CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

6d Toelichting BP Somerenseweg 23

Gemeenteraad 25 maart 2021, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Somerenseweg 23 Lierop12.082 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De eisen uit het bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. In dit geval gaat het om de scheiding tussen het kantoor en de aangrenzend te projecteren nieuwe woningen. Hierbij dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden: • het gaat om kleinschalige bedrijvigheid. Het kantoor betreft een kleinschalige bedrijf, waardoor kan worden voldaan aan deze voorwaarde. • productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats. Er is geen sprake van de genoemde werkzaamheden, waardoor wordt voldaan aan deze voorwaarde. • de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig. De activiteiten (kantoor) vinden in het pand plaats. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Gezien het bovenstaande zijn er geen belemmeringen te verwachten. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.1.8

Volksgezondheid Nederland is een land waar mensen en vee dicht op elkaar leven. Het RIVM doet op verschillende manieren onderzoek naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid, voor bijvoorbeeld omwonenden, veehouders, gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderijen werken. Mensen kunnen ziek worden van ziekteverwekkers die dieren bij zich dragen, zogenaamde zoönosen. Dieren in de veehouderij kunnen dit soort ziekteverwekkers bij zich dragen, bijvoorbeeld Q-koorts of Salmonella. Ook fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) kunnen gezondheidsproblemen veroorzaken. Daarnaast kunnen mensen hinder ondervinden van stank afkomstig van mest uit veehouderijen. Verschillende partijen hebben onderzoek gedaan naar de

30

effecten van veehouderijen op de gezondheid van, zowel mensen die beroepsmatig contact hebben met vee (boeren, dierenartsen) als mensen die in de buurt van een veehouderij wonen. Veehouderij en gezondheid In juni 2017 heeft het RIVM een aanvulling op het VGO-rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen’ uitgebracht waarin de uitkomsten en resultaten van verschillende aanvullende studies ten aanzien van potentiële gezondheidseffecten van veehouderijen zijn opgenomen. In dit onderzoek is vastgesteld dat er een verhoogd risico op longontstekingen rondom geitenhouderijen bestaat. De oorzaak is echter nog niet bekend. De Gezondheidsraad concludeert in haar vervolgadvies van 14 februari 2018, waarin zij de resultaten van de meest recente onderzoeken heeft betrokken (waaronder ook de VGO-onderzoeken), dat bij alle gevonden verbanden in het VGO-onderzoek en in internationale onderzoeken over gezondheidsrisico’s rondveehouderijen het om meer of minder sterke aanwijzingen gaat. Aanwijzingen worden gedefinieerd als mogelijke oorzakelijke verbanden, waarvoor de bewijskracht tekortschiet. De gegevensbasis die er tot op heden ligt, is te beperkt om van algemeen aanvaarde inzichten (aangetoonde of waarschijnlijke oorzakelijke verbanden) te kunnen spreken.

Op 22 oktober 2018 kwam het eerste deelrapport van VGO III uit: 'Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen'. Geitenhouderijen Ten aanzien van geitenhouderijen concludeert de Gezondheidsraad dat nader onderzoek zal worden gedaan naar het longontstekingsrisico in de buurt van geitenhouderijen. Aangezien de onderzoeksresultaten nog niet zijn uitgekristalliseerd, kunnen nog geen gerichte maatregelen worden getroffen om gezondheidsrisico’s tot een minimum te beperken. Totdat vervolgonderzoek is afgerond hanteert de gemeente de werkwijze dat voor nieuwe woningen die binnen een straal van 2 kilometer liggen van een geitenhouderij, een aanvullende afweging van het risico op longontstekingen moet plaatsvinden. In dit geval zijn binnen een straal van 2 kilometer rondom het plangebied geen geitenhouderij gelegen. Daarom zijn er geen gezondheidsrisico’s afkomstig van geitenhouderijen te verwachten. Pluimvee- en varkenshouderijen Op 25 november 2016 is de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid uitgebracht en heeft betrekking op pluimvee- en varkenshouderijen. Reden is dat de huidige toetsingskaders voor fijn stof en geur in veel gevallen onvoldoende beperkend zijn om een ongewenste toename van gezondheidsrisico’s te voorkomen.

Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan veehouderijen aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve is een endotoxine toetsingskader ontwikkeld, dat de mogelijkheid biedt om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden aan omwonenden. In de directe omgeving zijn geen pluimvee- en/of varkenshouderijen gelegen, waardoor er geen gezondheidsrisico’s afkomstig van dit soort veehouderijen zijn te verwachten. 31

Uit de kaart ‘veehouderijen in Noord-Brabant’ (oktober 2019) van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant blijkt dat in de verdere omgeving binnen een afstand van 1 kilometer drie pluimveehouderijen (vleeskuikens) gelegen. Ten aanzien endotoxinen afkomstig van deze pluimveehouderijen is gekeken of er voldoende afstand zit tussen de veehouderijen en de planlocatie: • Aan de Laan ten Boomen 40/42 is een vleeskuikenbedrijf gelegen en de fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM10: 903 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 184 meter. De werkelijke afstand tot dit bedrijf bedraagt circa 810 meter, waardoor kan worden voldaan aan de richtafstand. • Aan de Otterdijk 1 is een vleeskuikenbedrijf gelegen en de fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM10: 2.283,6 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 291 meter. De werkelijke afstand tot dit bedrijf bedraagt circa 680 meter, waardoor kan worden voldaan aan de richtafstand. • Aan de Somerenseweg 44 is een vleeskuikenbedrijf gelegen en de fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM10: 3.017,3 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 334 meter. De werkelijke afstand tot dit bedrijf bedraagt circa 820 meter, waardoor kan worden voldaan aan de richtafstand. Het aspect volksgezondheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.1.9

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Uit de risicokaart in paragraaf 5.1.6 blijkt dat er ten noorden en ten westen van het plangebied buisleidingen zijn gelegen. Voor deze buisleidingen geldt een voor onderhoud gereserveerde zone van 5 respectievelijk 8 meter. De buisleidingen liggen op een afstand van circa 650 en 855 meter, waardoor dit geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Ten oosten van het plangebied is op een afstand van circa 1,6 kilometer een hoogspanningslijn (380 kV) gelegen. Voor deze hoogspanningslijn geldt een indicatieve zone van 85 meter aan beide zijden van de lijn. De werkelijke afstand tot de planlocatie is dusdanig groot, dat de hoogspanningslijn geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.

4.2

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische 32

afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.

4.2.1

Nieuwe ontwikkelingen Onderhavig plan betreft de herbouw van een pand ten behoeve van een woonfunctie met kantoor. In de huidige situatie is reeds bebouwing en verharding aanwezig. De bebouwing en verharding zullen in de nieuwe situatie een groter oppervlakte van het perceel beslaan. De ontwikkeling zal gepaard gaan met een geringe toename van het oppervlakte aan verharding.

4.2.2

Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal plan van NoordBrabant, het Waterbeheerplan 2016-2021 van waterschap Aa & Maas, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ relevant. Hierin staat hoe het beste omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Tevens zijn de Keur en de beleidsregels Keur van Waterschap Aa en Maas van belang. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) Met de vGRP wordt beschreven hoe de gemeente Someren richting geeft aan de rioleringszorg. Voor nieuwbouw, dan wel herbouw, geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden opgevangen. Daarnaast stimuleert de gemeente hydrologisch neutraal bouwen. Dit betekent dat wordt gestimuleerd om ‘schoon’ hemelwater direct in de grond te laten infiltreren. Hierbij is de drietrapsstrategie van toepassing.

