6a Toelichting BP Verhagenstraat 13 en 13a Lierop
Tekst van het document
Hierna worden de wijzigingsvoorwaarden die herbestemming van de agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming mogelijk te maken, getoetst. Artikel 4.7.2 Omzetting naar bestemming ‘Wonen’ 1. Het agrarisch bedrijf is beëindigd en hervatting van de agrarische activiteiten ligt niet meer in de rede; Het agrarisch bedrijf is thans beëindigd. De vergunning voor het houden van vee is reeds in 2003 ingetrokken. Er wordt geen agrarisch bedrijf meer beoogd. De agrarische bestemming wordt herbestemd naar de bestemming ‘Wonen’ en de bestemming ‘Bedrijf’, waarmee zeker wordt gesteld dat ter plaatse geen agrarische activiteiten meer plaats zullen vinden. 2.
Het bestemmingsvlak wordt gereduceerd tot de voormalige agrarische bedrijfswoning met bijgebouw(en), erf, tuin en verharding. Deze krijgen de bestemming ‘Wonen’ terwijl de rest van
Crijns Rentmeesters bv
29
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
het bestemmingsvlak ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ dezelfde bestemming krijgt als de omliggende gronden; De bestemming ‘Wonen’ wordt begrensd op het erf. Daarnaast wordt de bestemming ‘Bedrijf’ toegekend aan de woning Verhagenstraat 13 en de bijbehorende bedrijfsgebouwen. De toekenning van een bedrijfsbestemming is te verantwoorden vanuit het gemeentelijke naf-vab beleid. De woonbestemming Verhagenstraat 13a omvat de naar burgerwoning her te bestemmen bedrijfswoning, evenals de te handhaven bijgebouwen met een oppervlakte van in totaal 350 m² en de bijbehorende tuin en erfverharding. De Bedrijfsbestemming Verhagenstraat 13 omvat de woning met 100 m² bijgebouwen en 950 m² bedrijfsgebouwen voor statische opslag. De overige gronden zullen worden bestemd naar ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke waarden’ zonder bouwvlak, overeenkomstig de omliggende gronden. 3.
Eventueel aanwezige overtollige (voormalige bedrijfs)bebouwing dient te worden gesloopt tenzij de bebouwing cultuurhistorische, landschappelijke en/of architectonische waarde bezit; De overtollige voormalige kalveren/kippenstallen zullen ten dele, en de kippenschuur en mestsilo zullen met de beoogde herontwikkeling geheel worden gesloopt. Deze stallen bezitten geen cultuurhistorische, landschappelijke of architectonische waarde.
4.
De wijzigingsbevoegdheid kan worden gebruikt in combinatie met woningsplitsing indien voldaan wordt aan de randvoorwaarden die hiervoor gelden. Zie artikel 21.5.2. Splitsing van de naar burgerwoning en bedrijfswoning her te bestemmen agrarische bedrijfswoning wordt beoogd.
4.3 Wijziging voor boerderijsplitsing Onder de bestemming ‘Wonen’ is een wijzigingsbevoegdheid voor boerderijsplitsing opgenomen (artikel 21.6.2). Deze wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt: “Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen voor het splitsen van een woonboerderij in maximaal twee aaneen gebouwde woningen. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden: 1. Splitsing is alleen mogelijk als de woonboerderij een inhoud heeft van tenminste 900m³. 2. Beide woningen dienen na splitsing elk een inhoud te hebben van tenminste 350m³. 3. Per woning is één vrijstaand bijgebouw toegestaan van maximaal 100m². 4. Eventueel aanwezige overtollige ( voormalige bedrijfs)bebouwing dient te worden gesloopt tenzij de bebouwing cultuurhistorische, landschappelijke en/ of architectonische waarde bezit. 5. Er moet zorg worden gedragen voor een goede landschappelijke inpassing conform de uitgangspunten van het beeldkwaliteitplan. Hiertoe moet een erfinrichtingsplan worden overgelegd. Hierna worden de wijzigingsvoorwaarden die splitsing van de langgevelboerderij mogelijk te maken, getoetst.
Crijns Rentmeesters bv
30
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
1. Splitsing is alleen mogelijk als de woonboerderij een inhoud heeft van tenminste 900 m³. De woonboerderij aan de Verhagenstraat 13 en 13a te Lierop heeft een inhoud van circa 1.525 m³. De woonboerderij voldoet hiermee aan de voorwaarde dat de woning een inhoud van tenminste 900 m³ dient te heeft. 2. Beide woningen dienen na splitsing elk een inhoud te hebben van tenminste 350 m³. De woonboerderij en het perceel worden opgesplitst in twee delen. De woningen zullen na ontwikkeling beiden een inhoud hebben van meer dan 700 m³. Beide woningen hebben daarmee een grootte van meer dan de gestelde 350 m³ en voldoen daarmee aan de gestelde voorwaarde. 3. Per woning is één vrijstaand bijgebouw toegestaan van maximaal 100 m². In totaal zal per woning het maximaal toegestane aantal vierkante meters aan bijgebouwen behouden blijven. Het gaat om 350 m² aan bijgebouwen voor de woning Verhagenstraat 13a. In de beleidsnota ‘Beleid voor niet-agrarische functies in het buitengebied en maatregelen ter stimulering van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen’ wordt mogelijk gemaakt dat in plaats van een maximum van 100 m² per woning mag in de ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsbebouwing tot maximaal 350 m² bijgebouwen bij een woning worden geplaatst. Voor de woning Verhagenstraat 13 is een maximum van 100 m² bijgebouwen opgenomen. 4.
