 wetten en verschillende regelsystemen op nationaal niveau. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Het doel van deze verordening is het bij elkaar brengen van alle regels (uit een aantal provinciale verordeningen) over de fysieke leefomgeving in één verordening. Deze verordening vervangt onder andere de Verordening ruimte Noord-Brabant. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. Er heeft daarom ook geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moet worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. Het plangebied is volgens de bijbehorende kaart grotendeels gelegen binnen ‘landelijk gebied’, ‘gemengd landelijk gebied’ (zie volgende figuur).

8

Figuur 6: Uitsnede ‘Basiskaart landelijk gebied’ Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (plangebied rood omkaderd)

Tevens gelden ter plaatse van het plangebied rechtstreeks werkende regels in verband met stalderingsgebied en is het plangebied gelegen binnen de zone ‘beperkingen veehouderij’, waar een verbod op uitbreiding van de veehouderij geldt. Echter, de beoogde ontwikkeling betreft geen ontwikkeling van een veehouderij, waardoor de bijbehorende regels niet van toepassing zijn. De volgende regels zijn van toepassing op onderhavig initiatief: • Artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; • Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik; • Artikel 3.7 Toepassing van de lagenbenadering; • Artikel 3.8 Meerwaardecreatie; • Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; • Artikel 3.80 Ruimte-voor-ruimte. Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit In artikel 3.5 zijn regels opgenomen voor de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. Deze zijn opgenomen om een bijdrage te leveren aan een juiste balans tussen beschermen en benutten, Bij de evenwichtige toedeling van functies speelt de balans tussen beschermen en benutten een belangrijke rol. Bij de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit gaat het zowel om het beschermen van waarden als het bijdragen aan de ontwikkeling van waarden en functies in een gebied.

De zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit omvat een aantal basisprincipes in combinatie met een diepe en ronde manier van kijken, die afkomstig zijn uit de Brabantse omgevingsvisie: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. Onderhavig plan ziet op de realisatie van een tweetal Ruimte-voor-ruimtewoningen. De agrarische bestemming wordt gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’, waarmee een tweetal bouwpercelen ontstaan. De woonbestemmingen betreffen in het buitengebied passende functies. De ontwikkeling draagt bij aan een goede omgevingskwaliteit doordat met de verwerving van de Ruimte-voor-ruimtetitels één of meerdere veehouderijen zijn beëindigd wat resulteert in zowel een milieuwinst als ruimtelijke winst (sloop van bebouwing). Daarnaast zorgt het aanbrengen van beplanting rondom de nieuwe woningen voor een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap.

9

Zorgvuldig ruimtegebruik In artikel 3.6 worden de regels voor zorgvuldig ruimtegebruik weergegeven. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is al geruime tijd in het provinciaal beleid verankerd en omvat diverse aspecten. Doel is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied door nieuwvestiging is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag krijgt ook vorm door eerst de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Dat betekent niet dat alle fysieke ruimte benut moet worden voordat nieuw ruimtebeslag mogelijk is. Binnen stedelijk gebied is vanuit kwaliteitsoverwegingen bijvoorbeeld ook ruimte nodig voor groenvoorzieningen en voldoende opvang van water. Een verbijzondering voor stedelijke ontwikkeling is dat er toepassing gegeven moet zijn aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Een ander aspect van zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt dat gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen het bouwperceel.

Het is niet wenselijk dat overal ‘los’ in het landelijk gebied dergelijke voorzieningen worden opgericht. Ten aanzien van de Ruimte-voor-ruimtewoningen worden nieuwe bouwpercelen gecreëerd in agrarisch gebied, binnen een bebouwingconcentratie aan de rand van de kern Someren. De nieuw op te richten woningen en bijbehorende bouwwerken worden in een cluster rondom een centraal middenerf gebouwd, waardoor de nieuwe bebouwing wordt geconcentreerd in het midden van het plangebied. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij het naastgelegen plan De Hoof 7. De locatie wordt op een zorgvuldige wijze landschappelijk ingepast, waarbij de bestaande zichtlijnen in het landschap in tact worden gelaten en middels nieuwe beplanting worden begeleid en geaccentueerd. Ingeval van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). In paragraaf 3.1.2 is gemotiveerd dat een verdere toetsing aan de Ladder niet noodzakelijk is. De twee woningen worden ontsloten op de Hollestraat door één centrale ontsluitingsweg.

