CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

7a Bestemmingsplan Hoevenstraat 4 - Toelichting

Gemeenteraad 22 april 2021, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Hoevenstraat 418.665 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De evaluatie van de rekenresultaten en conclusies zijn in hoofdstuk 5 van de rapportage als volgt verwoord: Floreffestraat De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 41 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Niet gezoneerde weg Hoevenstraat • Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de weg wel beschouwd en wordt ook het toetsingskader van de Wet geluidhinder gehanteerd. • In een aantal waarneempunten zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de ‘voorkeursgrenswaarde’. • De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 52 dB, inclusief aftrek artikel 110g. Hiermee ligt de waarde boven de voorkeursgrenswaarde, wanneer getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. • De achterzijde van de woningen is in ieder geval een geluidluwe zijde. • Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarde ten aanzien van deze weg te worden aangevraagd. • Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel.

Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. Hiervoor wordt verwezen naar tabel 4.3, kolom comforteis. Men is voornemens om uit te gaan van gebalanceerde ventilatie en te openen delen te voorzien van een rondgaande kierdichting. Hiermee wordt een gevelgeluidwering van minimaal 25 dB

30

gerealiseerd en zou een aanvullend onderzoek naar de gevelgeluidwering niet nodig zijn. Hieruit volgt dat het planvoornemen voldoet aan de Wet geluidhinder en in het kader van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar wordt geacht.

Industrielawaai De projectlocatie is niet gelegen binnen een geluidgezoneerd industrieterrein, waardoor het aspect industrielawaai geen belemmering vormt voor de beoogde woningbouw.

4.2 Bodem Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Het planvoornemen voorziet in de sloop van de bestaande woning en de bouw van 5 grondgebonden seniorenwoningen. Hierbij zijn bodemingrepen noodzakelijk.

31

In april 2020 heeft Archimil B.V. te Asten een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd. In het bodemonderzoeksrapport van 30 april 2020, rapportnummer 1618R019-3, dat als bijlage bij deze plantoelichting is gevoegd, zijn de conclusies en aanbevelingen van het verkennend bodemonderzoek als volgt verwoord: Het onderzoek heeft betrekking op het terrein gelegen aan de Hoevenstraat 4 te Someren. Het doel van een verkennend bodemonderzoek is door een relatief geringe inspanning een inzicht te verkrijgen van de bodemgesteldheid. Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: 1. De grond uit de bovenlaag (tot 1 m-mv) is plaatselijk zeer licht verontreinigd met PCB’s. 2. De grond uit de onderlaag (0,55-2 m-mv) is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. 3. Het grondwater is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. 4. De hypothese niet-verdachte locatie kan, voor de ondergrond en het grondwater, worden aangenomen op basis van de onderzoeksresultaten. 5. De hypothese niet-verdachte locatie dient, voor de bovengrond, formeel gezien te worden verworpen op basis van de onderzoeksresultaten. Naar aanleiding van bovenstaande conclusies merken wij het volgende op: 1.

Ons inziens behoeven er, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan- of verkoop van of herontwikkelingen op de onderzochte locatie; 2. De zeer lichte verontreinigingen met PCB’s in de bovengrond vormen geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek conform de Circulaire Bodemsanering [8]. De aanwezigheid van bovengenoemde componenten vormt, gezien de concentraties, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen bezwaar; 3. Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit. Omdat op de locatie een puinverhardingslaag aanwezig is onder de klinkerverharding, heeft Archimil B.V. in juli 2020 aanvullend een asbestonderzoek uitgevoerd. De rapportage van 3 augustus 2020 is als bijlage bij deze plantoelichting gevoegd. Uit de analyse van de boorstaten blijkt dat er sprake is van een fundering van menggranulaat. Verspreid over de verharde oprit zijn conform de NEN 5897 inspectiegaten gegraven tot 0,5 m-mv. De locaties van de inspectiegaten en beschrijving van de bodemopbouw is opgenomen in de boorstaten. Uit de boorprofielen volgt dat sprake is van een funderingslaag met een dikte van circa 30 cm. In de onderliggende bodemlaag zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen.

In de grove fractie (>20 mm) van het uitkomend materiaal uit de inspectiegaten is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In de fijne fractie (<20 mm) van de laag menggranulaat is analytisch geen asbest aangetroffen. Derhalve is in de funderingslaag geen asbest aangetroffen en is onverdachtheid van de puinfundering voor een verontreiniging met asbest bevestigd. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.3 Milieueffectrapportage Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. De milieueffectrapportage is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (artikel 7.1 tot en met artikel 7.42). In artikel 7.2, lid 1 is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu en ten

32

aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Voor deze activiteiten zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (AMvB) categorieën van plannen aangewezen waarvoor een m.e.r.- plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Alle andere vormen van ontwikkeling zijn in principe niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, maar er kan hiervoor wel een nadere motivering vereist zijn. Op 16 mei 2017 is de Implementatiewet “herziening m.e.r.-richtlijn in werking getreden. Met deze wet is de herziene Europese m.e.r. -richtlijn in Nederlandse wetgeving vertaald. Het doel van de herziene m.e.r. richtlijn is de m.e.r.-beoordelingsprocedure te verduidelijken, de kwaliteit en de inhoud van het MER te verbeteren en de m.e.r.-procedure te stroomlijnen met milieubeoordelingen van andere EU regelingen. Op basis van deze wetgeving worden voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling enkele procedurele vereisten uit de Wet milieubeheer van toepassing. Dit betekent dat de initiatiefnemer voortaan een melding moet doen van het voornemen om een activiteit uit te voeren die beneden de drempelwaarde van de D-lijst van het Besluit m.e.r. blijft. Gelet op de ontwikkeling, de bouw van vijf extra woningen, kan gesteld worden dat dit geen stedelijke ontwikkeling is (minder dan 11 woningen en < 500 m2 ).