Eventueel aanwezige overtollige (voormalige bedrijfs-) bebouwing dient te worden gesloopt tenzij de bebouwing cultuurhistorische, landschappelijke en/of architectonische waarde bezit. De overtollige bebouwing op de locatie Verhagenstraat 13a wordt gesloopt tot een omvang van 350 m² resteert. 5. Er moet zorg worden gedragen voor een goede landschappelijke inpassing conform de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan. Hiertoe moet een erfinrichtingsplan worden overgelegd. Het beeldkwaliteitsplan van de gemeente Someren geeft voor verschillende gebieden richtlijnen met betrekking tot een goede landschappelijke inpassing. Verhagenstraat 13 en 13a te Lierop is op de kaarten behorende bij dit beeldkwaliteitsplan aangewezen als ‘Knopen en clusters’ en gelegen in Kampenlandschap. Bij deze gebieden horen specifieke ontwerprichtlijnen. Hoe hieraan voldaan wordt, is in paragraaf 3.3.2 uiteengezet.” Voldaan kan worden aan de gestelde voorwaarden voor permanente splitsing van de cultuurhistorisch waardevolle langgevelboerderij aan Verhagenstraat 13 en 13a te Lierop.
4.4 Wijziging naar ‘Bedrijf’ Herbestemming van de agrarische (bedrijfs)bestemming naar een bedrijfsbestemming behoort volgens de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4.7.6 van het Parapluplan NAF-beleid tot de mogelijkheden. In dit bestemmingsplan is de volgende wijzigingsbevoegdheid opgenomen: “4.7.6 Wijzigingsbevoegdheid naar ‘Bedrijf’ ten behoeve van statische opslag Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch Bedrijf’ wijzigen in de bestemming ‘Bedrijf’ voor het vestigen van statische opslag. Hierbij gelden de volgende specifieke randvoorwaarden:
Crijns Rentmeesters bv
31
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
1. het agrarisch bedrijf is beëindigd, er worden geen agrarische activiteiten meer uitgeoefend en hervatting van de activiteiten ligt niet in de rede; 2. de maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte ten behoeve van de statische opslag is 1.000 m²; 3. overtollige agrarische bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt; 4. buitenopslag is niet toegestaan; 5. opslag in kassen is niet toegestaan; 6. de maximale oppervlakte van het bestemmingsvlak bedraagt 5.000 m²; 7. de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing worden gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.1 en aangetoond met een erfinrichtingsplan; 8. ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Groenblauwe mantel’ dient de wijziging van de bestemming gepaard te gaan met een positieve bijdrage aan de ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken.” Hierna worden de wijzigingsvoorwaarden die vestiging van de een bedrijf voor statische opslag mogelijk te maken bij de locatie aan Verhagenstraat 13, getoetst. 1. het agrarisch bedrijf is beëindigd, er worden geen agrarische activiteiten meer uitgeoefend en hervatting van de activiteiten ligt niet in de rede; Het agrarisch bedrijf is thans beëindigd. De vergunning voor het houden van vee is reeds in 2003 ingetrokken. Er wordt geen agrarisch bedrijf meer beoogd.
De agrarische bestemming wordt herbestemd naar de bestemming ‘Wonen’ en de bestemming ‘Bedrijf’, waarmee zeker wordt gesteld dat ter plaatse geen agrarische activiteiten meer plaats zullen vinden. 2. de maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte ten behoeve van de statische opslag is 1.000 m²; Een voormalige bedrijfsgebouw met een omvang van 1.050 m² blijft behouden. Hiervan wordt maximaal 1.000 m² herbenut voor statische opslag. Een omvang van 50 m² wordt is als bijbouw bij de woning in gebruik. 3. overtollige agrarische bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt; De overtollige bebouwing (met een omvang van circa 1.098 m²) op de locatie wordt gesloopt. 4. buitenopslag is niet toegestaan; In de regels van dit bestemmingsplan is verankerd dat buitenopslag niet is toegestaan. 5. opslag in kassen is niet toegestaan; Binnen het plangebied zijn geen kassen aanwezig of toegestaan. 6. de maximale oppervlakte van het bestemmingsvlak bedraagt 5.000 m²; De omvang van de bedrijfsbestemming bedraagt 2.743 m². Hiermee is de omvang minder dan de maximaal toegestane omvang van 5.000 m². 7. de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing worden gewaarborgd conform de bepalingen uit artikel 34.1 en aangetoond met een erfinrichtingsplan;
Crijns Rentmeesters bv
32
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
In een erfinrichtingsplan dat als bijlage 1 onderdeel uitmaakt van de regels van dit bestemmingsplan wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de voorwaarden. 8. ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Groenblauwe mantel’ dient de wijziging van de bestemming gepaard te gaan met een positieve bijdrage aan de ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Het plangebied is gelegen binnen de groenblauwe mantel maar is niet voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Groenblauwe mantel’. Desondanks wordt met deze herbestemming een positieve bijdrage geleverd aan de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Agrarische herbestemming wordt onmogelijk gemaakt, alle overtollige bebouwing wordt gesloopt en het plangebied wordt landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting.