Ten aanzien van de gevolgen van de beoogde ontwikkeling op de omgeving wordt in het plan rekening gehouden met bodemkwaliteit, waterhuishouding, cultuurhistorische waarden, ecologische waarden en landschappelijke waarden en overige aspecten om te voldoen aan een goede ruimtelijke ordening (zie hoofdstuk 4 en 5). Het plan draagt bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van de naaste omgeving. Er wordt toepassing gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Toepassing van de lagenbenadering In artikel 3.7 worden regels gesteld ten aanzien van toepassing van de lagenbenadering. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Dit betekent dat het effect van de beoogde ontwikkeling op de ondergrond, de netwerklaag en de bovenste laag beschouwd moet worden. Met het effect op de ondergrond worden onder andere de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.

In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Door hierin actief de factor tijd te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. De toetsing van de gevolgen voor het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 en 5 van deze toelichting.

10

Meerwaardecreatie In artikel 3.8 worden regels gesteld ten aanzien van meerwaardecreatie. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 3.9 van de Iov kan deel uit maken van de meerwaardecreatie. Een verbetering zoals hierboven beschreven kan onder andere bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, wegnemen van verharding of het slopen van bebouwing. De ontwikkeling ziet op het realiseren van een tweetal Ruimte-voor-ruimtewoningen middels het verwerven van twee Ruimte-voor-ruimtetitels. Deze titels zijn vrijgekomen doordat elders een oppervlakte aan voormalige stallen van een intensieve veehouderij is gesloopt en fosfaatrechten uit de markt zijn gehaald, wat een aanzienlijke winst voor zowel het milieu als voor het landschap betekent. De ontwikkeling levert dan ook een positieve bijdrage aan de verbetering van de kwaliteit van het landschap.

Daarbij wordt ervoor gezorgd dat de ontwikkeling zorgvuldig landschappelijk wordt ingepast. Geconcludeerd kan worden dat met de ontwikkeling diverse opgaven en belangen worden gecombineerd, zodat er op meerdere vlakken/voor meerdere personen meerwaarde wordt gecreëerd. Kwaliteitsverbetering van het landschap Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Noord-Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. Een bestemmingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied voorziet daartoe in een regeling. Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van deze regeling is in 2011 een handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld. Vrijwel alle gemeenten in de provincie hebben de regeling verder uitgewerkt in beleid en regionaal afspraken gemaakt over de toepassing. Op diverse plaatsen in de verordening zijn verbijzonderingen van de kwaliteitsverbetering landschap opgenomen. De verplichtingen die daaruit voortvloeien, maken deel uit van de kwaliteitsverbetering landschap als bedoeld in dit artikel, zoals bijvoorbeeld verplichtingen tot sloop van bebouwing, het saneren van windturbines of de vastgelegde minimale verplichting voor een landschappelijke inpassing bij veehouderijen en mestbewerking. Ook wordt de mogelijkheid geboden om een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds te storten.

Het provinciale beleid ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap is op gemeentelijk niveau vertaald in de ‘Landschapsinvesteringsregeling gemeente Someren 2020’. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de bouw van een tweetal Ruimte-voor-ruimtewoningen. Deze ontwikkeling maakt echter een onderdeel uit van deze regeling. Er hoeft dan ook geen tegenprestatie geleverd te worden in de vorm van een forfaitaire kwaliteitsinvestering in het landschap. Wel dient de ontwikkeling landschappelijk te worden ingepast. Derhalve is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld dat als bijlage is toegevoegd. Dit plan voldoet aan het geldende beeldkwaliteitsplan. Het plan is bijgevoegd als bijlage en wordt in paragraaf 4.2 nader toegelicht. Juridische en feitelijke verankering De kwaliteitsverbetering van het landschap wordt juridisch vastgelegd enerzijds middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan en anderzijds in de anterieure overeenkomst waarmee de instandhouding van de beplanting worden geborgd. Daarmee is ook de feitelijke waarborging van de kwaliteitsverbetering van het landschap verzekerd. Ruimte-voor-ruimte In artikel 3.80 zijn voorwaarden opgenomen voor de ontwikkeling van ruimte-voor-ruimte. Het doel van deze regeling is om aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst te behalen door in ruil voor de

11

beëindigingen van een veehouderij, het inleveren van fosfaatrechten en de sloop van bedrijfsgebouwen de bouw van woningen op een passende locatie toe te staan. In lid 1 is geregeld dat kan worden voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels, indien: a. er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst; Door de aankoop van Ruimte-voor-ruimtebouwtitels is zeker gesteld dat er sprake is van ruimtelijke milieu- en kwaliteitswinst. Per te ontwikkelen Ruimte-voor-ruimtewoning dient 1.000 m² aan stallen te worden gesloopt en dient een omvang van 3.500 kg aan fosfaatrechten uit de markt te worden gehaald. b.

