6o Regels BP Veegplan XI bijlage 6 Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011
Tekst van het document
43
LINTEN, KNOPEN EN CLUSTERS Stipdonk / Middelweg
Lierop
Winkelstraat / Veldweg
Hersel / Eindje
Kerkenhuis / Achterbroek
Heieind
Boomen
Otterdijk Moorsel
Vaarsehoefweg / Berkeindje
44
Someren
Lieropsedijk Houtbroekdijk Vaarselstraat
Slievenstraat
De Hoof
Kerkendijk noord Heikantstraat
Zandstraat
Someren - Eind
Ruiter
Kerkendijk noord
Brimweg / Laarstraat
Kanaaldijk zuid
Goord Verbernedijk
Nieuwendijk
Kerkendijk zuid
Sluis XIII
Someren-Heide 45
LINTEN, KNOPEN EN CLUSTERS Het erf: openbaar en privé
Eenvoudige (half)verharding met natuurlijke materialen. De sfeer en het beeld zijn informeel. Erfafscheidingen aan de voorkant lager dan aan de achterkant. Hagen en heggen passen beter in het buitengebied dan schuttingen, muren en hekken. Zorg voor streekeigen plantensoorten (zie ontwerprichtlijnen per landschappelijke eenheid). Parkeren wordt op eigen erf of collectief opgelost.
Massa, vorm en indeling van de gebouwen Het hoofdgebouw verbeeldt op eigentijdse wijze een langhuis: De bebouwing heeft een eenvoudige langwerpige bouwvorm. De bebouwing heeft visueel meer kap dan gevel en de goot is laag. Het kap is als zadeldak uitgevoerd en kan onder voorwaarden wolfseinden hebben. Zorg voor verschillen in voor- en achterkant van de bebouwing, de woningvoordeur bevindt zich aan de straatzijde. De voorgevel (gevel georiënteerd naar de openbare ruimte) is duidelijk herkenbaar en onderscheidt zich van de zijgevels in indeling. De kopgevel heeft een symmetrische indeling en de zijgevel is asymmetrisch opgebouwd. De horizontale gevelopbouw wordt benadrukt door de onderzijde (plint of trasraam) en de bovenzijde (goot of kroonlijst). Het toepassen van traditionele luiken houdt de gevelindeling in balans. Significante overstekken passen niet in de karakteristiek van de omgeving. Dakkapellen zijn mogelijk, mits voorzien van een dwarskap en gebaseerd op de gevelindeling. Materiaal en kleur
46
Hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: baksteen, donker (bijvoorbeeld zwart geteerd) hout, ongeglazuurde dakpannen, riet en eigentijdse bouwmaterialen. Toepassen van aardetinten en gedekte kleuren in de gevel. Dakpannen zijn donker en ongeglazuurd. Gebruik weinig verschillende en op elkaar afgestemde kleuren.
Voorbeelden functieverandering
Bestaande situatie
Functieverandering variant met woning
Functieverandering variant met kleinschalig bedrijf
47
4. ELEMENTEN TEN AANZIEN VAN DE LANDSCHAPPELIJKE KWALITEIT 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden veel voorkomende landschapselementen van het Somerse buitengebied ter inspiratie verbeeld en kort beschreven. Deze landschapselementen bepalen in sterke maat de landschappelijke kwaliteit. De verspreide bebouwing is in het buitengebied op afstand duidelijker waarneembaar dan binnen de bebouwde kom of binnen bedrijventerreinen. Dat is ook afhankelijk van het landschapstype. In een open landschap reikt het zicht verder dan bij een besloten landschap met veel bosjes en kleine open ruimten. En natuurlijk zijn het bouwvolume en al dan niet aanwezige begeleidende beplanting van groot belang. Maar ook kleurstellingen en bebouwingsvorm dragen bij aan de zichtbaarheid en uitstraling van de bebouwing. In dit hoofdstuk worden ook elementen als erf- / kavelafscheidingen, schuilplekken voor paarden, verlichtingselementen of opslagplaatsen behandeld, die in de overgang tussen de kavel en het landschap zijn gesitueerd, zeer zichtbaar zijn en daarom ook grotendeels de beeldkwaliteit bepalen. Tot slot worden voorbeelden en referenties opgenomen van beplantingsvormen die in de verschillende landschapstypen van Someren voorkomen.
