6a. Regiovisie Norm van Opdrachtgeverschap Een 10 voor de Jeugd
Tekst van het document
26 • •
De aanbieder dient een anoniem ondersteuningsplan in, zodat Een 10 voor de Jeugd kan beoordelen of de aanbieder voldoende aansluit bij de beleidsuitgangspunten van Een 10 voor de Jeugd (denk hierbij aan normaliseren, betrekken eigen netwerk etc.) De aanbieder wordt op financiële criteria beoordeeld om enerzijds te bepalen of het een financieel gezonde organisatie betreft en anderzijds om in beeld te vormen of er geen buitensporige winsten worden gemaakt.
De controle aan de achterkant bestaat tenminste uit: • contractmanagement • materiële controle • rapportages/data monitoring 7.2.7 Gewoonte 7: Regel je mandaat Nadat het contract gesloten is, begint het allemaal pas echt. Inkopen is een continu proces. Dit gaat om het opzetten van projecten, stimuleren en sturen van innovatie, uitwerken en implementeren van procesverbeteringen, vormgeven van samenwerking tussen aanbieders op allerlei terreinen en het overleggen met aanbieders over voortgang en prestaties. Ook dit vraagt om een vorm van regie en coördinatie. Ook het uitvoeren van materiële controle is vaak effectiever als het op regionaal niveau wordt opgezet en uitgevoerd. Hoe beter de toegang en het leveranciersmanagement functioneren na het ondertekenen van het contract, hoe meer garanties er zijn dat kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de jeugdhulp daadwerkelijk verbeterd kunnen worden. Het mag duidelijk zijn dat hiervoor een deugdelijke samenwerkingsstructuur tussen de gemeenten onderling noodzakelijk is. Naar aanbieders toe schept een helder mandaat rust en duidelijkheid, en ook dat is goed voor het proces van transformatie. Naar aanbieders toe schept een helder mandaat rust en duidelijkheid, en ook dat is goed voor het proces van transformatie. Binnen Een 10 voor de Jeugd is het mandaat geregeld.
NvO ‘Een 10 voor de Jeugd’ Datum: november 2021 definitief
27
8 Reële tarieven Kwalitatief goede jeugdzorg staat of valt met goed opgeleid en voldoende personeel. Hiertoe is het noodzakelijk dat gemeenten en aanbieders reële tarieven afspreken die rekening houden met de aard (waaronder de complexiteit en de zorgzwaarte) van het werk, met de opleiding van het personeel, die voldoende tijd en ruimte bieden voor samenwerking en reflectie van medewerkers, en die ruimte bieden voor loonontwikkeling. De gemeenten zijn in het decentrale stelsel verantwoordelijk voor de vormgeving van de jeugdzorg in hun gemeente en dienen te zorgen voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod van hulp. Bij de inkoop of subsidiëring van dit aanbod verplicht de Jeugdwet de gemeenten nu al om in hun verordening regels op te nemen die een goede prijskwaliteitverhouding waarborgen. Gemeenten moeten daarbij rekening houden met de vereiste deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Tevens moeten de gemeenten zich bij de inkoop van de hulp ervan vergewissen dat de instelling in staat is om de hulpverlening conform de wettelijke kwaliteitseisen uit te voeren. Een kostendekkend tarief is daarbij een belangrijke randvoorwaarde. Het is aan gemeenten en instellingen om daar met elkaar afspraken over te maken, zodat instellingen in staat zijn op duurzame wijze hulp van goede kwaliteit te leveren.
8.1
Reële prijs
Tarieven zijn voor zowel jeugdhulpaanbieders als gemeenten een belangrijk onderdeel van inkoopafspraken en verdienen een goede onderbouwing. Het geven van transparantie over deze onderbouwing is op termijn ook voor Jeugdhulp verplicht op basis van een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), waarmee de in artikel 2.12 van de Jeugdwet al opgenomen plicht om reële prijzen te betalen, nader kan worden ingevuld. Daartoe zullen, in navolging van wat krachtens de Wmo 2015 al in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is geregeld, in de AMvB de kostprijselementen worden opgenomen waaruit de reële prijs moet worden opgebouwd. De AMvB zal in ieder geval een verplichting tot indexatie bevatten. De AMvB betekent een opdracht aan gemeenten én aan aanbieders. Aanbieders worden geacht mee te werken en zo nodig transparant te zijn over de eigen kostprijs. In het geval dat de aanbieder komt tot een andere prijs dan de tot dan toe bekende reële prijzen, geldt het principe van ‘pas-toe-of-leg uit’. De aanbieder dient in dat geval inzicht in de opbouw van de door hem gehanteerde prijs te verschaffen aan de hand van de kostprijselementen uit de AMvB. Dit inzicht moet gemeenten in staat stellen te beoordelen of deze aanbieder inderdaad een reële prijs hanteert en voldoet aan de door het college gestelde eisen aan de opdracht.