de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; De locatie is gelegen binnen een in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ aangeduide bebouwingsconcentratie. Er is ter plaatse van het plangebied sprake van een kernrandzone, een overgangszone van bestaand stedelijk gebied naar het buitengebied met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar met een toenemende menging van functies. Daarnaast grenst het plangebied aan de noordzijde aan het plan De Hoof 7, waar de bouw van een viertal Ruimte-voor-ruimtewoningen is voorzien, en aan de zuidzijde aan een plan met meerdere reeds gerealiseerde Ruimte-voor-ruimtewoningen aan weerszijden van de Hollestraat. De nieuwe ontwikkeling maakt dan ook deel uit van het cluster van nieuwe woningen in de oksel van de Hollestraat en De Hoof. De voorziene locatie voor de realisatie van de twee woningen is vanuit dit oogpunt een logische keuze. De ter plaatse gelegen zichtlijn blijft grotendeels gehandhaafd en in de beoogde situatie wordt deze extra geaccentueerd door het aanbrengen van begeleidende beplanting. Het plangebied is vanuit dit oogpunt gelegen op een planologisch aanvaardbare locatie. De onderbouwing hiervoor is opgenomen in de studie die is toegevoegd als bijlage 1 bij deze toelichting.

c.

een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; De woning wordt middels het aanbrengen van beplanting landschappelijk ingepast. Deze landschappelijke inpassing wordt vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan.

d.

er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling. Er is geen sprake van een aanzet voor een stedelijke ontwikkeling, maar van een duurzame inpassing van een tweetal Ruimte-voor-ruimtewoningen op een locatie binnen een bebouwingsconcentratie.

Lid 2 bepaalt dat er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit als per ruimte-voorruimtekavel is aangetoond dat is voldaan aan de volgende voorwaarden: e. een of meer veehouderijen gericht op het houden van varkens of pluimvee zijn in het geheel beëindigd waarbij alle bedrijfsgebouwen ten dienste van deze veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt; f. de onder a. bedoelde veehouderijen zijn direct voorafgaand aan de beëindiging gedurende een periode van drie jaar onafgebroken in bedrijf geweest; g. de onder a. bedoelde veehouderijen zijn gevestigd binnen Beperkingen Veehouderij of op een locatie die vanwege omliggende waarden en functies niet geschikt is voor de uitoefening van een veehouderij; h. er tenminste 1000 m² bedrijfsgebouwen ten dienste van de onder a. bedoelde veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt met een minimum van 200 m² op iedere beëindigingslocatie veehouderij;

12

i.

de ten behoeve van de onder a. bedoelde veehouderijen geregistreerde rechten betreffende de fosfaatproductie in een gezamenlijke omvang van tenminste 3.500 kg uit de markt zijn genomen door doorhaling van de bij de Dienst Regelingen geregistreerde rechten, waarbij per beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan rechten betreffende de productie van fosfaat aanwezig is; j. de rechten, bedoeld onder e. moeten vanaf het moment van beëindiging van de bedrijfsvoering tot aan het moment van uit de markt nemen geregistreerd staan op naam van de veehouderij die beëindigd; k. de omgevingsvergunning milieu voor de onder a. bedoelde veehouderij op iedere beëindigingslocatie veehouderij is ingetrokken; l. een passende herbestemming is gelegd op de locatie als onder a. bedoeld die in ieder geval het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen uitsluit; m. in redelijkheid niet op andere wijze is voorzien in de beëindiging van de onder a. bedoelde veehouderij. Ten behoeve van de realisatie van de Ruimte-voor-ruimte woningen zijn een tweetal Ruimte-voorruimtetitels verworven. Hiermee is voldaan aan bovenstaande voorwaarden. De specifieke regels ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap zijn niet van toepassing (naast de verplichte landschappelijke inpassing). Conclusie De ontwikkeling voldoet aan de regels van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Someren 2028

De Structuurvisie Someren 2028 is op 24 april 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Dit betreft een instrument dat door het gemeentebestuur wordt gehanteerd om veranderingen in de juiste richting te sturen. Het doel van structuurvisie Someren 2028 is om bestaande visies met elkaar te verbinden en om ze in onderlinge samenhang tot uitvoering te brengen. Het beleid vormt zich aan de hand van zeven thema’s: groen, milieu en duurzaamheid, infrastructuur, economie, recreatie, wonen en accommodaties, voorzieningen en leefbaarheid. Het plangebied is gelegen binnen de zone ‘kampenlandschap’. Het plangebied is tevens gelegen binnen een bebouwingsconcentratie waar aandacht dient te zijn voor de kwaliteitsverbetering van bebouwingslinten of bebouwingsclusters buiten bebouwde kom. De ontwikkeling ziet op een uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing. Dit gaat gepaard met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Het plangebied is gelegen in de zone ‘Kampenlandschap’ (zie volgende figuur).