48
4.2 Bebouwingsvormen en kleurstellingen
Vormen Ingetogen enkelvoudige en langwerpige bouwvormen zijn herkenbaar in het buitengebied en dragen bij aan een rustig beeld van het landschap; Bijzonder ontworpen bebouwing mag mits het passend is binnen het landschap. Kleuren Daken donkergrijs en gevels in gedekte natuurlijke kleuren of aardetinten. De kleurstelling van de bebouwing is belangrijker dan het materiaal en verschillende bouwvolumes dienen in kleur op elkaar afgestemd te worden; Lichte kleuren, felle kleuren of verschillende kleuren op een kavel zijn zeer opvallend in het landschap en geven een onrustig beeld.
49
4.3 Hekwerken Metalen hekwerken stralen een stedelijke sfeer uit en passen daarom weinig in het buitengebied. In combinatie met uitheemse beplanting (gesneden coniferen, coniferensingel, -haag of laurierkers) wordt de stedelijke sfeer versterkt.
Houten hekwerken en porten worden van oudsher in het buitengebied toegepast. Houten hekwerken met bij voorkeur onbehandeld hout (Robinia, Tamme Kastanje, Larix, etc. zijn hiervoor geschikte houtsoorten) of donkere kleuren passen goed in het buitengebied. Wit geschilderde hekwerken vallen zeer op en passen minder in het landschap.
50
Eenvoudige houten palen in combinatie met gespannen (stroom)draad naast een bomenrij of bos passen goed in de omgeving.
Onbehandelde en eenvoudige houten afrasteringen kunnen de kleinschaligheid van een landschap versterken mits de afrastering gerelateerd is aan het cultuurhistorische verkavelingpatroon.
Eenvoudige houten palen in combinatie met een afrasteringband (bij voorkeur donker) ogen terughoudend en passen goed in de omgeving.
51
4.4 Heggen en hagen Vrij groeiende heggen en gesneden hagen van inheemse bomen en struiken (Beuk, Haagbeuk, Meidoorn, Sleedoorn, Veldesdoorn, etc.) dienen om erven en percelen af te rasteren. In combinatie met bomen wordt de beeldkwaliteit sterk verbeterd.
Beukenhaag
Beukenhaag
Meidoornhaag
Ligusterhaag rond de voortuin is eenvoudig en past goed in het landelijke gebied. Liguster is niet echt inheems maar een al lang ingeburgerde plant. Een Ligusterhaag past daarom beter in de voortuin dan in de achtertuin, waar echt inheemse planten beter passen.
52
4.5 Opslagplaatsen Opslagplaatsen in het buitengebied, zoals kuilvoederplaatsen aan de rand van het agrarische bedrijf zijn elementen met grote invloed op de landschappelijke kwaliteit. Vaak zijn deze niet landschappelijk ingepast.
Enkele struiken, een haag (Hazelaar, Vlier, Meidoorn, Sleedoorn, etc.) of het schilderen in donkere kleuren, al dan niet gecombineerd met bomen zorgen al voor een beter beeld.
53
4.6 Beplanting in het landschap De belangrijkste elementen voor landschappelijke kwaliteit zijn de bomen en struiken in de verschillende beplantingsvormen. Zij bepalen in grote mate het uiterlijk van een landschap.
Vrij groeiende haag op een lage aardwal in het landschap kan doorgroeien tot een houtwal Passend in het kampenlandschap en de oudere heideontginningen.
Vrij groeiende meidoornhaag. Passend in het kampenlandschap en de oudere heideontginningen.
Vrij groeiende heggen en hagen in het landschap moeten om de 10 jaar geknot worden.
54
Gemengde boomsingel / jonge houtwal. Verschillende boomsoorten (afhankelijk van het landschapstype). Een gemengde boomsingel kan zich tot een smalle houtwal ontwikkelen als de struiken verdichten en doorgroeien en komt in alle landschappen voor.
Losse evenwijdige elzensingels met vrij grote bomen. Passend in het beekdallandschap en natte delen van de jongere heideontginningen.
Dichte elzensingel als begeleiding van een beek of greppel. Passend in het beekdallandschap en natte delen van de jongere heideontginningen.
Onregelmatige bosjes en bospercelen passen in het beekdal, het kampenlandschap en gedeeltelijk in de oudere heideontginningen. Grote en regelmatige bossen en bospercelen passen in de jonge heideontginningen en het boslandschap
55
Wilgensingels langs een sloot zorgen voor herkenning in het beekdallandschap
Lanen langs wegen komen in alle landschapstypen voor. Voorkom het kappen van bomen!