4.5 Conclusie De beoogde herbestemming van de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ naar de bestemming ‘Wonen’ en de bestemming ‘Bedrijf’ met gelijktijdige toepassing van de regeling voor boerderijsplitsing past in de geest van vigerende bestemmingsplannen. De vigerende planregels voorzien echter niet in toepassing van een cumulatie van wijzigingsbevoegdheden en afwijkingsbevoegdheden. Hiermee is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk voor herbestemming van het plangebied.
Crijns Rentmeesters bv
33
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
5 MILIEUASPECTEN 5.1 Geurhinder 5.1.1
Inleiding
Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van een locatie dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:
-
Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).
-
Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).
De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de wet).
5.1.2
Geurverordening gemeente Someren
De Wet geurhinder en veehouderij biedt middels artikel 6 de mogelijkheid aan gemeenten om bij verordening, binnen gestelde marges, afwijkende normen vast te stellen. Door de gemeenteraad van de gemeente Someren is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2010’ vastgesteld. De ‘Verordening Geurhinder en Veehouderij 2010’ stelt een norm van 14 oue/m³ voor de maximale voorgrondbelasting voor het plangebied. Tevens heeft de gemeenteraad vastgesteld dat er sprake dient te zijn van een achtergrondbelasting van maximaal 20 oue/m³ voor het buitengebied. Voor een voormalig agrarische bedrijfswoning geldt een maximum achtergrondbelasting van 28 oue/m³.
5.1.3
Voorgrondbelasting
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. Ten opzichte van dieren van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (rundvee en paarden), dienen vaste afstanden aangehouden te worden. De afstand tussen een geurgevoelig object en een dergelijke veehouderij dient, indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom gelegen is, minimaal 50 meter te bedragen. Hierna zijn de veehouderijbedrijven in de directe nabijheid van het plangebied weergegeven.
Crijns Rentmeesters bv
34
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
Achterbroek 7
Verhagenstraat 18
Plangebied
Verhagenstraat 4
Steemertseweg 24 Verhagenstraat 2
Figuur 18: Beeld van veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied
Hierna zijn de vergunningen voor het houden van dieren van de veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied weergegeven (Bron: Web-BVB).
Figuur 19: Dieraantallen veehouderij aan Achterbroek 7 te Lierop (bron: Web-BVB)
Figuur 20: Dieraantallen veehouderij aan Verhagenstraat 18, Lierop (Bron: Web-BVB)
Crijns Rentmeesters bv
35
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
Figuur 21: Dieraantallen veehouderij aan Verhagenstraat 4 te Lierop (Bron: Web-BVB)
Figuur 22: Dieraantallen veehouderij aan Verhagenstraat 2 te Lierop (bron: Web-BVB)
Figuur 23: Dieraantallen veehouderij aan Steemertseweg 24 te Lierop (bron: Web-BVB)
Op de veehouderijen aan de Verhagenstraat 4 en 18 worden dieren gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Voor deze veehouderijen dient een afstand van minimaal 50 meter aangehouden te worden tot een geurgevoelig object. Beide veehouderijen liggen buiten deze afstand van het plangebied en vormen daarmee geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling. Aan de Steemertseweg 24, Achterbroek 7 en Verhagenstraat 2 worden dieren gehouden waarvoor wel een geuremissie is vastgesteld. De veehouderij aan Achterbroek 7 is door de ligging op korte afstand van het plangebied en de relatief hoge uitstoot de dominante veehouderij. Derhalve is voor deze veehouderij de voorgrondbelasting berekend. Met behulp van het programma V-stacks-vergunning is de geurhinder van het individuele bedrijf op het plangebied berekend op basis van de actueel vergunde situatie. De splitsing van de woningen binnen het plangebied belemmeren de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij niet. Deze ontwikkelingsmogelijkheden van het veehouderijbedrijf aan Achterbroek 7
Crijns Rentmeesters bv
36
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
zijn immers reeds belemmerd door de burgerwoning aan Verhagenstraat 15 gelegen tussen het plangebied en de betreffende veehouderij. Hierna is de berekening weergegeven waarin de hiervoor beschreven gegevens zijn verwerkt. Berekende ruwheid: 0,30 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: BronID
X-coord.
Y-coord.
EP
Gem
Hoogte
.geb.
EP Diam.
EP Uittr. Esnelh.
