CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

6e Toelichting BP Veegplan XI bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing Ruiter 15 en ong

Commissie Ruimte 7 april 2021, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Veegplan XI gemeente Someren 202026.704 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

5.11.3.3

Hemelwaterafvoer

In de nieuwe situatie zal de infiltratie van het regenwater dat valt op daken van de woningen en de bijgebouwen worden bewerkstelligd door het schone hemelwater via dakgoten en regenpijpen af te voeren naar een bergingsvoorziening. Dit geldt ook voor de nieuwe bebouwing op de locatie Ruiter 15. De bergingsvoorziening zal boven de GHG worden gerealiseerd. Gezien de hoge GHG ter plaatse van de beoogde Ruimte voor Ruimte woningen, ligt een bovengrondse bergingsvoorziening zoals een zaksloot of een infiltratieveld dan wel poel voor de hand. De beoogde Ruimte voor Ruimte woningen zijn slechts mogelijk middels een wijzigingsbevoegdheid. Als voorwaarde bij de wijzigingsbevoegdheid voor de oprichting van de Ruimte voor Ruimte woningen zal worden gesteld dat er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen. In het kader van de dan te doorlopen wijzigingsprocedure zal de wijze van hemelwaterafvoer worden uitgewerkt.

5.11.3.4

Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater

Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

Afvalwater Het afvalwater afkomstig van het projectgebied wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel, dat aanwezig is aan de Ruiter. Indien het rioolstelsel ten behoeve van de beoogde ontwikkeling dient te worden aangepast, dan worden deze kosten verhaald op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt eveneens zorg voor de aansluitingskosten.

5.12

Besluit milieueffectrapportage Inleiding

De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een mer moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een mer te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarden dient een mer te worden opgesteld.

Crijns Rentmeesters bv

63

Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren

Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een mer nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarden uit lijst D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit mer dient een vormvrije mer-beoordeling plaats te vinden. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit mer in werking getreden. In dit besluit is de vormvrije merbeoordeling voor activiteiten uit lijst D, ook beneden de grenswaarden, vervangen door de merbeoordelingsplicht.

Toets beoogde ontwikkeling Het toevoegen van woningen is opgenomen op de lijst D onder 11.2 ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2019 (201807060/1/R1) blijkt dat de ontwikkeling van twee woningen niet aangemerkt wordt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. De ontwikkeling van een tweetal Ruimte voor Ruimte woningen is dan ook niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt dan ook niet voor op lijst D van het Besluit mer. In het kader van de beoogde ontwikkelingen is een vormvrije mer-beoordeling dan ook niet aan de orde.

Crijns Rentmeesters bv

64

Ruimtelijke onderbouwing - Ruiter 15 en ong. Someren

6.

UITVOERBAARHEID

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Someren zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Dit wordt met de initiatiefnemer kortgesloten middels een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn onder andere de verplichtingen van initiatiefnemer met betrekking tot het planschadeverhaal opgenomen. De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemer komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade die door uitvoering van het bestemmingsplan optreedt.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg

In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt deze ruimtelijke onderbouwing als onderdeel van het bestemmingsplan aangeboden aan de vooroverlegpartners.

Zienswijzen In het kader van de bestemmingsplanprocedure is deze ruimtelijke onderbouwing als onderdeel van het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Het bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van zienswijzen op het bestemmingsplan zal een heroverweging op deze onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden dit bestemmingsplan op een aantal punten gewijzigd vast te stellen.

Crijns Rentmeesters bv

65

LEGENDA

!

!

!

!

!

!

!

10

!

!

!

!

! !

! ! ! !

! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

Esri Nederland, beeldmateriaal.nl

Locatie

Type

Afmeting/hoeveelheid

Plantverband

Soort

Aanplantmaat

9.

Fruitboom

Aantal: 5 stuks

afstand minimaal 8 meter

Keuze uit:

10-12

Appel (Malus domestica)

Hoogstam

& kwaliteit

Zoete kers (Prunus avium) Gewone peer (Pyrus communis) Gewone walnoot (Juglans regia) 10.

Vrij uitgroeiende haag

Breedte: 2,0 meter

aanplant in lijn- of in

Gemengde beplantingssoorten met keuze uit de volgende struikvormers:

60-80

Lengte: 65 meter

kruisverband

- Lijsterbes (Sorbus aucuparia)

- Wilde Roos (Rosa rubiginosa)

Wortelgoed

- Gelderse roos (Viburnum opulus)

- Braam (Rubus)

- Sleedoorn (Prunis spinosa)

- Meelbes (Sorbus aria)

Aantal: 29 stuks

Projectlocatie

1 Houtsingel (9 eikenbomen + diverse struiken, zoals vlier en hazelaar) ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ Beukenhaag (+/- 145 meter lengte, 2,5 meter hoog) B B B B B B B B B B B B B B 2 3 Hoogstam fruitbomen (10x) d

r d r4 d r5 d r6 d r7 d r8

Diverse bomen (2x perenboom, 3x notenboom, 2x kersenboom) Beukenhaag (+/- 175 meter lengte, 80 cm hoog) Oude lindebomen (6x) Jonge lindebomen (4x) Kastanjeboom (1x)

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! !

3

4 3 4 4 4 4 4 3 ! ! ! 4 ! 38 ! !

!

4

!

6 7

2 9 3 12 9 3 3 9 3 3 9 3 !

7

!

!

7

9

4 4

6

!

!

6 6 6

7

!

!

6

11

!

BESTAANDE BEPLANTING

!

!

!

!

!

!

1

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING LOCATIE RUITER 15 SOMEREN

NIEUWE BEPLANTING

d r9 Fruitbomen \H \ Vrij uitgroeiende haag 10 ! ! H z z W W ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ ¹ Beukenhaag B B B B B B B B B B B B B B 11

\H \ Vrij uitgroeiende haag ! ! 12 H z z W W

- Rode Kornoelje (Cornus sanguinea) - Krentenboompje (Amelanchier) - Gele Kornoelje (Cornus mas) 11.

