7a Toelichting BP Smulderslaan 51
Tekst van het document
Geitenhouderijen
Middels de beoogde herbestemming wordt geen nieuw gevoelig object opgericht. De bedrijfswoning blijft onderdeel uitmaken van de agrarische inrichting. Derhalve is de beoogde ontwikkeling in het kader van het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’ geen bezwaar. 4.8.2.3
Gewasbeschermingsmiddelen
Middels deze herbestemming wordt geen nieuw gevoelig object opgericht. De bedrijfswoning blijft onderdeel uitmaken van de agrarische inrichting. Dit aspect is niet aan de orde bij deze herbestemming. Deze woning is aanwezig. Deze herbestemming wijzigt niets aan de gevoeligheid van de woning ten opzichte het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Crijns Rentmeesters bv
30
Bestemmingsplan ‘Smulderslaan 51 Someren - Heide’ - Toelichting
4.9
Bedrijven en milieuzonering
4.9.1
Beleidskader
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Deze lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In deze lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het plangebied kan getypeerd worden als gelegen binnen een gemengd gebied. Het kan in een gemengd gebied gaan om bestaande gebieden met functiemenging of gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt onder een gemengd gebied verstaan.
De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in gemengd gebied, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.
4.9.2
Toets
4.9.2.1
Bedrijven in de omgeving van het plangebied
Het plangebied is gelegen binnen een agrarisch concentratiegebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn enkel agrarische bedrijven gelegen. Het dichtst bij de bedrijfswoning gelegen dieren verblijf is gelegen op een afstand van meer dan 50 meter tot de woning aan Smulderslaan 51. De woning blijft in de huidige aard en omvang aanwezig. Er wordt geen gevoelige functie toegevoegd. Binnen het plangebied is in de huidige situatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig in het kader van bedrijven- en milieuzonering. Dit blijft in de beoogde situatie ongewijzigd. 4.9.2.2
Bedrijf binnen het plangebied
Binnen het plangebied is in de huidige situatie een varkenshouderij aanwezig. Deze varkenshouderij wordt gesaneerd en binnen het plangebied resteert een grondgebonden bedrijf of vollegrondsteeltbedrijf. Het houden van varkens betreft een categorie 4.1 bedrijf in het kader van bedrijven en milieuzonering. Een grondgebonden agrarisch bedrijf of een vollegrondsteeltbedrijf betreft een categorie 3.2 bedrijf. Hiermee is sprake van verlaging van de bedrijfscategorie met deze herbestemming. Dit levert een positieve bijdrage op het woon- en leefklimaat voor de bedrijfswoning en de directe omgeving.
4.10
Externe veiligheid
4.10.1
Beleidskader
4.10.1.1 Inleiding Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoe-
Crijns Rentmeesters bv
31
Bestemmingsplan ‘Smulderslaan 51 Someren - Heide’ - Toelichting
lige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst: −
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi);
−
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations;
−
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations;
−
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb);
−
Structuurvisie buisleidingen;
−
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet;
−
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).
De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). 4.10.1.2 Risico-contouren Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1.
Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten;
2.
Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.
4.10.1.3 Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Dit is opgenomen in navolgende tabel. Bron
Wanneer groepsrisicoverantwoording?
Inrichtingen (Bevi) Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Buisleidingen
Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan
(Bevb)
met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden.
Crijns Rentmeesters bv
32
Bestemmingsplan ‘Smulderslaan 51 Someren - Heide’ - Toelichting
Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Weg, spoorweg of Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan binnenwater (Bevt) met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Tabel 1: Tabel met verantwoordingsplicht groepsrisico's
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. 4.10.1.4 Overige wet- en regelgeving Ook wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘(art. 3.1 Wro) onder andere getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.
4.10.2
Toets
4.10.2.1 Bedrijven Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een inrichting met betrekking tot de externe veiligheid. In de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen waarvoor een risico-contour geldt in het kader van de externe veiligheid. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de risicokaart externe veiligheid voor de omgeving van het plangebied, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.
Plangebied
Figuur 18: Uitsnede van de risicokaart externe veiligheid voor de omgeving van het plangebied
4.10.2.2 Transport van gevaarlijke stoffen over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. Het plangebied is niet gelegen binnen een invloedsgebied van een weg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘Smulderslaan 51 Someren - Heide’ - Toelichting
4.10.2.3 Transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen De binnen het grondgebied van Someren aanwezige ondergrondse buisleidingen zijn parallel aan de westelijke en oostelijke gemeentegrens gelegen. De afstand van deze buisleidingen tot het plangebied is zodanig groot, circa 2 kilometer, dat er geen sprake is van een veiligheidsrisico. 4.10.2.4 Vervoer van gevaarlijke stoffen via andere kanalen Op het grondgebied van de gemeente Someren bevindt zich geen spoortracé. Daarbij is er in de wijde omgeving van het plangebied geen waterweg aanwezig. Deze aspecten zijn niet van toepassing. Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. Aan de zuidoostzijde van de gemeente Someren, parallel aan de gemeentegrens met Asten, bevindt zich een hoogspanningslijn. Deze hoogspanningslijn bevindt zich op een dermate grote afstand dat er geen veiligheidsrisico aanwezig is.
