CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

5j Regels BP Veegplan XII Beeldkwaliteitsplan Buitengebied 2011

Commissie Ruimte 9 februari 2022, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Veegplan XII12.488 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

REGELS BIJLAGE 1 BEELDKWALITEITSPLAN BUITENGEBIED 2011

BEELDKWALITEITSPLAN BUITENGEBIED 2011 GEMEENTE SOMEREN VASTGESTELD 29 JUNI 2011

INHOUD

Inleiding

4

1.

Leeswijzer

6

2.

Gebiedsindeling 2.1 Gebiedsindeling gebruik 2.2 Gebiedsindeling landschap 2.3 Streefbeeld

8 8 10 12

3.

Ontwerprichtlijnen 3.1 Inleiding 3.2 Ontwerprichtlijnen Heide- en Bosgebieden 3.3 Ontwerprichtlijnen Beekdalen 3.4 Ontwerprichtlijnen Kampenlandschap 3.5 Ontwerprichtlijnen Oudere Heideontginningen 3.6 Ontwerprichtlijnen Jonge Heideontginningen 3.7 Algemene Ontwerprichtlijnen voor Linten, Knopen en Clusters

14 14 16 18 24 30 36 42

4.

Elementen ten aanzien de landschappelijke kwaliteit 4.1 Algemeen 4.2 Bebouwingsvormen en kleurstellingen 4.3 Hekwerken 4.4 Heggen en hagen 4.5 Opslagplaatsen 4.6 Beplanting in het landschap

48 48 49 50 52 53 54

BIJLAGE: Analyse B.1 B.2 B.3 B.4 B.5 B.6 B.7 B.8 B.9 B.10 B.11

Reliëf Geomorfologie Bodem Ontginningsgeschiedenis Landschapstypen Cultuurhistorische waarden Natuur Water Landbouw Kwaliteiten Aandachtsgebieden

58 58 60 60 62 64 70 74 76 78 80 82

3

INLEIDING Dit boekje gaat over het buitengebied van Someren. Een bijzonder buitengebied met twee in het oog springende kenmerkende kwaliteiten: 1. een hoge diversiteit aan karakteristieke, vaak natuurlijk en cultuurhistorisch waardevolle landschappen; 2. en een hoge dynamiek door intensief gebruik door bewoners, bewerkers en recreanten. Deze twee kenmerken maken dat het in het buitengebied van Someren goed toeven is: prettig wonen, goed werken en aangenaam recreëren in een mooie landschappelijke omgeving. Twee kenmerken die elkaar kunnen versterken maar evengoed ook kunnen bedreigen. Met name de afgelopen decennia is de dynamiek in het landelijk gebied enorm toegenomen. Veranderende eisen aan de ruimte vanuit de landbouw, de natuur, de recreatie en in toenemende mate het wonen leggen een druk op de ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied. In een aantal gebieden is daardoor de eigenzinnige karakteristiek en kwaliteit van de diverse landschappen onder druk komen staan en het contrast dat daarvoor juist zo kenmerkend is, is afgenomen.

De gemeente Someren wil met dit beeldkwaliteitsplan voor haar buitengebied deze dynamiek en de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied op een positieve wijze met elkaar verbinden zodat veranderingsprocessen in het landelijk gebied op een liefst eenvoudige en bijna natuurlijke wijze bijdragen aan een duurzame ruimtelijke kwaliteit en diversiteit. Bij het opstellen van dit beeldkwaliteitsplan is gebruikgemaakt van het reeds vastgestelde beleid, zoals LOP De Peel en de Structuurvisie. Dit beeldkwaliteitsplan is dan ook vooral een inspiratiebron voor iedereen die wat wil ontwikkelen in het buitengebied. Geen blauwdruk over hoe het moet, maar een ideeënboek over hoe het zou kunnen. Met dezelfde moeite en in het besef dat een verantwoord sociaal economisch beleid voor het buitengebied zich rekenschap moet geven van het feit dat veranderingen nu eenmaal nodig zijn en dat dit ook prima is.

Dit beeldkwaliteitsplan zegt niet ‘wat moet en zal’ of ‘wat kan en mag’. Dat wordt geregeld in het bestemmingsplan. Dit beeldkwaliteitsplan vult het bestemmingsplan aan en concurreert hier niet mee. Ook verbeeldt het ‘hoe het zou kunnen’. Rekening houdend enerzijds met het streven naar een aantrekkelijk, karakteristiek en contrastrijk landschap maar anderzijds evengoed ruimte biedend aan wat nu eenmaal nodig is voor gezonde sociaal-economische ontwikkeling in het buitengebied. Ruimte dus voor functies en activiteiten in het buitengebied om te kunnen voldoen aan de huidige eisen van de tijd. Dit beeldkwaliteitsplan zal worden gebruikt als toetsingskader voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied.

Dit beeldkwaliteitsplan spreekt daarom ook niet van eisen en randvoorwaarden. Die worden in het bestemmingsplan geregeld. In dit boekje zijn ontwerprichtlijnen opgenomen die bij aanvang van de ontwikkeling van een plan kunnen worden meegenomen om op een passende wijze invulling te geven van in het bestemmingsplan opgenomen randvoorwaarden ten aanzien van bijvoorbeeld een goede landschappelijke inpassing. Daarnaast is dit beeldkwaliteitsplan bedoeld als inspiratiebron voor iedereen die mede bij wil dragen aan de karakteristieke kwaliteiten van het Somerense buitengebied. Niet omdat het per se moet maar omdat je graag trots wil zijn op de kwaliteit en schoonheid van je eigen woon-, werk- en leefgebied. De gemeente Someren wil met dit beeldkwaliteitsplan graag ruimte bieden aan eigen initiatief. Dat wil zeggen dat de ontwerprichtlijnen zich vooral richten op de landschappelijke kwaliteit en niet zozeer op de gedetailleerde architectonische invulling. Deze keuze is enerzijds gebaseerd op de bestuurlijke wens om op het gebied van ‘schoonheid’ geen betuttelend en detaillistisch beleid te willen voeren en anderzijds vanuit de absolute overtuiging dat investeringen in met name een sterk en contrastrijk landschappelijk raamwerk een duurzamer kwaliteitsborging geeft dan de toevalligheid van de in de tijd voortdurend wisselende opvattingen ten aanzien van architectuur en detaillering.

4

Ligging in de omgeving Someren ligt ten zuiden van de stedelijke regio Eindhoven - Helmond. Door de snelweg A67 vindt Someren een goede verkeersaansluiting naar Limburg in het oosten en zuiden en de steden Eindhoven, ‘s-Hertogenbosch en Tilburg in het noorden en westen. Gemeente Someren en gemeente Asten zijn door hun nabije ligging en gemeenschappelijke geschiedenis nauw met elkaar verbonden en onderhouden hechte relaties op verschillende niveaus. Beide kernen liggen dan ook dicht bij elkaar en zijn alleen door het beekdal van de Aa en de Zuid-Willemsvaart van elkaar gescheiden. De Strabrechtse Heide als groot samenhangend natuurgebied ligt voor een groot deel op het grondgebied van Someren en is mede bepalend voor de landschappelijke en natuurlijke waarden van het Somerense landschap. Verder naar het oosten ligt het natuurgebied van De Peel. De zuidoosthoek van Someren ligt in de invloedsfeer van dit bijzondere natuurgebied. In de bijlage wordt in de analyse ingegaan op de kenmerken van de gemeente zoals de geomorfologische aspecten, cultuurhistorie, water, natuur, gebruik, waarden en kwetsbaarheden.

5

1. LEESWIJZER Opbouw en leeswijzer Dit beeldkwaliteitsplan voor het buitengebied van Someren is opgebouwd in 4 delen: 1. Indeling in landschappelijke eenheden, linten en clusters met een streefbeeld; 2. Ontwerprichtlijnen voor de verschillende landschappen, linten en clusters; 3. Landschapselementen; BIJLAGE: Her en erkenning van de kernkwaliteiten van het buitengebied. 1. Indeling in landschappelijke eenheden, linten en clusters en het streefbeeld blz. 08 - 12 In dit deel van het beeldkwaliteitsplan wordt het landschap ingedeeld in 6 karakteristieke deelgebieden:  Heide en bosgebieden  Beekdalen  Kampenlandschap  Oudere heideontginningen  Jongere heideontginningen  Linten, knopen en clusters. In een samenvattende kaart wordt het streefbeeld gepresenteerd voor het landschappelijk raamwerk voor het gehele buitengebied. Dit is geen gedetailleerde blauwdruk die als het ware ‘programmatisch’ wordt gerealiseerd, maar een perspectief voor de inrichting van het landelijk gebied die als inspiratiebron wordt gebruikt voor integrale landschapsontwikkeling op structuurniveau. Tevens vormt deze het kader voor het opstellen van de ontwerprichtlijnen ten aanzien van ontwikkelingen in de diverse deelgebieden. 2. Ontwerprichtlijnen voor ontwikkeling in de afzonderlijke deelgebieden blz.