Aanvraag
hoogte Stal 1-4
175 781
382 170
5,1
3,7
0,50
4,00
4 512
Stal 5-8
175 812
382 167
6,0
4,5
0,50
4,00
5 953
Stal 9
175 788
382 158
6,0
5,6
0,50
4,00
6 480
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
Verhagenstraat 13A N
175 888
382 286
14,0
7,3
Verhagenstraat 13A O
176 020
382 217
14,0
3,4
Verhagenstraat 13A Z
175 919
382 224
14,0
7,3
Verhagenstraat 13A W
175 890
382 224
14,0
9,5
Geur gevoelige locaties: Geurbelasting
Tabel 3: Achtergrondbelasting van locatie Achterbroek 7 ten opzichte van het plangebied
Uit de berekening blijkt dat de voorgrondbelasting op de planlocatie maximaal 9,5 oue/m³ bedraagt. Ter plaatse bedraagt de maximaal toegestane voorgrondbelasting 14 oue/m³. Herbestemming van het plangebied is in het kader van de voorgrondbelasting derhalve geen bezwaar.
5.1.4
Achtergrondbelasting
De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt het woon- en leefklimaat op een locatie. De gemeente Someren heeft in 2018 de geurbelasting van alle veehouderijen in het buitengebied van de gemeente Someren in kaart gebracht. Hierna is een uitsnede van deze kaart weergegeven.
Plangebied
Figuur 24: Achtergrondbelasting gemeente Someren met daarop het plangebied aangegeven
Crijns Rentmeesters bv
37
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
Ter plaatse van het plangebied is sprake van een ‘matig’, en daarmee een acceptabel, woon- en leefklimaat. Derhalve is de permanente toevoeging van een extra wooneenheid middels een boerderijsplitsing aan de Verhagenstraat 13a in het kader van de achtergrondbelasting geen bezwaar.
5.1.5
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijen
De herbestemming van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. Tussen de veehouderijen in de omgeving en het plangebied zijn reeds enkele geurgevoelige objecten gelegen die de veehouderijen reeds belemmeren. De beoogde herontwikkeling van het plangebied belemmert de omliggende veehouderijen daarmee niet meer in de ontwikkelingsmogelijkheden dan thans het geval is.
5.2 Endotoxine De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. Door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht is de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in deze notitie. In 2017 en 2018 is de handreiking geactualiseerd.
Dit is gebeurd naar aanleiding van de onderzoekrapporten "Veehouderij en Gezondheid Omwonenden" uit 2016 en 2017, de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0" en de "Memo Verordening ruimte Noord-Brabant en geitenhouderijen" uit 2017. De geactualiseerde gegevens zijn vastgelegd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. In deze update van de handreiking is het stappenplan, waarmee besloten kan worden of een beoordeling of advisering door de GGD gewenst is, aangepast ten opzichte van de eerdere versie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is (en blijft) dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de endotoxine kaart, opgesteld op aanvraag van de gemeente Someren, ter plaatse van het plangebied met daarop de endotoxinecontouren in de omgeving van het plangebied.
Crijns Rentmeesters bv
38
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
Plangebied
Figuur 25: Endotoxinekaart gemeente Someren met daarop het plangebied aangeduid
Het plangebied is niet gelegen binnen de endotoxine contouren van de nabijgelegen veehouderijbedrijven.
5.3 Spuitzones ln het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Binnen een afstand van 50 meter tot het plangebied zijn geen spuitzones aangeduid of is sprake van boomteelt. Dit aspect is niet van toepassing.
5.4 Geluid De woonboerderij kent in de huidige situatie al de mogelijkheid om volledig bewoond te worden. De boerderij is daarmee al in zijn geheel te beschouwen als een geluidsgevoelig object. Na boerderijsplitsing is deze situatie niet anders. De boerderij blijft in zijn geheel geluidsgevoelig. Een geluidsonderzoek wegverkeerslawaai is dan ook niet noodzakelijk.
5.5 Bodem Met de beoogde herbestemming vinden geen bodemverstoringen plaats. Het plangebied wordt herbestemd naar ‘Wonen’ met twee woningen binnen de huidige langgevelboerderij, die ook al voor woondoeleinden is bestemd. Feitelijk wijzigt de functie dan ook niet. Deze wordt alleen maar opgesplitst. Een bodemonderzoek is dan ook niet aan de orde. Er zijn ook geen redenen om aan te nemen dat de bodem verontreinigd zou zijn, anders dan als gevolg van verhoogde achtergrondgehalten. Gelet hier-
Crijns Rentmeesters bv
39
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
op kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit naar verwachting geen belemmering zal opleveren met betrekking tot de beoogde ontwikkeling.
5.6 Waterhuishouding 5.6.1
Inleiding
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas.
5.6.2
Beleidskader
5.6.2.1
Keur waterschap Aa en Maas 2015
Voor waterhuishoudkundige ingrepen ter plaatse van het plangebied is de ‘Keur waterschap Aa en Maas 2015’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Navolgende figuur geeft een overzicht van de ligging van beschermings- en attentiegebieden in de omgeving van het plangebied.
Plangebied
Figuur 26: Keur waterschap Aa en Maas 2015 waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
Het plangebied is aangeduid als ‘invloedsgebied Natura 2000’, In deze gebieden geldt een vergunningsplicht voor het onttrekken van grondwater en het gebied geniet strikte bescherming op het gebied van beregening. De beoogde herbestemming ziet hier niet op toe en levert daarom ook geen belemmeringen op in het kader van de keur.
