CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

5. f Toelichting vaststellen bestemmingsplan Vaartdijk ong, Someren-Eind

Gemeenteraad 23 juni 2022, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Vaartdijk ong, Someren-Eind.14.530 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Vaartdijk ong, Someren-Eind

bestemmingsplan Vaartdijk ong, Someren-Eind

Inhoudsopgave

Toelichting

2 stgesteld)

3

bestemmingsplan "Vaartdijk ong, Someren-Eind" (va

bestemmingsplan Vaartdijk ong, Someren-Eind

Toelichting

bestemmingsplan "Vaartdijk ong, Someren-Eind" (vastgesteld) 3

Toelichting Bestemmingsplan

Vaartdijk ong, Someren-Eind

Colofon

Gemeente:

Someren

Projectlocatie:

Vaartdijk 9 te Someren

Datum:

09-11-2021 21-01-2022 21-02-2022

Status:

Vastgesteld

IMRO-Code:

NL.IMRO.0847.BP02022003-VS01

Opgesteld door:

Van Dun Ontwerp & Planologie Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@ontwerp-planologie.nl I. www.ontwerp-planologie.nl

Projectnummer:

21057.002 / CV

2 van 43

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.

Aanleiding en doel ........................................................................................... 5

1.2.

Geldend planologisch regime ............................................................................ 5

1.3.

Procedure ....................................................................................................... 5

1.4.

Leeswijzer ....................................................................................................... 6

2. Planbeschrijving............................................................................................... 7 2.1.

Bestaande situatie............................................................................................ 7

2.2.

Beoogde situatie .............................................................................................. 9

3. Beleidskader..................................................................................................... 9 3.1.

Rijk ................................................................................................................ 10

3.1.1. 3.1.2. 3.1.3. 3.2.

Provinciaal beleid ............................................................................................ 11

3.2.1. 3.2.2. 3.2.3. 3.3.

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ........................................... 10 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ................................... 10 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking ..................................................... 10 Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 11 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 ............................................ 11 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 12

Gemeentelijk beleid......................................................................................... 15

3.3.1. 3.3.2. 3.3.3.

Structuurvisie ........................................................................................... 15 Woonvisie ................................................................................................ 16 Bestemmingsplan ..................................................................................... 16

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 18 4.1.

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 18

4.2.

Waterhuishouding ........................................................................................... 18

4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3.

Natuur ........................................................................................................... 21

4.3.1. 4.3.2. 4.4.

Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 25 Archeologie .............................................................................................. 25

Landschappelijke inpassing .............................................................................. 26

4.5.1. 4.5.2. 4.6.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 21 Wet natuurbescherming ............................................................................ 22

Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 24

4.4.1. 4.4.2. 4.5.

Waterrelevant beleid................................................................................. 18 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 20 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 20

Beeldkwaliteitsplan Buitengebied ............................................................... 26 Landschappelijke inpassing plangebied ....................................................... 27

Bodemkwaliteit ............................................................................................... 27

3 van 43

4.7.

Spuitzones ..................................................................................................... 28

4.8.

Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 28

4.9.

Geur .............................................................................................................. 29

4.9.1. 4.9.2. 4.10.

Omgekeerde werking ................................................................................ 29 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 30 Luchtkwaliteit .............................................................................................. 30

4.10.1. 4.10.2.

Niet in betekenende mate ......................................................................... 31 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 31

4.11.

Geluid ......................................................................................................... 33

4.12.

Verkeer en parkeren .................................................................................... 34

4.13.

Externe veiligheid ........................................................................................ 35

4.13.1. 4.13.2.

Regelgeving ............................................................................................. 35 Toetsing aan beleid .................................................................................. 35

4.14.

Technische infrastructuur ............................................................................. 37

4.15.

Volksgezondheid .......................................................................................... 37

5. Juridische planbeschrijving ............................................................................ 39 5.1.

Juridische achtergrond .................................................................................... 39

5.2.

Toelichting verbeelding.................................................................................... 39

5.3.

Toelichting regels............................................................................................ 39

6. Uitvoerbaarheid ............................................................................................. 41 6.1.

Financiële uitvoerbaarheid ............................................................................... 41

6.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 41

6.2.1. 6.2.2.