13

Plangebied

Figuur 7: Uitsnede kaart Structuurvisie Someren 2028

Daarnaast is het plangebied gelegen tegen de zone ‘kwaliteitsverbetering bebouwingslinten of bebouwingsconcentraties buiten bebouwde kom’. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting, passend bij de huidige en oorspronkelijke landschappelijke structuren. Onderhavige ontwikkeling is derhalve passend binnen het beleid in de structuurvisie. 3.3.2 Bestemmingsplannen ‘Buitengebied Someren’ en ‘Buitengebied Someren (2011), eerste partiële herziening’ Op de locatie zijn de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Someren’ (vastgesteld op 29 juni 2011) en ‘Buitengebied Someren (2011), eerste partiële herziening’ (vastgesteld op 25 september 2014) van toepassing. Het perceel heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch met Waarden – Landschappelijke waarden’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie ‘. Daarnaast zijn de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – aardkundig waardevol’ en ‘specifieke vorm van waarde – cultuurhistorisch waardevol’ van toepassing. De locatie is tevens gelegen binnen de aanduiding ‘bebouwingsconcentratie’ (zie volgende figuur).

Figuur 8: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (plangebied rood omkaderd)

14

Het voornemen bestaat uit de bouw van een tweetal Ruimte-voor-ruimtewoningen. Deze ontwikkeling wordt niet rechtstreeks mogelijk gemaakt door de vigerende bestemmingsplannen en is hiermee dan ook in strijd. Derhalve dient een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen. 3.3.3

Landschapsinvesteringsregeling Someren

Verschillende ontwikkelingen hebben een verschillende impact op de fysieke leefomgeving. Vooral in het buitengebied is dit het geval, omdat juist daar onderscheid gemaakt kan worden tussen functies die echt thuishoren in het buitengebied, zoals natuur en agrarisch gebruik, en functies die minder aan het buitengebied zijn gebonden, zoals wonen of nietagrarische bedrijven. Deze impact op de leefomgeving wordt onder meer bepaald door: 1. De omvang van de ontwikkeling, in ruimtebeslag en/of bebouwingsmassa; 2. Is er sprake van nieuw ruimtebeslag of wordt er gebruik gemaakt van bestaande bebouwing; 3. De huidige en gewenste aard van de locatie en de omgeving; 4. De aard van de functie en de mogelijke hinder voor de leefomgeving, zoals geluidsbelasting, verkeer aantrekkende werking, de milieucategorie, et cetera; 5. Betreft het een (traditioneel) gebiedseigen of gebiedsvreemde ontwikkeling; 6. De wenselijkheid van een ontwikkeling vanuit een (sectorale) beleidswens. Om te bepalen welke mate van kwaliteitsverbetering wordt geëist bij een ruimtelijke ontwikkeling heeft de gemeente en landschapsinvesteringsregeling (LIR) opgesteld. In januari 2020 is een nieuwe landschapsinvesteringsregeling vastgesteld. De mate van negatieve impact bepaalt hoe invulling wordt gegeven aan de vereisten uit artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening.

Hierin is een onderscheid gemaakt in drie categorieën ontwikkelingen. Hoe meer impact de ontwikkeling heeft, hoe hoger de categorie en de geëiste kwaliteitsverbetering: • •

•

Categorie 1. Ontwikkelingen met weinig impact op de leefomgeving. Er is geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap nodig en er wordt dus geen extra tegenprestatie gevraagd; Categorie 2. Ontwikkelingen met een gemiddelde impact op de leefomgeving. Er zijn maatregelen nodig om de kwaliteit van het landschap te kunnen borgen. Dat gebeurt door te voorzien in een goede landschappelijke inpassing; Categorie 3. Ontwikkelingen met een relatief grote impact op de leefomgeving. Ter bescherming van de leefomgeving (landschap) moet er een extra compensatie worden geleverd. Naast de basisinspanning van een goede landschappelijke inpassing. Deze extra compensatie is de zogenaamde ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ volgens een forfaitaire berekening.

Onderhavige ontwikkeling betreft een categorie 2-ontwikkeling. Dit betekent dat het plan moet voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

15

4. Ruimtelijke aspecten 4.1

Natuur

De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen soortbescherming en gebiedsbescherming. Deze staan los van elkaar en hebben ieder hun eigen werking. 4.1.1

Gebiedsbescherming

Natura2000-gebieden Natura2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. De bescherming van deze gebieden is gebaseerd op internationale verplichtingen (Vogel- en Habitatrichtlijn). Per Natura2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Het meest nabijgelegen Natura2000-gebied betreft Strabrechtse Heide & Beuven op een afstand van circa 2,5 kilometer (zie volgende figuur).