Crijns Rentmeesters bv
40
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
5.6.2.2
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen
De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m²-10.000 m² en meer dan 10.000 m². Met de beoogde herbestemming wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Het totale verhard oppervlakte neemt door sloop van overtollige bebouwing met een omvang van meer dan 1.000 m² en sanering van erfverharding met een omvang van meer dan 600 m² af.
Op basis van de ‘Algemene regels Keur 2015’ geldt voor een ontwikkeling met een toename van verhard oppervlakte met een omvang van minder dan 2.000 m² een vrijstelling van het verbod voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam.
5.6.3
Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater
Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
5.6.4
Afvalwater
Het afvalwater afkomstig van de planlocatie zal, net als in de huidige situatie, worden afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel. Binnen het plangebied is thans sprake van twee woningen die zijn aangesloten op het afvalwatersysteem. Na herbestemming blijft deze situatie ongewijzigd. Er is voldoende capaciteit voor het afvoeren van afvalwater.
5.7 Luchtkwaliteit 5.7.1
Inleiding
Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en;
Crijns Rentmeesters bv
41
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm).
5.7.2
Uitstoot van schadelijke stoffen
De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen het NSL werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto.
Gesteld kan worden dat de beoogde herontwikkeling, voor het juridisch planologisch mogelijk maken van permanente bewoning van twee wooneenheden in een reeds gesplitste langgevelboerderij, onder het begrip NIBM valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht.
5.7.3 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 en stikstofdioxide voor het plangebied en directe omgeving weer.
Crijns Rentmeesters bv
42
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
Plangebied
Figuur 27: Uitsnede kaart fijnstof pm2,5 2017 waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
Plangebied
Figuur 28: Uitsnede kaart fijnstof pm10 2017 waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
Plangebied
Figuur 29: Uitsnede kaart fijnstof fijnstofdioxide 2017 waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
Crijns Rentmeesters bv
43
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 18-19 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 µg/m³. De grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM10 van 50 µg/m³ is sinds 2011 nergens meer overschreden. De concentratiestikstofdioxide bedraagt tussen de 19-21 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is.
5.8 Bedrijven en milieuzonering 5.8.1
Inleiding
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan. Het plangebied aan Verhagenstraat 13 en 13A te Lierop kan worden getypeerd als ‘gemengd gebied’.
5.8.2
Toets aan bedrijven in de omgeving van het plangebied
In de omgeving van het plangebied zijn drie niet-agrarische bedrijven gevestigd. Dit betreft bedrijven gelegen aan Achterbroek 6, 20 en 24. Aan Achterbroek 6 is een assemblagebedrijf gevestigd, te weten ‘Assemblagebedrijf van Deursen’. Deze bedrijfscategorie wordt niet expliciet genoemd in de lijst ‘Bedrijven en milieuzonering’. Echter is in het bestemmingsplan ‘Achterbroek 6 en Achterbroek 24’ beschreven dat het bedrijf valt onder SBI-code 293 ‘Elektrotechnische industrie n.e.g.’ uit de (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Voor dit bedrijf geldt een aan te houden afstand van 30 meter. Het bedrijf ligt op een afstand van ruim 90 meter van het plangebied. Het bedrijf aan Achterbroek 20 betreft ‘Lindor B.V.’, dit betreft een groothandel in hout. Dit bedrijf is wel in de lijst ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgenomen en wordt daar geschaard onder milieucategorie 3.1, dit betekent dat een afstand van 50 meter moet worden aangehouden ten opzichte van dit bedrijf. Het bedrijf is gelegen op een afstand van ruim 150 tot de planlocatie. Het derde bedrijf aan de Achterbroek 24 betreft een aannemersbedrijf waarvoor een afstand van 30 meter moet worden aangehouden. Het bedrijf ligt op circa 175 meter van de planlocatie.
Crijns Rentmeesters bv
44
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
5.8.3
Toets aan bedrijf binnen het plangebied
Binnen het plangebied vindt herbestemming naar een bedrijf met statische opslag plaats. Dit betreft een bedrijf met SBI-code 52109, milieucategorie 2. De statische opslag op het bedrijf Verhagenstraat 13 mag geen belemmering vormen voor de nieuwe woonfunctie aan Verhagenstraat 13a. In een gemengde omgeving geldt hiervoor een afstand van 10 meter tot de grens van de woonbestemming. De woonbestemming en de bedrijfsbestemming grenzen aan elkaar. De werkelijke afstand van de woning tot het bedrijfsgedeelte voor statische opslag bedraagt 14 meter. Tussen de woonbestemming aan Verhagenstraat 13a en de statische opslag is de bedrijfswoning aan Verhagenstraat 13 en zijn de bijbehorende bouwwerken van de woningen aan Verhagenstraat 13 en 13a gelegen. Het plangebied is zodanig ingericht dat de statische opslag slechts plaats kan vinden via de ontsluiting (als zodanig aangeduid), waarna direct toegang tot het opslag gebouw plaatsvindt. Hiermee vinden bedrijfsactiviteiten plaats buiten de richtlijnafstand van 10 meter plaats. Hiermee kan gemotiveerd afgeweken worden van de standaard aan te houden richtlijnafstand, zijnde 10 meter tot de bestemmingsgrens ‘Bedrijf’ voor geluid en gevaar. Navolgende figuur geeft de situatie weer, ook als zodanig begrensd in dit bestemmingsplan.