Hoewel deze conclusie volgt uit het Bro, kan gelet op de aard en kleinschalige omvang van het project deze conclusie ook in dit verband overeind blijven, te meer in deze plantoelichting is aangetoond dat het project geen negatieve milieugevolgen met zich meebrengt op het gebied van bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, geurhinder, gezondheid, stikstofdepositie, flora en fauna en waterhuishouding. Er is dan geen sprake van een activiteit die voorkomt op de C- of D-lijst van (de bijlage bij) het besluit m.e.r. Een vormvrije-m.e.r. is derhalve niet nodig voor onderhavige ontwikkeling.

4.4 Luchtkwaliteit In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer en de bijbehorende algemene maatregelen van bestuur (amvb's) en ministeriële regelingen is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgesteld. Op grond van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° Wabo, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. er is - al dan niet per saldo - geen verslechtering van de luchtkwaliteit; c. de bijdrage aan de concentratie van een stof is ‘niet in betekenende mate' (NIBM); d. het project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt ook voor onderhavig initiatief, omdat de ruimtelijke ontwikkeling enkel voorziet in de bouw van 5 grondgebonden seniorenwoningen. Voor fijnstof PM10 is er een jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m 3 die niet mag worden overschreden en er is een etmaalgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m 3 die niet

33

meer dan 35 keer per jaar mag worden overschreden. De jaarlijkse grenswaarde wordt in Nederland zelden overschreden. Voor fijnstof PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3. In Nederland wordt daar al aan voldaan. Voor stikstofdioxide NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 40 µg/m3. Voor wat betreft de blootstelling aan verontreiniging (PM10, PM2,5 en NO2) zijn met behulp van de NSL monitoring-tool (Monitoring NSL 2019) de concentraties ter plaatse van het plangebied bekeken. Voor het plangebied bedraagt de concentratie PM10 18,4 µm/m3 met 6,5 PM10 overschrijdingsdagen, de concentratie PM2,5 11,1 µm/m 3 en de concentratie NO2 16,1 µm/m3 . Deze waarden liggen ruim onder genoemde grenswaarden. Door Archimil B.V. is een luchtkwaliteitsonderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn per brief van 1 mei 2020 aan initiatiefnemer bekendgemaakt. Deze brief is als bijlage bij deze plantoelichting gevoegd. Archimil concludeert dat aangezien het plan slechts de toevoeging van 5 grondgebonden woningen mogelijk maakt, gesteld kan worden dat dit plan onder het begrip NIBM valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht. Ondanks dat de bouw van slechts 5 woningen in de regeling al aangewezen is als niet in betekende mate bijdragend, zijn met de NIBMrekentool de realisatiefase en de gebruiksfase van de nieuwe woningen doorgerekend.

Voor de realisatiefase zijn alle verkeersbewegingen gedurende het project als weekdaggemiddelde genomen.

*De verkeersaantallen in deze berekening zijn afkomstig uit de rapportage” Stikstofdepositie, locatie Hoevenstraat 4 Someren”, project 18335, d.d. 27 april 2020.

Daarnaast moet getoetst worden aan het Besluit gevoelige bestemmingen. Dit besluit is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Sinds 2009 beperkt dit besluit de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming 34 van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Daarom stelt het besluit onderzoekszones in. Binnen die onderzoekszones is luchtkwaliteitsonderzoek nodig. Deze onderzoekszones zijn aan weerszijde 300 meter breed bij rijkswegen en 50 meter bij provinciale wegen. De volgende gebouwen met bijbehorende terreinen worden aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord. Maar om alle vergelijkbare functies. Daarbij maakt het niet uit of de exacte aanduiding

34

ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten staat. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. In de meeste ziekenhuizen is sprake van luchtbehandeling die binnen een goede luchtkwaliteit handhaaft. Ook hebben ziekenhuizen een flinke verkeersaantrekkende werking. Dit heeft negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit in de directe omgeving. Terwijl een goede bereikbaarheid nodig is. Het onderhavige initiatief betreft de bouw van 5 grondgebonden woningen en worden dus niet als gevoelige bestemming beschouwd. Met deze berekening is bevestigd dat er geen significant effect te verwachten is op verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.5 Wet Natuurbescherming Zorg voor alle inheemse planten- en diersoorten en voor de natuurlijke rijkdommen van gebieden wordt gegarandeerd door de naleving van de wet- en regelgeving ten aanzien van natuur en milieu. De instrumenten die deze bescherming mogelijk maken zijn op Europees niveau vertaald in Natura 2000. De Europese Habitatrichtlijn en de Europese Vogelrichtlijn zijn in Natura 2000 opgenomen. De Europese wetgevingen waren in Nederland tot 1 januari 2017 vertaald in de Flora- en faunawet voor de soortbescherming en in de Natuurbeschermingswet 1988 voor de gebiedsbescherming. Nederland had daarmee de Europese wetgeving in de nationale wetgeving verankerd. Per 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1988 en de Flora en Faunawet samen met de Boswet vervangen door de Wet Natuurbescherming. In deze wet is de provincie aangewezen als bevoegd gezag voor de uitvoering van deze nieuwe wet. Per 1 januari 2017 is ook de provinciale Verordening natuurbescherming NoordBrabant inwerking getreden. In deze verordening staan alle regels voor natuurbescherming in Brabant, zowel voor Natura 2000-gebieden als in het wild levende dieren en bossen of andere houtopstanden. In de Verordening natuurbescherming zijn ook vrijstellingen opgenomen. Dit betekent dat bepaalde activiteiten uitgevoerd kunnen worden zonder vergunning, ontheffing of melding.

