14a. Beleidsnotitie - uitvoering amendement 24 mei 2022
Tekst van het document
Beleidsnotitie Hoort bij zaak: Onderwerp:
0847200360943 Evaluatie project Bestemmingsplan Buitengebied – Uitvoering amendement
Aan:
Gemeenteraad
Van:
Koen Staals
Datum:
31 augustus 2022
1. Inleiding Begin 2022 heeft de evaluatie van het project ‘actualisatie bestemmingsplan Buitengebied’ plaatsgevonden. Deze evaluatie heeft een rapport opgeleverd waarin enkele aanpassingen worden voorgesteld voor het proces en voor het toegepaste beleid. Dit rapport is op 11 mei 2022 besproken in de commissie Ruimte en op 24 mei 2022 behandeld in de gemeenteraad. In deze raadsvergadering is een amendement (zie bijlage 1) ingebracht dat door alle raadsleden is aangenomen en ondertekend. Het amendement voorziet in enkele beslispunten aanvullend op de voorgestelde beslispunten. De overwegingen bij dit amendement zijn gericht op meer coulance en maatwerk bij de behandeling van dossiers waarin strijdigheden met het bestemmingsplan zijn geconstateerd. Het amendement voorziet in de volgende beslispunten: 1.
In geval van ZZP’ers de maximaal te gebruiken oppervlakte ten behoeve van het bedrijf gelijk te stellen aan de maximale oppervlakte bijgebouwen voor een reguliere woonbestemming in het buitengebied (100 tot 150 m2); komt men boven dit oppervlak ten behoeve van de ZZP functie, dan valt men alsnog in de categorie Wonen Plus;
2.
Bewoners die binnen afzienbare tijd (max 2 jaar) gaan verhuizen, zolang men er nog woont, persoonsgebonden ontheffing verlenen van de geconstateerde strijdigheden, met daarbij de verplichting deze wel over te dragen aan de nieuwe eigenaar;
3.
Een hondenhok of volière dat/die is uitgevoerd als hondenhok of volière en als zodanig in gebruik is niet in de oppervlakte bijgebouwen mee te tellen.
En voor de onderstaande punten op korte termijn met een beleidsnotitie (eventueel na overleg met de raad) terug te komen, hoe dit in bestaand beleid aangepast kan worden; 4.
Zonnepanelen voor privégebruik, op agrarische percelen;
5.
Agrarische percelen in gebruik als tuin toestaan mits geruild kan worden met m2 bouwblok of bestemmingswijziging naar bestemming “wonen, specifiek tuin” mogelijk te maken;
6.
Buitenopslag bij particulieren;
7.
Erfbeplanting, m.n. daar waar strenger is geoordeeld dan in het huidige beeldkwaliteitsplan is voorgeschreven.
Enkele beslispunten zijn gericht op de uitvoering van het project terwijl andere beslispunten zich richten op een nadere uitwerking of aanpassing van beleid. In het navolgende hoofdstuk 2 van deze notitie wordt voorgesteld hoe vorm te geven aan de uitvoering van punten 2, 3, 5 en 7. In hoofdstuk 3 worden beleidsvoorstellen gedaan om punten 1, 4 en 6 te adresseren.