Natuurvriendelijke inrichting van beekoevers
Inrichting van poelen in het beekdallandschap of natte delen van de (jongere) heideontginningen
56
Solitaire bomen of boomgroepen verfraaien het landschap en bieden schutting voor weidedieren
Boom- of fruitgaarden versterken het landelijke karakter van het buitengebied. Passend in de buurt van het erf in bijna alle landschapstypen
Behoud oude fruitbomen. Deze zijn zeer waardevol
57
BIJLAGE: ANALYSE De wijze waarop het landschap zich aan ons toont, wordt in hoge mate bepaald door de diepere lagen van de ondergrond. Is het hoog of laag, nat of droog, bewerkt of rudimentair. Daarnaast vertelt het landschap een verhaal dat verborgen is in haar cultuurhistorie en archeologie. Verhalen die het waard zijn om verteld te worden en door te geven aan toekomstige generaties zodat men begrijpt hoe het allemaal gekomen is. Het is waardevol om deze geschiedenis beleefbaar te maken en te houden in het landschap. Dit beeldkwaliteitsplan begint dan ook met een gedegen analyse. Niet om het landschap op een snijtafel te ontleden en zeker niet om haar daarna te bevriezen in haar actuele verschijningsvorm. Het landschap leeft en verandert voortdurend van verschijningsvorm. Niet in de laatste plaats omdat het Nederlandse landschap en dus ook dat van Someren voornamelijk door mensenhanden is gemaakt.
B.1 Reliëf Het terrein van gemeente Someren lijkt relatief vlak en loopt geleidelijk af van zuid naar noord met een totaal hoogteverschil van circa 13 m. De laagste gebieden liggen noordelijk in het beekdal van de Goorloop (op circa 16 m NAP). Op de reliëfkaart zijn de beekdalen goed als lagere gebieden herkenbaar. De hoogste gelegen gronden treft men in het zuiden bij de Boksenberg (boven de 29,5 m NAP). Binnen de gemeente is een opvallend groot microreliëf aanwezig door de hoogteverschillen tussen de vele oude akkers en de beekdalen. Deze kleinschalige hoogteverschillen van maximaal 1 m zijn een waardevolle en kwetsbare bijzonderheid van het gebied.
58
59
B.2 Geomorfologie Het gebied maakt voornamelijk deel uit van de Centrale Slenk, maar ligt in de invloed van de Peelhorst. De nog steeds actieve tektonische breuklijn, de Peelrandbreuk, ligt in verder in oosten buiten het gemeentegebied. Wel lopen ondergeschikte breuklijnen ‘Breuklijn van Maassluis’ in noordzuidelijke richting over de gemeente. In de Centrale Slenk liggen aan de oppervlakte dekzanden van de Twente Formatie in verschillende diktes. De dekzandruggen met een dikke en rijkere dekzandlaag wisselen af met lagere beekdalen en de dunnere en armere dekzandvlakte. In de zuidelijke helft van Someren ligt de terrasvlakte als hoger plateau.
B.3 Bodem Op de dekzandruggen zijn mede door de mens de meest vruchtbare bodemsoorten (enkeerdgronden) gevormd. Deze liggen vooral in de nabijheid van de dorpen en kernen. In de beekdalen zijn de rijke beekeerdgronden en de armere gooreerdgronden te vinden. Bij deze gronden komt een hogere grondwaterstand voor, waardoor deze gronden natter en minder doorlatend zijn. Op de dekzandvlakten zijn de uit arm en fijn zand bestaande podzolgronden met variërende grondwaterstanden ontstaan. Op de hogere en droog gelegen duinen komen de weinig vruchtbare duinvaaggronden van zeer fijn zand voor. Bij de terrasvlakte zijn naast dekzand ook veengronden en verspoeld löss gevormd.