Aan de vrijstellingen zijn in de Verordening natuurbescherming wel voorwaarden verbonden. Nature 2000-gebieden De Wet Natuurbescherming regelt evenals de voorheen geldende Natuurbeschermingswet 1988 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor de leefgebieden van vogels en voor de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming). Verder stellen de provincies voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Naast de maatregelen in het beheerplan kunnen provincies: eisen stellen aan handelingen met gevolgen voor Natura 2000-gebieden (art. 2.4 Wet natuurbescherming), de toegang tot Natura 2000-gebieden beperken (art. 2.5 Wet natuurbescherming) en handelingen verrichten die nodig zijn met het oog op de instandhoudingsdoelstellingen (art. 2.6 Wet natuurbescherming). Om negatieve effecten op de gebieden te voorkomen is in de wet een vergunningplicht opgenomen.

In artikel 2.7, tweede lid is bepaald dat het verboden is zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

35

Alle Europese Natura 2000-gebieden zijn weergegeven op de Natura 2000 Network Viewer. Hierop is te zien dat de projectlocatie niet in een Natura 2000-gebied is gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Strabrechtse Heide & Beuven en ligt op een kortste afstand van circa 2,6 kilometer van de projectlocatie. De Groote Peel ligt op een kortste afstand van circa 6,5 kilometer en de Weerter en Budelerbergen & Ringselven ligt op een kortste afstand van circa 7,1 kilometer.

Ligging dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (bron: Natura 2000 network viewer)

Gelet op de afstand tot deze Natura-2000 gebieden is een effect van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. In het kader van de Wet natuurbescherming dient beoordeeld te worden of de realisatie van het bouwplan significante gevolgen heeft voor de stikstofgevoelige soorten binnen Natura 2000- gebieden in de omgeving. Hiertoe heeft de overheid het programma aanpak stikstof (PAS) opgezet met daaraan gekoppeld een rekenmodule genaamd Aerius. NIPA milieutechniek b.v. heeft in april 2020 de te verwachten stikstofdeposities ter plaatse van Natura 2000-gebieden berekend voor het jaar 2020. In de rapportage van 27 april 2020 met rapportnummer 18335 versie 1, die als bijlage bij plantoelichting is gevoegd, zijn de conclusies en aanbevelingen als volgt verwoord: Uit de rekenresultaten blijkt dat er zowel in de bouwfase als in de gebruiksfase op geen van de Natura 2000-gebieden een stikstofdepositie optreedt die groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Op grond van deze resultaten is er geen reden het initiatief te belemmeren. Op grond van de beoordelingssystematiek voor nieuwe activiteiten is het ten aanzien van het aspect stikstof, niet nodig een vergunning in het kader van de Wnb aan te vragen.

Flora en fauna De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 3 de bescherming van dier- en plantsoorten en bevat regels over de bescherming van vogels op grond van de Europese Vogelrichtlijn, de bescherming van soorten dieren en planten op grond van de Europese Habi-

36

tatrichtlijn, de bescherming van soorten planten en dieren die niet voorkomen in de Habitatrichtlijn, schadebestrijding, overlastbestrijding en faunabeheer, jacht, het vangen en doden van dieren, in het wild levende dieren en planten en handel en bezit van dieren en planten. De bescherming van wilde dier- en plantensoorten in Nederland was tot 1 januari 2017 geregeld in de Flora- en faunawet. Deze wet bevatte een aantal verbodsbepalingen om de in het wild voorkomende planten- en diersoorten te beschermen. De Flora- en faunawet hanteerde een drietal beschermingscategorieën (algemeen beschermde soorten, overige beschermde soorten en strikt beschermde soorten). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.

In bijlage 3 van de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant heeft de provincie in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling opgenomen voor de volgende soorten: • amfibieën: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker (of bastaardkikker) • zoogdieren: aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. Indien de voorgenomen activiteit niet verstorend werkt of geen nadelige gevolgen heeft, waardoor aangetoond kan worden dat er geen verbodsbepalingen worden overtreden voor de in het gebied voorkomende beschermde soorten, hoeft er in de meest voorkomende gevallen geen ontheffing aangevraagd te worden. In maart 2020 heeft Staro te Gemert een quickscan flora en fauna uitgevoerd. In de rapportage met rapportnummer P20-0077, die als bijlage bij deze plantoelichting is gevoegd, zijn de conclusies en aanbevelingen als volgt verwoord: Beschermde soorten In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, vlinders, libellen, kevers, weekdieren, reptielen en vissen voorkomen.

Wel geldt voor alle aanwezige soorten in het plangebied de algemene zorgplicht, zie §1.3 van dit rapport. Tabel 1 geeft een overzicht van de mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied. Soorten van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming Het woonhuis in het plangebied biedt geschikte nestgelegenheid onder de dakpannen voor gierzwaluw en huismus (foto’s 7 en 8). Tevens kan huismus ook broeden onder de dakpannen van het tuinhuisje (foto 6). Bij het slopen van het woonhuis en het tuinhuisje kunnen nesten van gierzwaluw en huismus worden vernietigd en broedende vogels worden verstoord. Deze nesten zijn jaarrond beschermd, het vernietigen is een overtreding van de Wet natuurbescherming. Voorafgaand aan het slopen van het woonhuis en het tuinhuisje dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar het gebruik van het plangebied door huismus en gierzwaluw. Op basis van de resultaten van deze onderzoeken kan worden bepaald of een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is en zo ja, welke mitigerende maatregelen genomen dienen te worden.

37

Bij het snoeien of kappen van bomen en struiken kunnen nesten worden vernietigd en broedende vogels worden verstoord. Gedurende het broedseizoen zijn nesten strikt beschermd. Het vernietigen van deze nesten in de broedperiode is een overtreding van de Wet natuurbescherming. Het snoeien of kappen van bomen en struiken (indien nodig) moet worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van vogels en wanneer geen broedgeval aanwezig is. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effect op foerageergebied van vogels; in de omgeving blijft voldoende even geschikt foerageergebied beschikbaar voor algemene vogels. Soorten van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming Het plangebied biedt geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen onder de dakpannen van het woonhuis en het tuinhuisje (foto’s 6 en 8), tevens is het mogelijk dat de vleermuizen de spouwmuur in kruipen. Vleermuizen kunnen landen op de dakrand en onder de dakpannen kruipen om een verblijfplaats te vinden. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Het plangebied biedt geen essentiële vliegroutes, zoals laanbomen of watergangen. Bij het slopen van het woonhuis en het tuinhuisje kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen worden vernietigd en individuen worden verstoord. Deze verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd, het vernietigen is een overtreding van de Wet natuurbescherming.

