6b Toelichting incl bijlagen bestemmingsplan Hollestraat ongenummerd
Tekst van het document
In de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen wordt de volgende voorwaarde opgenomen: ‘De start van het ontgraven van de bouwput van de twee huizen met bijgebouwen dient minstens een week van tevoren gemeld te worden bij de gemeente Someren. Het graafwerk wordt waargenomen wordt door vrijwilligers die aangesloten zijn bij de Archeologische Vereniging Kempen- en Peelland (AVKP) en/of Heemkundekring Asten-Someren. Deze vrijwilligers zullen bij het uitgraven waarnemingen verrichten om te controleren of er wel of geen archeologische vondsten aanwezig zijn. Eventuele vondsten zullen als archismelding worden geregistreerd bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (Erfgoedwet 2016, artikel 5.4 en 5.5). De wettelijke meldingsplicht (op basis van de Erfgoedwet 2016) ten aanzien van archeologische vondsten gelden’. De rapportages van de archeologische onderzoeken zijn toegevoegd als bijlage. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.4
Ontsluiting, verkeer en parkeren
4.4.1
Ontsluiting
In de huidige situatie wordt het bouwwerk ontsloten door een inrit die aan de noordzijde van het plangebied is gelegen en die het perceel ontsluit op de Hollestraat. Deze inrit blijft gehandhaafd in de beoogde situatie. De ontsluitingsweg komt uit op een centraal middenerf waar rondom heen de woningen en bijbehorende bouwwerken worden gebouwd in een cluster. 4.4.2
Verkeer
De Hollestraat betreft een weg waar zich voornamelijk bestemmingsverkeer bevindt. Om het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe ontwikkeling te bepalen wordt uitgegaan van de ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ (CROW). De volgende tabel geeft een overzicht van de verkeersbewegingen.
25
Tabel 1: Overzicht functies en kencijfers verkeersgeneratie Functie (beoogd) Type gebied Kencijfer verkeersgeneratie Koop, huis, Niet stedelijk, buitengebied 8,6 per woning vrijstaand
Aantal 2 woningen
Aantal verkeersbewegingen 17,2
De ontwikkeling genereert in totaal 18 dagelijkse verkeersbewegingen. De wegen rondom de woonlocatie hebben voldoende capaciteit om deze verkeersbewegingen te verwerken, 4.4.3
Parkeren
Het uitgangspunt ten aanzien van parkeren in de gemeente Someren is dat dit moet plaatsvinden op eigen terrein. Bij elke woning worden drie parkeerplaatsen gerealiseerd. Binnen het plangebied wordt voldoende erfverharding aangelegd zodat bij elke woning drie voertuigen kunnen parkeren. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
26
5. Milieuaspecten Milieuaspecten spelen een rol in de ruimtelijke planvorming wanneer aan een gebied functies worden toegekend die een milieubelasting doen ontstaan of doen toenemen. Door middel van een goede ruimtelijke ordening kan een milieubelasting ook worden beperkt of worden voorkomen, zodat wordt bijgedragen aan de duurzame ontwikkeling van de gemeente. Milieuaspecten worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces betrokken. Hierdoor wordt het milieubelang volwaardig afgewogen tegen andere belangen die evenzeer claims leggen op de beschikbare ruimte.
5.1
M.e.r.-beoordeling
Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben dient op basis van wet- en regelgeving vaak een m.e.r.-procedure doorlopen te worden. Om te beoordelen of een plan of besluit m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, dient te worden bepaald of het project is opgenomen in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het Besluit m.e.r. is per 1 juli 2017 gewijzigd. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen dient een toets te worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De ontwikkeling betreft de bouw van enkele woningen. Het plan is dermate kleinschalig van aard dat geen m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is.
5.2
Bodem
In een bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of bij een buitenplanse afwijkingsprodedure. In artikel 8 van de Woningwet is aangegeven dat een gemeente in de gemeentelijke bouwverordening regels moet opnemen om het bouwen op verontreinigde grond tegen te gaan. De gemeente heeft de taak om alleen een omgevingsvergunning (aspect bouwen) te verlenen als de kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Hiertoe toetst de gemeente de informatie omtrent de bodemkwaliteit aan de Circulaire bodemsanering. Als de bouwlocatie daaraan niet voldoet, dan kan de gemeente een aanvraag voor een omgevingsvergunning weigeren, of nadere eisen in de vergunning opnemen. Bodemtoets Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. In bepaalde gevallen dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak.
Verkennend en nader bodemonderzoek Om de bodemgesteldheid in het plangebied in beeld te brengen is ter plaatse een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd4. De aanleiding voor het laten uitvoeren van een bodemonderzoek is de voorgenomen nieuwbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie. Als gevolg hiervan dient de milieuhygiënische kwaliteit van de 4 Verkennend en nader bodemonderzoek Hollestraat ong. Someren. Lankelma Geotechniek Zuid B.V., 8 september
2020
27
grond en het grondwater vastgelegd te worden. Daarnaast dient door middel van onderhavig onderzoek beoordeeld te worden of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). Resultaten en conclusies Algemeen De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 4,7 m -mv overwegend uit matig fijn siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. In de bodemlaag van 3,4 – 3,5 m -mv is een leemlaag aangetroffen. In de uitkomende grond zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. Grond verkennend bodemonderzoek In het grondmengmonster MM1 (bovengrond) is analytisch een licht verhoogd gehalte met cadmium aangetoond. De concentratie overschrijdt de achtergrondwaarde, doch niet de interventiewaarde. In het grondmengmonster MM2 (bovengrond) is analytisch een sterk verhoogd gehalte met zink aangetoond. De concentratie overschrijdt de interventiewaarde. Na uitsplitsing van het grondmengmonster MM2 is in boring B10 (5-50 cm -mv) een sterk verhoogd zinkgehalte aangetoond. In de andere monsters is geen verhoogd zinkgehalte aangetoond.
Grond nader bodemonderzoek Om de verontreiniging in te kaderen is boring B10 herplaatst (B10A). in het grondmonster B10A (80-130 cm-mv) is zink aangetoond boven de interventiewaarde. De boringen B10B tot en met B10E zijn geplaatst op 5 meter afstand van boring B10A. In de boringen B10B, B10C, B10D en B10D (0-50 cm -mv) zijn analytisch geen verhoogde gehalten met zink aangetroffen. Ook in de grondmengmonsters MM4 (B10B en B10C, 100-150 cm-mv) en MM5 (B10D en B10E, 100-150 cm-mv) zijn analytisch geen verhoogde zinkgehalten aangetoond. Boring B10 is opnieuw geplaatst (B110). In het grondmonster B110 (150-200) is analytisch geen verhoogd zinkgehalte aangetoond. Op de locatie is sprake van een verontreiniging met zink. De verontreiniging heeft een maximale diepte van 1,5 m-mv. De omvang is kleiner dan 25 m3. Grondwater In het grondwater uit peilbuis B01 zijn analytisch geen verhoogde gehalten aangetoond. Asbest in grond In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie.