14 - 46 In dit deel worden de ontwerprichtlijnen beschreven die initiatiefnemers in het gebied mee kunnen nemen bij de ontwikkeling van hun plannen. Enerzijds om op passende wijze te kunnen voldoen aan de in het bestemmingsplan gestelde eisen ten aanzien van landschappelijke inpassing, maar ook wanneer het niet verplicht is maar men graag invulling wil geven aan de wens om bij te dragen aan de kwaliteit van de eigen woon-, werk- en leefomgeving. De ontwerprichtlijnen bieden handvaten en ideeën voor:  De structuur van het landschap  De inrichting van het landschap  De inrichting en inpassing van de kavel  De bebouwing 3. Landschapselementen 48 - 57 In dit deel worden op beeldende wijze ideeën aangereikt voor middelen die bij kunnen dragen aan een herkenbaar en contrastrijk landschap. BIJLAGE: Her- en erkenning van de kernkwaliteiten blz. 58 - 83 Dit deel van het beeldkwaliteitsplan beschrijft de basis waarop de kernkwaliteiten van het buitengebied kunnen worden benoemd en omvat een analyse van de ontstaansgeschiedenis van de duurzame lagen van de ondergrond, het landschap en het occupatiepatroon. Het landschap is immers niet zo maar door iemand verzonnen, maar heeft zijn oorsprong in de diepere ondergrond die in hoge mate bepaalt hoe het landschap zich aan ons toont. Deze analyse leidt tot twee samenvattende kaarten ten aanzien van kwaliteiten en aandachtsgebieden.

Leeswijzer voor de initiatiefnemer. U woont of werkt in het buitengebied of bent anderszins geïnteresseerd en heeft plannen voor een ontwikkeling in het gebied. In bijgaand schema wordt u door dit beeldkwaliteitsplan geleid om uw initiatief van begin af aan op een zo kansrijk mogelijke wijze tot een plan te ontwikkelen.

6

U bent van plan om in het buitengebied een project te starten. Bijvoorbeeld om uw bedrijf uit te breiden, van functie te veranderen of een geheel nieuwe activiteit te ondernemen.

Raadpleeg in eerste instantie het bestemmingsplan buitengebied om te zien welke mogelijkheden en voorwaarden gelden ten aanzien van functie, gebruik en bebouwingsmogelijkheden voor het perceel dat u voor ogen heeft.

Het bestemmingsplan biedt ruimte maar stelt eisen aan een goede landschappelijke inpassing.

Het bestemmingsplan biedt ruimte en stelt geen nadere eisen aan een goede landschappelijke inpassing maar u wilt graag zelf met uw ontwikkeling bijdragen aan de kwaliteit van uw woon, werk en leefomgeving

In welk landschappelijk gebied ligt de kavel? Op te zoeken op de kaart Gebiedsindeling blz. 37 11

Uw kavel ligt binnen een Heide- en Bosgebied Gebiedskenmerkenvoor de omgeving Ontwerprichtlijnen

blz. 44 16

Uw kavel ligt binnen een Beekdal / Broekgebied Ontwerprichtlijnen voor landschap omgeving en en kavel kavel Ontwerprichtlijnen voor bebouwing

blz. 20 46 blz. 48 22

Uw kavel ligt binnen het Kampenlandschap Ontwerprichtlijnen voor landschap omgeving en en kavel kavel Ontwerprichtlijnen voor bebouwing

blz. 52 26 blz. 54 28

Uw kavel ligt binnen een de Oudere OudereHeidegebieden Heideontginning Ontwerprichtlijnen voor landschap omgeving en en kavel kavel Ontwerprichtlijnen voor bebouwing

blz. 32 58 blz. 60 34

Uw kavel ligt binnen de eenJonge JongeHeidegebieden Heideontginning Ontwerprichtlijnen voor landschap omgeving en en kavel kavel Ontwerprichtlijnen voor bebouwing

blz. 38 64 blz. 66 40

Kijk voor meer uitleg en inspiratie naar de veel voorkomende landschapselementen in het buitengebied blz. 74 48 Meer informatie en achtergronden over het u omringende landschap, zijn waarden en kwetsbaarheden vindt u in de analyse blz. 8 58- -33 83

Uw kavel ligt binnen een Lint,of Knoop Cluster of Cluster Algemene Ontwerprichtlijnen

blz. 68 42

7

2. GEBIEDSINDELING De wijze waarop het landschap zich aan ons toont wordt bepaald door haar verschijningsvorm maar ook door de wijze waarop het gebied wordt gebruikt. De gebiedsindeling is daarom verbeeld in drie kaarten:

1. Gebiedsindeling gebruik Toont de beleidmatig ingedeelde gebieden en geeft, samen met het bestemmingsplan, de mogelijkheden ten aanzien van functie, gebruik en bebouwing. 2. Gebiedsindeling landschap Toont het landschappelijk kader voor het gehele buitengebied en is tevens uitgangspunt voor het opstellen van de ontwerprichtlijnen ten aanzien van ontwikkelingen in de diverse deelgebieden. 3. Streefbeeld Biedt een perspectief voor de inrichting van het landelijk gebied die als inspiratiebron wordt gebruikt voor integrale landschapsontwikkeling op structuurniveau.

2.1 Gebiedsindeling gebruik De kaart gebiedsindeling gebruik laat zien op welke wijze verschillende delen van het buitengebied hoofdzakelijk worden gebruikt. Uiteraard is er sprake van vaak gemengde functies, toch is nog altijd goed afleesbaar wat de hoofdfunctie van deze gebieden is. Deze kaart heeft geen sturende functie maar geldt meer als referentiekader. De functies en het bouwen worden immers in het bestemmingsplan geregeld. De onderscheiden hoofdfuncties zijn:  Agrarische functies met (glas)tuinbouw, intensieve veehouderij, grondgebonden (melk)veehouderij, landbouw, et cetera.  Dorpen, dorpsranden en linten met woonfunctie, brede multifunctionele bedrijvigheid en recreatie.  Recreatief gebruik in het landschap met intensieve dag- en verblijfsrecreatie maar ook extensieve dagrecreatie zoals wandelen in de natuur.  Natuurgebieden met gebruiksrestricties voor andere functies en ecologische verbindingzones.  Waterberging gebieden en het waterwingebied met gebruiksrestricties voor andere functies.

8

9

2.2 Gebiedsindeling landschap De kaart gebiedsindeling landschap is wel sturend voor dit beeldkwaliteitsplan. Zij vormt samen met het streefbeeld dat verderop is weergegeven de basis voor de ontwerprichtlijnen voor de inrichting van het landschap. Er worden 5 landschapstypen benoemd en op kaart geduid, zodat afgelezen kan worden in welk landschapstype een voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt. De landschapstypen verwijzen vervolgens naar de voor dat type van belang zijnde ontwerprichtlijnen. Naast de vijf landschapstypen worden ook gebieden aangeduid als bebouwingslint, knoop of cluster in het buitengebied. Een belangrijk element van de kwaliteitbeleefbaarheid van het landschap vormt openheid. Die kwaliteit is niet exclusief voorbehouden aan een bepaald type landschap en is daarom als aparte aanduiding in het kaartbeeld opgenomen. De volgende landschapstypen worden onderscheiden: Heide- en Boslandschap Behoud, beheer en versterking van de natuur- en landschappelijke waarden staan in dit gebied voorop. Het omvormen van naaldbos naar gemengd loofbos of natte heide / veen is een mogelijkheid voor natuurontwikkeling. Hierbij moeten de cultuurhistorische waarden (padenstelsel) gewaarborgd blijven. Functioneel wordt over het algemeen alleen extensieve recreatie als gebruik toegestaan.

Beekdallandschap / Broekgebieden Beekherstel, plaatselijke hermeandering, behoud van bestaande beekbegeleidende bosstructuren en aanleg van beekbegeleidende groenstructuren zoals elzensingeltjes haaks op de beek, natuurvriendelijke oevers en solitaire bomen of boomgroepen langs de beek om de waterloop in het landschap te kenmerken zijn gewenste verbeteringen voor het beekdallandschap. Ook het verschralen en vernatten van graslanden met extensief beheer is wenselijk in dit landschapsdeel. Deze natte gebieden zijn niet voor bebouwing geschikt. Nieuwe bebouwing of uitbreiding van bestaande bebouwing wordt dan ook sterk afgeraden. Kampenlandschap Dit van oorsprong onregelmatige, kleinschalige en halfopen kampenlandschap heeft veel landschappelijke structuurelementen (zoals houtwallen, hagen, boomsingels, onregelmatige bosjes en beplanting op de erfgrenzen) verloren. De aanwezige bebouwing kan bij ontwikkelingen voor versterking van de kleinschaligheid zorgen door aanplant van groenstructuren (hagen, singels en houtwallen) op de kavelgrenzen en het achterliggende landschap. De bebouwing zou dan ook beter in het landschap ingepast zijn. Te grootschalige bebouwde ontwikkelingen passen echter niet in dit kleinschalige gebied. Door meer groenaanplant in het kampenlandschap kunnen ook de akkerzones als open gebieden beter herkenbaar zijn.