Voorafgaand aan het slopen van het woonhuis en het tuinhuisje dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar het gebruik van het plangebied door vleermuizen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan worden bepaald of een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is en zo ja, welke mitigerende maatregelen genomen dienen te worden. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effect op foerageergebied van vleermuizen. Soorten van paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming Alpenwatersalamander, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander kunnen de vijver gebruiken als voortplantingshabitat en de struiken en andere lage beplanting in de tuin om zich te verschuilen. Bij het verwijderen van de vijver en bij het verwijderen van de beplanting uit de tuin wordt mogelijk het voortplantingshabitat en het land- en overwinteringshabitat van bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en Alpenwatersalamander vernietigd en individuen kunnen worden verstoord of verwond. Voor bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Voor Alpenwatersalamander geldt deze vrijstelling niet.

Onder de Wet Natuurbescherming mag voor Alpenwatersalamander gebruik worden gemaakt van een goedgekeurde gedragscode en een ecologisch werkprotocol. Dit houdt in dat het verwijderen van de beplanting in de tuin wordt uitgevoerd tussen half april en half oktober, en dat het leegvissen van de vijver wordt uitgevoerd tussen begin oktober en half februari. De amfibieën die worden aangetroffen in de vijver worden uitgezet in Park het Loove. Het plangebied biedt geschikt leefgebied voor algemene (spits)muizen, eekhoorn en egel. Van eekhoorn zijn geen nesten aangetroffen. Algemene (spits)muizen en egel kunnen in de tuin van het plangebied wel verblijfplaatsen hebben. Het plangebied biedt voor

38

bunzing en steenmarter geen essentieel onderdeel van het leefgebied. Mogelijk doorkruisen deze soorten incidenteel het plangebied tijdens het foerageren. De voorgenomen werkzaamheden hebben geen significant negatief effect op bunzing en steenmarter. Bij het verwijderen van de beplanting kunnen verblijfplaatsen van algemene (spits)muizen en egel worden vernietigd, en gaat leefgebied verloren. Voor algemene (spits)muizen en egel geldt in provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Bij het kappen van de bomen gaat leefgebied voor eekhoorn verloren. Voor eekhoorn geldt geen vrijstelling. Omdat deze soort is beschermd onder §3.3 Wnb betekent mogen geen vaste voortplantings- of rustplaatsen vernietigd of beschadigd worden. In het plangebied zijn geen nesten van eekhoorn aangetroffen. Derhalve wordt met het kappen van bomen de Wet natuurbescherming niet overtreden, wat eekhoorn betreft (zie §4.2.6 voor vogels). Advies en aanbevelingen Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen plannen niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming, mits: Bomen en struiken worden gekapt buiten het broedseizoen van vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli.

Nader onderzoek laten uitvoeren naar huismus, gierzwaluw en vleermuizen, en het gebruik van het woonhuis en het tuinhuisje als nestgelegenheid en verblijfplaats. De beplanting in de tuin verwijderen tussen 15 april en 15 oktober; zo wordt rekening gehouden met de overwinteringsperiode van Alpenwatersalamander. De vijver leegvissen tussen 1 oktober en 15 februari; zo wordt rekening gehouden met de voortplantingsperiode van Alpenwatersalamander. De amfibieën die uit de vijver worden gevist worden uitgezet in of bij het water in Park het Loove. Middels het programma Aerius calculator de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden wordt berekend. Gevolgen voor (het tijdpad van) de voorgenomen plannen Nader onderzoek - Huismusonderzoek dient te worden uitgevoerd tussen 1 april en 20 juni. - Gierzwaluwonderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode van 1 juni tot 15 juli. - Vleermuisonderzoek dient te worden uitgevoerd tussen 15 mei en 30 september. Ontheffing Wet natuurbescherming - Indien verblijfplaatsen en nesten aanwezig zijn in de gebouwen dient voorafgaand aan de werkzaamheden een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd bij provincie Noord-Brabant. - De aanvraag kan pas worden ingediend als het nader onderzoek helemaal is afgerond.

De gemeente of Omgevingsdienst heeft ongeveer 26 weken nodig om uw vergunning in orde te maken, gerekend vanaf het moment dat u uw aanvraag heeft ingestuurd. Als u niet alle gevraagde informatie bij uw aanvraag meestuurt, duurt de afhandeling langer. - Voor het aanvragen van een ontheffing dient een mitigatieplan/activiteitenplan te worden opgesteld ten behoeve van de verblijfplaatsen van de beschermde soort(en). - Daarnaast dienen tijdig mitigerende maatregelen genomen te worden om een ontheffing te kunnen verkrijgen. De hier genoemde nadere onderzoeken worden in de aangegeven perioden uitgevoerd. Het aanvullende vleermuis-, gierzwaluw- en huismussenonderzoek wordt momenteel

39

conform de protocollen uitgevoerd en indien noodzakelijk worden de benodigde maatregelen hierin getroffen. Kap van houtopstanden In verband met de herontwikkeling zullen, met uitzondering van de te behouden bomen, ook bomen worden gekapt. Omdat het plangebied binnen de bebouwde kom Wet natuurbescherming ligt, is een meldings- en herplantplicht op grond van de Wet natuurbescherming niet aan de orde. Wel dient onderzocht te worden of er op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) een omgevingsvergunning voor de te kappen bomen is vereist en of er een aanlegvergunningplicht op grond van het bestemmingsplan nodig is. In artikel 4:11, eerste lid van de Algemene Plaatselijke Verordening Someren 2018 is bepaald dat het verboden is zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen. Dit gestelde verbod geldt conform het tweede lid van dit artikel onder andere niet voor houtopstand, gelegen binnen de bebouwde kom, voor zover er geen sprake is van een vermelding op de bomenlijst. De te kappen bomen zijn gelegen binnen de bebouwde kom en komen niet voor op de bomenlijst. Een omgevingsvergunning voor de te kappen bomen is dus niet vereist. In het bestemmingsplan Someren-Dorp geldt voor het plangebied met betrekking tot de bomenkap geen aanlegvergunningplicht.