60
61
B.4 Ontginningsgeschiedenis De omgeving van Someren was al zeer lang bewoond en kent archeologische vondsten van verschillende prehistorische perioden en de Romeinse tijd. De permanente ontginning begon waarschijnlijk pas in de Middeleeuwen vanaf de elfde eeuw. De eerste nederzettingen ontstonden rond om de latere kern Someren waar op hogere gronden de eerste akkers werden aangelegd en landbouw werd bedreven. De akkertjes bevonden zich voornamelijk op locaties aan de relatief droge randen van de dekzandruggen met nabij gelegen beekjes. De agrarische bewerking en verrijking van de akkers met stalmest en plaggen door de eeuwen heen heeft de rijke bolle akkers laten ontstaan. 1850 Naast vroege historische akten en documenten, waar Someren (’Zummere’) wordt genoemd, werd het gebied voor het eerst rond 1850 gedetailleerd in kaart gebracht. Op deze kaart Someren al een langgerekt lintdorpje. Er zijn verschillende gehuchten en clusters herkenbaar, maar ook enkele op zichzelf staande erven. Vrijwel alle bebouwing ligt op de overgang van beekdal naar dekzandrug. Deze gebieden zijn gekenmerkt door een ritmische afwisseling van kleine akkertjes en graslanden met een rijke structuur aan opgaand groen op de perceelsgrenzen, langs de beken of als veekering. De grotere akkercomplexen zijn vrij van bebouwing en alleen onderverdeeld door vele gemeenschappelijke werkpaden.
De beekdalen met meanderende beekjes werden door de natte omstandigheden alleen als hooiland gebruikt. Heidegebieden zijn nog niet ontgonnen, maar werden als weidegebied gebruikt. 1900 Het beeld van 1900 verschilt ten opzichte van 1850 weinig. Er wordt begonnen de heidegebieden te ontginnen (begin bosaanplant). De groenstructuren in het landschap zijn in aantal en omvang gegroeid (meer houtwallen, doorgegroeide beekbegeleiding, bosjes en dergelijke). Er is sprake van bebouwingsverdichting in de kernen en ook de gehuchten zijn een beetje gegroeid.
62
1960 Door een schaalvergroting van de oude ontginningen zijn de verschillen in het landschap moeilijker leesbaar geworden. Enkele beken van het gebied (bv Peelrijt) zijn recht getrokken tot sloten. De kernen Someren en Lierop zijn flink gegroeid en Someren Eind en Someren Heide zijn nieuwe dorpen. Ook in de gehuchten is bebouwing toegevoegd. De akkercomplexen zijn herkenbaar, ook al liggen gedeeltes braak of worden als grasland gebruikt. Veel heidegebieden zijn met (naald)bos aangeplant voor houtproductie en om zandverstuivingen tegen te gaan. Andere aanzienlijk grote delen van de heidegebieden zijn met grootschalige regelmatige graslanden ontgonnen. In de nieuwe ontginningen rond om Someren Heide zijn opvallend veel boomgaarden aangeplant. 2005 De meest opvallende veranderingen betreffen de forse uitbreidingen in de bebouwde kom. Maar ook de aantallen en omvang van de agrarische bebouwing, die over het gehele gemeentegebied verspreid liggen, zijn toegenomen. Het oorspronkelijk kleinschalige landschap heeft door ruilverkaveling en schaalvergroting zeer veel van de groenstructuren en padenstelsels verloren. Van bijna alle beken zijn de natuurlijke lopen aangepast en rechtgetrokken. Ten opzichte van de structuur en de landschappelijke schaal zijn de verschillen in de diverse landschapstypen alleen nog vanuit de hoogteligging en kennis van historische gegevens herkenbaar.