Knip-en scheerhaag

Breedte: 1,0 meter

enkele rij

- Beuk (Fagus sylvatica)

60-80

Lengte: 20 meter

Wortelgoed

Hoogte: 180 cm Aantal: 4 stuks per strekkende meter 12

Vrij uitgroeiende haag

Breedte: 2,0 meter

aanplant in lijn- of in

Gemengde beplantingssoorten met keuze uit de volgende struikvormers:

60-80

Lengte: 90 meter

kruisverband

- Lijsterbes (Sorbus aucuparia)

- Wilde Roos (Rosa rubiginosa)

Wortelgoed

- Gelderse roos (Viburnum opulus)

- Braam (Rubus)

- Sleedoorn (Prunis spinosa)

- Meelbes (Sorbus aria)

Aantal: 40 stuks

- Rode Kornoelje (Cornus sanguinea) - Krentenboompje (Amelanchier) - Gele Kornoelje (Cornus mas)

Formaat: A4 Datum: november 2020

0

12,5

25

±

50 Meters 1:1.000

Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek J.F.G. Maassen

Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

Ecologische quickscan

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

2

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

J.F.G. Maassen

Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren Ecologische quickscan Datum 7-10-2020

3

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

4

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

Maassen ecologisch advies en onderzoek Jan Mosmanslaan 23 5237 BB ’s-Hertogenbosch T 073-6410858 maassen36@ziggo.nl K.v.K 64413152 btw-id NL001289728826 rek.no NL55 INGB 0003 0208 71

Projectno. Tekst en samenstelling Foto’s Foto op omslag In opdracht van Wijze van citeren Contactpersoon Status Datum

2009-2 J.F.G. Maassen J.F.G. Maassen J.F.G. Maassen J.F.G. Maassen, Herontwikkeling Mw. E. Cadée (Crijns Rentmeesters) Definitief 7-10-2020

© 2020 Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, ‘s-Hertogenbosch

Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoeklocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere verstrekte gegevens. De opdrachtgever vrijwaart Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

5

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

6

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

Inhoud 1

2

3

4

5

6

7

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doelstelling 1.3 Toetsingskader 1.4 Leeswijzer Het plangebied, beoogde ontwikkeling en ingrepen 2.1 Ligging van het plangebied 2.2 Inrichting en het huidig gebruik van het plangebied 2.3 Beoogde ingrepen en ontwikkelingen Wettelijk kader 3.1 Inleiding 3.2 Soortenbescherming 3.3 Gebiedsbescherming 3.5 Bijzondere provinciale beschermingszones 3.6 Rode Lijsten Onderzoeksresultaat 4.1 Methodiek 4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Natura 2000 4.2.2 Provinciale beschermingszones. 4.3 Soortenbescherming 4.3.1 Vaatplanten en bladmossen 4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) 4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) 4.3.4 Vogels 4.3.5 Reptielen 4.3.6 Amfibieën 4.3.7 Vissen 4.3.8 Vlinders en libellen 4.3.9 Overige ongewervelden 4.4 Bescherming houtopstanden Conclusie 5.1 Samenvatting effectenbeoordeling 5.2 Toetsing aan de Wet natuurbescherming Voorzorgsmaatregelen, mitigatie en aanbeveling 6.1 Algemene voorzorgsmaatregelen 6.2 Bijzondere voorzorg- en mitigatiemaatregelen 6.2 Aanbeveling en advies Bronnen Bijlage 1 - Toelichting soortenbescherming Bijlage 2 - Soorten van de Vogelrichtlijn Bijlage 3 - Soorten van de Habitatrichtlijn Bijlage 4 - Nationaal beschermde soorten (‘andere soorten’) Bijlage 5 - Soorten met een vrijstelling

7

9 9 9 9 9 11 11 11 13 15 15 15 17 18 18 21 21 22 22 23 26 26 27 29 31 35 36 38 38 39 40 41 41 42 45 45 45 45 47 49 50 51 54 57

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

8

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

1 INLEIDING 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer heeft het voornemen om de agrarische bedrijfsbestemming op adres Ruiter 15 te Someren om te zetten in een woonbestemming. In samenhang met deze ontwikkeling wordt de oprichting van een tweetal Ruimte voor Ruimte woningen op de tegenovergelegen locatie Ruiter ongenummerd beoogd. De woningen worden middels een wijzigingsbevoegdheid mogelijk gemaakt. In het kader van de bestemmingsplanprocedure dient een quickscan flora en fauna te worden uitgevoerd ter plaatse van de bebouwing die gesloopt wordt op locatie Ruiter 15. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is aangezocht om deze quickscan uit te voeren.

1.2 Doelstelling Doormiddel van deze quickscan worden aanwezige beschermde natuurwaarden in beeld gebracht en de mogelijke effecten daarop als gevolg van de beoogde herontwikkeling. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen/uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Beoordeeld wordt welke wijze en in welke mate de beoogde ontwikkeling effect kan hebben op het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten. Aanvullend wordt bepaald of ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000- gebieden, gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, speciale provinciale beschermingszones en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Als de beoogde ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten die een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming tot gevolg kunnen hebben, wordt de noodzaak voor een ontheffingsaanvraag beoordeeld en/of doet deze quickscan aanbeveling voor vervolgstappen om overtreding van deze verbodsbepalingen te voorkomen.

1.3 Toetsingskader Deze quickscan toets aan · Wet natuurbescherming op de onderdelen o Wnb soortenbescherming: hoofdstuk o Wnb gebiedsbescherming o Wnb houtopstanden ·

Provinciale regelgeving op de onderdelen o Groenblauwe mantel o Natuur Netwerk Brabant

·

Gemeentelijke regelgeving op het onderdeel o APV-bomenkap

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de inrichting van het plangebied, de ligging van het plangebied in de omgeving en de voorgenomen ingrepen en herontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het

9

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

wettelijk kader geschetst dat de Wet natuurbescherming en de provinciale regelgeving biedt. Hoofdstuk 4 beschrijft in het eerste onderdeel de uitvoering van het onderzoek en de methoden die hierbij gehanteerd worden. In de volgende onderdelen van dit hoofdstuk worden de gebiedsbescherming en soortenbescherming behandeld. Per gebied en soortgroep wordt behandeld welk effect de ingrepen op beschermde soorten en gebieden kunnen hebben. In hoofdstuk 5 worden de mogelijke effecten die tot een overtreding van de Wet natuurbescherming kunnen leiden op beschermde gebieden en soorten kort samengevat. Aangegeven wordt welke overtredingen van wetsartikelen mogelijk zijn en voor welke ingrepen vervolgonderzoek en/of ontheffing nodig zijn. In hoofdstuk 6 wordt aangegeven welk voorzorg- en mitigatiemaatregelen gewenst zijn om overtredingen te voorkomen.