2. Uitvoering amendement 2.1 Bewoners die verhuizen De raad heeft aangegeven dat bewoners die binnen afzienbare tijd verhuizen in aanmerking moeten komen voor een persoonsgebonden ontheffing. Strijdigheden op hun perceel dienen daarbij te worden opgelost door de toekomstige bewoners waarbij de huidige eigenaar verplicht moet worden deze over te dragen aan de nieuwe bewoners. Bij de uitvoering van dit beslispunt lopen wij tegen verschillende vraagstukken aan. Het is bijvoorbeeld lastig te bepalen of mensen oprecht het voornemen hebben om binnen afzienbare tijd te verhuizen. Hoe voorkomen we dat er misbruik wordt gemaakt van deze bepaling? Men kan ook aangeven dat ze voornemens zijn te verhuizen om de consequenties van de strijdigheden enkele jaren uit te stellen. Daarbij hebben we ook in het verleden gevallen gehad waarbij de wisseling van eigenaren na het controlebezoek voor de nodige problemen zorgden. De vorige bewoners en de makelaar hadden het controlerapport onvoldoende onder de aandacht gebracht bij de nieuwe eigenaren waardoor deze nieuwe eigenaren tegenover de gemeente kwamen te staan. Voorstel: de ambtelijke werkgroep maakt, de geest van het amendement indachtig, per situatie een afweging hoe om te gaan met mensen die aangeven te zullen verhuizen. Het aan de voorkant opstellen van specifieke uitgangspunten of bepalingen maken deze situatie extra complex.
Het college heeft de bevoegdheid om persoonsgebonden ontheffingen te verlenen op basis van een deugdelijke motivatie. Daarvoor moeten dan alle andere oplossingen zijn afgewogen. Vaak is een persoonsgebonden beschikking namelijk niet nodig en lost de situatie zich al op in de periode tussen de geconstateerde strijdigheden en de actie tot handhaving. Team VTH schrijft bewoners doorgaans 1 tot 2 jaar na vaststelling van het bestemmingsplan aan. Dit biedt soms voldoende tijd en ruimte voor mensen die bijvoorbeeld gaan verhuizen.
2.2 Hondenhokken en volières De raad heeft aangegeven om hondenhokken en volières die als zodanig uitgevoerd, herkenbaar en in gebruik zijn niet bij de oppervlakte bijgebouwen mee te rekenen. De raad is van mening dat dergelijke bouwwerken van marginaal belang zijn om op te handhaven. Bij de uitvoering van dit beslispunt lopen wij tegen verschillende vraagstukken aan. Op basis van het bestemmingsplan en de daarin gehanteerde definities voor gebouwen en bouwwerken moeten wij hondenhokken en volières in veel gevallen aanmerken als bijgebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde. Ook de provincie is kritisch en kijkt mee hoe wij omgaan met (het opplussen van) bijgebouwen en of hier voldoende tegenprestatie voor wordt geleverd op basis van de provinciale bepalingen. Wij interpreteren het beslispunt van de raad dan ook als zodanig dat we de hondenhokken en volières niet als bijgebouw moeten constateren in ons controlerapport en daarmee buiten beschouwing moeten laten. Het buiten beschouwing laten van hondenhokken en volières brengt een risico met zich mee. Indien mensen later het hondenhok of de hondenren namelijk ombouwen tot een (fietsen)schuurtje is er alsnog sprake van een teveel aan bijgebouwen.
2/10
Volières zijn in sommige gevallen redelijk omvangrijke bouwwerken met een hoogte van meer dan 2 meter. Het dak bestaat uit een net of gaas waardoor de ruimtelijke impact minder groot is dan bijvoorbeeld in geval van een schuur. Er is echter nog steeds een ruimtelijke impact. Voorstel: het bovenstaande afwegende stellen wij voor om nog steeds per situatie, het amendement indachtig, een afweging te maken. Onze inschatting is dat we in de deelgebieden 5 t/ m 7 slechts weinig van dit soort gevallen zullen tegenkomen. Een algemeen uitgangspunt of bepaling voor hondenhokken en volières is daarom niet relevant en maakt de beoordeling complex. Mogelijk komen we juist andere vormen van bouwwerken tegen die dan alsnog buiten de bepaling vallen. Alle situaties worden uiteindelijk voorgelegd aan de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Op dat moment kan de raad dan ook een definitieve afweging maken of een situatie wel of niet coulance verdient.