Toetsing hypothese De hypothese ‘onverdacht’ dient op basis van de resultaten te worden verworpen. Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt mogelijk belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen nieuwbouw op deze locatie. Het aspect bodem vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
28
De rapportage van het verkennend en nader bodemonderzoek is toegevoegd als bijlage .
5.3
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). 5.3.1
Wegverkeerslawaai
Uit artikel 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient te worden verricht, indien sprake is van het projecteren van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing binnen een dergelijke zone. Uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van een aantal wegen in de omgeving (onder andere de Hollestraat: 60 km/uur-weg). Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd ten behoeve van de hiervoor noodzakelijke juridisch-planologische procedure beoogde nieuwbouw van twee Ruimte voor Ruimte woningen aan de Hollestraat ong. 5 Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de wegen De Hoof, Hoevenstraat, Hollestraat en Loovebaan. Voor alle wegen in onderhavig onderzoek geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde niet aan de orde.
Aangezien in onderhavige situatie geen sprake is van een procedure hogere waarde, wordt voor de woningen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. De rapportage van het akoestisch onderzoek is opgenomen als bijlage. 5.3.2
Industrielawaai
Ten aanzien van het aspect industrielawaai worden de richtafstanden van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ aangehouden. In paragraaf 5.5 wordt onderbouwd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat voor het aspect geluid sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
5.4
Geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) schept het kader voor de onderbouwing van nieuwe plannen voor het aspect geur. De Wgv heeft ook consequenties voor de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke projecten. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen geurhinder, omgekeerd moet het bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat nieuwe projecten gerealiseerd worden op plaatsen waar de geurhinder onaanvaardbaar hoog is of door nieuwe ontwikkelingen te hoog zal
5 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Hollestraat ong. te Someren, Tritium Advies, 19 januari 2021
29
worden. Hiertoe zijn de voor- en achtergrondbelasting van belang. Onder voorgrondbelasting wordt verstaan de individuele geurbelasting op het plangebied van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang veehouderij). Onder achtergrondbelasting wordt verstaan de cumulatieve geurbelasting op het plangebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang geurgevoelig object). Normen voorgrondbelasting Door de gemeenteraad van de gemeente Someren is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2010’ vastgesteld. Deze verordening stelt een norm van 14 ouE/m³ voor de maximale voorgrondbelasting voor het plangebied. Toetswaarden achtergrondbelasting In de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn voor veehouderijen normen gesteld aan de geurbelasting. Bij ontwikkeling van de veehouderij (uitbreiding, vestiging of omschakeling) dient aangetoond te worden dat de kans op cumulatieve geurhinder op gevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij de ontwikkeling van de veehouderij leidt tot een daling van de achtergrondbelasting. Een achtergrondconcentratie van 20 ouE/m³ bij 98 percentiel veroorzaakt maximaal 20% kans op geurhinder in het buitengebied.
In de bebouwde kom is een goed woon- en leefklimaat te borgen indien de achtergrondconcentratie niet hoger is dan 10 ouE/m³. Dit komt overeen met een kans op geurhinder die niet hoger is dan 12%. De cumulatieve geurbelasting wordt aan deze waarden getoetst. 5.4.1
Beoordeling belangen veehouderijen (voorgrondbelasting)
In de omgeving van het plangebied zijn de volgende veehouderijbedrijven gelegen: • Dellerweg 17 (pluimveehouderij ((ouderdieren) vleeskuikens)): afstand 360 meter; • De Hoof 26 (pluimveehouderij ((ouderdieren) vleeskuikens)): afstand 480 meter. De ligging van de veehouderijbedrijven is weergegeven in de volgende figuur.
De Hoof 26 (pluimveehouderij)
Dellerweg 17 (pluimveehouderij)
Figuur 15: Ligging meest nabijgelegen veehouderijbedrijven (plangebied rood omkaderd)
30
Deze veehouderij wordt beschermd tegen geurgevoelige objecten. Dit betekent dat de rechten van de veehouderijbedrijven die kunnen worden ontleend aan de vigerende vergunning gerespecteerd dienen te worden. Voor wat betreft de Ruimte-voor-ruimtewoningen kan worden geconcludeerd dat de meest nabijgelegen veehouderijen reeds door andere woningen, die dichterbij zijn gelegen, worden belemmerd. Om te bepalen of de oprichting van de Ruimte-voor-ruimtewoningen een belemmering vormen voor de ontwikkeling van de meest nabijgelegen veehouderijbedrijven, is een berekening van de voorgrondbelasting uitgevoerd met het programma V Stacks Vergunning. De invoergegevens en resultaten van de berekening zijn toegevoegd als bijlage. 5.4.2
Beoordeling woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting)
De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Deze bepaalt het woon- en leefklimaat op een locatie. Voor de ontwikkeling is een geurberekening voor de achtergrondbelasting uitgevoerd met behulp van het programma V-Stacks Gebied en veehouderijgegevens uit WebBVB (d.d. 23 juli 2020). Hierbij zijn de hoekpunten van het plangebied als rekenpunt genomen (‘worst case’-scenario). Voor een totaaloverzicht van de invoergegevens wordt verwezen naar de bijlage. De volgende tabel toont de achtergrondbelasting in de beoogde situatie. Tabel 2: Achtergrondbelasting beoogde situatie Adres geurgevoelig Toetswaarde IOV object (ouE/m3) Hoekpunt 1 20 Hoekpunt 2 20 Hoekpunt 3 20 Hoekpunt 4 20
Achtergrondbelasting beoogde situatie [ouE/m³] 6,2 5,8 4,5 4,4
Er wordt voldaan aan de toetswaarden. Het woon- en leefklimaat is daarmee aanvaardbaar op basis van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Beoordeling milieukwaliteit Naast een kwantitatieve weergave van de geurbelasting is er bij deze berekening voor gekozen om de geurbeleving inzichtelijk te maken. Om de milieukwaliteit te beoordelen is de volgende beoordelingstabel gehanteerd waarin de milieukwaliteitscriteria van het RIVM zijn opgenomen. Deze tabel is opgenomen in de Handreiking geurhinder en veehouderij. Tabel 3: Beoordeling milieukwaliteit Percentage Milieukwaliteit geurgehinderden (%) <5 Zeer goed 5-10 Goed 10-15 Redelijk goed 15-20 Matig 20-25 Tamelijk slecht 25-30 Slecht 30-35 Zeer slecht 35-40 Extreem slecht
In de volgende tabel wordt de milieukwaliteit voor het plangebied bepaald.
