CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

5a. Toelichting BP Kerkendijk ong Molenbrugweg ong

Commissie Ruimte 6 april 2022, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Kerkendijk ong. – Molenbrugweg ong13.701 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Kerkendijk ong. en Molenbrugweg ong.’ - Toelichting

(het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Met Aerius – Calculator 2019 is de consequentie van de woningbouw ontwikkeling op Natura 2000 gebieden in beeld gebracht. Realisatie van het plan leidt niet tot een toename van stikstof van meer dan 0,0 mol/ha/jaar. De Aerius-berekening is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

5.5.3

Soortenbescherming

Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient vooraf een beoordeling plaats te vinden. De planlocatie aan de Kerkendijk is in gebruik als grasland. Op de planlocatie zijn geen gebouwen en is geen opgaande beplanting of oppervlaktewater aanwezig. Gesteld kan worden dat de flora- en fauna waarde dermate laag is dat de ontwikkeling leidt niet tot aantasting van flora of fauna waarden. Voor de te verwachten algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van sloopwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Op de planlocatie aan de Molenbrugweg wordt een ecologische verbindingszone gecompleteerd tussen het Weerterbos en de Boksenberg. De huidige landbouwgrond kent een lage natuurwaarde. De realisatie van de ecologische verbindingszone heeft een positief effect op de flora en fauna in de directe omgeving.

5.6

Geluid

5.6.1

Inleiding

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh geldt niet voor

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Kerkendijk ong. en Molenbrugweg ong.’ - Toelichting

30-km wegen en voor woonerven. De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een geluidszone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen.

5.6.2

Onderzoek wegverkeerslawaai

Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling wordt een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd.

5.7

Agrarische bedrijvigheid

5.7.1

Inleiding

Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van de locatie dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: -

Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).

-

Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de wet). De toevoeging van de woning mag niet leiden tot aantasting van de uitbreidingsmogelijkheden van agrarische bedrijven. Daarnaast dient er sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woning. In deze paragraaf worden deze vereisten getoetst met betrekking tot de beoogde ontwikkeling aan de Kerkendijk

5.7.2

Geurverordening Someren

De Wgv biedt middels artikel 6 de mogelijkheid aan gemeenten om bij verordening, binnen gestelde marges, afwijkende normen vast te stellen. Door de gemeenteraad van Someren is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2010’ vastgesteld. De ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2010’ stelt een norm van 14 oue/m³ voor de maximale voorgrondbelasting voor het plangebied. Deze geurnormen gelden bij vergunningaanvraag van veehouderijen.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Kerkendijk ong. en Molenbrugweg ong.’ - Toelichting

5.7.3

Voorgrondbelasting

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld. Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aspect milieu van een veehouderij wordt getoetst aan in de wet vastgelegde standaardwaarden voor maximale voorgrondbelasting of aan de wettelijk vastgelegde standaardwaarden voor vaste afstanden dan wel aan de waarden welke vastgelegd zijn in een gemeentelijke verordening.

5.7.4 De

Achtergrondbelasting

geurbelasting

van

meerdere

intensieve

veehouderijen

in

de

omgeving

vormt

de

achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt het leefklimaat op een locatie. Navolgende tabel geeft de kans op geurhinder en een beoordeling van het leefklimaat weer voor de achtergrondbelasting in concentratiegebieden, opgesteld door het RIVM.

Tabel 1: beoordeling leefklimaat in concentratiegebieden (Bron: RIVM)

5.7.5

Veehouderijbedrijven in de omgeving

Het meest dichtbij gelegen veehouderijbedrijf is gesitueerd aan Kerkendijk 152, op een afstand van circa 350 meter. De overige bedrijven liggen op een afstand van meer dan 500 meter. In de omgeving van de planlocatie is één intensieve veehouderij gelegen. Dit betreft de veehouderij gelegen aan Brandvenstraat 4 en bevindt zich op een afstand van meer dan 550 meter.