63
B.5 Landschapstypen Landschapstypen onderscheiden zich door de vorm van de ondergrond, de bodemopbouw, de aanwezigheid en ordening van verschillende landschappelijke elementen (b.v. bebouwing, beplantingsvormen en water). In Someren komen vijf verschillende landschapstypen voor: Heidegebieden met vennen als enclaves in de Bossen
Kwetsbaar landschap met hoge natuurwaarde
Beekdallandschap / Broekgebieden Kampenlandschap met Akkercomplexen
Cultuurhistorisch kleinschalig landschap met waardevolle structuren
Oudere Heideontginningen
Agrarisch landschap als transitiegebied
Jongere Heideontginningen
Agrarisch productielandschap met beleving van grootschalige open gebieden
Heide- en Bosgebieden
De uitgestrekte natte en droge Heidegebieden met een aantal grote vennen als enclaves in de bossen van Someren zijn een landschapstype waar natuurwaarden en het beheer hiervan voorop staan. Transformatie van naaldbos naar gemengd loofbos, heide of stuifzandgebieden behoort tot de mogelijkheden. Hierbij moeten de cultuurhistorische waarden (grafheuvels, padenstelsel van zandpaden etc.) gewaarborgd blijven. In de nattere delen komt berken- en wilgenbos en elzenbroekbos voor en op de hogere droge delen bestaat het loofbos uit eiken en beuken. Het Rondvenneke is een zeldzaam voorbeeld van een Pingo-ruïne (relatief kleine laagte met open water en een bijzondere verlandingsvegetatie omgeven van een lage randwal). Hier zou actieve natuurontwikkeling
64
65
Beekdalen en Broekgebieden
Het Beekdallandschap / de Broekgebieden zijn laag gelegen, natte en kleinschalige landschappen. Hierdoor zijn deze gebieden minder voor bebouwing geschikt. De meeste beken in de gemeente zijn tot rechte sloten en watergangen gegraven. In tegenstelling tot vroeger komt ook nog maar weinig beplanting voor. Wel zijn nog veel beekbegeleidende bosstructuren aanwezig. Gewenste verbeteringen voor het beekdallandschap zijn: Beekherstel en beekbegeleidende groenstructuren zoals elzensingeltjes haaks op de beek, natuurvriendelijke oevers en solitaire bomen of boomgroepen langs de beek om de waterloop in het landschap te kenmerken. Ook het verschralen en vernatten van graslanden met extensief beheer is wenselijk in dit landschapsdeel.
66
Kampenlandschap
Het Kampenlandschap heeft een onregelmatige en kleinschalige structuur. Hoewel het gebied nu een relatief open karakter heeft, horen van oorsprong groenstructuren (singels, houtwallen en onregelmatige bosjes) op de kavelgrenzen en het achterliggende landschap. Hierbij is niet het doel om oude landschappen geheel “terug te brengen” maar het eigen karakter van het gebied te versterken en de ruimtelijke schaal te verkleinen. In dit gebied is veel bebouwing aanwezig. Deze kan door middel van groenstructuren veel beter in het landschap worden ingepast. Grootschalige bedrijven passen minder in deze landschapsstructuur. De Akkercomplexen zijn onderdelen van het kampenlandschap als hoger en droger gelegen open vruchtbare akkergebieden. Deze oude akkers horen vrij van bebouwing en groen te blijven. In de randzones kan bebouwing met een groene inpassing voorkomen. Door meer groenaanplant in het kampenlandschap zouden de akkerzones als open gebieden beter herkenbaar zijn.
67
Oudere Heideontginningen
De Oudere Heideontginningen kunnen als een overgangslandschap tussen oude en jonge ontginningen gezien worden. Deze gebieden zijn rond de eeuwwisseling 19e/20e eeuw ontgonnen. De landschappelijke lijnen zijn minder organisch dan die van het kampenlandschap en ook de schaal is iets groter. Rijke groenstructuren van houtwallen, lanen en bospercelen horen bij deze oorspronkelijke ontginningen.
68
Jonge Heideontginningen
De kenmerken van de Jongere Heideontginningen zijn de regelmatige en rechtlijnige patronen binnen relatief grootschalige gebieden. De overgang naar de bosgebieden is in dit landschap gekenmerkt door een vrij rechtlijnige bosgrens. Er zijn enkele zeer waardevolle open gebieden waar ook geen/ weinig bebouwing aanwezig is. Structurerend in het landschap zijn de aanwezige bomenlanen. Deze zouden nog versterkt kunnen worden. In het gebied zijn veel agrarische bedrijven aanwezig. Vele en met name de grootschalige bedrijven zouden door middel van voldoende erfbeplanting beter in het landschap kunnen worden ingepast.
69
B.6 Cultuurhistorische waarden Cultuurhistorie Grote delen van het gemeentegebied hebben cultuurhistorische waarde. Met name de oude landschappen zoals de kampenlandschappen met groenstructuren, oude wegen, bebouwingsstructuren en akkercomplexen horen hier bij. Het beekdalsysteem met zijn hiërarchisch systeem van kleine, soms periodiek droogstaande, beekjes is een andere waardevolle landschapsstructuur. Met de hoge akkercomplexen en de lage beekdalen heeft het gebied een bijzondere landschappelijke onderlegger. Historische gegroeide stedenbouwkundige structuren zijn in oude gehuchten - gegroeid tot de huidige bebouwingsclusters - bij kruispunten herkenbaar (b.v. Boomen of De Hutten). Ook zijn er nog monumentale of beeldbepalende gebouwen (waaronder twee molens) aanwezig. Sommige van deze structuren worden door de recente grootschalige bebouwing verdrongen. Veel oude en nieuwe wegen in de gemeente zijn waardevol. Bij de wegen van de jonge ontginningen zijn het vooral de regelmatige patronen die beschermd moeten worden. In het gebied westelijk van SomerenHeide speelt de laanbeplanting langs de wegen een bijzondere rol.