8.2
Differentiatie in tarieven en bekostiging binnen inkoopregio Een 10 voor de Jeugd
Binnen onze regio hanteren wij een differentiatie in de bekostiging. Daarin onderscheiden we 3 stromen: 1. Lumpsum: wij hebben systeemaanbieders die een solide basis vormen voor de hoogspecialistische (verblijfs)zorg. Deze aanbieders richten zich op de doelgroep jeugdigen met zeer zware problematiek. Zij vormen een essentiële pijler binnen het jeugdstelsel en zijn directe gesprekspartners. Deze aanbieders worden grotendeels gefinancierd op basis van lumpsum afspraken. Lumpsum wil zeggen dat deze aanbieders een vast bedrag ontvangen voor de inzet die zij plegen. Hierop vindt geen verrekening plaats. Deze lumpsum afspraken zijn tijdelijk (t/m 2022). De verschillen in huisvestingskosten (vaak historisch bepaald) en de daarmee gepaard gaande kosten waren dermate groot dat we met deze aanbieders individuele tariefafspraken hebben gemaakt, passend bij de daadwerkelijke kosten die zij maken.
NvO ‘Een 10 voor de Jeugd’ Datum: november 2021 definitief
28 2. Uniform producttarief: dit raakt te grootste groep aanbieders. Zij verlenen jeugdhulp op basis van contractering tegen een vast tarief (per uur, dagdeel of etmaal). Zij krijgen conform dit vaste tarief uitsluitend betaald voor de zorg die zij daadwerkelijk leveren. Het vaste tarief dat per product wordt vastgesteld is tot stand gekomen op basis van een reële kostprijsberekening (zie paragraaf 8.4 over de wijze waarop dit tot stand is gekomen).
8.3
Invulling reële prijs door inkoopregio Een 10 voor de Jeugd
In de NvO is opgenomen dat een reële prijs is gebaseerd op de volgende kostprijselementen: • De kosten van de beroepskracht • Kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg • Reis- en opleidingskosten • De overheadkosten • Overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen • Huisvesting/verblijfskosten • Verzorgingskosten • Indexatie van het reële tarief voor het leveren van een dienst Al deze elementen zijn door Een 10 voor de Jeugd meegenomen in de bepaling van een reëel tarief per product.
8.4
Werkwijze inkoopregio Een 10 voor de Jeugd om te komen tot een reëel tarief per product.
In onze werkwijze staat de dialoog met aanbieders centraal. Zowel gemeenten als aanbieders zijn gebaat bij een reële prijs. Onderstaand is stapsgewijs het proces in kaart gebracht dat wordt doorlopen. Alle tarieven zijn op deze wijze gedocumenteerd en onderbouwd tot stand gekomen. a. Per product dat ingekocht gaat worden, wordt een productkaart opgesteld. Hier worden de inhoudelijke en kwalitatieve eisen omschreven omtrent de gevraagde inzet. Bij het opstellen van deze productkaarten zijn professionals met zorgachtergrond vanuit gemeenten en aanbieders betrokken. b. Deze productkaarten worden besproken met aanbieders en gezamenlijk worden eisen met betrekking tot de intensiteit van de inzet, omvang/groepsgrootte en de gewenste deskundigheid (functiemix) besproken. Via de functiemix wordt per product vastgelegd wat de inzet is op basis van opleidingsniveau (percentage MBO- HBO-WO medewerkers dat per product wordt ingezet). c. Met betrekking tot de functiemix wordt aanbieders via een digitale uitvraag gevraagd om aan te geven welke functiemix zij inzetten om deze zorginzet te kunnen leveren conform de kwaliteitseisen. d. Op basis van deze uitkomsten wordt vervolgens een concept tarief berekend op basis van de van toepassing zijnde CAO en bovenstaande kostprijselementen. e.