10

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

2 HET PLANGEBIED, BEOOGDE ONTWIKKELING EN INGREPEN. 2.1 Ligging van het plangebied Fig.1. Ligging van het plangebied (binnen rode cirkel) in de omgeving. Luchtfoto: Google Earth

Het plangebied is gelegen binnen het agrarisch buitengebied van de gemeente Someren op een zeer korte afstand van 0,2 km zuidelijk van de zuidrand van de bebouwde kom van Someren. Binnen dit buitengebied is naast akkerbouw een intensieve vorm van tuinbouw die uitgevoerd wordt in grote kassencomplexen een hoofdactiviteit. Kleinschaliger agrarisch landschap met kleine percelen grasland en houtbegroeiingen is aanwezig rond de bebouwingsstructuren. De agrarische activiteit is op deze hoogte van een meer hobbymatige soort waarbij veel paarden gehouden worden. Binnen dit landelijk gebied is door zijn ligging dicht bij de de woonkern Someren de druk van de verstedelijking groot. Dit resulteert in een groot bebouwingsdichtheid binnen de bebouwde linten van het wegenstelsel met een bebouwing die bestaat uit een gevarieerde mix van oude en nieuwe bebouwing en van woon- en bedrijfsbebouwing. Open water ontbreekt binnen de directe omgeving. De sloten binnen zijn van het type dat zelden een waterpeil voert. De bodem bestaat uit droge humusrijke leemhoudende zandbodems, die bodemkundig gecategoriseerd worden als hoge zwarte enkeerdgronden.

2.2. Inrichting en huidig gebruik van het plangebied

De te slopen schuur van de achterkant gezien

De te slopen schuur van de voorkant gezien

11

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

Het plangebied heeft een oppervlak van 8.130 m2 en betreft het erf waarop het adres Ruiter 15 is gevestigd. De hoofdbebouwing is een kleine woonboerderij, waarvan het woongedeelte in gebruik is voor bewoning en het stalgedeelte met hooizolder voor opslag. De hooizolder is voor een klein gedeelte nog in gebruik voor opslag van balen hooi en voor een groter deel als opslag van sloophout en bouwmaterialen. De rest van de stal is in ordelijk gebruik voor opslag van zaken van uiteenlopende aard. De woonboerderij is bijna een eeuw oud en verkeert grotendeels in goede staat van onderhoud. Alleen de buitenmuren tonen tekenen van slijtage; het dak met een dakbekleding van dakpannen is recent vernieuwd. Dwars op de woonboerderij is een tweede stal aangebouwd en betreft het deel van de bebouwing dat gesloopt wordt. Het dak met platte dakpannen toont tekenen van slijtage en verzakking. Er is een kleine lege zolderruimte in de dakkap aanwezig die niet in gebruik is. De benedenruimte is op een ordelijke manier in gebruik voor opslag van materialen. Het bedrijfsmatig gebruikt van de beschreven stalruimten is al enige tientallen jaren geleden gestaakt. Buiten wat kleine houten schuurtjes is de enige andere bebouwing op het erf een kleine vrijstaande stenen schuur waarvan de bouw van recentere datum lijkt.

Deze is dusdanig afgewerkt en in dusdanig in gebruik dat deze geen verblijfsmoglijkheden voor beschermde fauna biedt. Er rest nog een betonnen vloer waarop bouwmaterialen zijn opgeslagen en afgedankte landbouwmachines staan gestald. Deze betonnen vloer betreft een restant van en voormalige veldschuur die na instorting gesloopt is.

Woonboerderij

De kleine schuur rechts van woonboerderij

Genoemde bebouwing is geheel omgeven door kleine weilandjes die door pony’s en pluimvee begraasd worden. Siertuinen en sterk gecultiveerd groen ontbreekt waardoor de groene inrichting van het plangebied een natuurlijk karakter toont dat op de landschappelijke omgeving aansluit. De open en dunne grasmat van het ingezaaide cultuurgras is overal als gevolg van de begrazing en betreding door vee sterk geïnfiltreerd door onkruiden en meer natuurlijke grassen als gewoon struisgras en kweekgras.

Grasland noord van woning. Op achtergrond de houtwal met zomereiken

Grasland oost van woning

12

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

De graslandjes aan de voorkant en oostkant van de bebouwing zijn aangeplant met verspreid staande walnoten- en fruitbomen en hebben daardoor in enige mate het aanzien van en boomgaard. Andere houtbegroeiingen zijn de rij van jonge lindebomen langs de geasfalteerde oprit aan de westkant van de woning, en de houtwal op de noordgrens van het terrein als afscheiding met het achterliggend akkerland. Deze houtwal bestaat uit en rij jonge zomereiken waarvan de stamdiameter varieert van rond de 40 cm. Onder deze bomen zijn middelhoge struiken van inheemse soorten (hazelaar, veldesdoorn, kornoelje) aangeplant die voor een kleine deel tot aan de grond afgesnoeid zijn. Langs de gehele oostgrens en deels langs de zuidkant (straatkant) wordt het terrein afgeschermd door een twee meter hoge beukenhaag. Aan de westkant bestaat de afscheiding met de naburige manege uit een hekwerk bespannen met gaas.

Grasland met walnotenbomen aan de voorkant van woning

Grasland west van woning. In het midden rij van joge lindebomen.

2.3 Beoogde ingrepen en ontwikkelingen. Fig.2 Het plangebied is rood omkaderd en de bebouwing en voormalige bebouwing geel omkaderd. Verklaring 1. Woonboerderij 2. De aangebouwde stal die gesloopt wordt 3. Kleine stenen schuur 4. Voormalige bebouwing van een veldschuur (ingestort en resten verwijderd) Luchtfoto: Google Earth

De beoogde ontwikkelingen betreffen de volgende. -De procedurele ontwikkeling betreft om de huidige agrarische bedrijfsbestemming te veranderen in een woonbestemming en het bestemmen van het tegenoverliggend agrarisch terrein voor de bouw van twee Ruimte voor Ruimtewoningen.

13

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

-De voorgenomen ingreep waar deze quickscan betrekking op heeft betreft de sloop van een voormalige bedrijfsschuur. -Er is geen sprake van het amoveren van houtbegroeiingen in het kader van deze ingreep. -Na sloop van de schuur zal de groene inrichting aangepast worden voor de verbetering van de landschappelijke inpassing. Dit betreffen slechts kleine aanpassingen zoals het aanvullen van de aanplant van fruitbomen en versterking van de houtwal aan de noordrand van het terrein.

14

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

3. WETTELIJK KADER 3.1. Inleiding Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van soorten (soortbescherming) en bescherming van gebieden (gebiedsbescherming).