Het plangebied heeft weliswaar de dubbelstemming Waarde - Archeologie 5 (zie volgende paragraaf), waarbij een vergunningplicht is opgenomen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, waaronder het rooien van diepwortelende beplanting. Deze vergunningplicht geldt niet indien de verstoringsoppervlakte kleiner is dan 2.500 m2 . Omdat de verstoringsoppervlakte kleiner is dan 2.500 m2 , is ook op grond van het bestemmingsplan geen omgevingsvergunning nodig voor de te kappen bomen.

4.6 Geurhinder veehouderijen Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij moet worden aangetoond dat het project geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat voor de woning sprake moet zijn van een goed woon- en leefklimaat. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij hebben gemeenten de bevoegdheid om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen vast te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. Onder de werkingssfeer van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) heeft de gemeenteraad van Someren op 29 september 2010 een gemeentelijk geurbeleid vastgesteld: de geurgebiedsvisie en geurverordening. Met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zijn in de geurgebiedsvisie de volgende normen voor de cumulatieve, als gevolg van stapeling van geuremissies van alle veehouderijen in het gebied, achtergrond geurbelasting opgenomen: • een norm voor de achtergrondbelasting op de woonkernen van 10 ouE/m3 (odour units); een norm voor de achtergrondbelasting in het buitengebied van 20 ouE/m3 (odour units); • in het voormalige LOG is de norm voor de achtergrondbelasting 32 ouE/m3 (odour units). Aangezien het LOG door het intrekken van de reconstructieplannen is vervallen, is de waarde van 32 odour units niet meer van toepassing..

40

Uitsnede kaart ‘achtergrondbelasting huidige situatie’ (2010)

De achtergrondbelasting op de woonkern Someren (2010) is ter plaatse van de projectlocatie niet hoger dan de gestelde norm van 10 ouE/m3. Voor de projectlocatie is deze situatie thans niet gewijzigd. Gelet op de lage achtergrondbelasting en omdat in de periode 2010 - 2020 deze achtergrondbelasting niet wezenlijk is gewijzigd, is er sprake van een goed woon- en leefmilieu. In de Verordening geurhinder en veehouderij is voor gebied1 bebouwde kom Someren (zie onderstaande detailkaart bij de verordening) een andere maximale waarde vastgesteld: de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij voor zover het een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom betreft bedraagt 3,0 ouE/m3. In de nabije omgeving van de projectlocatie zijn geen veehouderijen aanwezig die een grotere voorgrondbelasting op de projectlocatie hebben dan deze maximale waarde.

Detailkaart bij Verordening geurhinder en veehouderij 2010

41

Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen belemmering voor onderhavige initiatief.

4.7 Gezondheid Varkens- en pluimveehouderijen De effecten die veehouderijen op de volksgezondheid kunnen hebben, moeten worden betrokken bij besluiten in het kader van de ruimtelijke ordening (bestemmingsplan of omgevingsvergunning planologisch strijdig gebruik) en milieu (omgevingsvergunning milieu). Eén van de effecten op de volksgezondheid ziet op endotoxinen. Endotoxinen zijn celwandresten van bacteriën. Inademing van endotoxinen kan leiden tot ontstekingen van de luchtwegen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 EU/m3 voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht. De Gezondheidsraad gaat ervan uit dat met deze advieswaarde de gezondheid van omwonenden van veehouderijen tegen te veel aan endotoxinen kan worden beschermd. De rijksoverheid ontwikkelt een landelijk toetsingskader voor endotoxinen. Dit toetsingskader is momenteel nog niet beschikbaar. Daarom heeft het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid (team van provincie Noord-Brabant, de GGD en verschillende Brabantse omgevingsdiensten en gemeenten) vooruitlopend op de ontwikkeling van een landelijk toetsingskader de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ (Toetsingskader endotoxinen) opgesteld.

Dit toetsingskader endotoxinen kan gebruikt worden bij vergunningverlening aan veehouderijen en in het kader van ruimtelijke ordening. Uitgangspunt van het toetsingskader is genoemde advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3 voor endotoxinen. In het Toetsingskader endotoxinen zijn afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Geitenhouderijen Naar aanleiding van het VGO-2-rapport ((Veehouderij en Gezondheid Omwonenden, 16 juni 2017) heeft Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 juli 2017 besloten om het uitbreiden van geitenhouderijen en het omschakelen naar geitenhouderijen tegen te gaan, waarmee het moratorium geitenhouderij een feit was. Het moratorium is een voorzorgmaatregel en verwerkt in de Verordening ruimte Noord-Brabant. Het doel van het moratorium is te voorkomen dat rond geitenhouderijen de gezondheidslast toeneemt en (nieuwe) knelpunten ontstaan. Bij ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor afwijkend gebruik, moet altijd worden afgewogen of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’.

Eén van de leidende principes van een goede ruimtelijke ordening is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor (toekomstige) bewoners geborgd moet zijn. Milieuregels die van belang zijn voor het woon- en leefklimaat zijn ‘ruimtelijk relevant’ en kunnen daarom doorwerken in de ruimtelijke ordening. Binnen 2 kilometer van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Daarom is geen sprake van een verhoogd gevaar voor de volksgezondheid.