70
71
Archeologie Aanvullend op de analyse van cultuurhistorie met het vergelijken van oude kaarten en historische bronnen gaat het bij archeologie om verdwenen culturen en bestrijkt alle perioden en specialismen van de Nederlandse pre- en (proto)historie. De aard, de verspreiding, de kwaliteit en de paleogeografische context van bekende en nog onbekende archeologische waarden op het land en onder water worden geografisch en chronologisch in kaart gebracht. Bijna het gehele gemeentegebied heeft een middelhoge of hoge indicatieve archeologische waarde. De beekdalen zijn aangemerkt als archeologisch landschap. In de gemeente zijn veel opgravingen gedaan. Hierbij gaat het om urnenvelden (b.v. bij de Somerse akkers van 600 - 400 v. Chr.) en langwerpige grafheuvels die als ‘langbedden van het type Someren’ worden aangemerkt.
In de kaart zijn archeologische monumenten aangegeven:
72
1.
Kasteel Elenburg; Elenburgweg, Someren; Rijksmonument
2.
Openluchttheater kasteelresten ‘De Donck’; Vaarselstraat, Someren; Rijksmonument
3.
Kerk; Lambertuskerkhof; Nachtegalenlaan, Someren; Rijksmonument
4.
Urnenveld (ijzertijd); Hoenderboom, Somerensche Heide, Someren; Rijksmonument
5.
Urnenveld (ijzertijd); Einhoutsche Hoef, Philipsbosweg Lierop; Rijksmonument
6.
Urnenveld (late brons-ijzertijd); Lungendonk; Middenweg, Hersel; monument zonder bescherming
7.
Kasteel Elenburg; Elenburgweg, Someren; monument zonder bescherming
8.
(vermoedelijk resten van )Kasteel Lierop; Boomen-Noord, Lierop; monument zonder bescherming
9.
Kasteelresten; Vaarselstraat, Someren; monument zonder bescherming
10.
Nederzetting (vuursteenvondsten steentijd); Boksenberg, Somerensche Heide, Someren; monument zonder bescherming
11.
Nederzetting (vuursteenvondsten ijzertijd); Boksenberg, Bergdijk, Someren; monument zonder bescherming
12.
Nederzetting (vuursteenvondsten steentijd); Beuven, Someren; monument zonder bescherming
13.
Nederzetting (vuursteenvondsten steentijd); Moorsel, Blauwe kei, Lierop; monument zonder bescherming
14.
Nederzetting (vuursteenvondsten steentijd); Meervensedijk, 't Jasper, Lierop; monument zonder bescherming
15.
Nederzetting (kampement steentijd); Lieropsche Heide, Lierop; monument zonder bescherming
16.
Terrein met sporen van landbouw (middeleeuwse akkerlaag); Heiend, Lierop; monument zonder bescherming
73
B.7 Natuur Someren heeft veel beschermde natuurwaarden. Met name de bossen en natuur die aan de Strabrechtse Heide toebehoren zijn grote aaneengesloten gebieden en worden tot Regionale Natuur- en Landschapseenheid gerekend. In het nieuwe provinciale beleid is ook de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herzien. Sommige kleine en geïsoleerde natuurgebieden maken in de vastgestelde Verordening Ruimte geen deel meer uit van de EHS. Op de kaart zijn de delen van de EHS aangegeven waarbij ook de gebieden ‘nog om te vormen natuur’ deel uitmaken van de EHS. Gebieden die aangeduid zijn als ‘toeslaggebied’ zijn geen onderdeel van de EHS maar hebben wel een hoge natuurwaarde. De attentiegebieden EHS omvatten beschermzones rond bijzonder waardevolle (natte) natuur. Belangrijk voor de uitwisseling van natuurwaarden zijn de Ecologische verbindingzones (zoals de Kleine Aa, Vliet- en Goorloop, het gehele oostoever van de Zuid-Willemsvaart en de droge oostwestelijk verlopende verbindingzone in de Diepenhoek die in stapstenen uitgevoerd kan worden). Veel delen van het agrarische buitengebied zijn onderdeel van de GHS landbouw (zie hiervoor ook het hoofdstuk landbouw) Deze gebieden zijn van groot belang voor struweelvogels en andere kwetsbare soorten.