3.2 Soortenbescherming Bij de Wet Natuurbescherming gelden een aantal verbodsbepaling ter bescherming van planten- en diersoorten (zie bijlage). De wet kent twee beschermingsniveaus waarbij drie categorieën beschermde soorten worden onderscheiden. · Europees beschermde soorten volgens de Vogelrichtlijn · Europees beschermde soorten volgens de Habitatrichtlijn. · Nationaal beschermde soorten. Europees beschermde soorten Het zwaarst beschermingsniveau gelden de Europees beschermde soorten. De bescherming van vogels is op Europees niveau geformaliseerd doormiddel van de Vogelrichtlijn en die van de overige soortgroepen doormiddel van de Habitatrichtlijn. De Europese bescherming middels de Habitatrichtlijn beschermd soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV en het verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Dit betreffen o.a. alle vleermuissoorten die in Nederland en Europa inheems zijn. Op deze soorten is het beschermingsregime van § 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Voor soorten van Verdrag van Bonn bijlage II is de bescherming bij ingang van de Wet Natuurbescherming opgeheven of deze vallen onder het beschermingsregiem van nationaal beschermde soorten (zie verder bijlage 1).

Nationaal beschermde soorten (“andere soorten”) Voor nationaal beschermde soorten geldt een zwakker beschermingsregiem en er kan per provincie en per soort vrijstelling verleend worden voor ingrepen die betreffen ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. Voor alle inheemse diersoorten, beschermt of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. De ‘andere’ nationale soorten staan vermeld in bijlage A en B van de wet die hoort bij artikel 3.10 en 3.11. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst. Op deze soorten (zie bijlage 4) is het beschermingsregime van § 3.3 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Bescherming verblijfplekken Ook verblijfplaatsen van soorten uit beide categorieën die als “vast” kunnen worden aangemerkt zijn beschermd en worden aangeduid als jaarrond beschermde verblijfplekken. Deze bescherming geldt alleen de vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts éénmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels.

Voor soorten die onder de Vogelrichtlijn vallen zijn er verschillende gradaties in beschermingsniveau, afhankelijk hoe kwetsbaar

15

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

de instandhouding van de soort is in relatie tot gebruik van de vaste verblijfplek (zie hoofdstuk 3.3). In samenhang met de verblijfplek wordt ook de leefomgeving beschermd zover deze van belang is om het functioneren van de verblijfplek mogelijk te maken. Ontheffingsplicht Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. Vaak kunnen maatregelen getroffen worden zodat verbodsbepalingen niet worden overtreden, zoals de werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare periode, het aanpassen van de werkvolgorde of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd. In sommige gevallen kan er gebruik gemaakt worden van vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgelegd voor een van tevoren bepaalde categorie van gevallen. Een toegepaste vorm van vrijstelling is onder meer door het werken met een door het ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode, door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Vrijstelling doormiddel van een goedgekeurde gedragscode geldt voor alle vogelsoorten en nationaal beschermde soorten, zowel voor werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud als voor werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling (een verschil met voorgaande wetgeving).

Beschermingsregiem soorten vogelrichtlijn §3.1Wnb

Beschermingsregiem soorten Habitatrichtlijn §3.2 Wnb

Beschermingsregiem andere soorten §3.3 Wnb

Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art3.5 lid 1 Het is verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.10 lid 1a Het is verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen

Art 3.5 lid 4 Het is verboden voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen

Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben

Art 3.5 lid 3 Het is verboden om eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen en te rapen.

Niet van toepassing

Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hum natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hum natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Als dergelijke garanties niet kunnen worden gegeven moet men afhankelijk van de soort en ingreep ontheffing aanvragen van artikelen geformuleerd in de Vogelrichtlijn (§3.1 Wnb), of Habitatrichtlijn (§ 3.2 Wnb) of het beschermingsregiem “Andere soorten” (nationaal beschermde soorten) (§3.3 Wnb). Voor jaarrond beschermde verblijfplekken en functionele leefomgeving van soorten die onder de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijnen vallen is respectievelijk artikel 3.5 lid 4 en artikel 3.1 lid 2 van toepassing en geldt een verbod om de verblijfplekken en functioneel leefgebied te verstoren. De wet beschermt jaarrond beschermde verblijfplekken van nationaal beschermde soorten volgens artikel 3.10 lid 1b. Bij deze categorie is, evenals bij vogels waarvan de nestelplekken niet jaarrond

16

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

beschermd zijn, het verbod tot opzettelijke verstoring niet van toepassing, noch de bescherming van de functionele leefomgeving. Onder de term “opzettelijk” moet men ook de zgn. “voorwaardelijke” opzet verstaan; dat betekent dat de initiatiefnemer zich bewust moet zijn van de effecten van zijn handelingen. Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een zorgplicht opgenomen: Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en planten, en ook voor hun directe leefomgeving. De zorg houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht geldt altijd, en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. Toetsing In tegenstelling met de voorgaande Flora en Faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van instandhouding van de gehele populatie meer in aanmerking genomen te worden. Een ontheffingsaanvraag wordt o.a.

beoordeeld op de volgende punten: • aanwezigheid van aanvaardbare alternatieve mogelijkheden • aanwezigheid van een wettelijk belang • de staat van instandhouding van de soort en behoud van functionaliteit van de verblijfplek. Het wettelijk belang betreft, afhankelijk van de status van de soort, een Nationaal wettelijk belang (Vrijstellingsbesluit) of een Europees wettelijk belang (Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn). Deze wettelijke belangen hebben o.a. betrekking op de openbare veiligheid, volksgezondheid, veiligheid luchtvaart en bescherming van flora en fauna.

3.3 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming onderscheidt twee typen beschermde natuurgebieden ·

·

De gebieden die op Europees niveau een bescherming genieten en aangewezen zijn in het kader van de Habitatrichtlijn (HR), Vogelrichtlijn (VR) en Verdrag van Ramsar (wetlands). Deze gebieden vallen onder de noemer van Natura 2000 en betreffen gebieden van grote ecologische waarde. Natuurgebieden en verbindingsstructuren die op landelijke basis zijn ingesteld en vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Deze natuurgebieden en hun onderlinge verbindingen vormen een samenhangend ecologisch netwerk. De NNN is de opvolging van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Natura 2000-gebied Ook hier genieten de gebieden die onder een Europees beschermingsregime vallen de meest striktste bescherming. Voor beide categorieën van beschermde gebieden geldt dat activiteiten die een negatief effect hebben op de kwaliteit van de gebieden in het algemeen verboden zijn. Uitgezonderd zijn activiteiten

17

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

binnen Natura 2000 gebied die uitgevoerd worden in het kader van vastgelegde beheersplannen ten behoeve van Natura 2000 doelen. Een ontheffing wordt alleen verleend als er geen reële alternatieven zijn, de staat van instandhouding van soorten niet in gevaar komt en er sprake is van een groot openbaar belang, dat o.a. de volksgezondheid en openbare veiligheid kan betreffen. De ontheffingsverlening gaat veelal gepaard onder strikte voorwaarden en beperkingen en er is altijd sprake van een compensatieplicht. Bij Natura 2000 gebied wordt doormiddel van een voortoets beoordeeld of er negatieve effecten verwacht kunnen worden en in hoeverre deze als significant beoordeeld kunnen worden. Bij niet-significante negatieve effecten volgt een “lichte “beoordeling doormiddel van een Verslechteringtoets. Bij significante negatieve effecten wordt de “zware” route gevolgd doormiddel van een Passende beoordeling en ADC-toets.