5.7.6

Bepaling voorgrondbelasting

Met het programma V-Stacks vergunning is de emissie van de veehouderij op de planlocatie berekend. Uit de berekening blijkt dat de voorgrondbelasting met deze berekening een omvang van 2,9 oue/m³ heeft. Deze berekening is hierna opgenomen.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Kerkendijk ong. en Molenbrugweg ong.’ - Toelichting

Berekende ruwheid: 0,25 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volg

BronID

X-coord.

Y-coord.

nr. 1

Brandvenstraat 4

175 899

372 676

EP

Gem.geb.

EP

EP

Uittr. E-

Hoogte

hoogte

Diam.

snelh.

Aanvraag

6,0

6,0

0,50

4,00

59 702

Geur gevoelige locaties: Volgnummer

GGLID

Xcoordinaat

Ycoordinaat

Geurnorm

Geurbelasting

2

NW

176 408

373 052

14,0

2,9

3

NO

176 458

373 048

14,0

2,6

4

ZO

176 456

373 018

14,0

2,7

5

ZW

176 406

373 023

14,0

2,9

Tabel 2: V-Stacks vergunning berekening voorgrondbelasting Brandvenstraat 4

De voorgrondbelasting bedraagt maximaal 2,9 oue/m³. Gesteld kan worden dat de voorgrondbelasting geen bezwaar vorm voor onderhavige ontwikkeling.

5.7.7

Achtergrondbelasting

De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de kaart van de Omgevingsdienst Noord-Brabant met daarop de achtergrondbelasting inzichtelijk gemaakt in de omgeving van het plangebied. De indicatieve achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt 7 tot 13 oue/m³. Hiermee is er sprake van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat in het kader van de achtergrondbelasting. Navolgende figuur geeft een kaart van de achtergrondbelasting waarop het plangebied is aangeduid.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Kerkendijk ong. en Molenbrugweg ong.’ - Toelichting

Planlocatie Figuur 22: Achtergrondbelasting ter plaatse van de planlocatie aan de Kerkendijk

5.7.8 Ontwikkelingsmogelijkheden veehouderijen door beoogde herontwikkeling Als gevolg van de beoogde herontwikkeling, mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en, indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (zoals een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen. De beoogde woning is gesitueerd tussen reeds aanwezige woonbestemmingen. Tussen veehouderijbedrijven in de omgeving en het plangebied zijn hiermee overal reeds woonbestemmingen aanwezig. Hiermee wordt de beoogde woning nooit de eerst belemmerende woning voor een veehouderijlocatie.

5.8

Gezondheid

5.8.1

Endotoxinen

De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt

gebruik

van

de

daaruit

voortkomende

onderzoeksresultaten.

De

voorlopige

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Kerkendijk ong. en Molenbrugweg ong.’ - Toelichting

onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. De gemeente Someren heeft een eigen beleidskaart opgesteld ten aanzien van aanwezige endotoxine contouren. Hoewel deze kaart dateert uit 2018 is de kaart nog steeds

relevant. Bij omliggende

veehouderijbedrijven zijn de endotoxinecontouren niet toegenomen in omvang. Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze endotoxinenkaart waarop het plangebied is aangeduid. De planlocatie ligt niet binnen de contouren van omliggende intensieve veehouderij bedrijven.

Planlocatie Figuur 23: Endotoxinen contouren in de omgeving van het plangebied

5.8.2

Geitenhouderijen

Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, hebben meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot 2 kilometer blijft het risico vergroot. De planlocatie aan de Kerkendijk is gelegen binnen twee kilometer van de geitenhouderij gelegen aan Nieuwendijk 114. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan de Informatieve notitie betreffende de gevolgen van het Geitenmoratorium van de gemeente Someren.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Kerkendijk ong. en Molenbrugweg ong.’ - Toelichting

Door de gemeente Someren is een aanpak opgesteld hoe om te gaan met het geitenmoratorium voor wat betreft ruimtelijke ontwikkelingen. Het volgende is hiervoor opgenomen: 

Geen woningbouwontwikkeling toe te staan dichterbij de geitenhouderij dan in de huidige situatie al het geval is;