2.3 Agrarische percelen in gebruik als tuin De raad heeft aangegeven om bewoners die strijdig gebruik maken van een agrarische bestemming als tuin tegemoet te komen. Daarvoor dient dan wel een vormverandering van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ tegenover te staan. Wanneer dit niet mogelijk blijkt wordt voorgesteld om het in gebruik genomen stuk grond aan te duiden met de bestemming ‘Wonen’ of ‘Tuin’. Op dit moment bieden wij mensen de mogelijkheid aan om strijdig gebruik van agrarische grond te legaliseren middels een vormverandering van het woonbestemmingsvlak. Het bestemmingsplan voorziet in een wijzigingsbevoegdheid die dit mogelijk maakt. Daarbij toetsen wij wel kritisch of de vormverandering daadwerkelijk noodzakelijk is of dat de situatie kan worden opgelost door voorzieningen (bijvoorbeeld speeltoestellen) binnen het bestaande bouwblok kunnen worden geplaatst. In kader van zorgvuldig ruimtegebruik (bepaling uit de provinciale verordening) dienen alle voorzieningen binnen het bestaande bouwblok te worden geplaatst. Een vormverandering is echter niet altijd wenselijk omdat dit soms zorgt voor onwenselijke vormen van het bestemmingsvlak (de zogenaamde ‘nagelschaartjes-planologie’). Onlogische vormen van bestemmingsvlakken zorgt voor onduidelijke grenzen en daarmee voor minder duurzame bestemmingsplannen.
Het risico bestaat namelijk dat men iedere 6 jaar het bestemmingsvlak veranderd omdat de inrichtingswensen van het perceel zijn veranderd. Als een vormverandering voorstelbaar is maar niet afdoende is om de strijdigheden binnen het bouwblok te leggen kan men kiezen voor een bestemmingsvlakvergroting. Daarbij hanteren we een maximale grootte van 2.500 m2 voor een woonbestemmingsvlak in het buitengebied. Deze grootte is gebaseerd op de 50x50 meter grote bestemmingsvlakken zoals gehanteerd in het bestemmingsplan Buitengebied uit 1998. De Landschapsinvesteringsregeling (LIR) spreekt ook van een maximale grootte van 2.500 m2 voor een woonbestemming. Er zijn overigens wel grotere woonbestemmingsvlakken aanwezig in het buitengebied. Deze zijn opgenomen toen het bestemmingsplan Buitengebied 2011 werd opgesteld. Dat proces is in kort tijdsbestek doorlopen waardoor gekozen is om woonbestemmingsvlakken gelijk te trekken met de kadastrale situatie. In geval van bijvoorbeeld stoppende agrariërs is toen het hele voormalige bouwblok omgezet naar een woonbestemmingsvlak.
3/10
Als de maximale oppervlakte van 2.500 m2 niet voldoet zijn wij doorgaans door onze oplossingen heen. Indien de raad bewoners de mogelijkheid wil bieden om hun bestemmingsvlak verder te vergroten met de bestemming ‘Wonen’ of ‘Tuin’ is vervolgens de vraag waar de grens moet komen te liggen. In het verleden zijn wij altijd terughoudend geweest met het toepassen van de bestemming ‘Tuin’ in het buitengebied aangezien dit in de praktijk een vergroting van het bestemmingsvlak betekent. Met het belangrijke verschil dat hier niet in gebouwd mag worden. Daarnaast is het positief bestemmen van een tuin (op welke wijze dan ook) een ruimtelijke ontwikkeling in de zin van de omgevingsverordening en zal er een tegenprestatie geleverd dienen te worden. De provincie zal kritisch zijn als er zaken gelegaliseerd gaan worden boven de 2.500 m² aan woonperceel. Voorstel: we houden vast aan een maximale grootte van een woonbestemming van 2.500 m2 waar zowel de bestemming Wonen als Tuin binnen moeten vallen. Binnen deze oppervlakte gaan we, het amendement indachtig, coulanter om met het vergroten van een bestemmingsvlak indien dit leidt tot een duurzame vorm van een bestemmingsvlak. Voor het vergroten van een woonbestemmingsvlak tot maximaal 2.500 m2 is een tegenprestatie van toepassing op basis van categorie 3 van de LIR.