Daarnaast geldt: • Bij ruimtelijke ontwikkelingen met een uitbreiding van meer dan 2.000 m2 aan verhard oppervlak, dient overleg te worden gepleegd met belanghebbende partijen via de watertoets • Bij inbreidingslocaties kleiner dan 2.000 m2 dient het regenwater eerst op eigen terrein te worden verwerkt. Uitgangspunt is dat geen hemelwater op de riolering wordt aangesloten (hydrologisch neutraal bouwen) Daarnaast is de ambitie van de gemeente om bewoners en bedrijven te stimuleren om regenwater zoveel mogelijk op het eigen perceel vast te houden. Het streven is om (schoon) regenwater af te koppelen. Hiervoor wordt een bergingseis aangehouden van 0,06 m3 per vierkante meter verhard oppervlak. In dit geval bedraagt de oppervlakte aan verharding in de nieuwe situatie circa 365 m2. Dit betekent dat er dient te worden voorzien in een waterberging van 0,06 x 365 = 21,9 m3. Onweerstaanbaar Someren De gemeente Someren heeft het programma Onweerstaanbaar Someren in het leven geroepen om de gemeente klimaatbestendiger te maken. Hiervoor hebben de 33

gemeente en de waterschappen Aa en Maas en De Dommel maatregelen genomen welke zijn weergegeven op een digitale kaart.

4.2.3

Kenmerken huidige watersysteem Het plangebied heeft een totale oppervlakte van 960 m2. In de huidige situatie is het perceel deels verhard ten behoeve van een kantoor en deels onverhard ten behoeve van een tuin. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezige bebouwing is aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. Ter plaatse van de tuin kan hemelwater direct infiltreren in de grond.

4.2.4

Watertoets In dit geval is de planlocatie gelegen binnen het werkgebied van waterschap Aa en Maas. De Keur geldt voor alle drie de Brabantse waterschappen. In deze Keur zijn de regels beter op elkaar afgestemd en vereenvoudigd tot één Keur in heel Brabant. Bij deze Keur ligt de nadruk meer op wat mag dan wat niet mag. Daarnaast is er in minder gevallen een vergunning nodig dan voorheen en volstaat vaak een melding. In de Keur zijn ontwikkelingen met een verhardingstoename tot 2.000 m 2 vrijgesteld van compensatie omdat er, vanuit het watersysteem geredeneerd, geen aanleiding bestaat om onder deze oppervlaktemaat compenserende maatregelen te eisen. Echter zal het regelmatig voorkomen dat op basis van gemeentelijke eisen toch een hemelwatervoorziening wordt verlangd. Bovendien kan een voorziening wenselijk zijn om eventuele wateroverlast ter plaatse te voorkomen. Met onderhavige ontwikkeling wordt het bestaande pand gesloopt en herbouwd. Gezien het perceel een oppervlakte van 960 m2 heeft, zal de verhardingstoename niet meer bedragen dan 2.000 m2. Het afvalwater zal, net als in de huidige situatie, worden aangesloten op het aanwezige rioleringsstelsel en hemelwater zal worden afgekoppeld. Ten opzichte van de huidige situatie worden er twee woningen toegevoegd.

Gezien deze toename slechts gering is en de ontwikkeling daarmee kleinschalig van aard is, zal de huidige capaciteit van het rioleringsstelsel de toename aan waterafvoer kunnen verwerken en behoeft dus geen aanpassing. Ten aanzien van duurzaamheid en de ambitie van de gemeente om hemelwater zoveel mogelijk ter plaatse vast te houden, is nagedacht over het infiltreren van hemelwater. In dit geval zal gebruik worden gemaakt van infiltratiekratten en/of steenwol om te voldoen aan de benodigde waterberging van 21,9 m3 (zie paragraaf 4.2.2). Een infiltratiekrat (figuur 16) betreft een holle ruimte onder het verhard oppervlak om water vast te houden. Vervolgens kan het water vertraagd infiltreren in de grond of worden afgevoerd. Bij het gebruik van steenwol (figuur 17) worden onder het verhard oppervlak platen van steenwol geplaatst die zich volzuigen met water bij extreme neerslag. Wanneer het droger wordt, kan het water vervolgens worden geïnfiltreerd in de bodem of worden afgevoerd.

34

Figuur 16 Referentiebeeld infiltratiekratten (www.wavin.com/nl-nl)

Figuur 17 Referentiebeelden Rockflow onder oppervlak (www.nbd-online.nl)

In het ruimtelijk-planologisch kader worden er ten aanzien van het wateraspect geen belemmeringen verwacht. Met betrekking tot onderhavige ontwikkeling zal advies aan het Waterschap worden gevraagd.