Deze oude akkers horen vrij van bebouwing en groen te blijven. Rond om de akker heen kan wel bebouwing met een groene inpassing voorkomen. Deze hoort niet te grootschalig te zijn. Belangrijk voor het kampenlandschap is ook het behoud van de nog aanwezige steilrandjes tussen akkerpercelen. Oudere Heideontginningen Dit overgangslandschap tussen oude en jonge ontginningen is tot ongeveer 1910 ontgonnen. De landschappelijke lijnen zijn minder organisch dan die van het kampenlandschap en ook de schaal is iets groter. Maar ook in dit landschap hoort een rijke groenstructuur van houtwallen, lanen en bospercelen. Ontwikkelingen in deze ontginningen kunnen grootschaliger zijn dan in de oude landschappen, maar moeten begeleid worden door een stevige houtwallen of bosstroken. Jongere Heideontginningen Dit is het landschap van regelmatige en rechtlijnige patronen in grootschalige gebieden. Structurerend in het landschap zijn de aanwezige boomlanen. Deze zouden nog versterkt kunnen worden. In het gebied zijn veel agrarische bedrijven aanwezig. Veel grootschalige bedrijven zouden door middel van voldoende erfbeplanting beter in het landschap worden ingepast. Omdat in dit gebied de bebouwing van grote afstand en vanuit het achterliggende landschap gezien kan worden, is landschappelijke inpassing van de bedrijfsachterkanten bijzonder belangrijk.

Linten, knopen en clusters Dit zijn ontginningslijnen vanuit dorpen met een dichtere gegroeide bebouwingsstructuur. Bij kruispunten van linten kunnen clusters ontstaan, die mogelijk ruimte bieden voor kleinschalige ontwikkelingen. Openheid Waardevolle open gebieden zijn vooral gebieden zonder bebouwing. De relatief kleinschalige oude akkers zijn geheel open. Hier moet ook de beplanting zeer zuinig en alleen in de randen worden toegepast. In de weidse open gebieden in de jonge ontginningen kan wel beplanting voorkomen (zoals de versterkte lanenstructuur) maar het gebied mag niet dicht geplant worden. Voor de waarde van de openheid zijn de randen belangrijk. Vaak zijn het de achterkanten van agrarische bedrijven waar tegen aangekeken wordt. Deze achterkanten moeten een landschappelijk gezicht krijgen.

10

11

2.3 Streefbeeld In het streefbeeld voor Someren moet worden gezocht naar een goede balans tussen de agrarische dynamiek binnen de gemeente en het behoud van de landschappelijke kwaliteiten en dragers. Rode en groene programmaonderdelen kunnen zowel kwalitatief als kwantitatief bijdragen aan de kwaliteit, diversiteit en belevingswaarde van het gebied mits ze op een samenhangende wijze in een ontwerp worden geïntegreerd. Speerpunten voor de versterking van de landschapsstructuur: Voorop staat het leesbaar maken van de verschillende landschapstypen als resultaat van de ontstaansgeschiedenis van het gebied. Het gaat daarbij niet zozeer om het terugbrengen van vroegere tijden maar om een landschapsontwerp te waarborgen dat gebaseerd is op de duurzame onderliggende structuren, die het landschap door de eeuwen heen hebben gevormd. De speerpunten zijn:  Bijzonder belangrijk wordt het behoud van de open gebieden waar geen nieuwe bebouwing of ontwikkeling geadviseerd wordt.  Versterking van de lanenstructuur vooral in de jonge ontginningen.  Inrichting / gebiedsvisies voor landschappelijke bufferzones.  Inrichting / gebiedsvisies voor recreatielandschap.  Glastuinbouwgebied met bijzondere ontwerprichtlijnen.  Inrichting van ecologische verbindingzones en stapstenen van droge ecologische verbindingen.

 Programma voor beekherstel, hermeandering en herkenbaarheid van beken in het landschap.  Onderzoek naar oude paden in het kader van gemeente Someren wandelgemeente (Kennedymars). Algemene landschapsversterking: De idee achter dit beeldkwaliteitsplan is dat het landschap als van nature in kwaliteit groeit door ontwikkelingen die voortvloeien uit de dynamiek in het gebied. Doordat initiatiefnemers tevens investeren in de landschappelijke inpassing van hun plannen en zodoende bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit, versterkt de kwaliteit en structuur van het landschap zich geleidelijk. Dit streefbeeld is dan ook geen blauwdruk met een tijdsplanning, maar biedt houvast voor een stapsgewijze ontwikkeling waarbij allerlei individuele inspanningen tezamen leiden tot een mooi en vooral herkenbaar landelijk gebied. In de ontwerprichtlijnen worden de specifiek landschappelijke kwaliteiten en de daarbij behorende (landschaps)elementen nader uitgewerkt.

12

13

3. ONTWERPRICHTLIJNEN 3.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ geeft aan welke gebruiksvormen en de daarbij behorende bebouwingsmogelijkheden zijn toegestaan. Hierin worden ook de verplichte oppervlaktes (percentage van het bouwblok) voor landschappelijke inpassing geregeld. Deze zijn afhankelijk van de beleidsmatige indeling van de gemeente en het reconstructiegebied (extensiveringsgebied, verwevingsgebied en landbouwontwikkelingsgebied) waar de initiatieven liggen. In het bestemmingsplan zijn verder, voor zover van toepassing, per bestemming regels opgenomen ten aanzien van bebouwing. De bouwregels betreffen onder andere de maatvoering van bebouwing, de afstand van bebouwing tot de weg alsmede de afstanden tot (BOUW) perceelgrenzen. Het bestemmingsplan bepaalt dus wat kan en mag en stelt soms nadere eisen. Dit beeldkwaliteitsplan laat zien op welke wijze aan de eisen voor landschappelijke inpassing tegemoet kan worden gekomen, zodat de voorgenomen ontwikkelingen tevens bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De ontwerprichtlijnen bieden de initiatiefnemer hulp en handvaten om de vereiste landschappelijke inpassing op een in het landschap passende wijze uit te voeren. Het buitengebied van Someren is hiervoor onderverdeeld in vijf landschappelijke eenheden, de in alle landschappen aanwezige linten en clusters en gebieden met bijzondere ontwerprichtlijnen.

Deze eenheden en gebieden zijn: - Heide en Boslandschap - Beekdalen / Broekgebieden - Kampenlandschap met oude akkers - Oudere Heideontginningen - Jonge Heideontginningen - Stipdonk / Middelweg - Kerkendijk - Heikantstraat - Ruiter - Nieuwendijk - Someren - Eind west - Someren - Eind zuid - Heieind - Otterdijk - Hersel / Eindje - Winkelstraat / Veldweg - Kerkenhuis / Achterbroek - Moorsel - Vaarsehoefweg / Berkeindje - Boomen - Someren noord - Vaarselstraat - De Hoof - Loovebaan / Dellerweg - Sluis XIII - Dooleggersbaan / Nederweertseweg - Glastuinbouwgebied Ploegstraat

landschappelijke eenheden

linten

linten, knopen en clusters

gebied met nadere ontwerpopdracht

In de ontwerprichtlijnen worden de kwaliteiten en specifieke kenmerken van de vijf landschappen beschreven en wordt aangegeven wat de meest passende inrichtingsvormen zijn per beschreven landschap of gebied. Daarbij gelden de volgende kenmerken:  passende vormen voor bouwvlakken (langwerpig, compact, streng geometrisch of een meer ongedwongen vorm);  de onderlinge ordening van de bebouwing ( geschakeld, streng parallel, achter elkaar of in een ongedwongen onderlinge relatie);  vormen van beplanting (bosjes, houtwallen, heggen en hagen, boomsingels);  soorten planten (inheemse bomen en struiken passend bij de ondergrond).