2.4 Erfbeplanting De raad heeft aangegeven om anders om te gaan met het beoordelen van erfbeplanting. In het verleden blijkt de toetsing aan het beeldkwaliteitsplan strenger te zijn gedaan dan aanvankelijk bedoeld. Het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied (BKP) uit 2011 spreekt van richtlijnen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. Er zijn echter gevallen bekend waarbij men verplicht werd om bestaande beplanting te verwijderen omdat deze niet voldeden aan de richtlijnen uit het beeldkwaliteitsplan. De raad heeft zowel in de evaluatie van voorliggend project als in de evaluatie van het beeldkwaliteitsplan aangegeven hier anders mee om te willen gaan. Bewoners moeten daarbij meer ruimte krijgen om zelf te beslissen hoe ze hun perceel landschappelijk inpassen. Op die manier kan worden voorkomen dat bestaande beplanting dient te worden verwijderd. Feit blijft wel dat men verplicht blijft om aan minimale eisen van inpassing te voldoen. Op het moment van schrijven wordt het BKP geëvalueerd. De planning is om een nieuwe beeldkwaliteitsplan in november 2022 voor te leggen aan de raad waarbij bovenstaande situatie ook wordt geadresseerd. Voorstel: we stellen voor om eerst het nieuwe BKP te laten vaststellen door de raad en pas daarna het bestemmingsplan voor deelgebied 4.
De hernieuwde uitgangspunten voor de toetsing aan het beeldkwaliteitsplan kunnen dan ook worden toegepast voor situaties in deelgebied 4 en verder. Dit heeft wel tot gevolg dat bestemmingsplan ‘Buitengebied Someren – Deelgebied 4’ later zal worden vastgesteld dan volgens planning is voorzien.
3. Beleidswijzigingen 3.1 ZZP’ers en Wonen-Plus In het raadsvoorstel van 24 mei 2022 wordt voorgesteld om ZZP’ers die hun werkzaamheden elders uitvoeren uit te sluiten van de bestemmingsaanduiding Wonen-Plus. Daarbij wordt voorgesteld wel
4/10
een beperking op te leggen voor de omvang van opslag en stalling ten behoeve van hun bedrijfsvoering. Het beperken van de omvang heeft namelijk ruimtelijke relevantie. In haar amendement geeft de raad aan deze omvang te beperken tot de regulier toegestane oppervlakte aan bijgebouwen binnen een woonbestemming in het buitengebied. Dit betekent concreet dat er maximaal 150 m2 aan bijgebouwen gebruikt mag worden ten behoeve van opslag en stalling voor de bedrijfsvoering van de ZZP’er. Binnen een reguliere woonbestemming is op basis van het bestemmingsplan 100 m2 aan bijgebouw toegestaan en afhankelijk van de grootte van het perceel kan daarbij tot maximaal 50 m2 extra vergunning vrije bijgebouwen worden gerealiseerd. De raad is van mening dat de ondernemer op die manier zelf kan bepalen hoeveel oppervlakte particulier bijgebouw hij/zij inzet ter ondersteuning van de bedrijfsvoering. Daarbij wordt wel meegegeven dat het niet de bedoeling kan zijn om deze oppervlakte te vergroten met behulp van de sloopbonusregeling. Als men wil opplussen tot maximaal 350 m 2 aan bijgebouwen ten behoeve van de bedrijfsvoering zal men alsnog onder de definitie van Wonen-Plus worden geschaard. Dit geldt dan weer niet als het opplussen sec bedoelt is voor privé doeleinden. Voor locaties die reeds hun bijgebouwen hebben opgeplust zal onverminderd de beperking van 150 m2 gelden.