Figuur 9: Ligging Natura2000-gebieden ten opzichte van plangebied (plangebied rood omkaderd)

Stikstofdepositie Om de stikstofdepositie op omliggende Natura2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling in beeld te brengen is een tweetal berekeningen gemaakt met het programma Aerius Calculator: • Realisatiefase: berekening van de stikstofdepositie als gevolg van de realisatiefase van de Ruimtevoor-ruimtewoningen en de sloop van het bestaande gebouw; • Gebruiksfase: berekening van de stikstofdepositie als gevolg van het gebruik van de Ruimte-voorruimtewoningen.

16

In de bijlage zijn de invoergegevens en resultaten van de berekeningen toegevoegd. Het resultaat van de berekeningen voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase laat zien dat geen sprake is van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Gelet hierop zijn geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura2000-gebieden te verwachten als gevolg van beide fasen. Overige verstorende effecten Gelet op de ruime afstand tot de natuurgebieden zijn er geen significante effecten te verwachten op de gebieden als gevolg van overige verstorende factoren (zoals verstoring door licht, geluid, versnippering). Natuur Netwerk Nederland Natuur Netwerk Nederland is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het meest nabijgelegen gebied behorende tot Natuur Netwerk Nederland is gelegen op een afstand van circa 250 meter ten zuiden van het plangebied (ecologische verbindingszone) (zie volgende figuur).

Natuur Netwerk Nederland (ecologische verbindingszone)

Figuur 10: Natuur Netwerk Nederland (plangebied rood omkaderd)

Gelet op de ruime afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling leidt deze niet tot aantasting c.q. doorkruising van deze gebieden. 4.1.2

Soortenbescherming

In zijn algemeenheid is bij ruimtelijke ingrepen sprake van directe, indirecte, tijdelijke en permanente effecten. Onder directe effecten worden effecten verstaan waarmee planten en dieren rechtstreeks te maken krijgen als gevolg van de ontwikkeling. Verlies van habitat en kwaliteit zijn directe effecten en bovendien permanent. Indirecte effecten betreffen onder andere verstoring, waarbij de aanwezigheid van mensen, licht en geluid een rol speelt. Verstoring tijdens de bouwwerkzaamheden zijn tijdelijk, maar verstoringen kunnen ook een permanent karakter hebben.

17

De Wet natuurbescherming (Wnb) kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (vogels, internationaal beschermde soorten en overige beschermde soorten). Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Toets plangebied In relatie tot de Wet natuurbescherming kan over het plangebied het volgende worden opgemerkt: • De locatie heeft geen kenmerkende specifieke natuurwaarden die planologisch zijn vastgelegd in het vigerend bestemmingsplan die in stand dienen te worden gehouden of extra zorg behoeven.

Ook liggen de gebieden behorende tot Natuur Netwerk Nederland op afstand van het plangebied; • De omliggende landerijen zijn reeds sinds lange tijd in gebruik als agrarische grond. Door de intensieve bewerking/begrazing van het land is het zeer onwaarschijnlijk dat in de directe omgeving van het plangebied beschermde soorten voorkomen; • De sloopactiviteiten zorgen voor een tijdelijke verstoring van de directe omgeving. Permanente verstoring door menselijke activiteiten, zoals licht en geluid, zullen echter beperkt blijven tot het plangebied; • Daarnaast wordt door middel van het aanbrengen van erfbeplanting de ontwikkeling landschappelijk ingepast. De erfbeplanting sluit aan bij de bestaande structuren en gebiedssoorten en draagt bij aan een aantrekkelijkere leefomgeving waardoor nieuwe rust- en verblijfplaatsen voor eventueel voorkomende soorten worden gecreëerd. Quick scan flora en fauna Op de locatie is een quick scan flora en fauna uitgevoerd 1. Doel van deze quickscan is het verkrijgen van informatie over de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en dan voornamelijk de aanwezigheid van tijdelijke of vaste rust- en verblijfplaatsen. Vogels met jaarrond beschermde nesten Het plangebied is niet geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten, namelijk de huismus, gierzwaluw, steenuil en kerkuil.