31
Tabel 4: Milieukwaliteit plangebied Receptorpunt Achtergrondbelasting [ouE/m³] Hoekpunt 1 Hoekpunt 2 Hoekpunt 3 Hoekpunt 4
6,2 5,8 4,5 4,4
Percentage geurgehinderden [%] 9% 8% 7% 7%
Milieukwaliteit Goed Goed Goed Goed
Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.5
Bedrijven en milieuzonering
Er dient voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende en hindergevoelige functies ter bescherming en/of vergroting van de woon- en leefkwaliteit. Indien milieubelastende functies in de projectlocatie mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) geeft per bedrijfsactiviteit richtafstanden met betrekking tot geur, fijn stof, geluid en gevaar die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen in de directe omgeving van een ruimtelijke ontwikkeling binnen aanvaardbare normen te houden. De afstanden gelden tussen de grenzen van de bestemmingsvlakken van het bedrijf en van het hindergevoelig object. De volgende figuur laat de ligging van de bedrijven zien in de directe omgeving van het plangebied. Loovebaan 45 (tankstation met LPG)
Figuur 16: Ligging bedrijven (plangebied rood omkaderd)
De volgende tabel toont de bedrijven met bijbehorende richtafstanden en de werkelijke afstand tot het plangebied.
32
Tabel 5: Richtafstanden op basis van ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG) Categorie bedrijvigheid Indices en richtafstanden (meters) Loovebaan 45 (tankstation met LPG) Geur Stof Geluid Gevaar Benzineservicestations: - met LPG < 1000 m3/jr 30 0 30 50
Werkelijke afstand (meters) 65
Er wordt voldaan aan de richtafstanden van het tankstation. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.6
Luchtkwaliteit
Wet luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit; daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in amvb's en ministeriële regelingen. De kern van de ‘Wet luchtkwaliteit’ bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder bevat zij basisverplichtingen op grond van de richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. De wet regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Niet in betekenende mate bijdragen In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde. Toetsing initiatief De huidige achtergrondconcentratie fijn stof (PM10) bedraagt ter plaatse van het plangebied 19,94 µg/m³; de huidige achtergrondconcentratie zeer fijn stof fijn stof (PM2,5) bedraagt 11,78 µg/m³. Er wordt voldaan aan de wettelijke fijn stofnorm.
Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Met behulp van de NIBM-tool is berekend of de ontwikkeling in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijn stof en stikstofdioxide in de buitenlucht. In het rekenmodel is uitgegaan van maximaal 20 dagelijkse voertuigbewegingen van en naar het plangebied. De volgende figuur geeft een overzicht van het resultaat.
Figuur 17: Resultaat berekening bijdrage aan luchtkwaliteit (NIBM-tool)
33
De ontwikkeling heeft geen significante invloed op de luchtkwaliteit; het plan is te kleinschalig om in betekenende mate bij te dragen aan een verandering/ verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
5.7
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico’s moeten aanvaardbaar blijven. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang en -dagverblijven. Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met dit aspect. Daartoe moeten de risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten, in beeld worden gebracht. Voor de normstelling van risicovolle bedrijven moet worden aangesloten bij het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het toetsingskader is meer gedetailleerd uitgewerkt in de Regeling externe veiligheid voor inrichtingen (Revi). De eisen ten aanzien van vervoer van gevaarlijke stoffen en de daarmee samenhangende risico’s zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor buisleidingen die risicovolle stoffen transporteren geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Dit besluit regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten en geeft de eisen en veiligheidsafstanden voor buisleidingen die worden gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen ten opzichte van kwetsbare objecten. Uit de Risicokaart van de provincie Noord-Brabant is af te lezen of zich in de directe omgeving risicovolle bronnen en inrichtingen bevinden die een risico vormen voor de ontwikkeling (zie volgende figuur).
Tankstation Loovebaan LPG
Buisleiding Gasunie
Figuur 18: Uitsnede Risicokaart (plangebied rood omkaderd)
Op een afstand van circa 800 meter ten westen van het plangebied is een gastransportleiding van Gasunie gelegen. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van deze leiding. Op een afstand van circa 65 meter van het plangebied is een LPG tankstation gelegen (Loovebaan 45). De PR risicocontour bedraagt maximaal 10-6 per jaar. Op het bedrijf zijn aanwezig: een vulpunt, een reservoir en een afleverinstallatie voor de LPG. De (PR 10-6) contour voor de inrichting van het bedrijf bedraagt
34
maximaal 35 meter (LPG-vulpunt). Het plangebied valt buiten de aangegeven risico-contouren van het tankstation. Het Bevi legt een verantwoordingsplicht op voor het groepsrisico (GR). Het groepsrisico geeft de kans aan dat een groep personen door een ongeval bij een risicobedrijf overlijdt. Een gemeente of provincie moet een verantwoording van het groepsrisico afleggen bij veranderingen van het groepsrisico. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations Op 28 juni 2016 publiceerde de Staatscourant een circulaire over externe veiligheid. Het gaat om ‘Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid’. Deze circulaire vraagt actie van gemeenten bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan rondom LPG-tankstations. Dit geldt ook bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van een LPG-tankstation. De circulaire vraagt gemeenten uitdrukkelijk ook een effectbenadering toe te passen bij besluiten rondom LPG-tankstations. Daarnaast blijft een risicobenadering in het kader van het Bevi (plaatsgebonden risico en groepsrisico) nodig. De effectbenadering is van toepassing als de gemeente een nieuw bestemmingsplan vaststelt.