3.4 Bijzondere provinciale beschermingszones Natuur Netwerk Nederland (NNN-gebied) Het uitgangspunt voor de bescherming van gebieden die vallen onder Natuurnetwerk Nederland is de eis dat de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden niet door een ingreep worden aangetast. In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied geldt het ‘Nee, tenzij’ principe. In principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Groenblauwe mantel De provincie Noord-Brabant heeft in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (2010) een keuze gemaakt voor behoud en versterking van de kwaliteiten van het landelijk gebied. Voor dit doel zijn 2 robuuste structuren ingesteld; de agrarische structuur en de groenblauwe structuur. De groenblauwe structuur bestaat uit de Groenblauwe mantel en het kerngebied Groenblauw. De Groenblauwe mantel is een buffer tussen het kerngebied Groenblauw met het agrarisch en verstedelijkt gebied. Het kerngebied Groenblauw bestaat uit de ecologische hoofdstructuur (NNN) inclusief de ecologische verbindingszones en de gebieden voor behoud en herstel van watersystemen.

De Groenblauwe mantel geeft naast de ontwikkeling van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap; Vanuit de watercomponent wordt vooral ingezet op het kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen. In Artikel 6 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant worden de doelstellingen van de Groenblauwe mantel geformuleerd en de verbodsbepalingen die gelden voor de Groenblauwe mantel. Deze verbodsbepalingen verbieden activiteiten die in strijd zijn met de hiervoor aangegeven doelstellingen met betrekking tot natuurbescherming, behoudt van landschappelijke kwaliteiten, bescherming van watersystemen en behoudt van bufferfunctie met het groenblauwe kerngebied.

3.5 Bescherming houtopstanden De Wet natuurbescherming § 4.1. Houtopstanden vervangt de voormalige Boswet, waarbij dezelfde voorwaarden grotendeels gelden. Evenals de Boswet betreft de bescherming in het algemeen houtopstanden buiten de bebouwde kom zover deze een groter oppervlak van 10 are hebben of een rij van meer dan 20 bomen betreffen, geen deel uitmaken van begroeiingen op erven of in tuinen en geen aanplant voor cultuurdoeleinden en houtwinning betreffen. Er geldt een meld- en heraanplant plicht.

3.6 Rode lijsten

18

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

Rode lijsten geven een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of duidelijk achteruit zijn gegaan. Rode lijsten hebben een signaleringfunctie en geen juridische status. Plaatsing op de lijst betekent daarom niet automatisch dat de soort beschermd is. Daarvoor is opname van de soort onder de Wet natuurbescherming nodig. De Rode lijsten zijn richtinggevend voor toekomstig beleid. Van overheden en terrein beherende organisaties wordt verwacht dat zij bij beleid en beheer rekening houden met de Rode lijsten.

19

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

20

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

4. ONDERZOEKSRESULTAAT 4.1 Methodiek Literatuuronderzoek In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden, waarbij is gekeken naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied en directe omgeving. Er is voor het soortenonderzoek gebruikgemaakt van gegevens van diverse websites, o.a. van de nationale databank (NDFF), kennisdocumenten en diverse verspreidingsatlassen. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de ligging van het plangebied ten opzichte van relevante natuurterreinen in de omgeving, de ligging ten opzichte van Natuurbeschermingswet-gebieden als Habitat- en Vogelrichtlijngebieden en Natuurnetwerk Nederland (NNN), en bijzonder provinciale beschermingszones (Groenblauwe mantel). Daarvoor is o.a. gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord- Brabant. Bron van de NDFF-gegevens die in het verslag vermeld worden is: NDFF - quickscanhulp.nl; d.d. 1-10-2020.

Veldonderzoek Het veldbezoek werd op 30-9-2020 tussen 11.00 en 12.00 uur uitgevoerd door dhr. J. Maassen. Tijdens het veldbezoek was het rond de graden 18C, weinig wind (wk1), half bewolkt en droog Een weertype dat als getypeerd kan worden als zacht herfstweer. Tijdens de uitgevoerde veldonderzoeken zijn de aanwezige biotopen in het plangebied vastgesteld. Ook is onderzoek gedaan naar biotopen en natuurwaarden in de directe aangrenzende omgeving waarop ontwikkelingen binnen het plangebied van invloed op kunnen zijn. Aan de hand van de aanwezige biotopen kan worden bepaald of er mogelijk beschermde soorten voorkomen. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen, die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige biotopen zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn verwerkt in onderstaande notitie.

21

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Natura 2000 Fig.4 Ligging van de plangebieden (binnen de rode cirkel) ten opzichte van Nederlands Natura 2000 gebied (rood gearceerd). Bron: Provincie Noord-Brabant

Ligging

Rond Someren ligt een ring van Natura 2000-gebieden. In de richting van de wijzers van de klok zijn dat respectievelijk Deurnsche Peel & Mariapeel, Groote Peel, Weerter- en Budelerbergen & Ringselven, Leenderbos en Groote Heide & De Plateaux en Strabrechtse Heide & Beuven. Het dichtst nabij gelegen Natuur 2000gebied is Strabrechtse Heide & Beuven op een noordwestelijke afstand van slechts 4 km hemelsbreed van het plangebied. De overige gebieden liggen op een grotere afstand die varieert tussen de 5 en 10 km.

Wettelijk kader en beleid

Externe werking De Wet natuurbescherming onderscheid naast een directe aantasting, de interne werking, ook een indirecte aantasting door factoren die op afstand van invloed zijn, de zgn. externe werking. Stikstof In de ‘Handreiking woningbouw en Aerius’ (januari 2020) van de Rijksoverheid blijkt uit de algemene conclusie dat bij maximaal 50 laagbouwwoningen, gebouwd op zandgrond op minimaal 7 km afstand van een Natura 2000-gebied, de stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied is. Voor projecten met een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar hoeft geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. In de andere gevallen op kortere afstand van een Natura 2000-gebied en/of voor de bouw van meer woningen waarbij de depositie mogelijk hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar is alsnog een Aeriusberekening nodig.