Woningen
Bijgebouwen
Ontsluiting
Opslaggebouw
Figuur 30: Beeld van feitelijke en begrensde situatie binnen het plangebied
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt in het kader van de beoogde herontwikkeling dan ook geen bezwaar.
5.9 Externe veiligheid 5.9.1
Inleiding
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gede-
Crijns Rentmeesters bv
45
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
finieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht.
5.9.2
Bedrijven
Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant weer, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.
Plangebied
Figuur 31: Uitsnede risicokaart provincie Noord-Brabant waarop de ligging van het plangebied is aangedui
Het meest dichtbij gelegen risico-object is de locatie aan Verhagenstraat 2, hier is een bovengrondse propaantank aanwezig. De veiligheidsafstand voor dit object betreft 15 meter. Het plangebied ligt ruim buiten de risicocontour van dit bedrijf.
5.9.3
Vervoer van gevaarlijke stoffen
5.9.3.1 Vervoer over het spoor Op het grondgebied van de gemeente Someren bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. 5.9.3.2 Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden zijn de autosnelweg A67 en de provinciale weg N266. De dichtstbij-
Crijns Rentmeesters bv
46
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
zijnd gelegen route betreft de A67, gelegen op een afstand van circa 600 meter van het plangebied. Daarmee valt het plangebied buiten de risicocontour van de betreffende snelweg. 5.9.3.3 Vervoer over het water Op het grondgebied van de gemeente Someren bevindt zich geen waterwegverbindingen waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Dit aspect is dus niet van toepassing.
5.9.4
Kabels en leidingen
Op een afstand van 250 meter van de woonboerderij is een buisleiding gelegen. Het gaat hierbij om een buisleiding ten behoeve van het transport van aardgas. Het invloedsgebied van deze buisleiding bedraagt 490 meter. Conform artikel 12 lid 3 onder a van het besluit externe veiligheid buisleidingen (bevb) kan volstaan worden met een beperkte verantwoording omdat de woonboerderij buiten de plaatsgevonden risicocontour van deze buisleiding gelegen is. Er zijn geen hoogspanningsleidingen gesitueerd in de omgeving van de planlocatie. Er zijn op dit gebied geen gezondheidsrisico’s voor het plangebied.
5.9.5
Beperkte verantwoording groepsrisico
5.9.5.1 Fakkelbrand Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van aardgasleiding. Een incident met de aardgastransportleiding kan een fakkelbrand tot gevolg hebben. Bij het scenario fakkelbrand wordt uitgegaan van directe ontsteking van het uitstromende gas door statische of kinetische energie. Hierdoor ontstaat een fakkelbrand. Een fakkelbrand heeft hittestraling tot gevolg. Direct na de breuk is het uitstroomdebiet en daarmee de omvang van de fakkel het grootst. De eerste fase, de eerste 20 seconden na de breuk, is de warmtestraling het grootst. Het uitstroomdebiet loopt binnen enkele minuten na de breuk terug totdat een stabiel uitstroomdebiet wordt bereikt. Dit stabiele uitstroomdebiet blijft aanwezig totdat de leidingbeheerder het getroffen leidingdeel met afsluiters inblokt. Afhankelijk van de locatie van de breuk, het soort leiding en de aan- of afwezigheid van andere leidingen in de omgeving, kan dit enkele uren duren. Na het inblokken blijft de fakkel branden totdat de druk in de leiding gelijk is aan de omgevingsdruk. 5.9.5.2 Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario.
Gerichte risicocommunicatie met bewoners en andere aanwezigen (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten). De herbestemming ziet niet toe op het langdurig verblijf van groepen beperkt zelfredzame personen. In het geval van een fakkelbrand is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen binnen de 100 procent-letaliteitscontour slachtoffer worden. Buiten deze zone is schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Echter, een dergelijk scenario kan optreden
Crijns Rentmeesters bv
47
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde. Indien men echter snel beschutting weet te zoeken bestaat er bij de afstand tussen het plangebied en de hoge druk aardgastransportleiding een goede kans op overleving. 5.9.5.3 Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario’s vragen allen een ander aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). In geval van een fakkelbrand spuit aardgas onder hoge druk uit de leiding, voor de brandweer bestaat geen bestrijdingsstrategie om de bron te doven. De leidingbeheerder zal op afstand de leiding afsluiten waarna het gas tussen de inblokking moet opbranden en de fakkelbrand na verloop van tijd redden van slachtoffers, het koelen van panden in de omgeving en het bestrijden van secundaire branden. De Veiligheidsregio heeft protocollen voor het bestrijden van deze scenario’s. 5.9.5.4 Standaardadvies Veiligheidsregio Brabant Zuidoost Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico van de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost. Deze verantwoording is hiervoor opgenomen.