14

Voor uw ruimtelijke rechten en plichten verwijzen wij u naar het betreffende bestemmingsplan. Ontwikkelingsmogelijkheden Gebruik

Heide- en Beekdalen / Boslandschap Broekgebieden

Kampenlandschap met oude akkers

Oudere Heideontginningen

Jonge Heideontginningen

Tot max 1,5ha bouwblok

Tot 1,5ha bouwblok

Tot 1,5ha bouwblok (LOG tot 2,5ha)

Linten en clusters

Bijzondere gebieden

Agrarische bedrijvigheid Intensieve Veehouderij

Weide / Hooiland Vollegrondstuinbouw Glastuinbouw Verbrede landbouw / nevenactiviteit Niet agrarische bedrijvigheid Agrarisch gerelateerd

Glastuinbouw gerelateerd

Kleinschalig ambachtelijk Bedrijf aan huis Zorg Wonen Ruimte voor ruimtewoning / Burgerwoning Woningsplitsing

Tijdelijke woonzorg Landgoed Recreatie Verblijfsrecreatie Recreatieve poorten (informatie, restauratie, parkeren…)

Intensieve dagrecreatie (golfterrein...)

Extensieve dagrecreatie (padenstelsel, pleisterplaats, bosspeelplek) Ontwikkelingsmogelijkheden per landschappelijk gebied gebaseerd op de Structuurvisie buitengebied januari 2010 Niet geschikt

Beperkt geschikt

Goed geschikt

15

HEIDE- EN BOSGEBIEDEN De ontwerprichtlijnen zijn geen blauwdruk waaraan afgelezen kan worden hoe elke ontwikkeling precies moet worden vormgegeven. Dat is immers afhankelijk van de ontwikkeling zelf en de precieze locatie en omstandigheden. De richtlijnen zijn bedoeld om ingrediënten aan te bieden waarmee de voorgestane ontwikkeling tezamen met een goede landschappelijke inpassing tot een integraal ontwerp kunnen worden samengebracht waardoor voldaan kan worden aan de in het bestemmingsplan gestelde eisen. De ontwerprichtlijnen vormen het toetsingskader voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Per landschapstype / landschapsgebied hoort een uitsnede van het streefbeeld waarop de hoofdstructuren en elementen vanuit landschapsversterking herkenbaar zijn weergegeven.

3.2 Ontwerprichtlijnen Heide- en Bosgebieden Gebiedskenmerken: De uitgestrekte natte en droge Heidegebieden met een aantal grote vennen als enclaves in de bossen van Someren zijn een landschapstype waar natuurwaarden en het beheer hiervan voorop staan. Transformatie van naaldbos naar gemengd loofbos is gewenst, heide of stuifzandgebieden behoren tot de mogelijkheden. Hierbij moeten de cultuurhistorische waarden (grafheuvels, padenstelsel van zandpaden, etc.) gewaarborgd blijven. Het Rondvenneke is een zeldzaam voorbeeld van een Pingo-ruïne (relatief kleine laagte met open water en een bijzondere verlandingsvegetatie omgeven van een lage randwal). Hier zou natuurontwikkeling verstorend kunnen werken. Functioneel: 





Natuurbeheer en natuurontwikkeling zoals het afgraven van vegetatie voor stuifzandgebieden of het uitgraven van verlande vennen zijn maatregelen met risico voor aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden. Extensieve dagrecreatie (wandelen, fietsen, paardrijden) past goed in dit landschap. Toegankelijkheid en parkeercapaciteit worden voldoende geacht. Toegangsroutes voor langzaam verkeer zouden eventueel via oude werk- kerkenpaden kunnen worden geleid. Toename van bebouwing is min of meer uitgesloten.

Ontwerprichtlijnen: Omdat in dit landschapsdeel geen of nauwelijks nieuwe bebouwing of uitbreiding van bestaande bebouwing is toegestaan worden hiervoor geen ontwerprichtlijnen opgesteld.

16

17

BEEKDALEN 3.3 Ontwerprichtlijnen Beekdalen Gebiedskenmerken: Het Beekdallandschap / de Broekgebieden zijn laag gelegen, natte en kleinschalige landschappen. Omdat de beekdalen gevoelig zijn voor hoog water, zijn deze gebieden van oudsher minder voor bebouwing geschikt. De meeste beken in de gemeente Someren zijn tot rechte sloten en watergangen gegraven. In tegenstelling tot vroeger komt ook nog maar weinig beplanting voor. Wel zijn nog veel beekbegeleidende bosstructuren aanwezig. Functioneel:  



 

18

Gronden van het beekdal zijn idealiter als hooi- en weideland in gebruik; In het gebied van de beekdal komt maar incidenteel agrarische bebouwing voor. Uitbreidingen van bestaande (agrarische) bedrijven naar mogelijkheid voorkomen; Functiewijzigingen van bestaande agrarische bedrijven of verbreding naar kleinschalige bedrijvigheid (ambachtelijk, bedrijf aan huis of met kleinschalige zorgfunctie) is passend, waarbij voorzichtigheid is geboden met toename van bebouwing; Ruimte-voor-ruimtewoningen moeten binnen de aangewezen linten en clusters worden gebouwd; Vanuit de structuurvisie buitengebied is de ontwikkeling van een landgoed passend, waarbij de positionering van de bebouwing bepalend is.

19

BEEKDALEN Richtlijnen structuur van het landschap:   

  

Bescherm en respecteer de natte natuurparels en hun attentiegebied; Houd beekdalen zo veel mogelijk vrij van bebouwing; Herstel rechtgetrokken beken met plaatselijke hermeandering en inrichting van natuurvriendelijke oevers; Plaatselijk kunnen graslanden extensief beheerd worden (minder waterafvoer en geen bemesting); Inrichten van ecologische verbindingzones (de Kleine Aa, Vliet- en Goorloop); Beekbegeleidende beplanting middels solitaire bomen of kleine boomgroepen in de lengte van de beek, bosstroken en boomsingels van elzen of (knot)wilgen haaks op de beek zorgen voor een herkenbaar landschap.

Richtlijnen inrichting van het landschap:  

Behoud en versterk de lanenstructuur (stimuleer het planten van laanbomen bij bedrijfsinritten); Inrichting van kleinschalige biotopen (bospercelen, poeltjes, natuurvriendelijke oevers langs sloten, natuurvriendelijke inrichting van regenwater retentievijvers, bloem- en kruidenrijke perceelsranden door extensief beheer).

Richtlijnen inrichting en inpassing Kavel: “Voor uw ruimtelijke rechten en plichten verwijzen wij u naar het betreffende bestemmingsplan. Hieronder vindt u het toetsingskader van ruimtelijke kwaliteit voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in dit landschapstype.” Kavelinrichting / oriëntatie:  Het bouwvlak moet in de bestaande kavelstructuur passen.  Bouwblokken zijn bij voorkeur dieper dan breed (breedte - lengte - verhouding van 1: 1,5).  Nieuwe bebouwing of uitbreiding van bestaande bebouwing wordt dan ook sterk afgeraden.  Let wel op voldoende afstand van de bebouwing naar de beek. Het beekdal zo veel mogelijk vrij houden, ook vanuit het perspectief van waterbeheer; Erven/bedrijven hebben maximaal één inrit, behalve als dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering.  Zorg voor een tuinachtige sfeer aan de voorkant van het erf (tuin en woning).  Minder bestraat oppervlak door optimale logistieke indeling van het bedrijf zorgt voor een groene en natuurlijke uitstraling van het bedrijf.  Silo’s en andere installaties kunnen beter niet aan de voorkant van het erf staan (aan de achterkant of geïntegreerd in de bebouwing heeft de voorkeur).  Bedrijfsbebouwing is naar voorkeur in de lengte georiënteerd (haaks op de weg).

Beplanting: Voortuin (boerentuin) met haag;  Dichte houtwal of bosstrook aan de zij- en achterkant van het bouwblok;  Transparante boomsingels haaks op de beek op afstand van de bebouwing. 

20

Landschapselement

Verbeelding

Plantenkeuze

Hermeandering en beekherstel

Wilg, Els, Eik, Es

Natuurvriendelijke inrichting van oevers

Rietkragen Bloemrijke oevergemeenschappen

Beekbegeleidenge beplanting langs of haaks op de waterloop

Spontaan flora (alleen inrichten biotoop en extensief beheer, vegetatie ontwikkelt zich vanzelf)

Bij beplanting uitsluitend inheemse loofbomen en -struiken gebruiken!