Effectenbeoordeling

Oppervlak Het plangebied en omliggende gebied maakt geen deel uit van Natura2000gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is daarom geen sprake.

22

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

Externe werking op korte afstand Alle Natura 2000 gebieden liggen op voldoende ruime afstand om geen negatieve invloeden verwacht worden van factoren met een externe werking die met een korte reikwijdte op afstand werken, als bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. Stikstof De factor stikstofuitstoot is in dit geval de enige mogelijke factor die een externe werking op grotere afstand kan genereren. In de uitvoerende fase kan een tijdelijke verhoging van de factor stikstofdepositie plaats vinden ten gevolge de uitstoot van het bouwverkeer en machines die tijdens sloopwerkzaamheden gebruikt worden. Gelet op de kleine schaal en korte duur van de werkzaamheden kan uitgesloten worden dat deze stikstofdepositie waarden bereikt die tot verslechtering binnen Naura-2000-gebied leiden of overschrijding van de gestelde drempelwaarden. Daar de bedrijfsfunctie van het plangebied verder vervalt en door geen nieuwe functies vervangen wordt, kan na de herbestemming een eerder een afname van de factor stikstofuitstoot verwacht worden dan een toename. Deze quickscan oordeelt niet over de nieuwe woonfuncties die de ontwikkeling in de verdere toekomst tot gevolg kan hebben. Wel kan op basis van de ‘Handreiking woningbouw en Aerius’ van de Rijksoverheid deze op 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied gesteld worden gelet op de kleine omvang van de voorgenomen projectontwikkeling.

Voor projecten met een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar is geen Aeriusberekening vereist en hoeft geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Conclusie Negatieve effecten op Natura 2000 gebied die tot kwaliteitsverlies en overschrijding van de gestelde normen betekenen kunnen geheel uitgesloten worden, gelet op de afstand, schaal en aard van de voorgenomen ontwikkelingen. Een toetsing aan de Natura 2000 wetgeving wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

4.2.2 Provinciale beschermingszones. NNN-gebied ligging

Toelichting

NNN-gebied Het dichts nabij NNB-gebied ligt op en afstand van 0,2 km zuidelijk van het plangebied en betreft de loop van de beek de Kleine Beek (Broekveldenloop) waaraan het beheer type van N03.01 Beek en bron is toegekend. Iets verder zuidelijk op ongeveer 0,5 km zuidwestelijk en zuidoostelijk van het plangebied en ligt in vorm van bosstructuren wat versnipperd en kleinschalig NNB-gebied waaraan respectievelijk van het beheertype van N16.04 Vochtig bos met productie en het beheertype N16.03 van Droog bos met productie is toegekend. Het dichts nabije groter aaneengesloten NNB-gebied ligt op en afstand van rond de 2 km. Voor NNN-gebied geldt de externe werking alleen indien sprake is van een aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken zoals die in het beheerplan zijn vastgelegd. Zover de externe werking betrekking heeft op de toevoer van stoffen door lucht en water geldt deze alleen in het kader van de Wet natuurbescherming (Natura 2000-gebied) en niet voor NNN-gebied.

23

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

Fig.6 Het plangebied is rood omkaderd. Groen en oranje: NNN/NNB-gebied

Bron: Natuurbeheerplan Noord-Brabant

NNB-gebied Beleidskader

De Verordening ruimte NB stelt in artikel 5.1.lid 7, dat als een bestemmingsplan gelegen buiten het Natuur Netwerk Brabant leidt tot een aantasting van de wezenlijke ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water, negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd.

NNB-gebied effecten

Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van de NNN/EHS gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan NNN-gebied is daarom geen sprake. De dichtstbijzijnde gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en liggen op dusdanige ruime afstand dat negatieve effecten die de wezenlijke waarden en kenmerken van NNB-gebied ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling aantasten redelijkerwijs geheel uit te sluiten zijn.

Conclusie

Effecten die de wezenlijke waarden en kenmerken van NNB-gebied aantasten kunnen geheel uitgesloten worden. Een toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht.

Groenblauwe mantel Ligging Het Provinciaal milieu- en waterplan 2016-2021 van de Verordening ruimte Noord-Brabant wordt op de kaart Gezondheid-1 het plangebied aangeduid als gelegen buiten de structuur ‘Groenblauwe mantel’ en buiten het “Zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen”. Fig.6 Ligging ten opzichte van de groenblauwe mantel. Het plangebied is rood omkaderd. Verklaring Blauwgroen: blauwgroene mantel Groen: NNB-gebied Rood gearceerd: Zoekgebied behoud en herstel watersystemen Bron: Ruimtelijke Plannen provincie Noord-Brabant

24

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

Effectenbeoordeling

Het plangebied ligt buiten Groenblauwe mantel en andere provinciale beschermingszones.

Conclusie

Door de ligging van het plangebied buiten de speciale provinciale beschermingszones kunnen overtredingen van artikel 18, 12 en 6 van de Verordening ruimte NB uitgesloten worden.

25

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

4.3 Soortenbescherming Vaatplanten Bescherming en voorkomen Wnb §3.2

Wnb §3.3

Bronnen onderzoek

Habitatrichtlijn Een viertal inheemse plantensoorten zijn strikt beschermd middels bijlage 4 van de Habitatrichtlijn. Deze vaatplanten betreffen de drijvende waterweegbree, kruipend moerasscherm, groenknolorchis en zomerschroeforchis. Voor bijlage 4-soorten geldt de strikte bescherming ook buiten hun prioritair aangewezen habitatgebieden. Genoemde soorten zijn te strikt gebonden aan een hoogwaardig natuurlijk milieu van water, moerassen en vochtige heide en blauwgraslanden om buiten natuurgebieden te verwachten. De drijvende waterweegbree is als habitatrichtlijnsoort landelijk de minst zeldzame vaatplant en komt tamelijk wijdverspreid in de provincie Noord-Brabant voor. De soort is gebonden aan een hoogwaardige zachte waterkwaliteit van beken en vennen. Nationale bescherming Onder de nationale bescherming vallen 76 soorten vaatplanten waarvan de meeste uiterst zeldzaam zijn. Onder deze beschermingscategorie een hoog aandeel van zeldzame akkeronkruiden die als gevolg van de intensivering van de akkerbouw vrijwel uit het agrarisch landschap verdwenen zijn. Een aantal zeer zeldzame soorten uit onderhavige beschermingscategorie groeit op stenige standplaatsen en kan op oude muren aangetroffen worden. In tegenstelling tot de voormalige Flora- en Faunawet zijn door de Wet natuurbescherming niet alle orchideeënsoorten meer beschermd.