Nader onderzoek naar het voorkomen/ gebiedgebruiksfuncties van deze soorten wordt niet nodig geacht. Nader onderzoek naar boombewonende soorten welke volgens de vogelrichtlijn beschermd dienen te worden wordt niet nodig geacht door het ontbreken van een geschikt habitat. Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten Vogels met niet-jaarrond beschermde nesten (categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten, waaronder boerenzwaluw, spreeuw, koolmees, pimpelmees en zwarte roodstaart. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het 1 Quick scan flora en fauna Hollestraat kavel 1670, Someren, BNL advies, 16 december 2020

18

plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreffen lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Tijdelijke schadelijke effecten op categorie 5-soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus bij slopen en verwijderen van beplantingen). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog. Algemene broedvogels Het plangebied is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in de bomen en struiken welke aanwezig zijn binnen het plangebied. Schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord (slopen van bebouwingen en verwijderen van beplantingen).

Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen art 3.5 lid 2 en 4 van de Wnb niet worden overtreden. Aanvullend onderzoek wordt niet nodig geacht. Overige habitatrichtlijnsoorten Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikte habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Nationaal beschermde soorten In het plangebied zijn geen nationaal beschermde soorten aanwezig, waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt. Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling geldt als egel, konijn en (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden.

Op basis van vorengenoemde informatie die uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er geen aanleiding om een aanvullend flora- of faunaonderzoek uit te voeren. Tijdens werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient altijd een ecoloog ingeschakeld te worden. De geplande activiteiten leiden niet tot overtredingen van de Wet natuurbescherming. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is dan ook niet noodzakelijk.

4.2

Landschappelijke waarden

Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Voor het opstellen van het erfbeplantingsplan is het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011 van de gemeente Someren als uitgangspunt gebruikt. Het plan is vastgesteld op 28 juni 2011. Het beeldkwaliteitsplan beschrijft de waardevolle landschappen en kenmerken van het buitengebied. In het plan zijn ontwerprichtlijnen opgenomen die bij aanvang van een ontwikkeling kunnen worden meegenomen

19

om op een passende wijze invulling te geven van in het bestemmingsplan opgenomen randvoorwaarden ten aanzien van een goede landschappelijke inpassing. Het plangebied is gelegen in de zone ‘kampenlandschap’ en is gelegen tegen een ‘lint’ (zie volgende figuur).

Plangebied

Figuur 11: Ligging plangebied ‘Beeldkwaliteitplan Buitengebied 2011 gemeente Someren’

Het kampenlandschap heeft van oorsprong een onregelmatige en kleinschalige structuur. De percelen zijn opgedeeld door singels, houtwallen en onregelmatige bosjes op de kavelgrenzen. De kleinschalige structuur is grotendeels verdwenen en de gemeente streeft er dan ook naar deze terug te brengen. De oude akkers (bolle akker, groter akkerzones) dienen wel behouden te blijven. Een dergelijke akker (open gebied) is niet gelegen in de omgeving van het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is een kleinschalige structuur gewenst. Richtlijnen structuur van het landschap: • Versterking van de kleinschaligheid van het landschap door het verbinden van bestaande groenstructuren met nieuwe van landschappelijke elementen als kleinschalige bosjes, houtwallen, boomgaarden (fruit / eiken), lagere heggen, solitaire bomen. Richtlijnen inrichting van het landschap: • Versterk de kleinschaligheid door landschappelijke elementen op erf- en perceelsgrenzen (houtwallen, singels, kruidenberm) te planten en sluit hierbij aan op al bestaande groenstructuren; • Zijkanten begeleiden met boomgaarden, houtwallen of vrij groeiende hagen.

Richtlijnen beplanting kavel: • Voortuin met lagere gesneden haag (niet hoger dan 1,20 m) heeft naar voorkeur het karakter van een traditionele boerentuin (geen coniferen, laurierkersen en/of andere exotische planten); • Een grote boom of een groep van drie (Eik, Linde, Es, Walnoot, (Paarde)kastanje) op veilige afstand van de woning (mogelijk op de erfgrens als markering hiervan); • Gesneden haag van de voortuin gaat in de achtertuin over naar een vrij groeiende haag, heg, houtwal of boomsingel; • Dichte houtwal of onregelmatige bosperceeltjes aan de achterkant van het bouwblok. Landschappelijke analyse plangebied Het gehele plangebied is sterk ingekaderd aan twee zijden door opgaande beplanting in de vorm van rijen eiken. Via het terrein is er sprake van een zichtlijn vanaf de rand van Someren richting het achterliggende landschap. Dit doorzicht is mogelijk onder de bomen door. De zichtrelatie wordt geknepen door het garagebedrijf en tankstation aan de Loovebaan (randweg) en de redelijk recent toegevoegde Ruimte-voor-