Het gaat om een bestemmingsplan op grond waarvan kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten nabij een LPG-tankstation gerealiseerd worden. Ook voor een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van een LPG-tankstation is een effectbenadering van toepassing. De afstand van de nieuwe woningen tot het LPG-tankstation bedraagt 60 meter. Derhalve zal het groepsrisico beoordeeld moeten worden. Verantwoording groepsrisico Dichtheid van personen en groepsrisico Met de toevoeging van de twee woningen neemt het aantal personen in het plangebied met maximaal 10 personen toe. Er wordt uitgegaan van een personendichtheid van 40 personen per hectare in de dagperiode (permanente aanwezigheid). Om de gevolgen voor het groepsrisico in beeld te brengen is een risicoberekening met behulp van de LPGtool opgesteld6. De rapportage van de berekening is toegevoegd als bijlage. Uit deze berekening komt naar voren dat het groepsrisico in de autonome situatie 0,150 x de oriëntatiewaarde bedraagt en in de toekomstige situatie toeneemt tot maximaal 0,159 x de oriëntatiewaarde. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico Het LPG-tankstation moet voldoen aan de eisen die zijn vastgelegd in het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn gebaseerd op toepassing van de Best Bestaande Technieken. Hiermee worden de maatregelen ter beperking van het groepsrisico in voldoende mate toegepast.
In het kader van dit besluit worden geen verdere maatregelen en/of aanpassing van vergunningvoorschriften nodig geacht. Mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp De hulpdiensten kunnen snel en van meerdere kanten de woningen bereiken. Ook de bluswatervoorzieningen zijn in voldoende mate aanwezig. In geval van een calamiteit is de bestrijdbaarheid in voldoende mate geborgd. Mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Het beoogd bouwplan ziet niet op realisatie van woningen voor zorgbehoevenden. Door de aard van de ontwikkeling (vrijstaande woningen) wordt ervan uitgegaan dat de personen die binnen het invloedsgebied (kunnen) verblijven goed zelfredzaam zijn. In geval van een calamiteit kunnen zij 6 LPG groepsrisico berekeningsmodule Project: Ruimte-voor-ruimte woningen Hollestraat (Someren), Agel Adviseurs, 26
februari 2021
35
zelfstandig vluchten of een schuilplaats zoeken. Daarbij is wel van belang dat de beoogde inrichting beschikt over een noodplan waarin is beschreven hoe te handelen in geval van een calamiteit bij het LPGtankstation. Het plangebied wordt ontsloten via de Hollestraat. Deze vluchtroute loopt in eerste instantie door het invloedsgebied. Aan de zuidzijde van het plangebied kunnen personen vluchten via de landbouwgronden, weg van het invloedsgebied. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt tot een geringe toename van het groepsrisico; deze blijft echter acceptabel. De mogelijkheden voor bestrijding van een eventuele calamiteit zijn in voldoende mate aanwezig en personeel en bezoekers kunnen zichzelf in veiligheid brengen in geval van een calamiteit. De risico’s van de beoogde ontwikkeling op deze locatie worden daarom aanvaardbaar geacht. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.8
Volksgezondheid en veehouderijen
Geitenhouderijen In juni 2017 heeft het RIVM een aanvulling op het VGO-rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen’ uitgebracht waarin de uitkomsten en resultaten van verschillende aanvullende studies ten aanzien van potentiële gezondheidseffecten van veehouderijen zijn opgenomen. In deel 3 van het onderzoek is vastgesteld dat er een verhoogd risico op longontstekingen rondom geitenhouderijen bestaat. Een verhoogde kans op longontsteking voor omwonenden komt voor in een straal van 2 kilometer rond geitenhouderijen. In dit onderzoek is gekeken naar verschillende afstanden tussen woningen en geitenhouderijen (500, 100, 1500 en 2000 meter). Bij een kleinere afstand neemt het risico op longontsteking toe. Daarnaast neemt het risico op longontsteking toe als er meer geitenhouderijen in de omgeving van de woning zijn. Binnen een straal van 2 kilometer rondom het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen. Gelet hierop zijn de gezondheidsrisico’s afkomstig van deze veehouderijen aanvaardbaar en kan de ontwikkeling doorgang vinden. Varkens- en pluimveehouderijen Op 25 november 2016 is de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxinetoetsingskader 1.0’ uitgebracht.
Reden is dat de huidige toetsingskaders voor fijn stof en geur in veel gevallen onvoldoende beperkend zijn om een ongewenste toename van gezondheidsrisico’s te voorkomen. Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen van veehouderijbedrijven die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Op advies van de Gezondheidsraad is het Rijk bezig een landelijk toetsingskader voor endotoxine te ontwikkelen. Het doel is om voor endotoxine een toetsingskader te maken zowel voor geur als voor fijn stof dat werkt met emissiefactoren en verspreidingsberekening. Daarvoor worden emissiefactoren vastgesteld voor verschillende typen stalsystemen en reductiemaatregelen. Daarnaast moet een speciale, voor endotoxine doorontwikkelde versie van het landelijke Stacks verspreidingsmodel bruikbaar worden gemaakt voor de vergunningverlening. Zolang een landelijk toetsingskader voor endotoxine niet beschikbaar is, kan bij de vergunningverlening de gezondheid van omwonenden onvoldoende worden gewaarborgd. Derhalve is een voorlopig endotoxinetoetsingskader ontwikkeld (endotoxinetoetsingskader 1.0), dat de mogelijkheid biedt om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden
36
aan omwonenden. Het toetsingskader haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. Het kader heeft alleen betrekking op pluimvee- en varkenshouderijen. Op basis van het toetsingskader wordt getoetst of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in geval van aanvragen om een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van veehouderijen. Hierbij wordt de ontwikkeling zowel individueel (bedrijf alleen) als cumulatief (met omliggende veehouderijbedrijven) getoetst. Concreet wordt getoetst aan een afstandsgrafiek, waarin de relatie is gelegd tussen de fijn stof emissie en de afstand tussen de veehouderij (lees: meest nabijgelegen emissiepunt) en het meest nabijgelegen gevoelig object. Op basis van de emissie is de aan te houden afstand te bepalen om een te hoge blootstelling aan endotoxine te voorkomen (overschrijding van de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3). Binnen 250 meter van het plangebied zijn geen varkenshouderijen gelegen. Binnen 1 kilometer afstand van het plangebied is tweetal pluimveehouderijen gelegen, op de adressen Dellerweg 17 (op een afstand van circa 360 meter) en De Hoof 26 (op een afstand van circa 480 meter).