Onder de nationale bescherming vallen zo’n 8 soorten die allen in de provincie Noord-Brabant uiterst zeldzaam of uitgestorven zijn. Binnen de 1 km-Straal vermelden de NDFF-gegevens geen beschermde plantensoorten. Binnen 1 tot 5 km-straal wordt alleen de drijvende waterweegbree vermeld. Deze is te specifiek gebonden aan het watermilieu van beken en vennen om binnen of nabij het plangebied te verwachten.

Waarnemingen Tijden het veldbezoek werden op graslanden langs terreinranden, tussen bestrating en andere marginale plekken voornamelijk algemene onkruiden van akkers en verstoorde bodem waargenomen die men op een erf als dit verwachten kan: o.a. klein kruiskruid, zachte ooievaarsbek, harig knopkruid, Canadese fijnstraal, paardenbloem, duizendblad, postelein (wildvorm) en reukloze kamille. Effecten beoordeling

Conclusie De begroeiing is van een te algemeen soort om bijzondere botanische waarden te verwachten. Natuurlijke en duurzame standplaatsen van beschermde plantensoorten en van andere soorten die enige botanische waarden vertegenwoordigen, kunnen geheel uitgesloten worden binnen het plangebied en directe omgeving. Negatieve effecten op beschermde plantensoorten en hun groeiplekken worden niet verwacht.

26

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) Voorkomen en bescherming Habitatrichtlijn Wnb§3.2

Habitatrichtlijn Onder de Europese bescherming van de Habitatrichtlijn vallen een aantal zeezoogdieren, die vanzelfsprekend binnenlands uitgesloten kunnen worden. Binnenlands kunnen als Europees beschermde zoogdieren wel bever, otter, noordse woelmuis en verschillende soorten vleermuizen verwacht worden. De groep van vleermuizen wordt in een apart hoofdstuk behandeld. De bever is een soort die vanuit het rivierengebied steeds verder via de beekdalen zuidwaarts in Brabant oprukt. Ook van de otter vertoont een soortgelijk verspreidingspatroon, maar is alsnog veel zeldzamer. Uitgezonderd van vleermuizen ligt het plangebied in het algemeen te ver buiten het landelijk verspreidingsgebied en specifiek habitatgebied van soorten waarvoor het strikte beschermingsregime van de Habitatrichtlijn geldt om deze te verwachten.

Nationaal beschermd (‘andere soorten’)

Nationaal bescherming zonder vrijstelling Op basis van ligging en landschappelijke omgeving kunnen in de nabijheid van het plangebied een aantal soorten uit het middelzware beschermingsregiem waarvoor geen vrijstelling geldt verwacht worden. Dit betreffen eekhoorn, das, kleine marterachtigen en steenmarter. De bescherming zonder vrijstelling van kleine marterachtigen, als wezel, bunzing en hermelijn geldt alleen de provincies Noord-Brabant en Noord-Holland. Deze soorten komen vrij algemeen voor en zijn moeilijk vast te stellen. Kleine marterachtigen verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals houtwallen en greppels. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. Kleine marterachtigen zijn moeilijk vast te stellen op basis van een kort en éénmalig veldbezoek.

Wnb §3.3

De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. De steenmarter laat gewoonlijk duidelijke sporen na als uitwerpselen, prooiresten, stank en krabsporen. De voorkeurshabitat voor eekhoorn bestaat uit gemengde bossen, bosrijke tuinen, parken en houtwallen, daar waar voedselmogelijkheden voorhanden zijn. Nationale bescherming met vrijstelling Een nationale bescherming met vrijstelling geldt voor een aantal algemene zoogdieren die in de meeste gevallen als uitgesproken cultuurvolger gelden. Uit deze beschermingscategorie kunnen in het bijzonder binnen de bebouwde omgeving in het algemeen een aantal kleine zoogdiersoorten als gewone bosspitsmuis, huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis en egel verwacht worden. Deze zullen zich voornamelijk op terreindelen waar voldoende dekking door begroeiing is ophouden. Grotere soorten als ree, haas en vos zullen kunnen de

27

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

directe nabijheid van bebouwing mijden indien er geen duidelijke voedselbron is. Voor al deze soorten is slechts de zorgplicht van toepassing, d.w.z. dat onnodig doden of verwonden vermeden dient te worden. Effectenbeoordeling Bronnen Habitatrichtlijn onderzoek Op basis van de geraadpleegde NDFF-gegevens kan binnen de wijdere omgeving van de 0 tot 5 km straal buiten vleermuizen de bever als enige Habitatrichtlijnsoort (bever) verwacht worden. De soort wordt door de NDFFgegevens binnen de 1 -5 km-straal vermeldt. De waarnemingsplek zal het stroomgebied van de verschillende beken of de grote kanalen met hun oevers betreffen. Overige soorten Uit het middelzware beschermingsregiem van andere soorten waarvoor geen vrijstelling geldt vermelden de NDFF-gegevens binnen de 1 km-straal geen soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Binnen de 1-5 km-straal worden eekhoorn, bunzing, wezel en steenmarter vermeldt. Genoemde soorten kunnen op basis van hun landschapsgebruik en mobiliteit ook als relevant voor de omgeving van het plangebied beschouwd worden. Waarneming

Er werden geen waarnemingen van zoogdieren gedaan.

Effecten

Habitatrichtlijn Op basis van de bekende verspreidingsgegevens, landschapskenmerken en specifieke habitatvereisten kunnen alle habitatrichtlijnensoorten voor het plangebied geheel uitgesloten worden. De bever is te zeer gebonden aan stromend water met begeleidend ooi- en moerasbos om nabij het plangebied te verwachten. Andere soorten Op basis van de analyse van de verspreidingsgegevens, habitatgebruik en landschapskenmerken kunnen binnen de omgeving van het plangebied kleine marterachtigen, in het bijzonder wezel en bunzing, steenmarter en eekhoorn verwacht worden als soorten uit het middelzware beschermingsregiem. De schuur die gesloopt wordt is uitgebreid geïnspecteerd op verblijfplekken of sporen die daarop wijzen. De benedenruimte is door zijn gebruik en onderhoud weinig geschikt voor ongestoord verblijf van marterachtigen. De kleine zolder biedt wel goede verblijfsmogelijkheden. Deze kon goed geïnspecteerd worden; er werd geen enkele aanwijzing gevonden dat marterachtigen hier verblijven. Ook elders werden nergens binnen het plangebied verblijfssporen geconstateerd. De steenmarter kan voor het plangebied uitgesloten worden daar deze gewoonlijk duidelijk sporen nalaat en schade zal aanrichten bij het pluimvee dat op het erf gehouden wordt.