20

Ruimte-woningen aan de Hollestraat aan de zijde van de Dellerweg. Ook aansluitend op de locatie zijn Ruimte-voor-Ruimte-woningen in ontwikkeling aan De Hoof. Landschappelijk inpassingsplan Middels het landschappelijk inpassingsplan wordt vorm gegeven aan de landschappelijke wig tussen de bebouwing aan de Dellerweg en aan De Hoof door een nieuw cluster in de oksel van de bestaande structuren in te voegen binnen een nieuwe groene omkadering. Het nieuwe groene kader bestaat enerzijds uit landschappelijke wiggen (grasland met bosjes) en anderzijds uit een ondersteunende beplantingsstructuur (een transparante bomenrij aan de open zijde en twee grotere landschapselementen tegen de bestaande eikenrij). De nieuwe bebouwing maakt deel uit van het cluster van nieuwe woningen in de oksel van de Hollestraat en De Hoof. De situering van de kavels en de gekozen landschappelijke inpassing ondersteunen de groene wig en de bestaande zichtrelatie. Ruimtelijk worden de nieuwe woningen losgekoppeld van de Hollestraat middels een kleine groene wig aan de wegzijde. Een dergelijke kleine wig, haaks op de grote landschappelijke wig, maakt deel uit van de landschappelijke inpassing aan de achterzijde. De landschappelijke inpassing bestaat uit transparante bomenrij aan de zijde van de groene wig met aan de achterzijde een bosje en een hoogstamfruitboomgaard tegen de bestaande bomenrij.

Een kleine groene wig scheidt beide landschapselementen. De volgende figuur toont een uitsnede van het landschappelijk inpassingsplan.

Figuur 12: Uitsnede landschappelijk inpassingsplan

21

Voor een toelichting op het landschappelijk inpassingsplan en de gemaakte keuzes wordt volledigheidshalve verwezen naar de rapportage die als bijlage is toegevoegd. Er wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijke beeldkwaliteitsplan en de handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap.

4.3

Cultuurhistorie en archeologie

4.3.1

Cultuurhistorische en aardkundige waarden

Cultuurhistorie neemt een belangrijke plaats in binnen de ruimtelijke ordening. Met cultuurhistorische waarden dient bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden in de vorm van bescherming en behoud van deze karakteristieke gebiedswaarden. Volgens de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart 2010, herziening 2016’ van de provincie Noord-Brabant is het plangebied gelegen binnen de cultuurhistorisch waardevolle regio Peelrand (zie figuur).

Hollestraat: lijn van redelijk hoge waarde

Peelrand

Figuur 13: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant (plangebied rood omkaderd)

De Peelrand is een overwegend oud en gevarieerd zandlandschap met een kralensnoer van agrarische nederzettingen, akkercomplexen, weilanden en bossen. De oude dorpen liggen in een wijde boog rond het voormalige hoogveengebied. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Het beleid is hier gericht op het behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio en de cultuurhistorische waarden van de Peelrand in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. De Hollestraat is aangewezen als historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan de aanwezige cultuurhistorische waarden van het gebied.

22

4.3.2

Archeologische waarden

Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Gezien dit uitgangspunt moeten, in het geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge verwachtingswaarde voor archeologisch erfgoed, de archeologische waarden door middel van een vooronderzoek in kaart worden gebracht. Het plangebied is volgens de vastgestelde archeologiebeleidskaart van de gemeente Someren gelegen in ‘categorie 4-gebied’ waarin een hoge archeologische verwachting geldt (zie volgende figuur).

Plangebied

Figuur 14: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Someren, Archeologische verwachtingen- en waardenkaart 2015

Hier geldt een onderzoeksplicht bij het bouwen van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde met een oppervlakte groter dan 250 m² en/of een diepte van meer dan 40 cm. Aangezien de drempelwaarden worden overschreden met de bouw van de woningen en bijgebouwen, dient een archeologisch bureau- en veldonderzoek te worden uitgevoerd. Archeologisch onderzoek Binnen het plangebied is een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd 2. Doel van het bureauonderzoek is een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen voor het plangebied. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd. Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting vanaf het Laat-Paleolithicum vanwege de ligging op een dekzandrug met hoge zwarte enkeerdgronden in de nabij van een beekdal. Specifiek relevant voor de periode Laat-Paleolithicum-Vroeg-Neolithicum ligt het plangebied mogelijk net binnen een gradiëntzone. Voor landbouwers (Midden-Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen) is de verwachting hoog vanwege de hogere ligging op een dekzandrug. Omdat de bodem uit lemig zand bestaat gaat het bovendien om een redelijk vruchtbare bodem.