Op basis van de afstandsgrafiek dient voor deze bedrijven (uitstoot PM10: De Hoof 26: 3.852 kg per jaar; Dellerweg 17: 2.150 kg per jaar) een minimale afstand van 377 meter respectievelijk 283 meter te worden aangehouden waarbuiten de advieswaarde van de Gezondheidsraad niet wordt overschreden. Het plangebied is op een grotere afstand van deze veehouderijen gelegen dan de minimaal aan te houden afstanden. Er wordt dan ook voldaan aan de advieswaarde van de Gezondheidsraad. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Wel dient in het kader van het VGO3 onderzoek, waaruit is gebleken dat het risico op longontsteking verhoogd is binnen een straal van 1 kilometer rondom pluimveehouderijen, te worden onderbouwd dat het gaat om een acceptabele ontwikkeling. De ontwikkeling ziet op de toevoeging van maximaal twee woningen; het aantal bewoners bedraagt maximaal 10. Voor de pluimveehouderij Dellerweg 17 geldt bij de overheersende zuidwestelijke windrichting mogelijke ziekteverwekkers overwegend in noordoostelijke richting worden getransporteerd en is de kans deze via de lucht het plangebied bereiken beperkt. Voor de pluimveehouderij op de locatie De Hoof 26 geldt dat tussen deze veehouderij en het plangebied sprake is van een landschap met relatief veel bebouwing en beplanting/landschapselementen.
Hierdoor worden fijn stof en eventuele ziekteverwekkers grotendeels afgevangen. Gelet hierop zijn de gezondheidsrisico’s afkomstig van omliggende geitenhouderijen aanvaardbaar en kan de ontwikkeling doorgang vinden.
37
6. Waterparagraaf 6.1
Watertoets
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets de oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt. Het waterschap Aa en Maas en de gemeente Someren hebben een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer, waterbeheerder en gemeente.
6.2
Waterbeleid
Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Nationaal Waterplan 2016-2021, Provinciaal Milieu- en Waterplan van de provincie Noord-Brabant, Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas 2016-2021, Keur Waterschap Aa en Maas, Vierde Nota Waterhuishouding, Nationaal bestuursakkoord water, Beleidsbrief regenwater en riolering. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden. Daarbij zijn de volgende strategieën leidend: • Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas 2016-2021 In het waterbeheerplan van Waterschap Aa en Maas wordt aangeven wat de doelen zijn voor de periode 2016-2021 en hoe deze doelen bereikt moeten worden. Het plan is afgestemd op het nationale en provinciale waterbeleid en dat van de andere Nederlandse waterschappen. Het doel van het waterbeheerplan is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede dat mensen en dieren in Noordoost-Brabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving.
In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende thema’s: • Veilig en bewoonbaar; • Voldoende water en robuust watersysteem; • Schoon water; • Gezond en natuurlijk water; • Het leveren van maatschappelijke meerwaarde Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: • Gescheiden houden van vuilwater en schoon hemelwater; • Doorlopen van de afwegingsstappen: hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer; • Hydrologisch neutraal bouwen; • Water als kans; • Meervoudig ruimtegebruik; • Voorkomen van vervuiling; • Wateroverlastvrij bestemmen; • Waterschapsbelangen. Keur Brabantse waterschappen Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot
38
ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De Keur is in 2021 geactualiseerd. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2, toename van een verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m 2. Plannen met een verhardingstoename tot 500 m2 zijn onder de nieuwe keur vrijgesteld van compensatie.
Voor plannen met een verhardingstoename tussen 500 m2 en 10.000 m2 hanteert het waterschap een algemene (reken) regel (benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)). De gevoeligheidsfactor houdt de nominale waarde in die de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie van de locatie uitdrukt. De waarde 0,06 is de waterschijf van 60 mm die overeenkomt met de vastgestelde bovengrens voor de compensatiecapaciteit van 600 m3/ha. Gemeentelijk beleid omgang met hemelwater bij nieuwbouw Op basis van gemeentelijke voorwaarden wordt voor de nieuwe verharding een compensatie verlangd voor het bergen van hemelwater.
6.3
Oppervlaktewater
De volgende figuur toont de ligging van alle watergangen in beheer bij het waterschap in de omgeving van het plangebied.
A-watergang
B-watergang
Figuur 19: Ligging leggerwatergangen (https://maps.aaenmaas.nl/portaal/legger_oppervlaktewater/) (plangebied rood omkaderd)
39
Ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 250 meter is de Kleine Aa gelegen, een Awatergang in beheer bij het waterschap. Op circa 180 meter is de meest nabijgelegen B-watergang gelegen. De ontwikkeling vormt geen belemmering voor het beheer van deze watergangen.
6.4
Grondwater
Via de Bodematlas van de provincie Noord-Brabant zijn gegevens opgevraagd over de grondwaterstand binnen het plangebied. Uit gegevens is gebleken dat de gemiddelde hoogste waterstand zich rond de 100120 centimeter beneden maaiveld bevindt en de gemiddelde laagste grondwaterstand >250 centimeter beneden maaiveld (zie volgende figuren).
Plangebied
Figuur 20: GHG (Bodematlas Provincie Noord-Brabant) (plangebied rood omkaderd)
Plangebied
Figuur 21: GLG (Bodematlas Provincie Noord-Brabant) (plangebied rood omkaderd)
6.5
Omgang hemelwater
Verhard oppervlak In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de oppervlaktes verharding (dakoppervlakte en erfverharding) in beoogde situatie.
40
Tabel 6: Verhard oppervlak beoogde situatie Verhard oppervlak Toekomstige situatie (m2) Dakoppervlak 300 • Woningen 150 • Bijgebouw(en) Erfverharding 770 Totaal 1.220
Op basis van de Keur van het waterschap en het gemeentelijk beleid is geen compenserende maatregel noodzakelijk. Er dient een hoeveelheid van 1.220 * 0,06 = 73,2 m³ te worden geborgen in het totale plan. Bij beide woningen wordt een hemelwaterberging gerealiseerd met een capaciteit van circa 73 m³, in de vorm van een zaksloot en een wadi (zie volgende figuur).
Figuur 22: Ligging waterbergingsvoorzieningen
Dimensionering infiltratievoorziening Bij de dimensionering van de voorzieningen dient rekening te worden gehouden met hoogste grondwaterstand van 100 centimeter ter plaatse van de te realiseren waterbergingen. Rekening houdend met een waking van 10 centimeter dient de zaksloot een minimale lengte van 30 meter en een breedte van 3 meter (oevers: 1:1) te krijgen. Voor de wadi met een oeververhouding van 1:4 en een diepte van 1 meter dient deze een oppervlakte van circa 80 m² te krijgen. In het landschappelijk inpassingsplan is de locatie van de zaksloten/wadi’s weergegeven. Gebruik van niet-uitlogende materialen Het gebruik van niet uitlogende materialen is conform het advies van de Dubo-richtlijn (Duurzaam Bouwen). In het Lozingenbesluit Bodembescherming staat dat niet verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met oppervlakken als daken. Bij de bouw van de woningen zal geen gebruik worden gemaakt van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper, zink en lood, teerhoudende dakbedekking (PAK’s). Doordat het hemelwater niet vervuild is, is het geen probleem om het hemelwater te laten infiltreren in de bodem.