Vooroverleg en omgevingsdialoog .............................................................. 41 Zienswijzen en beroep .............................................................................. 41

7. Bijlagen .......................................................................................................... 42

4 van 43

1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, de ligging van de planlocatie, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel De initiatiefnemer is eigenaar van het perceel tussen de Vaartdijk 11 en 13 in Someren. De initiatiefnemer heeft deze grond gekocht om er een woning te plaatsen. Momenteel is het plangebied aangeduid als agrarisch. De bestemming agrarisch zal aangepast worden naar de bestemming wonen zodat er binnen het nieuwe bouwvlak één ruimte-voor-ruimte woning gerealiseerd kan worden. Bij deze ontwikkeling wordt tevens een landschappelijke inpassing gemaakt en onderhouden. 1.2. Geldend planologisch regime Het vigerend planologisch regime voor wat betreft de verbeelding is vervat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Deelgebied 2’ vastgesteld 05-03-2020. Het bestemmingsplan ‘buitengebied deelgebied 2’ is samen met bestemmingsplan ‘Parapluplan huisvesting arbeidsmigranten 2021’ vastgesteld 28-012021 van toepassing wat betreft de planregels.

De volgende bestemmingen en aanduidingen zijn van toepassing op het perceel tussen de vaartdijk 11 en 15 te Someren, zie afbeelding 1: - Enkelbestemming: ‘Agrarisch’ - Gebiedsaanduiding: ‘Overige zone – bebouwingsconcentratie’ - Gebiedsaanduiding: ‘Overige zone – beperkingen veehouderij’ - Gebiedsaanduiding: ‘Overige zone – stalderingsgebied’

Afbeelding 1: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Deelgebied 2’ De ontwikkeling past niet direct binnen het geldend ruimtelijk beleid omdat er geen woning gebouwd mag worden op de bestemming ‘agrarisch’. Het bestemmingsplan behoort zodanig aangepast te worden dat de bestemming veranderd naar de bestemming ‘wonen’. 1.3. Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het initiatief voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals

5 van 43

gemeente, provincie en ontwerpbestemmingsplan.

waterschap.

Eventuele

opmerkingen

worden

verwerkt

in

het

Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder zienswijzen kenbaar maken. Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kunnen belanghebbenden die tijdig zienswijzen kenbaar hebben gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden die kunnen aantonen dat zij niet in de gelegenheid zijn geweest om tijdig zienswijzen kenbaar te maken, beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden aangevraagd. 1.4.

Leeswijzer In deze toelichting zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, de ligging van de planlocatie, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.

6 van 43

2. Planbeschrijving

In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie Het plangebied betreft een tweetal gedeeltes van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Someren – sectie T- nummers 2521, 2522 en 2523. Het plangebied is gelegen aan de Vaartdijk, ten zuidwesten van Someren-Eind. Het perceel is op circa 125 meter vanaf de rand van de bebouwde kom gelegen. Het perceel ligt in een lint met diverse woningen aan weerszijde, het gehele perceel is 1531m2. Op afbeelding 2 is de luchtfoto van het plangebied te zien. Het plangebied ligt in een agrarisch gebied, rondom het perceel liggen verschillende akkerbouwpercelen. Aan directe zijde naast het perceel staan woningen. In het perceel er naast T 2521 ligt een vijver met een aantal bomen ernaast. Op afbeeldingen 3 en 4 zijn de betreffende kadastrale percelen weergegeven. Perceel T2521 maakt deel uit van de landschappelijke inpassing.