Bottom line is dus het uitgangspunt dat een ZZP’er maximaal 150 m2 aan bijgebouwen binnen de woonbestemming mag gebruiken ten behoeve van zijn of haar bedrijfsvoering. Overigens zal los van bovenstaand een bedrijfsvorm altijd aan de milieu categorieën getoetst moeten worden alvorens te bepalen of zij voor bovenstaand in aanmerking komen. Een ZZP’er wiens bedrijfsvoering onder milieucategorie 1 of 2 valt, zal dus alsnog onder de bestemmingsaanduiding Wonen-Plus vallen. Ook blijft gelden dat een bedrijf aan huis of WonenPlus altijd moet worden uitgeoefend door de eigenaar van de woning. Verhuur aan derden is daarmee niet aan de orde en dus in strijd met deze bepaling. Om bovenstaand in de praktijk te effectueren moet de gehanteerde definitie voor Wonen-Plus worden aangepast. Deze definitie uit de bestemmingsplannen is namelijk de toetsingsgrond om te bepalen of ZZP’ers wel of niet binnen de reikwijdte van de definitie vallen. Voorstel: de definitie voor Wonen-Plus zal als volgt worden gewijzigd.
De definitie in bestemmingsplan Buitengebied 1 t/m 3 was: wonen plus: het door een van de bewoners aan huis uitoefenen van een bedrijfsmatige activiteit met maximaal milieucategorie 2 zoals bepaald op basis van de Brochure bedrijven en milieuzonering, niet zijnde detailhandel of erotische dienstverlening, die door zijn beperkte omvang en beperkte ruimtelijke uitstraling met behoud van de woonfunctie in een woning met de daarbij behorende bijgebouwen kan worden uitgeoefend. Hieronder wordt ook verstaan het uitoefenen van een bedrijf waarbij de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten in hoofdzaak elders op locatie plaatsvinden terwijl aan huis de organisatorische activiteiten en activiteiten zoals opslag van materialen en stalling van voertuigen plaatsvinden. De definitie wordt:
5/10
wonen plus: het door een van de bewoners aan huis uitoefenen van een bedrijfsmatige activiteit met maximaal milieucategorie 2 zoals bepaald op basis van de Brochure bedrijven en milieuzonering, niet zijnde detailhandel of erotische dienstverlening, die door zijn beperkte omvang en beperkte ruimtelijke uitstraling met behoud van de woonfunctie in een woning met de daarbij behorende bijgebouwen kan worden uitgeoefend. Hieronder wordt ook verstaan het uitoefenen van een bedrijf waarbij de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten in hoofdzaak elders op locatie plaatsvinden en waarbij thuis meer dan de regulier toegestane oppervlakte bijgebouwen van 100 tot 150 m2 wordt gebruikt voor stalling en opslag ten behoeve van de bedrijfsvoering. In de bestemmingsplannen voor deelgebied 4 t/m 7 zal deze definitie worden gewijzigd. De deelgebieden 1, 2 en 3 moeten wachten op een algehele herziening als onderdeel van het omgevingsplan. Locaties uit deelgebied 1, 2 en 3 die eerder als strijdig werden aangemerkt op basis van de oude definitie zullen in de tussentijd niet worden gehandhaafd.
3.2 Zonnepanelen bij particulieren Bij de controlebezoeken in deelgebied 4 zijn verschillende locaties aangetroffen waarbij zonnepanelen buiten het (woon)bestemmingsvlak in de agrarische gebiedsbestemming zijn gelegd. Het plaatsen van zonnepanelen binnen de bestemming Agrarisch is niet toegestaan. In haar amendement van 24 mei 2022 geeft de raad opdracht om voor dit soort situaties beleidskaders op te stellen. Om tot nieuwe beleidskaders te komen wordt eerst kort geschetst wat de bestaande gemeentelijk en provinciale beleidskaders zijn voor zonnepanelen in agrarisch gebied. 3.2.1 Gemeentelijke beleid voor zonnepanelen In 2017 is het eerste beleidsdocument voor zonneparken in het buitengebied vastgesteld. Hoewel dit beleid zich specifiek richt op (commerciële) zonneparken wordt wel het uitgangspunt geformuleerd dat zonnepanelen in eerste instantie binnen bestaande bouwblokken op daken moeten worden geplaatst alvorens naar landbouwgronden te kijken. Ook tijdens de evaluaties van dit beleid in 2018 en 2020 is dit uitgangspunt onveranderd gebleven.