Voor de ontwikkeling van gevoelige groepen/objecten ,te weten kinderen, kwetsbare mensen en ouderen maatwerk toe te passen door het in kaart brengen van de gezondheidslast (risico op longontsteking). Op basis hiervan kan beoordeeld worden of de gezondheidslast door deze ontwikkeling significant toeneemt. Bij een toename is het voorstel om in overleg met de GGD te komen tot een juist advies over de ontwikkeling. Bij een gelijkblijvende of afnemende gezondheidslast is het advies om wel medewerking te verlenen aan de ontwikkeling. Dit scenario kan zich zeker voordoen (als voorbeeld: bij een kinder- of gastouderopvang aangezien de meeste kinderen ook wonen binnen een straal van 2 km van de opvanglocatie). Het "tegenhouden" van een gastouder is lastig, aangezien deze vaak rechtstreeks binnen het bestemmingsplan passen als "aan huis gebonden beroep;

Bij ontwikkelingen voor "grote" woningbouwlocaties ook de gezondheidslast in kaart te brengen, zodat bepaald kan worden of als gevolg van deze ontwikkeling het percentage longontstekingen toeneemt. Het betreffen in dit kader wel grootschalige ontwikkelingen waar de procedure voor het bestemmingsplan nog doorlopen moeten worden. Woningbouwontwikkeling die met een vergunning rechtstreeks passend zijn in het bestemmingsplan, zijn op basis van de huidige onderzoeken niet tegen te houden.

De beoogde ontwikkeling ziet toe op het toevoegen van een woning binnen een cluster van woningen. Diverse andere woningen zijn dichterbij de geitenhouderij aan Nieuwendijk 114 gelegen. De ontwikkeling voldoet aan de door de gemeente Someren opgestelde aanpak.

5.9

Bedrijven en milieuzonering

5.9.1

Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Kerkendijk ong. en Molenbrugweg ong.’ - Toelichting

De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De planlocatie kan door de ligging aan een bebouwingslint (in het buitengebied), met in de omgeving zowel bedrijfs-, agrarische- als niet-agrarische locaties, worden gezien als gelegen binnen het ‘gemengd gebied’.

5.9.2

Bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied

In de omgeving van de planlocatie zijn drie niet-agrarische functies gesitueerd. Het betreft een sportpark met lichtarmaturen waar veldsport wordt beoefend, een scouting en een autogarage met werkplaats. Het sportpark is op een afstand van circa 15 meter ten zuidwesten van de planlocatie gelegen. De woning wordt opgericht op een afstand van circa 40 meter. Voor een veldsportpark geldt in het kader van de factor geluid een minimale afstand van 50 meter tot een gevoelige locatie. Deze afstand kan in het gemengd gebied worden teruggebracht naar 30 meter. Met een afstand van circa 40 meter wordt voldaan aan de veiligheidsafstand in het kader van Bedrijven en Milieuzonering. Op een afstand van circa 135 meter ten zuiden van de planlocatie is een scoutingterrein gelegen. In de lijst ‘Bedrijven en milieuzonering’ wordt voor scouting geen directe norm bepaald. Gezien de aard en activiteiten valt deze het best te scharen onder ‘club en buurthuizen’ met SBI-code 94991 en valt derhalve in milieucategorie 2. Voor dergelijke activiteiten geldt een normafstand van 30 meter, welke in ‘gemengd gebied’ kan worden teruggebracht naar 10 meter. Derhalve kan gesteld worden dat wordt voldaan aan de richtafstand in het kader van ‘Bedrijven en Milieuzonering’.

Op een afstand van circa 135 meter ten noorden van de planlocatie is een autobedrijf met een benzineservicestation gesitueerd, een dergelijk bedrijf valt in milieucategorie 3.1. Voor dergelijke activiteiten geldt een normafstand van 50 meter, welke in ‘gemengd gebied’ kan worden teruggebracht naar 30 meter. Derhalve kan gesteld worden dat wordt voldaan aan de richtafstand in het kader van ‘Bedrijven en Milieuzonering’. In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen andere niet-agrarische bedrijven gevestigd en derhalve is er in het kader van ‘Bedrijven en milieuzonering’ geen bezwaar ten aanzien van de beoogde herontwikkeling. De veehouderijbedrijven zijn reeds toegelicht in paragraaf 5.7.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Kerkendijk ong. en Molenbrugweg ong.’ - Toelichting

5.10

Externe veiligheid

5.10.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende subparagrafen nader toegelicht.