Afbeelding 2: Luchtfoto plangebied

7 van 43

Afbeelding 3: Kadastraal perceel, gemeente Someren, sectie T, nummer 2522

Afbeelding 4: Kadastraal perceel, gemeente Someren, sectie T, nummer 2523

8 van 43

2.2. Beoogde situatie De ruime locatie in het buitengebied in combinatie met de ligging in een bebouwingsconcentratie maakt het aantrekkelijk om een ruimte-voor-ruimte woning tussen Vaartdijk 11 en 15 te realiseren. Het perceel heeft een omvang van circa 1531m2. Op afbeelding 2, 3 en 4 is het plangebied te zien. Op afbeelding 5 is te zien hoe het perceel eruit ziet. De ruimte-voor-ruimte bouwtitel zal aangekocht worden vóór de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan. Er zal één vrijstaande burgerwoning met bijbehorende bijgebouwen mogelijk worden gemaakt. De voorgevel van de woning wordt ten minste 8 meter breed, de afstand tussen de woning en de as van de weg zal 15 meter bedragen. Zoals hieronder uitgelegd zal worden vindt er een landschappelijke inpassing plaats op het volledige perceel. De beoogde ontwikkeling zal samen gaan met een zorgvuldige landschappelijke inpassing. In afbeelding 5 is een schets weergegeven van de inrichting, deze geeft een duidelijk beeld van de beoogde ontwikkeling. In bijlage 1 is het landschappelijke inpassingsplan opgenomen met een omschrijving van de aan te leggen erfbeplanting. Er wordt een struweelhaag geplaatst aan de zuidgrens en een struweelhaag aan de noordgrens van het perceel, de inheemse beplanting heeft een kwaliteitsverbetering van het landschap tot gevolg.

De bestaande appelboom op de oostgrens van het perceel blijft behouden. Op het achtergelegen perceel wordt de vijver en bestaande wilgen gehandhaafd, tevens worden er nieuwe knotwilgen geplaatst. Door deze landschapsversterkende maatregel wordt de ruimtelijke vormgeving van de woning verzacht en geheel of gedeeltelijk aan het zicht onttrokken en sluit het aan op de landschappelijke kenmerken van de omgeving en sluit het aan op het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied van de gemeente Someren.

Afbeelding 5: landschappelijk inpassingsplan

3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal, gemeentelijk en kort aan het rijksbeleid.

9 van 43

3.1. Rijk

3.1.1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.

3.1.2.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens:

"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren.

Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met nationale belangen.

3.1.3. (Ladder voor) Duurzame verstedelijking

Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen . Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen

10 van 43

voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan. Met dit bestemmingsplan wordt de bouw van 2 woningen mogelijk gemaakt. Uit de jurisprudentie blijkt dat voor kleinschalige ontwikkelingen de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. In de overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724 ) is aangegeven dat een bestemmingsplan dat voorziet in niet meer dan 11 woningen in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. 3.2. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.2.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is: ‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.

Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is: ‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de planlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050.

Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.

3.2.2. Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014

De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en in werking getreden op 19 maart 2014.

11 van 43

De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie is vertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de structurenkaart, zie afbeelding 6, ligt de planlocatie in het accentgebied agrarische ontwikkeling. Voor dit gebied wordt hetzelfde beleid gehandhaafd als voor het gemengde landelijk gebied, met een aantal aanvullingen voor de ontwikkeling van de agrarische productiecultuur. In het gemengde landelijke gebied vindt een vermenging van functies plaats. Naast het gebruik van de gronden ten behoeve van de land- en tuinbouw, is er ook plaats voor natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Omdat de locatie in het gemengde landelijk gebied ligt, hanteert de provincie het multifunctionele gebruik als uitgangspunt. Deze woning is dus onderdeel van een multifunctioneel gebied.

Er vinden naast de bestaande veehouderij ook toerisme, kleinschalige stedelijke functies, natuur en recreatie plaats. Het initiatief past daarom binnen de uitgangspunten van de Sv 2014.

Afbeelding 6: Uitsnede structurenkaart Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 3.2.3. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De laatste versie van de Iov is op 27 november 2020 door Provinciale Staten vastgesteld en is per 5 december 2020 in werking getreden.

12 van 43

De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt. In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden ‘Gemengd landelijk gebied’, ‘Landelijk gebied’, ‘Beperkingen veehouderij’, en ‘Stalderingsgebied’ zie afbeelding 7.