3.2.2 Provinciaal beleid voor zonnepanelen In de Interim Omgevingsverordening (geconsolideerd 14 april 2022) zijn onder artikel 3.41 bepalingen opgenomen voor zonneparken in landelijk gebied. Het artikel heeft het over “zelfstandige opstellingen van zonnepanelen” waarbij zowel het begrip “zonnepark” als “zelfstandige opstelling” niet is gedefinieerd. Uit het woord zelfstandig maken we op dat het om losse zonneparken en zonnepanelen gaat die niet direct ten dienste staan van een bestaande functie in een bestemmingsvlak. Ook in de toelichting bij de verordening wordt specifiek ingegaan op grootschalige opwek door zonneparken. Dit soort zonneparken dienen te worden getoetst aan de provinciale zonneladder. Wel wordt in de toelichting expliciet het principe van zorgvuldig ruimtegebruik aangehaald.
6/10
Artikel 3.6 van de verordening gaat in op Zorgvuldig ruimtegebruik. Onder lid 1 wordt gesteld dat zorgvuldig ruimtegebruik inhoudt dat: c) gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Een zonnepaneel kan zowel op basis van de verordening als het bestemmingsplan worden aangemerkt als bouwwerk geen gebouw zijnde en dus als bijbehorend bouwwerk of permanente voorziening. Om aan artikel 3.6 te voldoen zal dus zorgvuldig moeten worden aangetoond dat particuliere zonnepanelen niet binnen het bouwperceel gerealiseerd kunnen worden.
3.2.3 Voorgestelde beleidskaders Op basis van zowel gemeentelijk als provinciaal beleid is dus bepaald dat zonnepanelen in eerste instantie op daken moeten worden gerealiseerd en pas daarna binnen het bestaande bouwblok. Om zonnepanelen buiten het bouwblok toe te staan zal moeten worden aangetoond dat zowel het dak als het bouwblok niet geschikt is. Als men deze toets doorstaat zal men vervolgens moeten voorzien in een tegenprestatie ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Dit leidt tot de volgende kaders. 1.
Is het dak aantoonbaar ongeschikt? Een dak kan ongeschikt zijn voor het plaatsen van zonnepanelen als bijvoorbeeld de constructie ontoereikend is, als het een beeldbepalend pand is, als het een rieten dak betreft of als er aantoonbaar veel schaduwwerking is. Dit dient door aanvrager te worden aangetoond op basis van een door een vakkundige instantie opgestelde onderbouwing. Daarbij dient het volledige dakoppervlak van zowel hoofdgebouwen als bijgebouwen te zijn meegewogen.
2.
Is het bestaande bouwblok aantoonbaar ongeschikt? Een bouwblok kan ongeschikt zijn als er onvoldoende ruimte is vanwege bestaande bebouwing of als er aantoonbaar veel schaduwwerking is vanwege bestaande aanplant die kwalitatief bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit. Dit dient door aanvrager te worden aangetoond op basis van een door een vakkundige instantie opgestelde onderbouwing. Daarbij wordt voor de beoordeling van de kwalitatieve aanplant verwezen naar het beeldkwaliteitsplan buitengebied.
3.