42

4.8 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet in werking getreden. Op grond daarvan is de gemeente verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Ook kan ingevolge artikel 41 de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wabo in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Dit laatste is overigens niet van toepassing op projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m2 . In de Nota Archeologiebeleid gemeente Someren (2012) worden de beleidsuitgangspunten en hun achtergronden beschreven. Daarnaast is in deze beleidsnota een instrumentarium aangeleverd dat dient ter implementatie van het beleid. Ter onderbouwing van het beleid is een onderzoek gedaan naar de archeologische waarden binnen de gemeente.

Dit heeft geresulteerd in de Archeologiekaart van Someren, een rapport met een reeks kaarten, waaronder een archeologische waarden en - verwachtingenkaart en een archeologische beleidskaart. De beleidskaart en beleidsnota vormen samen de noodzakelijke basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. De archeologische beleidskaart omvat de locaties en gebieden die in aanmerking komen voor planologische maatregelen gericht op behoud, inpassing en eventueel toekomstig onderzoek in het kader van verdere planontwikkeling. Daarbij zijn tevens aangemerkt de (potentieel) waardevolle locaties, waarvoor in de bestemmingsplannen, en eventueel ook op grond van de Monumentenverordening en/of Archeologieverordening (erfgoedverordening) nadere voorwaarden gelden. De legenda-eenheden 1 tot en met 5 dienen daarbij in het bestemmingsplan in planregels te worden omgezet. De belangrijkste bepalende legenda-eenheden op de beleidskaart zijn voor Someren: 1. wettelijk beschermde archeologische monumenten (categorie 1); 2. gebieden van (hoge, vastgestelde) archeologische waarde, te weten: historische hoeven, kasteel-, kerk- en kloosterterreinen, schansen, (water)molenlocaties en AMKterreinen van zeer hoge waarde (categorie 2); 3. gebieden van hoge archeologische waarde, waaronder AMK-terreinen van (hoge) archeologische waarde en de historische kernen van dorpen en gehuchten (categorie 3); 4.

gebieden met een hoge archeologische verwachting (categorie 4); 5. gebieden met een middelhoge archeologische verwachting (categorie 5); 6. gebieden met een lage archeologische verwachting (categorie 6); 7. gebieden zonder een archeologische verwachting (verstoord, opgegraven, dan wel op andere wijze vrij van archeologie) (categorie 7).

43

Archeologische beleidskaart gemeente Someren

Aan de verschillende categorieën worden door middel van bestemmingsplanvoorschriften regels verbonden. De projectlocatie ligt in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting (categorie 5). In het geldende bestemmingsplan Someren-Dorp heeft deze locatie dan ook de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5. Bij deze categorie geldt een onderzoeksplicht pas bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter en een verstoringsoppervlak van 2.500 m2 . De oppervlakte van de projectlocatie is 1.655 m 2 en dus kleiner dan 2.500 m2 , zodat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Cultuurhistorie Als onderdeel van de Monumentenwet is op 1 januari 2012 de wet Modernisering Monumentenzorg in werking getreden met een doorwerking in artikel 3.16 van het Besluit ruimtelijke ordening, waarin onder meer is bepaald dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen niet alleen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden onder de grond, maar ook met waarden boven de grond. In de toelichting moet dan ten minste een beschrijving worden neergelegd van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Uit de Cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat op de projectlocatie en in de nabije omgeving geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn.

44

Cultuurhistorische waardenkaart, CHW 2010, herzien 2016, provincie Noord-Brabant

4.9 Bedrijven en milieuzonering / hinderlijke bedrijvigheid Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De indicatieve lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. In de toelichting behorende bij de VNG-publicatie zijn twee verschillende omgevingstyperingen opgenomen, omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en omgevingstype gemengd gebied. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.

Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelas-

45

tende activiteiten veelal bepalend. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag één afstandsstap worden verlaagd. Het plangebied ligt in een woongebied van Someren en kan dus worden aangemerkt als type rustige woonwijk. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën en de bijbehorende richtafstanden voor beide omgevingstypen weergegeven, conform bijlage I van de VNG-publicatie.

In de omgeving (straal van 150 meter) van de planlocatie zijn geen niet-agrarische bedrijven gelegen. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ is dan ook niet belemmerend voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Externe veiligheid De kern van het externe veiligheidsbeleid is ruimtelijke scheiding aanhouden (zoneren) tussen (geprojecteerde) kwetsbare/beperkt kwetsbare objecten en risicobronnen. Hiervoor is het noodzakelijk dat te verlenen omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen onderling goed op elkaar zijn afgestemd. Risicobronnen voor de externe veiligheid zijn bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn (onder andere LPG-tankstations), transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water, spoor, buisleidingen, alsmede luchtvaartterreinen in algemene zin (luchtvaartveiligheid). Ter bescherming van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, moet er een bepaalde afstand in acht genomen worden ten opzichte van risicovolle inrichtingen en transportroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen. In de drie volgende subparagrafen wordt het externe veiligheidsbeleid ten aanzien van risicovolle inrichtingen, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, binnenwater en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen in hoofdlijnen beschreven.

Risicovolle inrichtingen De risiconormen voor inrichtingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn regels opgenomen betreffende de veiligheidsafstanden en berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het Bevi verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu en het maken van bestemmingsplannen rekening te houden met bepaalde eisen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) wordt daarin omschreven als "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Ten aanzien van het PR is een norm vastgesteld van 10-6 per jaar, dat wil zeggen dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar. Voor kwetsbare objecten (o.a. woningen, scholen en ziekenhuizen) geldt deze norm als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze norm als richtwaarde, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken.