Poeltjes zonder verbinding tot de beek

Groenelement Voortuin met landelijk karakter Gras met boomgaarden (Gesneden) haag (50cm breed 1,20m hoog) Boerentuin Achter- en zijkanten

Verbeelding

Inheemse Plantenkeuze

Wilg, Els, Eik, Linde

Esdoorn, Meidoorn, Sleedoorn Stokroos, Zonnebloem, Monnikskap, Vrouwenmantel, Akelei, Aster, Klokjesbloem, Vergeet-mij-niet, Helmbloem, Ridderspoor, Anjer, Ooievaarsbek, Pioenroos, Klaproos, Vlambloem, Lis, Margriet, Hosta, Hortensia

Elzen, Wilgen, Eiken, Essen Wilgen-Elzenbos

Bosstroken (10m breed) Dichtere bosjes en struweel

Rietkragen Bloemrijke oevergemeenschappen Rode Kornoelje, Sporkehout, Geoorde Wilg, Gelderse Roos

Natuurvriendelijke inrichting van oevers Haaks op de beek Boomsingels Natuurvriendelijke inrichting van sloten en greppels

(Knot)wilgen, Elzen Rietkragen Bloemrijke oevergemeenschappen Rode Kornoelje, Sporkehout, Geoorde Wilg, Gelderse Roos

21

BEEKDALEN Richtlijnen Bebouwing: “Voor uw ruimtelijke rechten en plichten verwijzen wij u naar het betreffende bestemmingsplan. Hieronder vindt u het toetsingskader van ruimtelijke kwaliteit voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in dit landschapstype.” Algemeen  Bebouwing staat op enige afstand van de weg.  Haakse en evenwijdige opstelling van de woning zijn beide mogelijk.  Ordening en onderlinge samenhang van bebouwing in de richting van de kavel. (Agrarische) bedrijfsbebouwing  Indien nieuwe bebouwing mogelijk is, plaats deze duidelijk op afstand van de beek.  Indien nieuwe bebouwing mogelijk is en een oude boerderij aanwezig, plaats de nieuwe bebouwing duidelijk hierachter, zodat deze qua plaatsing en sfeer aan de oude boerderij ondergeschikt is.  Stallen staan haaks op de weg (afwijkingen zijn in bijzondere gevallen mogelijk).  Bouwvorm is langwerpig en eenvoudig. Voorzieningen  Integreer luchtwassers en andere voorzieningen zoveel mogelijk in de bebouwing.  Ook Silo’s (sleuf- , toren- en voedersilo’s) beter in de bebouwing integreren of mogelijk tussen de bebouwing plaatsen.  Mestsilo’s / vergistinginstallaties dienen enigszins aan het zicht te worden onttrokken.  Weegbruggen en bijhorende kleine weeghuisjes zijn mee ontworpen in de kavelinrichting en in omvang duidelijk ondergeschikt aan woning.

 Voerplaten aan de achter- of zijkant van het bedrijf begeleiden door beplanting.  Overige installaties en bijgebouwen zijn mee ontworpen in de kavelinrichting en in omvang duidelijk ondergeschikt of liever nog geïntegreerd in hoofdgebouwen. Eenvoud en ordening van minder losse bebouwing en installatie-elementen geven het erf een rustigere uitstraling. Detaillering  Pas een ingetogen en eenvoudige architectuur toe. Bijzonder ontworpen bebouwing mag, mits het passend is binnen het landschap (hiervoor is bijzonder overleg met de gemeente noodzakelijk).  Zadeldak in de lengte van de bebouwing.  De hellingshoek van het dak dient tussen de 20 en 45 graden te liggen. Kleurgebruik / Materialen  Daken donkergrijs en gevels in gedekte natuurlijke kleuren of aardetinten. De kleurstelling van de bebouwing is belangrijker dan het materiaal en moet op elkaar afgestemd zijn (gebruik weinig verschillende kleuren).  Steen, hout en damwandprofielen, et cetera in gedekte, natuurlijke kleuren en tinten.  Toepassing van zonne-energie opwekkende technologieën / warmtecollectoren behoren tot de mogelijkheden.

22

Voorbeeld landschappelijke inpassing

Bestaande situatie

Situatie na uitbreiding en landschappelijke inpassing

23

KAMPENLANDSCHAP 3.4 Ontwerprichtlijnen Kampenlandschap Gebiedskenmerken: Het Kampenlandschap heeft een onregelmatige en kleinschalige structuur. Hoewel het gebied nu een relatief open karakter heeft, horen van oorsprong groenstructuren (singels, houtwallen en onregelmatige bosjes) op de kavelgrenzen en het achterliggende landschap. Hierbij is niet het doel om oude landschappen geheel “terug te brengen” maar het eigen karakter van het gebied te versterken en de ruimtelijke schaal te verkleinen. In dit gebied is veel bebouwing aanwezig. Deze kan door middel van groenstructuren veel beter in het landschap worden ingepast. Grootschalige bedrijven zijn moeilijk inpasbaar in deze kleinschalige landschapsstructuur. Oude akkers (bolle akkertjes, grotere akkerzones) zijn onderdelen van het kampenlandschap als hoger en droger gelegen open vruchtbare akkergebieden. Deze oude akkers horen vrij van bebouwing en groen te blijven. In de randzones kan er bebouwing met een groene inpassing voorkomen. Waardevol en kwetsbaar zijn de hier voorkomende steilrandjes.

Functioneel: 

 





24

Het oudste ontgonnen gebied voor met name landbouw. Veel (kleinschalige) verschillende agrarische bedrijven zijn in verspreide ligging soms geclusterd. Uitbreiding van bedrijven is passend mits de kleinschaligheid van het landschap behouden blijft en voldoende maatregelen voor landschappelijke inpassing genomen worden. Verbrede landbouw, zorgfuncties, recreatie passen functioneel in dit landschap. Functiewijzigingen van bestaande agrarische bedrijven of verbreding naar kleinschalige bedrijvigheid (ambachtelijk, bedrijf aan huis of met kleinschalige zorgfunctie) zijn passend. Functiewijziging naar agrarisch gerelateerde bedrijvigheid is in beperkte maat mogelijk mits passend in de kleinschaligheid van het landschap en passend bij de infrastructurele capaciteit (breedte van de wegen in verhouding tot de te verwachten verkeersintensiteit). Ruimte-voor-ruimtewoningen moeten binnen de aangewezen linten en clusters worden gebouwd.

25

KAMPENLANDSCHAP Richtlijnen structuur van het landschap:    



Waardeer en bescherm de cultuurhistorisch en landschappelijk waardevolle oude akkergebieden; Behoud de nog aanwezige steilrandjes in de akkergebieden en ploeg er niet overheen. Behoud en versterk de lanen en singels langs wegen. Versterking van de kleinschaligheid van het landschap door het verbinden van bestaande groenstructuren met nieuwe van landschappelijke elementen als kleinschalige bosjes, houtwallen, boomgaarden (fruit / eiken), lagere heggen, solitaire bomen. Behoud en herstel oude werk- en kerkenpaden met extensief onderhouden, kruiden- en bloemrijke bermen.

Richtlijnen inrichting van het landschap: 



 

Versterk de kleinschaligheid door landschappelijke elementen op erf- en perceelsgrenzen (houtwallen, singels, kruidenberm) te planten en sluit hierbij aan op al bestaande groenstructuren. Dat verrijkt het landschap. Inpassen van de achterkanten van de bedrijven met kleine bosjes of boomgroepen (gebruikmaken van “overhoeken”). Vaak liggen bedrijven ‘bloot’ in het landschap en zijn van veraf zichtbaar. Zijkanten begeleiden met boomgaarden, houtwallen of vrij groeiende hagen. Inrichting van kleinschalige biotopen (solitaire bomen, inheemse bessenstruiken en (wilde) fruitbomen voor bijen en vogels, natuurvriendelijke oevers langs sloten, bloem- en kruidenrijke perceelsranden door extensief beheer).

Richtlijnen inrichting en inpassing Kavel: “Voor uw ruimtelijke rechten en plichten verwijzen wij u naar het betreffende bestemmingsplan. Hieronder vindt u het toetsingskader van ruimtelijke kwaliteit voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in dit landschapstype.” Kavelinrichting / oriëntatie:  Het bouwvlak moet in de bestaande kavelstructuur passen.  Bouwblokken zijn afhankelijk van de bestaande kavelstructuur en zijn bij voorkeur onregelmatig van vorm en bij voorkeur dieper dan breed (volg de onregelmatige bestaande structuur).  Erven hebben maximaal één inrit (versterk de laanbeplanting waar mogelijk, stimuleer het planten van laanbomen), behalve als dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering.  Zorg voor een tuinachtige sfeer aan de voorkant van het erf (tuin en woning).  Minder bestraat oppervlak door optimale logistieke indeling van het bedrijf zorgt voor een groene en natuurlijke uitstraling van het bedrijf.  Bedrijfsbebouwing is bij voorkeur in de lengte georiënteerd (haaks op de weg). Beplanting:  Voortuin met lagere gesneden haag (niet hoger dan 1,20 m) heeft naar voorkeur het karakter van een traditionele boerentuin (geen coniferen, laurierkersen en/of andere exotische planten).  Een grote boom of een groep van drie (Eik, Linde, Es, Walnoot, (Paarde)kastanje) op veilige afstand van de woning (mogelijk op de erfgrens als markering hiervan).