Afbeelding 7: Uitsnede werkingsgebieden IOV. Afdeling 3.6 bevat de voorwaarden voor een vitaal platteland, die onder andere van toepassing zijn op het gemengd landelijk gebied. Met het initiatief wordt ruimte voor ruimte woning gerealiseerd. Er zal derhalve worden getoetst aan artikel 3.80. Artikel 3.52 (Aanvullende gegevens stalderen) en artikel 3.51 (Afwijkende regels beperkingen veehouderij) zijn niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling, omdat de ontwikkeling geen agrarische ontwikkeling betreft. Met het initiatief wordt een ruimte-voor-ruimte woning mogelijk gemaakt. In artikel 3.68, eerste lid, is vastgelegd dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. Hiervan kan worden afgeweken met ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het kader van rood voor groen, zoals ruimte-voor-ruimte woningen. De voorwaarden hiervoor zijn vervat in artikel 3.80. Aan de relevante artikelen zal hierna worden getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: ▪ zorgvuldig ruimtegebruik;

13 van 43

▪ ▪

de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; meerwaardecreatie.

Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De beoogde ruimte-voor-ruimte woning ligt nog niet in een bestaand ruimtebeslag, hiervoor moet eerst de bestemming omgezet worden naar ‘wonen’. Echter gezien het plangebied tussen andere al bestaande woningen komt te liggen, en er een landschappelijke inpassing gedaan wordt die het gebied bevorderd zullen er geen problemen ondervonden worden op het gebied van zorgvuldig ruimtegebruik. De beoogde woning zal maar een gedeelte van het plangebied in gebruik nemen en past dus binnen het beoogde bouwvlak.

Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ de ondergrond ▪ de netwerklaag ▪ de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken.

Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door een goede landschappelijke inpassing. Tevens is door aankoop van een ruimte-voor-ruimte titel sprake van een afname van emissies waardoor ook het leefmilieu in de omgeving wordt verbeterd. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en

14 van 43

feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. In artikel 3.80 van het IOV is aangegeven dat er bij een ruimte voor ruimte woning voldoende kwaliteitsverbetering is behaald doordat er een ruimte-voor-ruimte titel aangekocht is, dit houdt in dat er elders een veehouderij gestopt is waardoor er kwaliteitsverbetering heeft plaatsgevonden. Verder wordt er een goede landschappelijke inpassing verzorgd. Ontwikkeling van niet agrarische functies (paragraaf 3.6.7) Paragraaf 3.6.7 bevat de voorwaarden voor de ontwikkeling van niet agrarische functies in het landelijk gebied. Het initiatief moet getoetst worden aan artikel 3.80 ten aanzien van realiseren van een ruimtevoor-ruimte woning in het landelijk gebied. Ruimte-voor-ruimte (artikel 3.80) In artikel 3.80 van de Iov zijn de voorwaarden opgenomen voor realisatie van ruimte-voor-ruimte kavels in het landelijk gebied. Dit is toegestaan indien:

1. Er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit;

Een aanzienlijke winst voor de omgevingskwaliteit kan worden bewerkstelligd door de sanering van een intensieve veehouderij of door de aankoop van een titel bij de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte-voor-ruimte. In dit geval zal een aanzienlijke winst voor de omgevingskwaliteit worden bewerkstelligd door de koop van een ruimte-voor-ruimte titel bij de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte-voor-ruimte. Uiterlijk voor de vaststelling van het bestemmingsplan zal het bewijsstukkendossier voor aankoop van de ruimte-voor-ruimte titel worden overlegd.

2. De ruimte-voor-ruimtekavel bebouwingsconcentratie ligt;

op

een

planologisch

aanvaardbare

locatie

in

een

In het bestemmingsplan is de gebiedsaanduiding ‘bebouwingsconcentratie’ opgenomen. Als naar de definitie van een bebouwingsconcentratie zoals opgenomen in de Iov wordt gekeken, ligt de locatie in een bebouwingsconcentratie. Er is namelijk sprake van bebouwingscluster, een vlakvormige verzameling van bebouwing buiten bestaand stedelijk gebied. De ligging van de planlocatie in een bebouwingsconcentratie maakt het een planologisch aanvaardbare locatie voor woningbouw.

3. Een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd;

Zoals reeds uiteen is gezet zal de planlocatie zorgvuldig landschappelijk worden ingepast door aan de randen van het perceel een knip en scheerheg te plaatsen. Het volledige landschappelijke inpassingsplan is als bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd.

4. Er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Verstedelijking afweegbaar.

Door de toevoeging van één woning is geen sprake van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling.

Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 3.3. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke structuurvisie en het bestemmingsplan.

3.3.1. Structuurvisie

In 2008 is in voor de gemeente Someren een Structuurvisie vastgesteld dat laat zien hoe de gemeente er in 2028 uit zal zien. Hieronder is in afbeelding 8 de structuurvisie voor het buitengebied van Someren-

15 van 43

Eind te zien. De project locatie is aangegeven met een pijl. Het perceel bevindt zich in het oudere heideontginning gebied en ligt tegen het beekdallandschap aan. Someren-Eind is vooral gericht op het bouwen van woningen en bedrijventerrein op korte en op lange termijn. Het buitengebied heeft tevens als functie voor het bouwen van ruimte-voor-ruimte woningen, de gebieden waar dit mogelijk is zijn aangegeven met een lichtbruine arcering. De beoogde planlocatie ligt hier net buiten. Echter is er in de structuurvisie opgenomen dat dit mogelijk is met een specifieke afweging, en een goede inpassing van de landschapsstructuur. De woning wordt geplaatst in een lint van bebouwing op dezelfde voorgevelrooilijn. Hierdoor ontstaat er geen rommelig effect door het bouwen van de woning. Verder wordt er voldaan aan een goede landschappelijke inpassing door middel van een knip en scheerheg naast het perceel en door het behoudt en uitbreiding van het achterliggende perceel. Hierdoor zullen er geen problemen ondervonden worden voor het bouwen van een ruimte-voor-ruimte woning aan de Vaartdijk.

Afbeelding 8: Uitsnede structuurvisie buitengebied Someren- Eind. 3.3.2. Woonvisie

In december 2019 is de woonvisie 2030 opgesteld, hierin staan de hoofdlijnen van het gemeentelijk woonbeleid tot 2030. Elk jaar wordt er geëvalueerd of er beleidsaanpassingen nodig zijn. De provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose vormt de verplichte basis voor de regionale woningbouwafspraken. Het uitgangspunt is dat woningen gebouwd mogen worden in de kernen in het landelijk gebied als dit nodig blijkt voor de natuurlijke bevolkingsgroei. In de woonvisie is een bouwprogramma met een verdeling voor de kernen opgenomen. Hierin staat 19% van de woningbehoefte in Someren-Eind wordt gerealiseerd. Dit houdt in dat er 149 woningen gebouwd mogen worden. Doordat het in deze situatie gaat om één extra woning en het nog de beginfase is van de woonvisie vormt dit geen probleem voor de nieuw te creëren ruimte-voor-ruimte woning.

3.3.3. Bestemmingsplan

Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor de planlocatie het bestemmingsplan ‘Buitengebied deelgebied 2’ in combinatie met bestemmingsplan ‘Parapluplan huisvesting arbeidsmigranten 2021’ geldend. De volgende bestemmingen en aanduidingen zijn binnen het plangebied aanwezig, zie afbeelding 1: - Enkelbestemming: ‘Agrarisch’ - Gebiedsaanduiding: ‘Overige zone – bebouwingsconcentratie’ - Gebiedsaanduiding: ‘Overige zone – beperkingen veehouderij’

16 van 43

-

Gebiedsaanduiding: ‘Overige zone – stalderingsgebied’

Het plan voorziet in de ontwikkeling van een woonkavel ten behoeve van één woning. In het vigerend planologisch regime zijn geen mogelijkheden opgenomen om een woning buiten het bouwvlak te realiseren. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken dient een partiële herziening van het bestemmingsplan te worden doorlopen. Door middel van deze toelichting wordt een uitgebreide onderbouwing gegeven waarin aangetoond wordt dat het plan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en aansluit bij de omgevingswaarden en –kenmerken. De regels van deze herziening zullen zoveel mogelijk aansluiten bij het vigerende bestemmingsplan en zullen in lijn zijn met de systematiek zoals die gehanteerd wordt bij andere woonontwikkelingen in de gemeente.

17 van 43

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten

Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: ▪ Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. ▪ Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.

Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de realisatie van één woning geen negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Ten aanzien van het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’ t.b.v. één Ruimte-voorRuimte woning zijn er geen grenswaarden opgenomen in het besluit. Het realiseren van één woning is geen stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen is in de bijlage Besluit milieueffectrapportage. Er kan dus geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het tweede criteria geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden.