46

Het groepsrisico wordt gedefinieerd als “cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is”. Als norm voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde 10-5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers, 10-7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers, 10-9 voor een ongeval met meer dan 1.000 dodelijke slachtoffers, enzovoort. De gemeente heeft een uitgebreide verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. In de directe omgeving van de projectlocatie zijn geen inrichtingen gevestigd die onder het Bevi vallen. De dichtstbijzijnde Bevi-inrichting (LPG-inrichting, Loovebaan) die op de risicokaart is aangeduid bevindt zich op zeer ruime afstand van de projectlocatie (circa 490 meter).

Uitsnede risicokaart (bron: nederland.risicokaart.nl)

Vervoer van gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet is een heel stelsel van wetten en regels die hun oorsprong hebben in verschillende gebieden. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Gevaarlijke stoffen vervoeren is risicovol en zorgt dus voor beperkingen voor de ruimtelijke ordening (ruimtelijke ordeningskant).

47

Er zijn namelijk regels om mensen die dicht bij deze hoofdwegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen wonen of verblijven een basisbeschermingsniveau te bieden. Aan dit beschermingsniveau wordt voldaan als het risico vanuit het vervoer niet hoger ligt dan wat maatschappelijk acceptabel is. Zo mogen er bijvoorbeeld geen huizen gebouwd worden vlakbij transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs) de belangrijkste wet. De Wvgs is al aangepast aan het Basisnet. Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) ontstaan. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. De risicoplafonds, die in de Regeling basisnet zijn aangewezen, worden ruimtelijk vertaald in basisnetafstanden.

De basisnetafstand is een contour rondom de basisnetroute waarop het plaatsgebonden risico ten hoogste 10-6 per jaar mag zijn. De ruimte tussen de basisnetafstanden wordt ook wel “veiligheidszone” genoemd. Binnen een veiligheidszone gelden beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen langs een basisnetroute moeten daarom vooraf worden getoetst aan de voor de desbetreffende basisnetroute vastgestelde basisnetafstand. De Regeling Basisnet is per 21 november 2016 aangepast in verband met het verkleinen van het plasbrandaandachtsgebied langs enkele rijkswegen. Plaatsgebonden risico Indien die besluitvorming betrekking heeft op een ruimtelijke ontwikkeling in de omgeving van een basisnetroute, dan geldt dat de basisnetafstanden in acht moeten worden genomen voor kwetsbare objecten en er rekening moet worden gehouden met de basisnetafstanden voor beperkt kwetsbare objecten. Wanneer de ruimtelijke ontwikkeling niet in de omgeving van een basisnetroute maar wel in de omgeving van een op provinciaal of gemeentelijk niveau aangewezen transportroute is voorzien, dan moet het bevoegd gezag zelf het plaatsgebonden risico berekenen en vervolgens eveneens de grenswaarde van 10 6 per jaar aanhouden.

Indien de vaststelling van een bestemmingsplan betrekking heeft op een ruimtelijke ontwikkeling binnen een veiligheidszone, dan moet de gemeenteraad de bestemming van die gronden wijzigen, zodanig dat daarop geen kwetsbare projecten mogelijk zijn binnen de basisnetafstand. Zolang een dergelijke wijziging niet is doorgevoerd moeten omgevingsvergunningen voor kwetsbare objecten worden afgewezen. Groepsrisico Voor zover de besluitvorming betrekking heeft op ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een transportroute (gebied dat wordt meegenomen bij de berekening van het groepsrisico) of binnen 200 meter van een transportroute, moet in de toelichting bij een bestemmingsplan het groepsrisico verantwoord worden. Daarbij moet worden ingegaan op de gevolgen van het voorgenomen besluit voor de bestrijdbaarheid bij een ramp en de zelfredzaamheid van de bevolking. Gelet op het feit dat wordt gesproken over “transportroute”, geldt voornoemde verplichting zowel voor basisnetroutes als voor door een provincie of gemeente voor het vervoer van gevaarlijke stoffen aangewezen transportroutes.

48

De projectlocatie is niet gelegen binnen de basisnetafstanden van de dichtstbij gelegen Rijksweg A67 en ook niet binnen een veiligheidszone van een op provinciaal of gemeentelijk niveau aangewezen transportroute, zodat geen berekening en een verantwoording van het groepsrisico nodig is. Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Zowel aan de oost- en westzijde van de kern Someren is in noord-zuidrichting een ondergrondse aardgastranportleiding aanwezig. Deze leidingen zijn op de risicokaart met rode stippellijn aangegeven. De projectlocatie echter niet gelegen binnen het invloedsgebied van deze leidingen. Een berekening en een verantwoording van het groepsrisico is derhalve niet nodig. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het woningbouwinitiatief.

4.11 Fysieke belemmeringen: kabels en (buis)leidingen Op de projectlocatie zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.

49

5. Waterparagraaf Inleiding Om inzicht te krijgen in de waterhuishoudkundige gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling en het vaststellen van eventuele mitigerende of compenserende maatregelen dient een watertoets te worden uitgevoerd. Met de watertoets wordt ernaar gestreefd om het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed in te passen en uit te voeren. Hoofdpunten van het instrument watertoets zijn vroegtijdige betrokkenheid van de waterbeheerder(s) bij het proces van ruimtelijke planvorming en een transparante besluitvorming rond het belang van water in het ruimtelijke plan. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening, waarin is aangegeven dat in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving is neergelegd van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Infiltratietoets Archimil B.V. heeft een infiltratietoets uitgevoerd op de projectlocatie. De resultaten van dit onderzoek zijn bij brief van 1 mei 2020, die als bijlage bij deze plantoelichting is gevoegd, als volgt verwoord: Vanwege de ontwikkeling van nieuw verhard oppervlak dient in het kader van hydrologisch neutraal bouwen (HNO) het regenwater wat op dit nieuwe verharde oppervlak valt geïnfiltreerd te worden op de locatie in de bodem.