Niet volledig uitgesloten kan worden dat kleine marterachtigen als wezel en bunzing op de hooizolder van de woonboerderij of onder steenstapels en andere zaken die op het erf opgeslagen liggen, verblijf vinden. Echter de hooizolder en eventuele verblijfplekken daar blijven behouden. De steenstapels e.d. die geschikt zijn om verblijf te bieden liggen ver buiten het werkgebied dat nodig is voor de sloop van de schuur. In het kader van de voorgenomen herontwikkeling is er geen directe noodzaak en zijn er geen voornemens om

28

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

deze te ruimen of te verplaatsen. Op basis van de richtlijnen in de overheidsuitgave “Handreiking kleine marterachtigen(uitgave BIJ12)” is nader veldonderzoek naar kleine marterachtigen niet noodzakelijk daar uit het veldonderzoek blijkt dat de aanwezigheid van kleine marters wel mogelijk is maar er geen verboden overtreden worden. Het project voldoet eveneens niet aan de voorwaarde van de minimale afmeting van 10.000 m2 om een onderzoek te rechtvaardigen. Indien onverhoopt kleine marterachtigen buiten hun vaste verblijfplekken aangetroffen worden dient voorkomen te worden dat deze gedood worden en veilig kunnen vluchten. Wat in meer algemene zin betekent dat de zorgplicht in acht dient te worden genomen. Binnen de invloedsfeer van de ingreep kunnen en aantal kleine zoogdieren verwacht worden die zich ronde en nabij bebouwing verwacht worden als egel, huisspitsmuis, bosmuis en veldmuis. Voor deze soorten geldt uitsluitend de zorgplicht. Conclusie

Negatieve effecten op verblijfplekken van beschermde land gebonden zoogdiersoorten waarvoor geen vrijstelling geldt worden binnen de invloedsfeer van de ingrepen niet verwacht, noch aantasting van beschermd functioneel leefgebied voor de instandhouding van jaarrond beschermde verblijfplekken van strikt beschermde zoogdiersoorten. Kleine beschermde zoogdieren waarvoor een vrijstelling en alleen de zorgplicht geldt, als huisspitsmuis, egel, veldmuis en bosmuis, kunnen nooit geheel uitgesloten worden. Voor deze soorten dient uitsluitend de zorgplicht in acht worden genomen.

4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) Bescherming en voorkomen Alle in Nederland voorkomende vleermuizen staan vermeld in Tabel 3 bijlage IV Bescherming van de Europese habitatrichtlijn en zijn daardoor op Europees niveau Wnb § 3.2 beschermd. Deze bescherming betreft ook de vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan:” het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”. Vleermuizen onderhouden verschillende type verblijfplekken als paarverblijven, winterverblijven, kraamverblijven en zomerverblijven. Voor de staat van instandhouding van de lokale populatie van de soort zijn de kraamverblijven en de grote winterverblijven van het grootst belang. In gebruik van paarverblijven zijn vleermuizen het meest flexibel. In de loop van het seizoen wisselen vleermuizen regelmatig van verblijfplaats waarbij gebruik wordt gemaakt van vaste routes tussen de verblijfplekken. Eveneens tussen foerageergebieden en verblijfplaatsen onderhouden vleermuizen vaste routes. Bij het gebruik van deze routes oriënteren vleermuizen zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen en houtwallen. Dit gehele systeem van verbindingsroutes en foerageergebieden die het functioneren van de verblijfplaatsen voor hun specifieke functies mogelijk maakt wordt de functionele leefomgeving genoemd.

Ingrepen binnen de functionele leefomgeving die het functioneren van de verblijfplaatsen aantasten worden door de wetgever gelijkgesteld aan de aantasting van verblijfplekken zelf. In deze zin is de functionele leefomgeving even strikt beschermd als de verblijfplekken.

29

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Ruiter 15 te Someren

Voorkomen en verspreiding

Op basis van landschapskenmerken worden binnen de directe omgeving vooral soorten van het open en half besloten landschap die in enige mate als cultuurvolger gelden verwacht worden. De betreft in de eerste instantie de gewone dwergvleermuis; de meest algemene vleermuis in Nederland die vrijwel overal binnen de bebouwde omgeving voorkomt en voornamelijk in of aan bebouwing verblijft. De laatvlieger is eveneens voor zijn verblijf geheel afhankelijk van verbouwing en na de gewone dwergvleermuis de meest algemene vleermuissoort in Nederland. In tegenstelling tot de gewone dwergvleermuis is de laatvlieger meer een soort van het open veld. Een andere algemene soort die ook veel boven open terrein foeragerend kan worden aangetroffen en met grote zekerheid binnen landschappelijke omgeving verwacht kan worden, is de boom bewonende rosse vleermuis. Deze soort is voor zijn verblijfplekken afhankelijk van oude bomen van lanen, bossen en stadsparken.

Effectenbeoordeling De NDFF-gegevens melden binnen de 1 km-straal alleen de laatvlieger. Binnen Bronnen de 1-5 km-straal worden de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, onderzoek rosse vleermuis en gewone grootoorvleermuis. Alle genoemde soorten zijn relevant voor de omgeving van het plangebied gelet op het brede landschapsgebruik gebruik van vleermuizen Toelichting

Tijdens de veldbezoeken wordt onderzoek gedaan naar verblijfplekken, verblijfssporen en verblijfsmogelijkheden in en aan bebouwing en bomen. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen in het algemeen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. In bomen kan verblijf gevonden in holtes, gaten en diepe spleten en achter loshangende schors. Tijdens inspecties op zicht worden zelden verblijvende vleermuizen aangetroffen. Ook sporen die wijzen op vleermuizenverblijf zijn meestal schaars. De verblijfplekken worden meestal ontdekt op basis van het gedrag van vleermuizen na het verlaten van de verblijfplek. Hiervoor is uitgebreider onderzoek nodig tijdens de uren dat vleermuizen actief zijn en over een langere periode binnen de jaarlijkse actieve seizoenen. Tijdens het veldonderzoek worden daarom in de eerste instantie een inschatting gemaakt van de verwachtingskans op basis van de aanwezige verblijfsmogelijkheden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9935739/1