4.11
Luchtkwaliteit
4.11.1
Beleidskader
4.11.1.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. 4.11.1.2 Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. 4.11.1.3 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd.
Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijnstof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde.
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.
Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘Smulderslaan 51 Someren - Heide’ - Toelichting
4.11.1.4 Besluit gevoelige bestemmingen Sinds 2009 beperkt het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en Rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Daarom stelt het besluit onderzoekszones in. Binnen die onderzoekszones is luchtkwaliteitsonderzoek nodig. Deze zone betreft een breedte van 300 meter breed bij Rijkswegen en 50 meter bij provinciale wegen, aan weerszijde van deze wegen. Het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming' mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden.
4.11.2
Toets
4.11.2.1 Uitstoot schadelijke stoffen Met dit plan wordt een intensieve veehouderij gesaneerd. Hiermee is sprake van een forse vermindering van de uitstoot van gevaarlijke stoffen. Het gebruik van de bedrijfswoning blijft ongewijzigd. Het agrarisch bedrijf blijft in werking als agrarisch bedrijf, maar het houden van vee wordt uitgesloten. Dit plan leidt niet tot een toename van de uitstoot van gevaarlijke stoffen. 4.11.2.2 Uitstoot van gevaarlijke stoffen Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor het plangebied en directe omgeving weer.
Plangebied
Figuur 19: Fijnstof 2018 PM10 (bron: Atlas leefomgeving) voor het plangebied
Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘Smulderslaan 51 Someren - Heide’ - Toelichting
Plangebied
Figuur 20: Fijnstof 2018 PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving) voor het plangebied
Voor het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 20-21 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 12-13 µg/m³. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 voor het plangebied en directe omgeving weer.
Plangebied
Figuur 21: Stikstofdioxide 2018 (bron: Atlas leefomgeving) voor het plangebied
Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 14-16 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dat er in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is. 4.11.2.3 Besluit gevoelige bestemmingen Binnen het plangebied worden geen gevoelige bestemmingen in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen toegevoegd.
Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Smulderslaan 51 Someren - Heide’ - Toelichting
4.12
Mer-beoordeling
4.12.1
Beleidskader
De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In dit besluit is de nieuwe procedure voor vormvrije-mer beoordelingen opgenomen.
In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling. Op basis van de criteria die genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling wordt voor de beoogde ontwikkeling een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. De criteria zijn hierna aangegeven. “Criteria bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling 1.
Kenmerken van het project: a. Omvang van het project; b. Cumulatie met andere projecten; c. Gebruik van natuurlijke grondstoffen; d. Productie van afvalstoffen; e. Verontreiniging en hinder; f.
2.
Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën.
Plaats van het project: a. Bestaand grondgebruik; b. Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (Wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en
Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Smulderslaan 51 Someren - Heide’ - Toelichting
natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van cultuurhistorisch, cultureel of archeologisch belang. 3.
Kenmerken van potentiële effect: a. Bereik van het effect (geografische onze en grootte van de getroffen bevolking); b. Grensoverschrijdend karakter van het effect; c. Waarschijnlijkheid van het effect; d. Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.”
4.12.2
Toets
4.12.2.1 Toets aan drempelwaarden Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan met een omvang van 125 hectare of meer. De herbestemming van het plangebied overschrijdt deze drempelwaarden niet. 4.12.2.2 Vormvrije m.e.r. beoordeling Kenmerken van het project Binnen het plangebied vindt sanering van een veehouderij plaats. In deze toelichting is aangetoond dat deze herbestemming niet leidt tot verontreiniging en hinder. Het risico op ongevallen is niet aanwezig. De sanering van de veehouderij leidt tot een waarneembare afname van geur, gevaar, stof of geluid. Plaats van het project Het plangebied is gelegen in een agrarisch concentratiegebied. Binnen het plangebied zijn geen natuurlijke waarden aanwezig. In samenhang met deze herbestemming wordt de benodigde landschappelijke inpassing verankerd in de regels, waarbij gebruik wordt gemaakt van een forse inpassing met streekeigen beplanting. De beoogde herbestemming past binnen de aard en schaal van het gebied. Kenmerken van potentiële effect Het effect van de beoogde ontwikkeling op de omgeving is beperkt en valt binnen de hiervoor gestelde normen. Dit is in deze toelichting aangetoond. Er is geen sprake van een grensoverschrijdende karakter bij deze herbestemming.