In de infiltratievoorziening zal een maatgevende bui van 60 mm +10% geborgen moeten worden. Om te bepalen hoe snel het regenwater uit de voorziening is geïnfiltreerd is verzocht een infiltratieonderzoek uit te voeren om de waarde (infiltratiesnelheid) te bepalen. Hiertoe wordt door middel van Porchetproeven de doorlatendheid van de onverzadigde zone (zone boven de grondwaterstand) bepaald. Vooronderzoek Op de onderzoekslocatie of in zijn directe omgeving zijn geen grondwater monitoringsbuizen bekend. De dichtstbijzijnde is circa 1000 meter zuidoostelijk van de planlocatie gesitueerd. Door ons bureau is bij een verkennend bodemonderzoek op de locatie recent een peilbuis geplaatst. Hierbij is de grondwaterstand vastgesteld op 2,78 m-mv. Het te onderzoeken terrein heeft een hoogteligging gelijk aan ca. 26 m + N.A.P. Tijdens het verkennend bodemonderzoek waren reeds op drie plaatsen boringen tot 2 mmv of meer geplaatst, ten behoeve van onderhavig onderzoek is de bodemopbouw geverifieerd. De plaatsen van de proefboringen zijn weergegeven op bijgaande tekening, een beschrijving van de opgeboorde grond ter plaatse is weergegeven op de boorstaten welke zijn bijgevoegd. Uit de boorstaten blijkt dat tot een diepte van 50 à 100 cm-mv humeuze grond (VBO: os=4,9% / lutum=3,3%) aangetroffen, hieronder is sprake van humusarm geel zand (VBO : os=1,1% / lutum = 3,3%).

Overwegingen Vanaf 1 m-mv is sprake van een relatief homogeen bodempakket tot onder de freatische grondwaterstand op 2,78 m-mv. Voor een bovengrondse (open) infiltratievoorziening wordt een aanname gedaan dat deze circa één meter diep wordt. Wanneer gekozen wordt voor een ondergrondse infiltratievoorziening (riool dan wel kratten) dan zullen deze vanaf circa 100 cm-mv het regenwater in de bodem laten infiltreren. Hiermee wordt een opslagcapaciteit gerealiseerd tussen de onderzijde van de infiltratievoorziening en de grondwaterstand. Gezien de homogene opbouw heeft het infiltratieonderzoek zich dan ook gericht op de bodemlaag tot 100 cm-mv.

50

51

Infiltratie onderzoek Op 20 april 2020 is door de heer J. Timmermans van ons bureau een infiltratieonderzoek uitgevoerd ter bepaling van de doorlatendheid van de bodem boven de grondwaterstand. Hiertoe is op drie plaatsen de infiltratiesnelheid bepaald na minimaal 30 minuten voorverzadiging van de bodem. Porchetproeven Na het bepalen van de grondwaterstand is nabij iedere proefboring een boorgat geplaatst tot circa 50 cm+gws (circa 1,9 m-mv) waarna de bodem is voorverzadigd. Na voorverzadigen is de snelheid van daling van de waterstand bepaald, een overzicht van de metingen is bijgevoegd. In onderstaande tabel zijn de resultaten van de porchetproeven weergegeven.

De gemiddelde k-waarde (pt1 t/m pt3) bedraagt 4,1 m/dag. Dit ligt aan de bovenzijde van het traject voor fijn zand (zie onderstaande tabel). Van grond/zand met een kwaarde van >1 m/dag wordt in zijn algemeenheid aangehouden dat deze geschikt is voor het toepassen van een boven- en/of ondergrondse infiltratievoorziening.

De bepaalde infiltratiesnelheid is slechts een indicatie voor de werkelijke infiltratiesnelheid. De werkelijke infiltratiesnelheid van een infiltratievoorziening kan maximaal een factor 10 lager zijn. Voorts dient bij het ontwerp van een infiltratievoorziening rekening gehouden te worden met het dichtslibben van het horizontale vlak van de infiltratievoorziening zodat alleen nog infiltratie via de wanden plaatsvindt. In totaal dient conform de berekeningen 41,5 m3 te worden geborgen. Om dit te realiseren worden 2 infiltratieputten per woning aangelegd, zodat de vereiste bergingscapaciteit wordt behaald. Op onderstaande tekening zijn de locaties van deze infiltratieputten op de woonpercelen weergegeven.

52

Ligging infiltratieputten op de 5 nieuwe woonpercelen

53

6. Juridische toelichting 6.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemmingen in het plan voorkomen en waarop deze betrekking hebben. De regels geven aan wat de doeleinden zijn van elke bestemming. In aansluiting hierop bevatten de regels bepalingen met betrekking tot de toegelaten bebouwing. Dit alles gerelateerd aan de desbetreffende bestemming. De regels en de verbeelding vormen samen het deel van het bestemmingsplan dat voor een ieder bindend is. De toelichting is niet bindend, maar heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het bestemmingsplan en voor de uitleg van bestemmingen en regels. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening moeten bestemmingsplannen ook digitaal beschikbaar zijn en volledig voldoen aan een aantal standaardeisen die zijn opgenomen in de ‘Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012’. Het bestemmingsplan dient verder te voldoen aan de Wro en het Bro en de RO-Standaarden 2012: • IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening 2012), • SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012), • STRI2012 (Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten 2012). Het onderhavige bestemmingsplan is uitgevoerd conform de Wabo en deze standaarden.

6.2 Systematiek van de regels De Wet ruimtelijke ordening bepaalt een drietal zaken met betrekking tot de opzet en inrichting van de bestemmingsplanregels, te weten: • • •

de digitale raadpleegbaarheid; de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen2012; de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

De regels zijn volgens de SVPB2012 in vier hoofdstukken als volgt opgesteld: • • • •

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. Op de verbeelding zijn de volgende zaken aangegeven: • • • •

de (dubbel)bestemming(en) van de in de planlocatie gelegen gronden; de grens van de planlocatie; het bouwvlak; de aanduidingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10007741/1