Ten behoeve van zelfredzaamheid van omwonenden dient actief te worden gecommuniceerd over de risico’s met gevaarlijke stoffen. Bij een calamiteit dienen omwonenden te vluchten van de bron af. Deze beperkte verantwoording wordt voorgelegd aan de Veiligheidsregio.
5.10 M.e.r.-beoordeling 5.10.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is.
In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk
Crijns Rentmeesters bv
48
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.
5.10.2 Toets initiatief De beoogde ontwikkeling ziet toe op de toevoeging van één woning binnen bestaand bouwvolume. Een omvang van 1.050 m² en 350 m² blijven behouden bij de twee woningen binnen het plangebied. Overtollige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (ABRS 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1) overwogen “dat het antwoord op de vraag of sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.” Daarbij heeft de Afdeling afgewogen dat “hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en de omvang, niet [kan] worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door onder andere de realisatie van twee eengezinswoningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage.
Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.” De Afdeling heeft uiteindelijk geoordeeld “dat nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling behoefde te worden uitgevoerd.” Bovenstaande leidt ertoe dat de beoogde ontwikkeling niet valt aan te merken als ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m²’. Omdat de beoogde ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is, als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.
Crijns Rentmeesters bv
49
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
6 ARCHEOLOGIE, CULTUURHISTORIE EN NATUUR 6.1 Archeologie 6.1.1
Inleiding
Met de Erfgoedwet (1 juli 2016) beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). De Erfgoedwet kent nieuwe bepalingen voor gemeenten. Zo kunnen gemeenten een gemeentelijke erfgoedverordening vaststellen en dienen gemeenten een erfgoedregister bij te houden. Ook dient het College van burgemeester en wethouders het voornemen om cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekendmaken.
6.1.2
Nota Archeologiebeleid gemeente Someren
De gemeente Someren heeft in het kader van de Wet op de archeologische monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd in de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’. In deze nota zijn enerzijds de gemeentelijke ambities en opgaven op het gebied van de economische ontwikkeling, ruimtelijke inrichting, infrastructuur, e.d., en anderzijds het behoud en beheer van het gemeentelijk bodemarchief toegelicht en uitgewerkt. Onderdeel van de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’ is de ‘Archeologiekaart van Someren’. Op navolgende figuur is een uitsnede van deze beleidskaart weergegeven.
Plangebied
Figuur 32: Uitsnede Archeologiekaart gemeente Someren waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
Het plangebied is op de ‘Archeologiekaart van Someren’ aangeduid als een locatie in een categorie 3, 5 en 6 gebied. Voor deze gebieden gelden vrijstellingsdrempels voor bouwen. Deze drempels worden met de herontwikkeling niet overschreden omdat er geen bouwactiviteiten plaats zullen vinden, er is dan ook geen archeologisch bodemonderzoek nodig.
Crijns Rentmeesters bv
50
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
6.2 Cultuurhistorie Het ontstaan van Lierop wordt gedateerd rond het begin van de middeleeuwen, circa de 10e of 11e eeuw. Van oudsher heeft Lierop de structuur van een centraal kerkdorp met een krans van buurtschappen eromheen. Het bebouwingscluster Kerkenhuis/Achterbroek vormt één van deze buurtschappen. Het betreft lintbebouwing aan de Achterbroek en Verhagenstraat ten noorden van de kern Lierop. Navolgende figuur geeft een beeld van de bebouwingsconcentratie Kerkenhuis/Achterbroek, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid. Plangebied
Figuur 33: Bebouwingscluster ‘Kerkenhuis/Achterbroek’ waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
Het bebouwingslint is gelegen in een gebied dat is aangeduid als ‘Kampenlandschap’. Het kampenlandschap is een van oorsprong onregelmatig, kleinschalig en halfopen landschap dat veel landschappelijke structuurelementen (zoals houtwallen, hagen, boomsingels, onregelmatige bosjes en beplanting op de erfgrenzen) verloren heeft. Oude akkers (bolle akkertjes, grotere akkerzones) zijn onderdelen van het kampenlandschap als hoger en droger gelegen open vruchtbare akkergebieden. Knopen en clusters zijn ontginningslijnen vanuit dorpen met een dichtere gegroeide bebouwingsstructuur. Bij kruispunten van linten kunnen clusters ontstaan. De bebouwing aan Verhagenstraat 13 en 13a is vanaf 1900 terug te zien op topografische kaarten, er is sprake van een cultuurhistorisch waardevolle boerderij in een lint van boerderijen. Op navolgende historisch topografische kaart van Lierop van circa 1900 is de bebouwing aan de Verhagenstraat reeds weergegeven. Plangebied
Figuur 34: Ligging Verhagenstraat 13 op cultuurhistorische kaart 1900 (Bron: topotijdreis.nl)
Crijns Rentmeesters bv
51
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
Het plangebied aan de Verhagenstraat 13 en 13a betreft een cultuurhistorisch waardevolle locatie waar van oudsher een redelijk gaaf bewaarde woonboerderij met historische kenmerken bewaard is gebleven en tevens een cultuurhistorisch waardevolle kippenschuur aanwezig is. De beoogde boerderijsplitsing is in het belang van behoud van deze cultuurhistorische waarden noodzakelijk.