Per product wordt via de functiemix en de meeste recente CAO lonen de factor “kosten van de beroepskracht” voor het betreffende product bepaald. NvO ‘Een 10 voor de Jeugd’ Datum: november 2021 definitief
29 f. De overige kostprijselementen worden via een opslagpercentage in de berekening opgenomen. Elk opslagpercentage is bepaald op basis van erkende onderzoeken vanuit de sector of landelijke geaccepteerde gemiddeldes en zijn als zodanig dus realistisch en voldoende onderbouwd. g. De componenten huisvesting/verblijfskosten en verzorgingskosten zijn afgeleid van referentiecijfers en landelijke kostenonderzoeken. h. Vervolgens worden de tarieven inclusief onderbouwing gepresenteerd aan de aanbieders. Aanbieders kunnen hier een onderbouwde en gemotiveerde reactie op geven. i. Reacties worden beoordeeld en waar nodig verwerkt. j. De daaruit volgende tarieven worden toegevoegd aan de productkaarten. k. Productkaarten inclusief deze reële tarieven worden vastgesteld door de colleges van de aangesloten gemeenten en zijn de basis voor de contractering.
NvO ‘Een 10 voor de Jeugd’ Datum: november 2021 definitief
30
9 Leren en verbeteren De NvO geeft richting aan wat gemeenten samen moeten doen om de continuïteit van het zorglandschap te bewaken. Cyclisch leren en verbeteren is daarbij steeds meer een onderdeel van de praktijk in het jeugdhulplandschap. Formeel gezien is leren en verbeteren niet één van de afspraken van de NvO. Leren en verbeteren gaat over twee onderwerpen: 1. leren van elkaar, en; 2. het lerend jeugdstelsel. De afspraken uit de NvO bieden ook een mooie aanleiding om met andere regio’s in gesprek te gaan over onderwerpen, zoals het opstellen van een regiovisie en de rol van de gemeente als opdrachtgever. Het delen van een lessons learned om tot een regiovisie te komen bevat een waardevolle kans om periodiek als regio’s met elkaar in gesprek te gaan. Het is ook verstandig om ook naar de ervaringen van andere regio’s te kijken voordat een gemeente of regio zelf met vernieuwing aan de gang gaat. Een groot deel van de ondersteuning van de VNG is daarop gericht. Binnen Een 10 voor de Jeugd wordt geconstateerd dat er, los van de verbinding met de inkoopregio Samen voor de Jeugd, geen structurele overleggen met andere jeugdhulpregio’s zijn. De kennis van elders komt op dit moment sporadisch binnen via het eigen netwerk. Een ‘lerend jeugdhulpstelsel’ is wel benoemd als ambitie en uitgangspunt in de nieuwe inkoopstrategie, maar is nog maar (zeer) beperkt geoperationaliseerd.
De regio ziet ook dat er veel potentieel zit in het leren van anderen. Hierbij zijn drie lagen van het leren onderscheiden: • Leren in de uitvoering (gemeentelijk niveau) • Leren in de inkoop • Procesmatig leren • Bestuurlijke leren De regio gaat aan de slag om te inventariseren hoe het leren op welk niveau zowel binnen de regio (intern) als met andere regio’s (extern) het best tot haar recht komt.
NvO ‘Een 10 voor de Jeugd’ Datum: november 2021 definitief
31
10 Afsluiting De afspraken in het kader van de NvO geven op langere termijn richting aan wat een 10vdJ samen doet en hoe dit lokaal en bovenregionaal is verbonden. Daarmee is de NvO meteen een (mooie) aanleiding om verschillende onderdelen van samenwerking en goed opdrachtgeverschap tegen het licht te houden en de dialoog aan te gaan: waar kun je als regio nog op verbeteren? Dit is niet een eenmalige actie die stopt als een jeugdregio aan de norm voldoet. De ambitie is om samen met het jeugdveld een duurzame beweging in gang te zetten om kwalitatief goede, beschikbare en betaalbare hulp voor jeugdigen, ouders en gezin te borgen. Niet alleen nu, maar ook in de toekomst. Elke dag opnieuw. Dat maakt dat deze NvO een continu proces van verbetering is.
NvO ‘Een 10 voor de Jeugd’ Datum: november 2021 definitief