 Gedeelte van de tuin als fruitgaarden of eikengaarden (bomen in onregelmatige afstand op gras).  Gesneden haag van de voortuin gaat in de achtertuin over naar een vrij groeiende haag, heg, houtwal of boomsingel.  Dichte houtwal of onregelmatige bosperceeltjes aan de achterkant van het bouwblok.

26

Landschapselement

Verbeelding

Plantenkeuze

Behoud openheid oude akkers

Behoud steilrandjes

Eiken, Es, Beuk, Haagbeuk, Esdoorn, Walnoot, Linde

Lanen en Singels

Spontaan flora (alleen inrichten biotoop en extensief beheer, vegetatie ontwikkelt zich vanzelf)

Bloem- en kruidenrijke perceelsranden of bermen

Bij beplanting uitsluitend inheemse loofbomen en -struiken gebruiken!

Groenelement Voortuin met landelijk karakter Solitaire boom groep van 3 tot 5 bomen Gesneden haag Perk met oude boerenplanten Gras met / zonder bomen Zijkant Fruit- boomgaarden (bij voorkeur hoogstam) Vrij groeiende haag

Verbeelding

Inheemse Plantenkeuze

Eik, Linde, Es, Walnoot, Paardenkastanje en Tamme Kastanje Beuk, Haagbeuk, Veldesdoorn Aandacht voor oude boerentuinplanten (Stokroos, Zonnebloem, Monnikskap, Vrouwenmantel, Akelei, Aster, Klokjesbloem, Vergeet-mij-niet, Helmbloem, Ridderspoor, Anjer, Ooievaarsbek, Pioenroos, Klaproos, Vlambloem, Lis, Margriet, Hosta, Hortensia) Appel, Kers, Peer, Pruim, Kwee, Noten, Eiken

Bessenstruiken (Mispel, Aalbessen, Kruisbessen), Hazelnoot, Sleedoorn, Meidoorn, Vlier, Wilde Roos, inheemse Vogelkers

Achterkant Houtwallen Bospercelen

Eiken-, Berken-, Beukenbos met Zoete Kers én struiken zoals vrij groeiende haag (Knot)wilgen, Elzen, Eiken

27

KAMPENLANDSCHAP Richtlijnen Bebouwing: “Voor uw ruimtelijke rechten en plichten verwijzen wij u naar het betreffende bestemmingsplan. Hieronder vindt u het toetsingskader van ruimtelijke kwaliteit voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in dit landschapstype.” Algemeen  Bebouwing staat op enige afstand van de weg.  Pas geen rooilijn toe maar laat de bebouwing enigszins verspringen ten opzichte van de buren.  Haakse en evenwijdige opstelling van bebouwing (woning) naar de straat is mogelijk, het liefst alternerend (dan weer haaks, dan weer evenwijdig).  Nieuwe bebouwing mag in volume niet groter zijn dan de bestaande beeldbepalende bebouwing.  Boerderijachtige opzet van het erf heeft de voorkeur met een duidelijk onderscheid tussen hoofd en bijgebouwen en een goede onderlinge samenhang. (Agrarische) bedrijfsbebouwing  Indien nieuwe bebouwing mogelijk is en een oude boerderij aanwezig, plaats de nieuwe bebouwing duidelijk hierachter, zodat deze qua plaatsing en sfeer aan de oude boerderij ondergeschikt is.  Stallen staan haaks op de weg (afwijkingen zijn in bijzondere gevallen mogelijk).  Bouwvorm is langwerpig en eenvoudig. Voorzieningen  Integreer luchtwassers en andere voorzieningen zoveel mogelijk in de bebouwing.  Ook Silo’s (sleuf- , toren- en voedersilo’s) beter in de bebouwing integreren of mogelijk tussen de bebouwing plaatsen.

 Mestsilo’s / vergistinginstallaties dienen enigszins aan het zicht onttrokken te worden.  Weegbruggen en bijhorende kleine weeghuisjes zijn mee ontworpen in de kavelinrichting en in omvang duidelijk ondergeschikt aan woning.  Voerplaten aan de achter- of zijkant van het bedrijf worden door beplanting begeleid.  Overige installaties en bijgebouwen zijn mee ontworpen in de kavelinrichting en in omvang duidelijk ondergeschikt en naar mogelijkheid geïntegreerd in hoofdgebouwen. Eenvoud en ordening van minder losse bebouwing en installatie-elementen geven het erf een rustigere uitstraling.

Detaillering  Pas een ingetogen en eenvoudige architectuur toe. Bijzonder ontworpen bebouwing mag, mits het passend is binnen het landschap (hiervoor is bijzonder overleg met de gemeente noodzakelijk).  Zadeldak in de lengte van de bebouwing.  De hellingshoek van het dak dient tussen de 20 en 45 graden te liggen. Kleurgebruik / Materialen  Daken donker grijs en gevels in gedekte natuurlijke kleuren of aardetinten. De kleurstelling van de bebouwing is belangrijker dan het materiaal en moet op elkaar afgestemd zijn (gebruik weinig verschillende kleuren).  Steen, hout en damwandprofielen, et cetera, in gedekte, natuurlijke kleuren en tinten.  Toepassing van zonne-energie opwekkende technologieën / warmtecollectoren behoren tot de mogelijkheden.

28

Voorbeeld landschappelijke inpassing

Bestaande situatie

Situatie na uitbreiding en landschappelijke inpassing

29

OUDERE HEIDEONTGINNINGEN 3.5 Ontwerprichtlijnen Oudere Heideontginningen Gebiedskenmerken: De Oudere Heideontginningen kunnen als een overgangslandschap tussen oude en jonge ontginningen gezien worden. Deze gebieden zijn rond de eeuwwisseling 19e - 20e eeuw ontgonnen in de vooruitstrevende pioniersgeest van die tijd. De landschappelijke lijnen zijn minder organisch dan die van het kampenlandschap en ook de schaal is iets groter. Maar dit landschap heeft een duidelijk minder grootschalig en weids karakter met rechte ontginningslijnen als de Jonge Heideontginningen. Rijke groenstructuren van houtwallen, lanen en bospercelen kenmerken de Oude Heideontginningen. Functioneel:  





30

De Oudere Heidegebieden zijn de meest multifunctionele gebieden; Land- en tuinbouw, veehouderij, agrarisch gerelateerde bedrijven, maar ook verbrede landbouw, zorgfuncties, recreatie en natuurontwikkeling passen functioneel in dit landschap; Functiewijzigingen van bestaande agrarische bedrijven of verbreding naar kleinschalige bedrijvigheid (ambachtelijk, bedrijf aan huis of met kleinschalige zorgfunctie, agrarisch gerelateerd) zijn passend; Ruimte voor ruimtewoningen moeten binnen de aangewezen linten en clusters worden gebouwd.

31

OUDERE HEIDEONTGINNINGEN Richtlijnen structuur van het landschap: 



 



Behoud en herstel van de landschappelijke schaal (aanleg van bospercelen voor een sterke ruimtelijke structuur. Behoud en versterking lanenstructuur (inrichting van alle het gebied structurerende wegen met bomen aan beide zijden). Behoud en herstel van onregelmatige landschappelijke lijnen. Bevorderen en versterken van natuurwaarden met name in de overgang naar de bosgebieden (inrichten van mantel- en zoomvegetaties). Aandacht voor waterlopen en kwelgebieden in het gebied met eventuele hermeandering passend binnen de landschappelijke structuur.

Richtlijnen inrichting van het landschap:  





Versterk de landschappelijke schaal door het plaatsen van bosstroken bij erf- en perceelsgrenzen. Pas de zij- en achterkanten van de bedrijven goed met bosjes, boomgaarden, houtwallen of vrij groeiende hagen landschappelijk in. Behoud de bestaande lanenstructuur (stimuleer het planten van laanbomen, versterk de laanbeplanting waar mogelijk), behalve als dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Inrichting van kleinschalige biotopen (hagen met inheemse bessenstruiken en (wilde) fruitbomen voor bijen en vogels, natuurvriendelijke oevers langs sloten, bloem- en kruidenrijke perceelsranden door extensief beheer).