6.3 Wet natuurbescherming 6.3.1
Inleiding
Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.
6.3.2
Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Het meest dicht bij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Strabrechtse Heide & Beuven’. Dit gebied is gelegen op een afstand van circa 3 kilometer van het plangebied. Navolgende figuur geeft de ligging van het plangebied ten opzichte van dit Natura 2000-gebied weer.
Figuur 35: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’
Crijns Rentmeesters bv
52
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
De Strabrechtse Heide maakt deel uit van het Noord-Brabantse dekzandlandschap. De open delen worden gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van (vastgelegde) stuifduinen en uitgestoven laagten. Dit resulteert in een afwisselend landschap met droge heide op de zandkoppen en natte heide en vennen in de laagten. In het noorden en zuiden grenst de heide aan aangeplante naaldbossen. Aan de westzijde is een natuurlijke overgang aanwezig naar het beekdal van de Kleine Dommel met hooilanden en vochtige bossen. De beoogde herontwikkeling heeft geen invloed op het Natura 2000gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’. De woonboerderij is reeds in gebruik voor twee woonbestemmingen. Deze herbestemming geeft een passende andere herbestemming aan een voormalige veehouderijlocatie, waarbij alle overtollige bebouwing wordt gesloopt.
6.3.3
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van planten- en diersoorten. Er is sprake van twee beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt.
Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. Voor de algemene broedvogelsoorten die mogelijk binnen het plangebied te verwachten zijn geldt dat, daar geen groen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien er toch binnen het broedseizoen gewerkt gaat worden dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats te vinden.
Crijns Rentmeesters bv
53
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
Voor de te verwachten algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat de sloopwerkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van werkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van eventueel aanwezige stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn strikt beschermd. Alle vleermuizen staan vermeld in Tabel 3 bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn.
Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ”het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Met de beoogde herontwikkeling wordt de bestaande cultuurhistorisch waardevolle langgevelboerderij gesplitst in twee wooneenheden. De beoogde herontwikkeling zal geen invloed hebben op eventueel aanwezige flora en fauna binnen het plangebied en in de omgeving. De bebouwing wordt teruggebracht. De bebouwing is niet voorzien van overstekken of openingen die tot een verblijfplaats voor vleermuizen leiden. Navolgende foto geeft een beeld van de opstallen.
Figuur 36: Beeld van type bouw en opstallen binnen het plangebied
De bebouwing is licht en open. Navolgende foto geeft een beeld van de binnenzijde van de bebouwing.
Crijns Rentmeesters bv
54
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
Figuur 37: Beeld van binnenzijde opstallen
De herbestemming binnen het plangebied leidt niet tot aantasting van beschermde soorten.
Crijns Rentmeesters bv
55
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
7 PLANOPZET 7.1.1 Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. De verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De juridische systematiek van het bestemmingsplan is afgestemd op de ontwikkeling van de geplande ruimtelijke situatie. De mate van gedetailleerdheid van de bestemmingsregelingen en de ruimte die binnen die regelingen wordt geboden voor verdere uitbreiding of ontwikkeling is vooral afhankelijk van de aard van de functie, de planologische inpasbaarheid en de relatie tot andere functies in het plangebied.
7.1.2
Verbeelding
Op de verbeelding, die bestaat uit één kaartblad, is de bestemming van de gronden in het plangebied aangegeven. Binnen deze bestemming zijn daarbij nadere aanduidingen weergegeven. De juridische betekenis van deze aanduidingen is terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens heeft juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (bijvoorbeeld kadastrale en topografische gegevens en huisnummers).
7.1.3
Regels
In de regels staan regels voor het gebruik van gronden binnen de bestemming in het plangebied en voor het oprichten en gebruiken van bebouwing op die gronden. De regels zijn ingedeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen. In artikel 1 en 2 zijn begripsbepalingen en meetvoorschriften opgenomen die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de voorschriften in de overige hoofdstukken. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bestaat uit de artikelen die corresponderen met de bestemmingen op de verbeelding. De regels in een bestemming zijn als volgt opgebouwd en benoemd: 1.
bestemmingsomschrijving;
2.
bouwregels;
3
afwijken van de bouwregels;
4
specifieke gebruiksregels;
5
afwijken van de gebruiksregels ;
6
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
7
omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
8
wijzigingsbevoegdheid.
Crijns Rentmeesters bv
56
Toelichting ‘Verhagenstraat 13 en 13a Lierop’
Een bestemmingsregel hoeft niet alle elementen te bevatten. Dit verschilt per bestemming. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Indien er sprake is van andere aan de grond toekende functies, worden deze daarna omschreven. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in woningen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor een toetsing van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen overzichtelijk is. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin regels zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en overige regels. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat 2 regels, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het hele plangebied, namelijk het overgangsrecht en de slotregel.