6.6
Omgang huishoudelijk afvalwater
Het huishoudelijk afvalwater wordt op het gemeentelijk riool geloosd; de woningen krijgen hiertoe een aparte aansluiting.
41
6.7
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan het beleid van Waterschap Aa en Maas inzake de watertoets en het waterbeleid van gemeente Someren.
42
7. Uitvoerbaarheid 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan doorloopt als ontwerp respectievelijk vastgesteld en onherroepelijk plan de volgende procedure conform de artikelen 3.7 tot en met 3.9 van de Wet op de ruimtelijke ordening: 1) Voorbereiding en vooroverleg met diensten van rijk, provincie en waterschap; Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. De initiatiefnemer heeft het voornemen kenbaar gemaakt aan de omwonenden en hen op de hoogte gesteld van de plannen. Vooroverlegreacties Waterschap Aa en Maas Het waterschap heeft op 19 januari 2021 middels een vooroverlegreactie aangegeven dat zij geen opmerkingen op het plan hebben. Provincie Noord-Brabant De provincie heeft begin februari 2021 in een vooroverlegreactie aangegeven dat het plan in overeenstemming is met de provinciale belangen. Enige opmerking die zij maken is dat de bewijsstukken van de aankoop van de ruimte-voor-ruimtetitels nog niet zijn toegevoegd.
Deze dienen aangekocht te zijn voor definitieve vaststelling van het bestemmingsplan. 2) Ontwerp: het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegen, van 26 maart 2021 tot en met 6 mei 2021. Tijdens deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Er is een tweetal zienswijzen ingediend. Zienswijzen Waterschap Aa en Maas Het waterschap heeft op 12 april 2021 een zienswijze ingediend. Zij geeft aan dat het beleid ten aanzien van de afvoer van het hemelwater (Keur) sinds 26 maart 2021 is gewijzigd (waaronder de verlaging van de grens van 2.000 m2 naar 500 m2 verhard oppervlak). De toelichting dient in overeenstemming te worden gebracht met de actuele Keur. Reactie: Het plan is in overeenstemming gebracht met de gewijzigde Keur. Provincie Noord-Brabant De provincie heeft op 26 april 2021 in een zienswijze aangegeven dat de bewijsstukken van de aankoop van de betreffende bouwtitels niet zijn opgenomen in het plan. Vooralsnog is het plan nog in strijd met artikel 3.80 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De stukken moeten echter bij de vaststelling zijn bijgevoegd.
43
Reactie: De certificaten van de Ruimte-voor-ruimtetitels worden voor vaststelling toegevoegd aan het bestemmingsplan. Daarmee wordt voldaan aan artikel 3.80 IOV. Ambtshalve wijzigingen Daarnaast worden de volgende ambtshalve wijzigingen doorgevoerd: 1. In de regels wordt onder 5.2.3.d. het woord ‘voorgevellijn’ door ‘voorgevel’ vervangen; 2. Aan de toelichting worden de resultaten van het proefsleuvenonderzoek toegevoegd. Dit is uitgevoerd tussen ontwerp en vaststelling; 3. Naar aanleiding van het proefsleuvenonderzoek wordt een voorwaardelijke verplichting toegevoegd aan de regels: 5.4.4 omgevingsvergunning bouwen In de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen wordt de volgende voorwaarde opgenomen: De start van het ontgraven van de bouwput van de twee huizen met bijgebouwen dient minstens een week van tevoren gemeld te worden bij de gemeente Someren. Het graafwerk wordt waargenomen wordt door vrijwilligers die aangesloten zijn bij de Archeologische Vereniging Kempen- en Peelland (AVKP) en/of Heemkundekring Asten-Someren. Deze vrijwilligers zullen bij het uitgraven waarnemingen verrichten om te controleren of er wel of geen archeologische vondsten aanwezig zijn. Eventuele vondsten zullen als archismelding worden geregistreerd bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (Erfgoedwet 2016, artikel 5.4 en 5.5).
De wettelijke meldingsplicht (op basis van de Erfgoedwet 2016) ten aanzien van archeologische vondsten gelden. 3) Vaststelling: de gemeenteraad heeft het bestemmingsplan (gewijzigd) vastgesteld op 23 juni 2021. Het plan wordt daarna wederom voor een periode van 6 weken ter inzage wordt gelegd voor beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak bij de Raad van State.
7.2
Economische uitvoerbaarheid
Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wro rust op de gemeente de verplichting tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. Met initiatiefnemer wordt een anterieure ontwikkelingsovereenkomst gesloten. In de overeenkomst zijn ontwikkelvoorwaarden (waaronder planschade) opgenomen.
44
8. Juridische verantwoording 8.1
Algemene opzet
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) naar het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: • De toelichting: een planbeschrijving die een verantwoording van de gemaakte keuzes, een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten bevat; • De regels, waarin de bestemmingen en daarbinnen geldende mogelijkheden zijn uitgewerkt. • De verbeelding, die de rol heeft van visualisering van de bestemmingen.
8.2
Toelichting op de verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De volgende bestemmingen en aanduidingen zijn opgenomen in de verbeelding: • Wonen (enkelbestemming); • Groen (enkelbestemming); • Tuin (enkelbestemming); • Waarde – Archeologie (dubbelbestemming); • Specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte (functieaanduiding); • Overige zone - bebouwingsconcentratie (gebiedsaanduiding).
8.3
Toelichting op de regels
De systematiek van de regels kan worden samengevat aan de hand van de hoofdstukindeling. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • •
•
Hoofdstuk 1 ‘Inleidende Regels’ gaat in op de omschrijvingen van de in de voorschriften gehanteerde begrippen en de wijze waarop de vermelde maten worden bepaald. In hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ worden de verschillende bestemmingen met bijbehorende gebruiksbepalingen en bouwvoorschriften beschreven. Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ geeft een overzicht van de algemene bouw- en gebruiksregels, de regels met betrekking tot afwijken van het bestemmingsplan, algemene aanduidingsregels en de bepalingen ten behoeve van wijzigingen van het bestemmingsplan. Tot slot komen de procedureregels aan bod, die verwijzen naar de wetgeving die in acht moet worden genomen. In hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ komen de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de slotregel aan bod.