Omdat het plangebied en directe omgeving begin 19e eeuw onbebouwd was is de archeologische verwachting middelhoog voor de Nieuwe tijd.

2 Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Hollestraat (ong.), Someren gemeente

Someren (NB), Laagland Archeologie, februari 2021

23

Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Verder zijn twee profielputjes gegraven omdat in een afgestoken profiel de bodemopbouw duidelijker is en de overgangen duidelijker zichtbaar zijn. Bovendien kan het profiel ook door derden geïnterpreteerd kan worden. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans hoog dat het plangebied archeologische sporen bevat. Vanwege het ontbreken van horizonten met een natuurlijke bodemvorming is de archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum-Vroeg-Neolithicum laag. Omdat in het plangebied voornamelijk enkeerdgronden met een onverstoorde ondergrond zijn aangetroffen kan de in het archeologisch bureauonderzoek gespecificeerde hoge archeologische verwachting vanaf het MiddenNeolithicum tot Late Middeleeuwen en de middelhoge archeologische verwachting voor de Nieuwe tijd worden gehandhaafd. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems).

Alleen voor de gele zone wordt een verstoorde ondergrond verwacht en wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren. Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). De opdrachtgever heeft aangegeven dat op de zuidoostelijke helft geen bodemingrepen zijn voorzien en dat ook de bestemming agrarisch met waarden – landschappelijke waarden niet zal veranderen. Om die reden wordt geadviseerd om de zuidoostelijke helft vrij te stellen van archeologisch onderzoek in het kader van deze ontwikkeling en de archeologische dubbelbestemming te handhaven. Een belangrijk deel van deze zone is op basis van het verkennend booronderzoek ook verstoord. Voor het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek dient een door het bevoegd gezag goed te keuren programma van eisen (PvE) te worden opgesteld. Geadviseerd wordt om de proefsleuven in het daadwerkelijk te verstoren gebied uit te voeren. De norm is dat minimaal 8% van het relevante plangebied door middel van proefsleuven wordt onderzocht. Het relevante plangebied het noordwestelijke deel van het plangebied. Proefsleuvenonderzoek Ter plaatse van het plangebied is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd 3.

In het onderzoeksgebied zijn tijdens het veldonderzoek 16 archeologische grondsporen en 6 vondsten aangetroffen. De sporen bevonden zich in de top van het dekzand. De sporen bestaan uit paalkuilen en esgreppels. De vondsten bestaan uit drie scherven uit de Vroege Middeleeuwen en een brokje baksteen en twee metaalvondsten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd. De paalkuilen dateren op basis van de spoorcontouren en de vondsten waarschijnlijk uit de Vroege Middeleeuwen. In werkput 2 is een kleine spoorconcentratie aangetroffen. De esgreppels dateren uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd. De bodemopbouw bestaat uit een moderne bouwvoor, op een oud-bouwlanddek, op de C-horizont van het dekzand. Op sommige plekken zijn twee lagen te onderscheiden in het oud-bouwlanddek. Werkputten 1 en 2 wijken iets af van de andere werkputten. In werkput 1 is onder het oud-bouwlanddek een oude akkerlaag aangetroffen en in werkput 2 is hier een verploegde laag aangetroffen. In werkputten 1 en 2 is de

3 Someren, Hollestraat (ong.) Gemeente Someren (NB), Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven,

karterende en waarderende fase, Transect, 9 april 2021

24

bodemopbouw grotendeels intact, maar in de andere werkputten is de bodem grotendeels verstoord met relatief veel esgreppels. Op basis van de resultaten kan worden geconcludeerd dat er sprake is van één vindplaats, bestaande uit de paalkuilen uit de Vroege Middeleeuwen. De hoge verwachting uit het vooronderzoek is hiermee deels bevestigd. Echter heeft de vindplaats een lage waarderingsscore gekregen voor de fysieke en inhoudelijke kwaliteit, waardoor er geen sprake is van een behoudenswaardige vindplaats. Advies Het selectieadvies omvat de volgende mogelijkheden: (1) het vrijgeven van het plangebied; (2) het behoud in situ van vindplaatsen (fysiek beschermen); of (3) het behoud ex situ van vindplaatsen (definitief opgraven). Het selectieadvies wordt voorgelegd aan de bevoegde overheid, die uiteindelijk een selectiebesluit moet nemen. Uit het proefsleuvenonderzoek is gebleken dat er geen sprake is van een behoudenswaardige vindplaats in het plangebied. Als zodanig wordt geadviseerd het plangebied archeologisch vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Er wordt een voorwaardelijke bepaling toegevoegd aan de regels van het bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10248223/1