De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1. Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van

18 van 43

een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.2.3 liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de planlocatie. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieuen Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit.

Kort gezegd gaat het PMWP voor: ▪ Voldoende water voor mens, plant en dier; ▪ Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); ▪ Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; ▪ Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Zoals weergegeven is in afbeelding 9 heeft de planlocatie in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Water voor het gemengd landelijk gebied’ toegekend gekregen. Deze aanduiding komt overeen met de aanduiding ‘gemengd landelijk gebied’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000-gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid.

Afbeelding 9: Uitsnede kaart ‘Gezondheid – 1’ PWMP

19 van 43

Op kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft de planlocatie geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen de planlocatie. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP. Waterschap Waterschap Aa en Maas is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van de planlocatie. Het waterbeheer is gericht op het duurzaam beheren van het watersysteem, waarbij uitgegaan wordt van een watersysteembenadering. In het waterbeheerplan ‘Werken met water voor nu en later’ beschrijft Waterschap Aa en Maas de hoofdlijnen van haar beleid. Het huidige waterbeheerplan beschrijft de plannen voor de periode 2016 – 2021. De missie van het waterschap is: ‘Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten’. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger.

De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Aa en Maas.

4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande situatie wordt er geen huishoudelijk afvalwater geloosd. Dit is niet mogelijk omdat er nog geen bebouwing op het perceel staat. Het hemelwater valt direct op de grond waar deze wordt opgenomen.

4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

In de beoogde situatie wordt een woonkavel gecreëerd, ten behoeve van één woning. In de woning zal huishoudelijk afvalwater ontstaan. Hiervoor worden de nodige voorzieningen aangebracht en wordt de nieuwe woning aangesloten op de gemeentelijke riolering nadat bij de gemeente aanvraag is gedaan voor een rioolaansluiting. Het hemelwater zal op eigen terrein worden opgevangen en verwerkt middels infiltratie in de bodem. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen in acht worden genomen. Binnen 5 meter van de watergangen 2940650 en 05872 worden geen nieuwe obstakels, zijnde bebouwing dan wel landschapselementen, mogelijk gemaakt. De watergangen zijn aangegeven in afbeelding 10.

20 van 43

Afbeelding 10: Watergangen 2940650 en 05872 uit de legger Aa en Maas. Zoals aangegeven is waterschap Aa en Maas de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het gronden oppervlaktewater binnen de planlocatie. Door middel van de Keur van Waterschap Aa en Maas, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap Aa en Maas schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. De exacte afmetingen van de beoogde woning zullen nog nader bepaald worden. De totale toename in verhard oppervlak zal in de beoogde situatie toenemen door het realiseren van een woning met bijbehorende bouwwerken en eventueel aan te leggen verharding ten behoeve van een oprit, een terras en dergelijke. Het totaal aan verhard oppervlak zal niet meer dan 500 m² bedragen. Er hoeft derhalve geen compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3.

Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;

21 van 43

▪ ▪

Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden.

Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016.

De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie afbeelding 11. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

Afbeelding 11: Uitsnede kaart Natuur Netwerk Brabant Iov, plangebied met rode plusteken weergegeven 4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming.

22 van 43

Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Strabrechtse Heide & Beuven, de Groote Peel en Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft de Groote Peel, dat op een afstand van circa 3,5 kilometer ligt.

Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt zijn middels het rekenprogramma AERIUS berekeningen gemaakt voor de gebruiksfase van het initiatief. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in Bijlage 2. In Bijlage 3 zijn de rekenresultaten van deze berekeningen opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Groote Peel leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven:

23 van 43

1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.

Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Vaartdijk 9, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren woning, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien de agrarische bestemming en het landbouwkundige gebruik van het perceel vinden er regelmatig bewerkingen plaats. Hierdoor zijn er geen bijzondere flora en fauna te verwachten. Aan beide zijden naast het perceel liggen al verschillende woningen, hierdoor is er geen sprake van een aaneengesloten vegetatie. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk.

Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de ruimte-voor-ruimte woning moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11525702/3