Richtlijnen inrichting en inpassing kavel: “Voor uw ruimtelijke rechten en plichten verwijzen wij u naar het betreffende bestemmingsplan. Hieronder vindt u het toetsingskader van ruimtelijke kwaliteit voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in dit landschapstype.” Kavelinrichting / oriëntatie:  Het bouwvlak moet in de bestaande kavelstructuur passen.  Bouwblokken zijn afhankelijk van de bestaande kavelstructuur en zijn bij voorkeur dieper dan breed (breedte - lengte - verhouding van 1: 1,5).  Erven hebben naar voorkeur 1 inrit (stimuleer het planten van laanbomen), behalve als dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering.  Zorg voor een tuinachtige sfeer aan de voorkant van het erf (tuin en woning).  Minder bestraat oppervlak door optimale logistieke indeling van het bedrijf zorgt voor een groene en natuurlijke uitstraling van het bedrijf.  Bedrijfsbebouwing is naar voorkeur in de lengte georiënteerd (haaks op de weg). Beplanting: Voortuin met lagere gesneden haag (niet hoger dan 1,20 m) heeft bij voorkeur een landelijke uitstraling (geen coniferen, laurierkersen en/of andere exotische planten).  Gedeelte van de tuin als fruitgaarden of eikengaarden (bomen in onregelmatige afstand op gras).  Gesneden haag van de voortuin gaat in de achtertuin over naar een brede houtwal of vrij groeiende hogere haag.

 Dichte houtwal of bosperceel aan de achterkant van het bouwblok in combinatie met zaksloten / greppeltjes voor regenwateropvang. 

32

Landschapselement

Verbeelding

Plantenkeuze

Eiken, Es, Beuk, Haagbeuk, Esdoorn, Walnoot,

Bospercelen / Hakhout / Houtwallen

Wilg, Els, Eik, Berk

Lanenstructuur Spontaan flora (alleen inrichten biotoop en extensief beheer, vegetatie ontwikkelt zich vanzelf)

Mantel- en zoomvegetaties van bossen

Bij beplanting uitsluitend inheemse loofbomen en -struiken gebruiken!

Bloem- en kruidenrijke perceelsranden of bermen Groenelement

Verbeelding

Inheemse Plantenkeuze

Voortuin met landelijk karakter

Eik, Es, Walnoot, Paardenkastanje en Tamme Kastanje Beuk, Haagbeuk, Veldesdoorn

(Gesneden) haag

Veldesdoorn, Liguster, Beuk, Haagbeuk

Gras met boomgaarden

Stokroos, Zonnebloem, Monnikskap, Vrouwenmantel, Akelei, Aster, Klokjesbloem, Vergeet-mij-niet, Helmbloem, Ridderspoor, Anjer, Ooievaarsbek, Pioenroos, Klaproos, Vlambloem, Lis, Margriet, Hosta, Hortensia

Boerentuin

Zijkant Boomgaarden

Houtwallen

Eiken, Es, Beuk, Haagbeuk, Esdoorn, Walnoot,

Hagen Wilg, Els, Eik, Berk Achterkant Houtwallen Bosstrook

Struiken: Rode Kornoelje, Gele Kornoelje, Sleedoorn, Meidoorn, Gewone Vlier, Trosvlier, Wilde Roos, Krentenboompje, Lijsterbes, Meelbes, Braam (bessenrijke dichtvertakte struiken voor struweelvogels)

33

OUDERE HEIDEONTGINNINGEN Bebouwing: “Voor uw ruimtelijke rechten en plichten verwijzen wij u naar het betreffende bestemmingsplan. Hieronder vindt u het toetsingskader van ruimtelijke kwaliteit voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in dit landschapstype.” Algemeen  Bebouwing staat op enige afstand van de weg.  Haakse en evenwijdige opstelling van de woning zijn mogelijk.  Ordening en onderlinge samenhang van bebouwing in de richting van de kavel. (Agrarische) bedrijfsbebouwing  Indien nieuwe bebouwing mogelijk is, plaats de nieuwe bebouwing achter de woning of beeldbepalende bebouwing.  Stallen staan haaks op de weg (afwijkingen zijn in bijzondere gevallen mogelijk).  Bouwvorm is langwerpig en eenvoudig. Voorzieningen  Integreer luchtwassers en andere voorzieningen zoveel mogelijk in de bebouwing.  Ook Silo’s (sleuf- , toren- en voedersilo’s) beter in de bebouwing integreren of mogelijk tussen de bebouwing plaatsen.  Mestsilo’s / vergistinginstallaties dienen enigszins aan het zicht onttrokken te worden.  Weegbruggen en bijhorende kleine weeghuisjes zijn mee ontworpen in de kavelinrichting en in omvang duidelijk ondergeschikt aan woning.  Voerplaten aan de achter- of zijkant van het bedrijf worden door beplanting begeleid.

 Overige installaties en bijgebouwen zijn mee ontworpen in de kavelinrichting en in omvang duidelijk ondergeschikt en naar mogelijkheid geïntegreerd in hoofdgebouwen. Eenvoud en ordening van minder losse bebouwing en installatie-elementen geven het erf een rustigere uitstraling. Detaillering  Pas een ingetogen en eenvoudige architectuur toe. Bijzonder ontworpen bebouwing mag, mits het passend is binnen het landschap (hiervoor is bijzonder overleg met de gemeente noodzakelijk).  Zadeldak in de lengte van de bebouwing.  De hellingshoek van het dak dient tussen de 20 en 45 graden te liggen. Kleurgebruik / Materialen  Daken donkergrijs en gevels in gedekte natuurlijke kleuren of aardetinten. De kleurstelling van de bebouwing is belangrijker dan het materiaal en moet op elkaar afgestemd zijn (gebruik weinig verschillende kleuren).  Steen, hout en damwandprofielen, etc. in gedekte, natuurlijke kleuren en tinten.  Toepassing van zonne-energie opwekkende technologieën / warmtecollectoren behoren tot de mogelijkheden.

34

Voorbeeld landschappelijke inpassing

Bestaande situatie

Situatie na uitbreiding en landschappelijke inpassing

35

JONGE HEIDEONTGINNINGEN 3.6 Ontwerprichtlijnen Jonge Heideontginningen Gebiedskenmerken: De kenmerken van de Jongere Heideontginningen zijn de regelmatige en rechtlijnige patronen binnen relatief grootschalige gebieden met verre zichten. De overgang naar de bosgebieden is in dit landschap door een vrij rechtlijnige bosgrens. Er zijn enkele zeer waardevolle open gebieden waar ook geen/ weinig bebouwing aanwezig is. Structurerend in het landschap zijn de aanwezige bomenlanen van (Amerikaanse) Eiken. Deze zouden nog versterkt kunnen worden. In het gebied zijn veel en grootschalige agrarische bedrijven aanwezig. Door de hier aanwezige open gebieden zijn de bedrijven op grotere afstand zichtbaar. Functioneel:  

36

Uitgesproken landbouwgebied met agrarische en agrarisch verwante bedrijven. Functieverandering of (Ruimte voor Ruimte) woningen alleen binnen aangegeven linten.

37

JONGE HEIDEONTGINNINGEN Richtlijnen structuur van het landschap:   





Behoud waardevolle open gebieden en zorg voor fraaie zichtlijnen. Behoud en versterking lanenstructuur (inrichting van de wegen met bomen aan beide zijden). Landschappelijke inrichting van de dorpsranden als buffer naar de verschillende intensief gebruikte agrarische gebieden (kassencomplex, LOG). Inrichting van ecologische verbindingzones en biotopen (oostelijke oever van de Zuid-Willemsvaart, droge EVZ met stapstenen van Diepenhoek naar Hugterheide). Aandacht voor waterlopen en kwelgebieden in het gebied.

Richtlijnen inrichting van het landschap: 







Verbeter het zicht naar de open gebieden door landschappelijke inrichting van de achterkanten van de bedrijven (Dat verfraait de randen van de open gebieden en zorgt voor aantrekkelijke zichtlijnen). Behoud de bestaande lanenstructuur (stimuleer het planten van laanbomen, versterk de laanbeplanting waar mogelijk), behalve als dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Begeleid (tenminste delen van) de lange zijkanten van het bedrijf met boomsingels, houtwallen of stevige (niet gesneden) hagen. Het geeft een groene structuur en uitstraling aan het hele gebied. Kleinschalige biotopen kunnen op verschillende plekken ingericht worden (solitaire bomen, poeltjes, natuurvriendelijke oevers langs sloten, natuurvriendelijke inrichting van regenwater retentievijvers, bloemen kruidenrijke perceelsranden door extensief beheer).