Uit deze toelichting blijkt dat de kans op negatief effect op de omgeving nihil is. 4.12.2.3 Conclusie Uit gevoerd onderzoek blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen aantasting van milieu en omgeving met zich meebrengt waardoor een MER dient te worden opgesteld.
Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Smulderslaan 51 Someren - Heide’ - Toelichting
5.
PLANOPZET
5.1
Plansystematiek
5.1.1
Algemeen
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het plan. De verbeelding en regels dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.
5.1.2
Verbeelding
Op de verbeelding, die bestaat uit één kaartblad, zijn de bestemmingen en aanduidingen van de gronden in het plangebied aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen is terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens heeft juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (bijvoorbeeld kadastrale en topografische gegevens en huisnummers).
5.1.3
Regels
5.1.3.1
Inleiding
In de regels staan regels voor het gebruik van gronden binnen de bestemming in het plangebied en voor het oprichten en gebruiken van bebouwing op die gronden. De regels zijn ingedeeld in vier hoofdstukken. 5.1.3.2
Hoofdstuk 1: Inleidende regels
Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen. In de artikelen 1 en 2 zijn begripsbepalingen en meetvoorschriften opgenomen die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de voorschriften in de overige hoofdstukken. 5.1.3.3
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk bestaat uit de artikelen die corresponderen met de bestemmingen op de verbeelding. De regels in een bestemming zijn als volgt opgebouwd en benoemd: 1.
bestemmingsomschrijving;
2.
bouwregels;
3
afwijken van de bouwregels;
4
specifieke gebruiksregels;
5
afwijken van de gebruiksregels ;
6
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
7
omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
8
wijzigingsbevoegdheid.
Een bestemmingsregel hoeft niet alle elementen te bevatten. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Indien er sprake is van andere aan de grond toekende functies, worden deze
Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Smulderslaan 51 Someren - Heide’ - Toelichting
daarna omschreven. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in woningen, bijgebouwen, bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor een toetsing van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen overzichtelijk is. 5.1.3.4
Hoofdstuk 3: Algemene regels
Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin regels zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. 5.1.3.5
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels
Dit hoofdstuk bevat 2 regels, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het hele plangebied, namelijk het overgangsrecht en de slotregel.
5.2
Bestemmingen
5.2.1
Agrarisch
De gronden gelegen tussen het bedrijf en de Smulderslaan zijn bestemd als ‘Agrarisch’. Deze bestemming in ongewijzigd overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Op een gedeelte van deze gronden is de landschappelijk inpassing voor het bedrijf gesitueerd en verankerd.
5.2.2
Agrarisch – Agrarisch Bedrijf
Op grond van de regels voor de agrarische bedrijfsbestemming wordt het houden van vee uitgesloten. Het voeren van een grondgebonden bedrijf of voor de vollegrondsteelt blijft mogelijk. Binnen het plangebied is een bedrijfswoning gelegen die als zodanig wordt aangeduid.
Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Smulderslaan 51 Someren - Heide’ - Toelichting
6.
UITVOERBAARHEID
6.1
Economische uitvoerbaarheid en Grexwet
De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch wordt gemaakt in ruimtelijk plan. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd en geen locatie-eisen (aan openbare weg of woningcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Voor de herbestemming van het plangebied sluit de gemeente met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst. Hiermee is kostenverhaal zeker gesteld.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Dit bestemmingsplan wordt conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt, waarna het plan of onderdelen van dit plan kunnen worden heroverwogen.
Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Smulderslaan 51 Someren - Heide’ - Toelichting
7.
PROCEDURE
7.1
Procedure
De bestemmingsplanprocedure conform de Wro wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wro zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: -
het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage;
-
gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;
-
binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast;
-
de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen;
-
Gedeputeerde Staten hebben een zienswijzen ingediend en deze zienswijzen is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan;
-
De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten - wijzigingen aangebracht.
Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend zijn gemaakt nadat zes weken zijn verstreken.
7.2
Inspraakprocedure
In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In de inspraakverordening is aangegeven dat inspraak wordt verleend wanneer dit wettelijk verplicht is. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend. Gezien de aard van het project is besloten om dit bestemmingsplan niet voor inspraak ter inzage te leggen.
7.3
Overleg ex artikel 3.1.1. Bro
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Conform artikel 3.1.1 Bro zijn de provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg.
Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Smulderslaan 51 Someren - Heide’ - Toelichting
7.4
Zienswijzen
Het ontwerp van dit bestemmingsplan is met ingang van 8 oktober 2021 voor een termijn van 6 weken ter inzage gelegd. Er zijn geen zienswijzen ontvangen. Dit bestemmingsplan is daarna ongewijzigd ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.
Crijns Rentmeesters bv
43