35

4.3

Natuur

4.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Brabant (NNB). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 De planlocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied.

Het meest nabijgelegen gebied behorende bij Natura 2000 is ten westen van het plangebied op afstand van ruim 3 kilometer gelegen en betreft Strabrechtse Heide & Beuven. De ontwikkeling is dusdanig kleinschalig van aard, waardoor er ten aanzien van de Natura 2000-gebieden geen significant negatieve effecten zijn te verwachten. Om te bepalen of de ontwikkeling inderdaad geen negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Indien de uitkomst geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr. laat zien, is sprake van een acceptabele ontwikkeling ten aanzien van het effect op natuurgebieden. In de berekening zijn zowel de aanlegfase (sloop huidig pand en bouw nieuw pand) als de gebruiksfase (verkeersbewegingen en gebruik appartementen en kantoor) meegenomen. De berekening is bijgevoegd in Bijlage IV. Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr. tot gevolg heeft, Dit betekent dat de ontwikkeling geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden heeft. Natuur Netwerk Brabant De planlocatie is tevens niet binnen een gebied gelegen behorend tot het Natuur Netwerk Brabant. Het meest dichtbijgelegen gebied behorende tot het Natuur Netwerk Brabant is op een afstand van circa 900 meter ten westen van de planlocatie gelegen.

Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling vormt deze geen belemmering ten aanzien van het Natuur Netwerk Brabant.

4.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten 36

en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Op 16 juli 2020 is een flora en fauna onderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. De volledige onderzoeksrapport is als separate bijlage bijgevoegd. Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording of de ontwikkeling in strijd is met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: • Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? • Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? • Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Uit het onderzoek blijkt dat het planvoornemen naar verwachting geen negatief effect zal hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermende soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed.

Daarnaast blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor de aanvang van de werkzaamheden behoeft derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Ten aanzien van soortenbescherming zijn dus geen belemmeringen te verwachten.

4.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In dit bestemmingsplan is

37

een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. Conform het vigerende bestemmingsplan is het plangebied gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. In deze dubbelbestemming is opgenomen dat voor nieuwe bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m², een rapport overlegd dient te worden waarin de archeologische waarden van de gronden, die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Conform de Archeologiekaart van de gemeente Someren is het plangebied gelegen in ‘categorie 3’. Dit betreffen gebieden van hoge archeologische waarde. Voor ontwikkelingen binnen dit gebied geldt een onderzoeksplicht bij dezelfde grenswaarden als opgenomen in het bestemmingsplan. In dit geval zal het nieuwe pand grotendeels op de plek van het huidige pand worden gerealiseerd. Ter plaatse van het te slopen pand zal, behoudens de kelder en de overige uitbreidingen ten opzichte van de bestaande bouw (met name aan de oost- en zuidwestzijde), de bodem niet dieper worden verstoord dan op dit moment al het geval was bij de bestaande bouw. Eventuele nu al aanwezige archeologische waarden onder het bestaande pand, blijven dan ook in tact.

Dit met uitzondering van de locatie van de te realiseren kelder. De oppervlakte van de kelder (160 m2) is echter kleiner dan de aangegeven ondergrens 250 m2 (figuur 18), zodat een aanvullend archeologisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.

Figuur 18 Vergelijking huidige bebouwing en te realiseren bebouwing

38

4.5

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

4.5.1

Mobiliteit In de huidige situatie zijn er verkeersbewegingen ten behoeve van het kantoor en één woning afkomstig van de planlocatie. Door het toevoegen van twee woningen zal het aantal verkeersbewegingen dus toenemen. Om te bepalen of het aantal extra verkeersbewegingen een belemmering vormt ten aanzien van het aspect mobiliteit, wordt de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ gehanteerd. Tabel 3 Aantal verkeersbewegingen huidige en nieuwe situatie (conform CROW publicatie)