Maximale oppervlakte en hoogte Op basis van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is het geoorloofd een beperking te stellen aan de maximale oppervlakte aan zonnepanelen buiten het bouwblok. Op basis van de huidige inzichten moet 40 m2 aan zonnepanelen voldoende ruimte bieden voor de energiebehoefte van een gemiddeld gezin. De maximale bouwhoogte van 1,80 meter voor zonnepanelen sluit aan bij de hoogte zoals geformuleerd in het beleid voor zonneparken in het buitengebied uit 2017. We willen echter de ruimte bieden om de benodigde oppervlakte te laten blijken uit de opgestelde onderbouwing zoals hierboven genoemd. Wat betreft de hoogte moet het uitgangspunt zijn om de panelen zo laag mogelijk te houden. Zo kan de ruimtelijke impact worden geminimaliseerd.
4.
Landschappelijke inpassing
7/10
Op basis van zowel provinciaal als gemeentelijk beleid dient voor iedere ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied een bijdrage te worden geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit. Op basis van de Landschapsinvesteringsregeling vallen zonnepanelen onder categorie 3. Ontwikkelingen in categorie 3 dienen enerzijds te voorzien in een goede landschappelijke inpassing en anderzijds in een aanvullende tegenprestatie. Om de bestemmingswinst te bepalen kan worden aangesloten bij de normbedragen voor een woonbestemming. De gronden worden ten slotte gebruikt ten behoeve van de woonfunctie. Deze berekening levert een bepaalde tegenprestatie op die kan worden geïnvesteerd in bijvoorbeeld extra aanplant of als bijdrage aan het BIO-fonds. Voor de goede landschappelijke inpassing van de zonnepanelen kan rekening worden gehouden met een sortiment dat schaduwwerking op de panelen zoveel mogelijk voorkomt. Denk daarbij aan lage heesters. Na bovenstaande kaders blijft de vraag over met welke procedure de zonnepanelen moeten worden toegestaan. Een bestemmingsplanwijziging is onwenselijk aangezien het plaatsen van voorzieningen buiten het bestaande bestemmingsvlak tot een bestemmingsvlakvergroting leidt. Bovendien zou dat leiden tot extra hoekjes aan bestemmingsvlakken wat leidt tot de zogeheten ‘nagelschaartjes-planologie’ (zie ook paragraaf 2.3 waarom dit onwenselijk wordt geacht).
Ook vanuit de Interim Verordening zijn dit soort bestemmingsplanwijzigingen onwenselijk, zie ook artikel 3.6 van de IOV. Voorgesteld wordt daarom om aan te sluiten bij artikel 3.41 van de IOV waarin staat dat zonneparken enkel met een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan kunnen worden toegestaan. En dat voor een periode van maximaal 25 jaar. Zo wordt geborgd dat de panelen na 25 jaar ook weer verdwijnen. Dit op basis van de aanname dat binnen dat tijdsbestek de nodige innovaties zijn doorgevoerd waardoor wellicht minder zonnepanelen nodig zijn om in de energiebehoefte te voorzien. P.M. Afstemming met provincie. Provincie heeft laten weten pas na de zomervakantie te kunnen reageren.
3.3 Buitenopslag bij particulieren In het raadsvoorstel van 24 mei 2022 wordt een nieuwe werkwijze voorgesteld voor de beoordeling van buitenopslag. Die werkwijze houdt in dat de ambtelijke projectgroep een afweging maakt of buitenopslag kwalijk is of niet. Ze baseren zich daarbij op twee foto-impressies die enerzijds kwalijke opslag verbeelden en anderzijds niet kwalijke opslag. De raad heeft met haar amendement aangegeven niet akkoord te gaan met deze werkwijze maar in plaats daarvan enkele beleidskaders op te stellen. Op basis van het amendement van de raad is nog een keer goed gekeken naar de grondslag om buitenopslag te verbieden. De Interim Verordening van de provincie stelt in artikel 3.73 dat opslag en stalling in geval van niet-agrarische functies in gebouwen dient plaats te vinden. Daarbij stelt de provincie in artikel 3.6 dat alle voorzieningen ten behoeve van de hoofdfunctie binnen het bouwperceel moeten worden geplaatst. In omliggende gemeenten (Asten, Cranendonck, HeezeLeende) wordt buitenopslag enkel uitgesloten bij bedrijfsbestemmingen en niet bij particulieren. Wel wordt specifiek in de gebruiksregels opgenomen dat bedrijfsmatige opslag binnen woonbestemmingen niet is toegestaan.