Voor struweelvogels zijn naast heggen, hagen en ander dicht struikgewas ook de begeleidende mantel- en zoomvegetaties belangrijke leef- en broedgebieden.
Geelgors
74
Roodborsttapuit
Grasmus
Aandacht voor mantel- en zoomvegetaties als broed- en leefgebied van struweelvogels, insecten, kleine zoogdieren en in combinatie met een greppel ook amfibieën.
Blauwborst
75
B.8 Water Someren heeft een hiërarchisch systeem beken die of naar het noord-oosten in de Aa afwateren of naar het noordwesten in het bekensysteem van de (Kleine) Dommel afwateren. Deze bekensystemen zijn landschappelijk zeer waardevol, ook al zijn momenteel de meeste beken rechte sloten. Beekherstel met hermeandering en natuurvriendelijke oevers is een doelstelling voor Vleut- en Goorloop of Nederheidsche Loop, maar ook voor de (Kleine) Aa en de Peelrijt. Inmiddels zijn al 2 km aan beekherstel van de Kleine Aa gerealiseerd. Met de ontwikkeling van landgoed Kanters en de golfbaan zal ook de Peelrijt opnieuw meanderen. Drie natte natuurparels (Oude Gooren, Sang en Goorkens en Strabrechtse Heide) zijn beschermd (zie voor meer informatie in de bijlage). In het zuiden van de gemeente ligt het waterwingebied van de Boksenberg met daaromheen de boringvrije beschermzone. Op het gebied van gemeente Someren liggen twee gebieden voor waterberging. Het in te richten waterbergingsgebied ten oosten van Someren-Eind in het dal van de Aa met een gebied voorlopige reservering voor waterberging hieromheen. Zuidelijk van de Hugterweg ligt een voorlopige reservering voor waterberging in het kwelgebied / beekdal van de Kleine Dommel.
76
77
B.9 Landbouw Naast de omvangrijke natuurgebieden wordt het buitengebied van Someren vooral gekenmerkt door een intensief landbouwkundig gebruik. Het gebied is door de jaren heen geleidelijk door mensenhand ontgonnen. De dynamiek in de landbouw is groot. Enerzijds willen of moeten agrariërs hun bedrijf vergroten om te kunnen voldoen aan de eisen die worden gesteld vanuit een goed economisch functioneren of bijvoorbeeld uit oogpunt van dierenwelzijn, anderzijds stoppen veel boeren of willen verbreden om door neveninkomsten toch een goede boterham te kunnen blijven verdienen. De reconstructie en het actuele provinciale beleid geven in dit verband nadere richtlijnen ten aanzien van de zonering van de agrarische functie, met name als het gaat om de intensieve veehouderij. Deze richtlijnen zijn vertaald in het bestemmingsplan. Onderdeel van deze richtlijnen vormt de verplichting om een percentage van het agrarisch bouwblok in te zetten voor landschappelijke inpassing. Dit percentage kan verschillen in de onderscheiden zones extensivering, verweving en landbouwontwikkeling. Het bestemmingsplan stelt hiervoor de norm en dit beeldkwaliteitsplan geeft aan op welke wijze deze inpassing, afhankelijk van het landschap waarin het project zich afspeelt, vormgegeven kan worden.
Uit oogpunt van de kwaliteit van het landschap en van de eigen woon-, werk- en leefomgeving is er uiteraard geen enkel bezwaar om bijvoorbeeld buiten het bouwblok wat extra’s te doen naast de verplichte oppervlakte binnen het bouwblok.
78
79
B.10 Kwaliteiten Als we de analysekaarten als het ware over elkaar heen leggen, kunnen we iets zeggen over de aanwezige kernkwaliteiten in het buitengebied van Someren op dit moment maar ook waar deze kwaliteiten onder druk staan. Grote gebieden van de gemeente Someren zijn landschappelijk waardevol. Hierbij moet men denken aan de bosgebieden met enclaves van veen en heide, aan de vele beekdalen, de kleinschaligheid van oude ontginningen met het Kampenlandschap en de akkercomplexen als voorbeelden voor landschappelijke eenheden (landschapstypen). Someren kent nog veel meer nuancen in het landschapsbeeld dan de typering. Bos is in de gemeente Someren niet alleen in de Strabrechtse Heide met zijn grootschalige gebieden aanwezig maar ook in het noordelijke gedeelte met gerafelde bosgebieden en in het zuidelijke gedeelte met grotere bospercelen met lange rechte randen. Ook in de beekdalen en het kampenlandschap zijn veel kleinschalige bospercelen en gebiedjes aanwezig met grote diversiteit. Natte broekbossen in de beekdalen met wilgen en elzen en droge loofbossen met eiken en berken op de hogere gronden zijn op korte afstanden van elkaar te vinden.