Richtlijnen inrichting en inpassing kavel: “Voor uw ruimtelijke rechten en plichten verwijzen wij u naar het betreffende bestemmingsplan. Hieronder vindt u het toetsingskader van ruimtelijke kwaliteit voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in dit landschapstype.” Kavelinrichting / oriëntatie:  Het bouwvlak moet in de bestaande kavelstructuur passen.  Bouwblokken zijn afhankelijk van de bestaande kavelstructuur en zijn bij voorkeur dieper dan breed (breedte - lengte - verhouding van 1: 1,5).  Erven hebben bij voorkeur één inrit (bij intensieve veehouderijen binnen het LOG zijn twee inritten beter voor een scheiding van woning en bedrijf), behalve als dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering.  Zorg voor een tuinachtige sfeer aan de voorkant van het erf (tuin en woning).  Minder bestraat oppervlak door optimale logistieke indeling van het bedrijf zorgt voor een groene en natuurlijke uitstraling van het bedrijf.  Bedrijfsbebouwing is naar voorkeur in de lengte georiënteerd (haaks op de weg). Beplanting: Voortuin met lagere gesneden haag (niet hoger dan 1,20 m) heeft naar voorkeur een landelijke uitstraling (geen coniferen, laurierkersen en/of andere exotische planten).  Een dichte houtwal of bosstrook aan de achterkant van het bouwblok zorgt voor fraaie groene randen van de open gebieden.

 Boomsingels, houtwallen of stevige (niet gesneden) hagen aan de zijkant van het erf in combinatie met zaksloten / greppeltjes voor regenwateropvang geven het gebied ook vanaf de weg een groen en gestructureerd beeld. 

38

Landschapselement

Plantenkeuze

Verbeelding

Lanen

Eiken

Stapstenen voor vlinder

Wilg, Els, Eik

Poeltjes of natuurvriendelijke inrichting van oevers Spontaan flora (alleen inrichten biotoop en extensief beheer, vegetatie ontwikkelt zich vanzelf)

Bomen, houtwallen en hagen met mantel- en zoomvegetaties Bloem- en kruidenrijke perceelsranden of bermen Groenelement

Bij beplanting uitsluitend inheemse loofbomen en -struiken gebruiken!

Verbeelding

Inheemse Plantenkeuze

Voortuin met landelijk karakter (Gesneden) haag Gras met boomgaarden Boerentuin

Esdoorn, Meidoorn, Sleedoorn Stokroos, Zonnebloem, Monnikskap, Vrouwenmantel, Akelei, Aster, Klokjesbloem, Vergeet-mij-niet, Helmbloem, Ridderspoor, Anjer, Ooievaarsbek, Pioenroos, Klaproos, Vlambloem, Lis, Margriet, Hosta, Hortensia

Zijkant Boomsingels

Houtwallen

Hagen

Elzen, Berken, Eiken Struiken: Rode Kornoelje, Gele Kornoelje, Sleedoorn, Meidoorn, Gewone Vlier, Trosvlier, Wilde Roos, Krentenboompje, Lijsterbes, Meelbes (bessenrijke dichtvertakte struiken voor struweelvogels)

Achterkant

Elzen, Eiken, Berken

Houtwallen

Struiken: Rode Kornoelje, Gele Kornoelje, Sleedoorn, Meidoorn, Gewone Vlier, Trosvlier, Wilde Roos, Krentenboompje, Lijsterbes, Meelbes, Braam (bessenrijke dichtvertakte struiken voor struweelvogels)

Bosstrook

Hakhout / Productiebosje

Eiken, Boom-Hazelaar, Valse Acacia, Populieren etc, geen coniferen

39

JONGE HEIDEONTGINNINGEN Bebouwing: “Voor uw ruimtelijke rechten en plichten verwijzen wij u naar het betreffende bestemmingsplan. Hieronder vindt u het toetsingskader van ruimtelijke kwaliteit voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in dit landschapstype.” Algemeen  Bebouwing staat op enige afstand van de weg.  Haakse en evenwijdige opstelling van de woning zijn mogelijk.  Ordening en onderlinge samenhang van bebouwing in de richting van de kavel. (Agrarische) bedrijfsbebouwing  Indien nieuwe bebouwing mogelijk is, plaats de nieuwe bebouwing achter de woning of beeldbepalende bebouwing.  Stallen staan haaks op de weg (afwijkingen zijn in bijzondere gevallen mogelijk).  Bouwvorm is langwerpig en eenvoudig. Voorzieningen  Integreer luchtwassers en andere voorzieningen zoveel mogelijk in de bebouwing.  Ook Silo’s (sleuf- , toren- en voedersilo’s) beter in de bebouwing integreren of mogelijk tussen de bebouwing plaatsen.  Mestsilo’s / vergistinginstallaties dienen enigszins aan het zicht onttrokken te worden.  Weegbruggen en bijhorende kleine weeghuisjes zijn mee ontworpen in de kavelinrichting en in omvang duidelijk ondergeschikt aan woning.  Voerplaten aan de achter- of zijkant van het bedrijf zijn van beplanting begeleid.

 Overige installaties en bijgebouwen zijn mee ontworpen in de kavelinrichting en in omvang duidelijk ondergeschikt en naar mogelijkheid geïntegreerd in hoofdgebouwen. Eenvoud en ordening van minder losse bebouwing en installatie-elementen geven het erf een rustigere uitstraling. Detaillering  Pas een ingetogen en eenvoudige architectuur toe. Bijzonder ontworpen bebouwing mag, mits het passend is binnen het landschap (hiervoor is bijzonder overleg met de gemeente noodzakelijk).  Zadeldak in de lengte van de bebouwing.  De hellingshoek van het dak dient tussen de 20 en 45 graden te liggen. Kleurgebruik / Materialen  Daken donkergrijs en gevels in gedekte natuurlijke kleuren of aardetinten. De kleurstelling van de bebouwing is belangrijker dan het materiaal en moet op elkaar afgestemd zijn (gebruik weinig verschillende kleuren).  Steen, hout en damwandprofielen, et cetera in gedekte, natuurlijke kleuren en tinten.  Toepassing van zonne-energie opwekkende technologieën / warmtecollectoren behoren tot de mogelijkheden.

40

Voorbeelden landschappelijke inpassing

Typologie agrarische bedrijven in de jonge ontginningen van Someren

Kleinschalige uitbreiding binnen 1,5 ha bouwblok met groene inpassing binnen het bouwblok en groene begeleiding daarbuiten

Grootschalige uitbreiding binnen 1,5 ha bouwblok met groene inpassing binnen het bouwblok en groene begeleiding daarbuiten

Grootschalige uitbreiding in het LOG met 2,5 ha bouwblok en groene inpassing binnen het bouwblok en begeleiding daarbuiten

41

LINTEN, KNOPEN EN CLUSTERS 3.7 Algemene Ontwerprichtlijnen voor Linten, Knopen en Clusters “Voor uw ruimtelijke rechten en plichten verwijzen wij u naar het betreffende bestemmingsplan. Hieronder vindt u het toetsingskader van ruimtelijke kwaliteit voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in dit landschapstype.”

Algemeen Lint Uitgangspunt voor de bebouwing zijn de bestaande typologieën die kunnen worden toegepast binnen het lint met inpassingmogelijkheden zoals aangegeven in het streefbeeld:  De individuele kavels zijn op de weg georiënteerd.  De gezamenlijke erven hebben het karakter en opzet van een boerenerf.  De bebouwing in het algemeen is gebaseerd op het langhuis. Langhuizen bestaan in vele maten en soorten, waaronder de kort- en langgevel boerderij. Kenmerk is een groot en lang zadeldak (gedragen door een houtconstructie), het gebint en relatief lage goothoogte.  Het omringende landschap vormt de basis voor de erfinrichting. De relatie tussen de tuinen (voor- en achter), het erf en het omringende landschap is duurzaam, open en transparant.  Duurzaam bouwen is een pré. Algemeen cluster 





 





42

De clusters dienen te worden ingericht als gemeenschappelijk erf en relatie tot de landschapstype waarin zij gesitueerd zijn. De vorm van de cluster is bepaald door de wegenstructuur, is toevallig en alles behalve rechthoekig. De ondergrond is halfverhard, in ieder geval sober en eenvoudig. De situering en plaatsing van de bebouwing alsmede de beplanting van het erf zorgen voor een vloeiende overgang naar het landschap. Erven met stedelijke sfeer (volledige bebouwing/verharding van het erf, hoge erfscheiding, exotische beplanting) zijn niet gewenst. De bebouwing is afgestemd op de reeds bestaande bouwwerken in massa en oriëntatie. De toe te passen erfbeplanting is afhankelijk van de landschapstype waarin de cluster gesitueerd is (zie hiervoor de desbetreffende ontwerprichtlijnen). Een gemeenschappelijke moestuin, een boomgaard en een dierenweide dragen bij aan het beeld van het boerenerf. Een gesloten gevelbeeld is niet toegestaan en de verschillende gebouwen zijn individueel herkenbaar: de panden zijn uniek en afwisselend in vormgeving maar hebben wel samenhangende kenmerken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11084077/1