5.10.2 Bedrijven Vastgesteld dient te worden of het plangebied is gelegen binnen de veiligheidscontour van inrichtingen. De inrichtingen zijn weergegeven op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant. Het risico

wordt

uitgedrukt

in

een

plaatsgebonden

risico

en

een

groepsrisico.

Het

basisbeschermingsniveau is een basisnorm dat de kans uitdrukt dat een omwonende overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de risicokaart weer waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

Planlocatie Figuur 24: Uitsnede kaart externe veiligheid waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

In de omgeving van het plangebied zijn geen risico-objecten gesitueerd. Het Bevi legt een verantwoordingsplicht op voor het groepsrisico (GR). Het groepsrisico geeft de kans aan dat een groep personen door een ongeval bij een risicobedrijf overlijdt. Een gemeente of provincie moet een verantwoording van het groepsrisico afleggen bij veranderingen van het groepsrisico. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. De toevoeging van de woning binnen het plangebied heeft geen substantiële invloed op het groepsrisico ter plaatse.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Kerkendijk ong. en Molenbrugweg ong.’ - Toelichting

5.10.3 Transport: vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water In de gemeente Someren, in de wijde omgeving van de planlocatie kunnen gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de Rijksweg A67, de Kanaaldijk Noord/Zuid en de Provinciale weg. De kortste afstand van het perceel tot één van deze wegen, de Kanaaldijk Noord/Zuid bedraagt circa 3,3 kilometer. De planlocatie ligt op zodanige afstand van deze routes dat de locatie buiten de invloedssfeer van deze wegen gelegen is. Op het grondgebied van de gemeente Someren bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Op een afstand van circa 3,3 kilometer is het kanaal de ZuidWillemsvaart gelegen. Eventuele risico’s als gevolg van incidenteel transport van gevaarlijke stoffen over deze waterweg zijn zo gering dat de risico’s aan de oever verwaarloosbaar zijn.

5.10.4 Transport: hoogspanningslijnen en buisleidingen In de directe nabijheid van de planlocatie aan de Kerkendijk zijn geen hoogspanningsleidingen of buisleidingen gesitueerd, noch gepland. Op een afstand van circa 700 meter ten oosten van de planlocatie zijn twee buisleidingen gelegen. Dit betreffen twee leidingen van Gasunie Transport Services B.V.: transportroute 66734 (A-521 en A-585). Deze afstand is dusdanig groot dat de ligging van deze buisleiding ten opzichte van de planlocatie geen consequenties heeft voor de beoogde herontwikkeling.

5.11

Luchtkwaliteit

5.11.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer.

5.11.2 Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de

luchtkwaliteit

via

het

Nationaal

Samenwerkingsprogramma.

Binnen

het

Nationaal

Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Aangezien de beoogde herbestemming de toevoeging van één woning mogelijk maakt, valt dit plan onder het begrip ‘niet in betekenende mate’ valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht in het kader van de Wet luchtkwaliteit.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Kerkendijk ong. en Molenbrugweg ong.’ - Toelichting

5.11.3 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM 10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.

Plangebied Figuur 25: Fijnstof 2017 PM10 (bron: Atlas leefomgeving) ter plaatse van de omgeving van de planlocatie

Plangebied Figuur 26: Fijnstof 2017 PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving) ter plaatse van de omgeving van het plangebied

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Kerkendijk ong. en Molenbrugweg ong.’ - Toelichting

Ter plaatse van de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 19-20 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 µg/m³. De grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM10 van 50 µg/m³ is sinds 2011 op geen enkele meetlocatie meer overschreden. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is.

5.12

M.e.r-beoordeling

5.12.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In dit besluit is de nieuwe procedure voor vormvrije-mer beoordelingen opgenomen.

In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.