Binnen de oude landschappen en ontginningen zijn ook veel cultuurhistorische waarden aanwezig; de in onregelmatige bochten verlopende oude wegen, die gedeeltelijk ook heden nog zeer smal zijn, beeldbepalende en monumentale bebouwing (soms als solitair erf gewaardeerd en soms geclusterd tot bijzondere stedenbouwkundige ensembles gegroeid). Maar ook de jongere ontginningen hebben cultuurhistorische waarden. De geometrische ontginningspatronen en de hierdoor ontstane landschapsstructuur maken deze ontginningen tot herkenbare en sterke landschappelijke gebieden. In de jonge ontginningen zijn ook waardevolle open gebieden aanwezig, vrij van bebouwing met verre zichten in het landschap.
80
81
B.11 Aandachtsgebieden In de kaart aandachtsgebieden geven we aan waar de landschappelijke kwaliteit en diversiteit door ontwikkelingen in het verleden onder druk staat. Niet als aanklacht maar wel als constatering, de dingen gaan zoals ze gaan en we waren ons in het verleden ook niet altijd bewust van de impact die ‘de vooruitgang’ had op onze omgeving. Vastgesteld mag worden dat de kaart aandachtsgebieden beduidend minder ingekleurd is dan de kaart kwaliteiten maar er is evengoed een aantal gebieden en elementen die van belang zijn om van te leren voor de toekomst en waar mogelijk wat extra inspanning in te zetten om de kwaliteit en herkenbaarheid van het landschap te versterken. Herkenbaarheid van de Somerse beken in hun landschap is door het normaliseren en rechttrekken van waterlopen niet overal gelijk. Beken moeten ook op afstand herkenbaar zijn in het landschap en niet alleen vanuit de brug op het moment van oversteek. De heideontginningen zijn te onderscheiden in oudere heideontginningen (gebieden die tot de eeuwwisseling rond 1900 zijn ontgonnen) en jonge heideontginningen (ontginningen vanaf 1920). De oorspronkelijke verschillen tussen deze gebieden zijn vervaagd. Op zich zijn de oudere heideontginningen een transitielandschap tussen weidse grootschaligheid en de kleinschalige halfopenheid van de oudere landschappen.
Hier zijn in de laatste decennia veel landschappelijke structuurelementen verloren gegaan. De jonge heideontginningen zijn de gebieden die de meest grootschalige agrarische bedrijven dragen. De inpassing van deze bedrijven onder behoud en versterking van de landschapsstructuur vraagt aandacht. Sommige grootschalige bedrijven zijn gevestigd in het oude kampenlandschap waar het contrast tussen bedrijf en kleinschalig landschap zeer groot is. Soms is voor een dergelijke weinig geschikte bedrijfslocatie de ontsluitingsweg veel te smal en zullen door de nodige bedrijfstransporten lanen en bermen van deze wegen beschadigd raken. Nog minder wenselijk zijn deze grootschalige bedrijven als deze binnen een kwetsbaar landschap liggen zoals op een oude akker, dicht bij de beek in een beekdal of binnen de beschermzone van een natuurgebied.
82
83
84
Colofon Opdrachtgever: Gemeente Someren Contactpersoon: De heer Mathieu Schellen De heer Rudolph Klarenaar
Projectleiding: De heer Bas Verbruggen Ontwerp & Verbeelding: Mevrouw Friederieke Danz De heer Maarten de Regt Projectnummer: 238.00.01.20.00 BügelHajema Adviseurs bv Bureau voor Ruimtelijke Ordening en Milieu BNSP Utrechtseweg 7 Postbus 2153 3800 CD Amersfoort Telefoon (033) 465 65 45 Telefax (033) 461 14 11 www.bugelhajema.nl amersfoort@bugelhajema.nl Vestigingen te Assen, Leeuwarden en Amersfoort