45
Bijlage 1
Situatietekening en inpassingsstudie
BIJGEBOUW 2.500 m²
RUIMTE-VOOR-RUIMTEWONING ng oni w t 2.500 m² vanui ht zic BIJGEBOUW
aat str lle Ho
RUIMTE-VOOR-RUIMTEWONING ning wo t i u van t h zic
lijn
t ch i Z
Grens plangebied
Situatietekening Hollestraat ong. Someren Agron Advies B.V. Pastoor van Schijndelstraat 33a 5469 PS Boerdonk www.agronadvies.nl
Schaal 1:750 01-12-2020 versie 02
A3
2.500 m2
8.000 8.0 00
00
0
8.0
1
0 9.0
19.000
8.815
2.500 m2
8.000
P15
2001-A
ruimte voor ruimte hollestraat
26 februari 2020
P15
P15 (stads)landschappen Postbus 1536 5602 BM Eindhoven
2
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
Dit inpassingsplan betreft een initiatief aan de Hollestraat. Het betreft een enkele kavel die momenteel in gebruik is als grasland, dierenweide en moestuin. Het gehele is sterk ingekaderd aan twee zijden door opgaande beplanting in de vorm van rijen eiken. Via het terrein is er sprake van een zichtlijn vanaf de rand van Someren richting het achterliggende landschap. Dit doorzicht is mogelijk onder de bomen door. De zichtrelatie wordt geknepen door het garagebedrijf en tankstation aan de Loovebaan (randweg) en de redelijk recent toegevoegde Ruimte-voor-Ruimte-woningen aan de Hollestraat aan de zijde van de Dellerweg. Ook aansluitend op de locatie zijn Ruimte-voorRuimte-woningen in ontwikkeling aan De Hoof. Middels dit inrichtingsplan wordt vorm gegeven aan de landschappelijke wig tussen de bebouwing aan de Dellerweg en aan De Hoof door een nieuw cluster in de oksel van de bestaande structuren in te voegen binnen een nieuwe groene omkadering. Het nieuwe groene kader bestaat enerzijds uit landschappelijke wiggen (grasland) en anderzijds uit een ondersteunende beplantingsstructuur (een lage haag voor een rij (bloesem)bomen aan de open zijde en twee bosjes tegen de bestaande eikenrij). De nieuwe bebouwing maakt deel uit van het cluster van nieuwe woningen in de oksel van de Hollestraat en De Hoof.
Inpassingsplan Ruimte-voor-Ruimte-woningen aan de Hollestraat ongenummerd te Someren. Opsteller ir A.P.M. Beerendonk bnt senior landschapsarchitect en dendroloog
3
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
Het dorp Someren groeide na 1950 sterk tot de huidige compacte kern met bedrijvigheid langs het kanaal. 4
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
De bebouwde kom van Someren met woonwijken uit diverse bouwperioden. 5
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
Someren ken een harde grens aan de zuidwestzijde. 6
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
Historische wegen verbinden kern en landschap. 7
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
Bebouwingsclusters tegen de rand. 8
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
Ligging van de projectlocatie. 9
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
De projectlocatie en omgeving. 10
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
De projectlocatie en omgeving - kadastraal. 11
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
Someren sectie S 1670 Oppervlakte 12.280 m2
Kadastraal perceel aan de Holleweg. 12
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
analyse huidige situatie
Huidige inrichting plangebied 13
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
analyse huidige situatie
Karakterisering 14
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
analyse huidige situatie
Specifieke inrichtingselementen 15
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
analyse huidige situatie
Ruimtelijke opzet 16
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
inpassingsplan
Plangebied 17
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
inpassingsplan
Integrale ontwikkeling 18
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
inpassingsplan
Twee bouwkavels 19
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
inpassingsplan
Bebouwing 26
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
inpassingsplan
Nieuw erf 27
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
inpassingsplan
Ontsluiting woningen 28
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
inpassingsplan
Woongebied achterzijde De Hoof 20
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
inpassingsplan
Landschappelijke wiggen 21
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
inpassingsplan
Wonen naast de wig 22
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
inpassingsplan
Behoud zicht 23
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
inpassingsplan
Inpassingsprincipe: haag, bosjes en (bloesem)bomen 24
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
inpassingsplan
Zichtlijnen 25
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
inpassingsplan Het plangebied aan de Hollestraat is gelegen aan de westzijde van Someren en betreft een enkele kadastrale kavel van 12.280 m2. Zowel de Hollestraat als De Hoof betreft een historische weg. De Hollestraat was van oudsher een verbindingsweg tussen de historische wegen haaks op de Kleine Aa. De historische (en huidige) bebouwing groepeert zich langs deze wegen haaks op de Kleine Aa (zoals de Dellerweg en De Hoof). Het plangebied is gesitueerd tegen de bebouwingscluster van De Hoof. Meer bepaald maakt het plangebied deel uit van de groene wig tussen de bebouwing rondom de Dellerweg en de bebouwing rondom De Hoof. In de huidige situatie is het plangebied agrarisch bestemd en ook als zodanig in gebruik met een aantal dierenweitjes, een kleine schuur en een moestuin. Opvallend zijn de redelijk grote bomen in de (geiten)weitjes en de aanliggende groenstructuur die bestaat uit een losse rij eiken aan de noordzijde en een onvolledige rij wegbegeleidende eiken aan de Hollestraat. Het betreft telkens Zomereik (Quercus robur). Het plangebied kent daarmee een duidelijk ruimtelijk kader aan twee zijden wat de ruimtelijke werking van de groene wig (en ook het doorzicht) vanaf de Loovebaan versterkt. De groene wig wordt steeds breder richting de Kleine Aa. De zichtrelatie gaat onder en tussen de bomen. Beschrijving context en huidige situatie 3
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
inpassingsplan De initiatiefnemer is van plan twee Ruimte-voor-Ruimte-woningen te realiseren binnen het plangebied aan de Hollestraat. Deze woningen worden gerealiseerd op twee aansluitende kavels. De woningen en bijgebouwen zijn losstaand en vormen een klein erf. De nieuwe woningen sluiten aan op de nieuwe woningen in de oksel van de Hollestraat en De Hoof. De woningen worden ontsloten vanaf de Hollestraat middel een gedeelde inrit die eindigt in een gemeenschappelijk verhard erf. De beschreven groene wig is het uitgangspunt voor de gekozen opzet. De situering van de kavels en de gekozen landschappelijke inpassing ondersteunen de groene wig en de bestaande zichtrelatie. Ruimtelijk worden de nieuwe woningen losgekoppeld van de Hollestraat middels een kleine groene wig aan de wegzijde. Een dergelijke kleine wig, haaks op de grote landschappelijke wig, maakt deel uit van de landschappelijke inpassing aan de achterzijde. De landschappelijke inpassing bestaat uit een haag met (bloesem)bomen een de zijde van de groene wig met aan de achterzijde twee landschapsbosjes met landschapsboom tegen de bestaande bomenrij. Een kleine groene wig scheidt beide nieuwe bosjes. Het is ook de bedoeling de bestaande bomen te herplanten binnen de nieuwe opzet. Ruimtelijke opzet en inpassing 3
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
inpassingsplan
Groene wig in ruimtelijke montage 28
ruimte voor ruimte hollestraat
P15
inpassingsplan
Het dorp Sögel groeide met de aanleg van het jachtslot uit tot een middelgroot dorp met een marktplein.