5.12.2 Toets initiatief De beoogde ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van één woning binnen het plangebied. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (ABRS 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1) overwogen “dat het antwoord op de vraag of sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.” Daarbij heeft de Afdeling afgewogen dat “hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en de omvang, niet [kan] worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door onder andere de realisatie van twee eengezinswoningen, maar dat betekent niet dat hetgeen

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Kerkendijk ong. en Molenbrugweg ong.’ - Toelichting

waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.” De Afdeling heeft uiteindelijk geoordeeld “dat nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling behoefde te worden uitgevoerd.” Bovenstaande leidt ertoe dat de beoogde ontwikkeling niet valt aan te merken als ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m²’. Omdat de beoogde ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is, als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Kerkendijk ong. en Molenbrugweg ong.’ - Toelichting

6.

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

6.1 Inleiding Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

6.2

Algemene toelichting verbeelding

Op de verbeelding, die bestaat uit twee kaartbladen, is de bestemming van de gronden in het plangebied aangegeven. Binnen deze bestemming zijn daarbij nadere aanduidingen weergegeven. De juridische betekenis van deze aanduidingen is terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens heeft juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (bijvoorbeeld kadastrale en topografische gegevens en huisnummers).

6.3

Algemene toelichting regels

De opbouw van de regels is overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012. De opbouw is als volgt:

-

-

Hoofdstuk 1 Inleidende regels; -

Begrippen

-

Wijze van meten

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

- Bestemmingen - Dubbelbestemmingen -

Hoofdstuk 3 Algemene regels

-

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

- Overgangsrecht - Slotregel

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Kerkendijk ong. en Molenbrugweg ong.’ - Toelichting

6.4

Toelichting bestemmingen

6.4.1

Natuur

De voor ‘Natuur’ aangewezen gronden zijn bestemd voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurgebieden en leefgebied van daar voorkomende soorten, de aanleg en instandhouding van een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding – ‘overige zone - ecologische verbindingszone’ en bestaande wegen en paden ten behoeve van extensief recreatief medegebruik en/of onderhoud.

6.4.2

Wonen

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woondoeleinden, een aan-huis-verbonden beroep als ondergeschikte functie bij deze woondoeleinden, parkeren, tuin en erf bij deze woning en voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ter plaatse wordt één woning toegestaan van 900 m³.

6.4.3

Waterstaat - Waterbergingsgebied

De voor 'Waterstaat- waterbergingsgebied’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daaraan toegekende bestemmingen, mede bestemd als reserveringsgebied voor de tijdelijke opvang van water.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Kerkendijk ong. en Molenbrugweg ong.’ - Toelichting

7.

UITVOERBAARHEID

7.1

Economische uitvoerbaarheid

In deze Grondexploitatiewet (Grexwet) is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Someren zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer zal derhalve met de gemeente Someren een anterieure overeenkomst sluiten. Ook worden hierin afspraken over planschade opgenomen. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Dit bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van eventuele zienswijzen op het bestemmingsplan vindt een heroverweging op deze onderdelen plaats en kan besloten worden onderhavig bestemmingsplan op een aantal punten te wijzigen.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan ‘Kerkendijk ong. en Molenbrugweg ong.’ - Toelichting

8.

PROCEDURE

8.1 Inleiding De bestemmingsplanprocedure conform de Wet ruimtelijke ordening wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wet ruimtelijke ordening zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: -

het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage;

-

gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;

-

binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de

-

de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend

-

gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen;

gemeenteraad het bestemmingsplan vast;

o

Gedeputeerde Staten hebben een zienswijzen ingediend en deze zienswijzen is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan;

o

De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten - wijzigingen aangebracht.

Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend zijn gemaakt nadat zes weken zijn verstreken.

8.2

Inspraakprocedure

In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In de inspraakverordening is aangegeven dat inspraak wordt verleend wanneer dit wettelijk verplicht is. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend.

8.3

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Conform artikel 3.1.1 Bro zijn provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg.

8.4

Zienswijzen

Met ingang van 24 september 2021 heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen kenbaar gemaakt.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11334432/1