Aantal/oppervlakte Norm Huidige situatie Kantoor 140 m2 (bvo) 15,4 * Appartement (koop) 1 5,6 ** Totaal aantal verkeersbewegingen per etmaal huidige situatie Nieuwe situatie Kantoor 103,41 m2 (bvo) 15,4 * Appartement (huur) 2 3,7 ** Appartement (koop) 1 5,6 ** Totaal aantal verkeersbewegingen per etmaal nieuwe situatie

Totaal 21,6 5,6 27,2 16,9 7,4 5,6 29,9

* verkeersbewegingen per 100 m2 (bvo) per etmaal ** verkeersbewegingen per woning per etmaal

Uit tabel 3 blijkt dat het aantal verkeersbewegingen per etmaal in de nieuwe situatie toeneemt met 2,7 verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. Deze toename is slechts gering, waardoor kan worden aangenomen dat de huidige infrastructuur deze minimale toename zonder problemen kan verwerken. Het aspect mobiliteit levert dan ook geen belemmeringen op.

4.5.2

Parkeren De gemeente Someren heeft op 28 juni 2018 de Nota Parkeernormen vastgesteld. In de nota is opgenomen dat de opgenomen kencijfers in de meest actuele CROW publicatie met parkeerkencijfers als parkeernormen worden gehanteerd. In dit geval wordt de CROW publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernomen’ gehanteerd. Daarnaast is het uitgangspunt dat parkeren dient te worden voorzien op het eigen terrein. Conform de Nota Parkeernormen wordt de kern Lierop onderverdeeld onder ‘rest bebouwde kom’. Hiervoor gelden de parkeernormen zoals opgenomen in onderstaande tabel.

39

Tabel 4 Aantal benodigde parkeerplaatsen conform huidig beleid

Functie Aantal/oppervlakte Kantoor 103,41 m2 (bvo) Appartement (huur) 2 Appartement (koop) 1 Totaal aantal benodigde parkeerplaatsen

Parkeernorm 3,55 per 100 m2 (bvo) 1,4 per woning 1,9 per woning

Totaal 3,7* 2,8** 1,9*** 8,4

* Inclusief aandeel bezoekers van 20% ** Inclusief 0,3 parkeerplaatsen per woning voor bezoekers *** Inclusief 0,3 parkeerplaatsen per woning voor bezoekers

In totaal zijn er 8,4 parkeerplaatsen benodigd. In dit geval worden er 11 parkeerplaatsen gerealiseerd op het eigen terrein (figuur 19). Hiermee wordt ruimschoots voorzien in het aantal benodigde parkeerplaatsen.

Figuur 19 Situering parkeerplaatsen in nieuwe situatie

Daarnaast is in de planregels de mogelijkheid opgenomen om het oppervlakte aan kantoor met maximaal 15% te vergroten. Door gebruikmaking van deze mogelijkheid zal het kantoor op de locatie ten hoogste een oppervlakte van 118,92 m2 hebben. In dat geval zijn er maximaal 4,2 parkeerplaatsen ten behoeve van het kantoor benodigd en voor de gehele locatie komt dat neer op een totaal van 8,9 benodigde parkeerplaatsen. Met een mogelijke vergroting van het kantoor kan, met de realisatie van 11 parkeerplaatsen, alsnog worden voorzien in het aantal benodigde parkeerplaatsen. Het parkeeraspect vormt geen belemmering voor het voornemen. 40

HOOFDSTUK

5 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

5.1

Economische uitvoerbaarheid Alle kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een ruimtelijk plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In dit geval is sprake van (het mogelijk maken van) een bouwplan conform artikel 6.2.1 Bro en wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd in de vorm van een anterieure overeenkomst die tussen gemeente en initiatiefnemer wordt gesloten.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid De initiatiefnemer heeft zijn plannen kenbaar gemaakt aan de direct omwonenden door middel van een korte 3D-film. De omwonenden hebben via een formulier aangeven bekend te zijn met het voornemen van de initiatiefnemer en geen bezwaar te hebben tegen het initiatief mits er rekening wordt gehouden met een aantal aspecten. De formulieren van de omgevingsdialoog zijn bijgevoegd in de bijlagen. Onderhavig ontwerpbestemmingsplan wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegen, waarbij eenieder gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen.

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9890711/1