1
Bijlage 2
Berekeningen stikstofdepositie Aerius Calculator
Onderbouwing invoergegevens Realisatiefase Gedurende enerzijds de sloop van het bestaande bouwwerk en anderzijds de bouwwerkzaamheden van de Ruimte-voor-ruimtewoningen (realisatiefase) treden er mogelijk effecten op zoals een tijdelijke toename van concentraties aan luchtverontreinigende stoffen. Tijdelijk zal er werkverkeer rijden van en naar de locatie. Het gaat om een aantal verkeersbewegingen samen met de (vaak mobiele) bronnen die bij de bouw gebruikt worden. Deze verkeersbewegingen en de inzet van mobiele bronnen leiden mogelijk tot stikstofdepositie op Natura2000-gebieden. Verkeersgeneratie Het bouwproject genereert voor een periode van circa 6 maanden een toename aan licht, middelzwaar en zwaar verkeer. Er is tevens sprake van verkeersgeneratie als gevolg van de sloop van het bouwwerk. Tijdens de realisatiefase heeft men te maken met de volgende activiteiten waarbij sprake is van verkeer van en naar de inrichting. Tabel: Voertuigen realisatie (bouw en sloop) Afvoer zand ten behoeve van realisatie woningen Aanvoer bouwmaterialen Afvoer afval bouw Verkeersbewegingen bestelbus personeel bouwbedrijf Verkeersbewegingen met auto diverse Afvoer sloopafval totaal
50 vrachtwagens totaal
2 bestelbussen per dag 2 auto’s per dag 5 vrachtwagens totaal
Bovenstaande aantallen zijn in Aerius Calculator ingevoerd als een lijnbron, zowel voor de heen- als terugreis. Draaiuren en eigenschappen van mobiele werktuigen Op het terrein zelf worden ten behoeve van sloop van het bouwwerk en de bouw van de woningen verschillende machines ingezet. De precieze cijfers hiervan zijn in deze fase onbekend. Derhalve is een schatting gemaakt van het aantal draaiuren van mobiele werktuigen. Hierbij is uitgegaan van het bouwrijp maken en realiseren van het project. In de navolgende tabel zijn de ingevoerde eigenschappen van de mobiele werktuigen uiteengezet. Tabel: Gebruik mobiele werktuigen sloop Sloopwerkzaamheden
Sloopkraan (mobiel kraan): Vermogen: 210 kW Bouwjaar: vanaf 2011 Draaiuren: 1 werkdag (8 uur per dag) Belasting gedurende werkuren: 61% Laadschop (op banden): Vermogen: 70 kW Bouwjaar: vanaf 2012 Draaiuren: 2 werkdagen (8 uur per dag) Belasting gedurende werkuren: 55%
Tabel: Gebruik mobiele werktuigen realisatie woningen Graafmachine ten behoeve van graafwerkzaamheden realisatie project
Hijskraan ten behoeve van realisatie woningen
Vermogen: 375 kW Bouwjaar: vanaf 2014 Draaiuren: 1 werkdag (8 uur per dag) Belasting gedurende werkuren: 69% Vermogen: 200 kW Bouwjaar: vanaf 2014 Draaiuren: 6 maanden (82 werkdagen, 4 uur = 328 uren)
Belasting gedurende werkuren: 69%
Gebruiksfase Voor de gebruiksfase is een berekening gemaakt waarin de stikstofdepositie als gevolg van de verkeersbewegingen van en naar de woningen inzichtelijk is gemaakt. Hierin is uitgegaan van het volgende uitgangspunt: verkeer ten behoeve van de woningen: 20 verkeersbewegingen per dag (licht verkeer, buiten bebouwde kom) = 10 dagelijkse voertuigbewegingen
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Realisatiefase Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. Rs2dwq1GbqpL (01 december 2020) pagina 1/6
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Agron Advies B.V.
Pastoor van Schijndelstraat 33a, 5469 PS Boerdonk
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Hollestraat ong. Someren
Rs2dwq1GbqpL
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
01 december 2020, 10:04
2020
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Resultaten
Situatie 1
NOx
51,52 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Realisatie 2 RvR-woningen
Realisatiefase
Rs2dwq1GbqpL (01 december 2020) pagina 2/6
Resultaten
Locatie Realisatiefase
Emissie Realisatiefase
Resultaten
Bron Sector
Realisatiefase
Emissie NH3
Emissie NOx
Sloopwerkzaamheden Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
< 1 kg/j
3,08 kg/j
Bouwwerkzaamheden RvR-woningen Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
< 1 kg/j
46,92 kg/j
Verkeersbewegingen bouwwerkzaamheden Wegverkeer | Buitenwegen
< 1 kg/j
1,51 kg/j
Verkeersbewegingen afvoer sloopafval Wegverkeer | Buitenwegen
< 1 kg/j
< 1 kg/j
Rs2dwq1GbqpL (01 december 2020) pagina 3/6
Resultaten
Emissie (per bron)
Sloopwerkzaamheden 176521, 376968 3,08 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y)
Realisatiefase
NOx NH3
Voertuig
Omschrijving
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
AFW
Sloopkraan
1,5
1,0
0,0 NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
AFW
Laadschop
1,5
1,0
0,0 NOx NH3
2,16 kg/j < 1 kg/j
Bouwwerkzaamheden RvRwoningen 176506, 376928 46,92 kg/j < 1 kg/j
Naam
Locatie (X,Y) NOx NH3