8/10
Op basis van bovenstaand blijkt dat we als gemeente een relatief strenge lijn hanteren bij de beoordeling van buitenopslag bij particulieren. Sinds deelgebied 1 hanteren wij in onze gebruiksregels dat “het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van opslag, stort of lozing” in strijd is met het bestemmingsplan. Opslag is hierin niet nader gedefinieerd. Op basis van de opgaven voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied is echter goed te motiveren om deze gebruiksregels in stand te houden. Het voorstel is echter om opslag beter te definiëren in de begripsbepalingen van het bestemmingsplan. Op die manier kan nader worden toegelicht wat hiermee wordt bedoeld.
De aangepaste gebruiksregel in het bestemmingsplan wordt dan: 17.4.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het in gebruik nemen of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor een doel of op een wijze, die in strijd is met de in dit plan daaraan gegeven bestemming en/of: […] “het gebruik van gronden en/of opstallen voor doeleinden van (bedrijfsmatige) opslag, stort of lozing” De begripsbepaling voor ‘opslag’ wordt dan (op basis van begripsbepaling van VNG): de opslag van afval gerede en ongerede goederen of onderdelen hiervan zoals puin grind vaten kisten containers bouwmaterialen werktuigen machines en dergelijke op de onbebouwde gronden voor zover deze zichtbaar negatieve invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit. Het begrip ruimtelijke kwaliteit wordt overigens in de bestaande bestemmingsplannen gedefinieerd als: kwaliteit van een gebied die bepaald wordt door de mate waarin sprake is van gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Op basis van bovenstaand kan men dus concluderen dat opslag van materialen die een zichtbare negatieve invloed hebben op de belevingswaarde van het gebied, in strijd zijn met het bestemmingsplan. Het woord ‘zichtbaar’ is hier expliciet aan toegevoegd omdat het moet gaan om een visuele negatieve invloed vanaf de openbare ruimte.
In geval van negatieve invloed door bijvoorbeeld geuroverlast kan op basis van andere wetgeving worden opgetreden. Het risico bij deze definitie is dat het aantasten van de belevingswaarde juridisch wellicht moeilijk aan te tonen valt. Termen als belevingswaarde of toekomstwaarde dragen een subjectieve component met zich mee. Dat betekent ook dat de ambtelijke organisatie een afweging dient te maken of een vorm van opslag van negatieve invloed is op de belevingswaarde. Het volledig objectiveren van beleidskaders voor buitenopslag is daarmee dus niet mogelijk.
9/10
Bovenstaande aanpassingen in de definities zullen worden doorgevoerd in de begrippenlijst van de bestemmingsplannen voor deelgebied 4 en verder. Deze beleidsaanpassing kan worden gezien als een nadere uitwerking van het begrip ‘opslag’ en heeft daarmee ook externe werking op bestaande bestemmingsplannen waaronder deelgebied 1 t/m 3. Daarmee is dus met het vaststellen van dit beleid ook het juridisch kader voor voorgaande bestemmingsplannen voldoende afgedekt.
4. Conclusie De raad heeft op 24 mei 2022 middels een amendement opdracht gegeven om enkele beleidswijzigingen door te voeren in het buitengebied van Someren. Daarbij is het uitgangspunt meegegeven om in de uitvoering coulance te betrachten zodat er minder nadruk op handhaving komt te liggen. Bovenstaande voorstellen dragen bij aan een evenwichtige uitvoering van deze opdracht. Daarbij is rekening gehouden met duidelijkheid en uitvoerbaarheid voor de ambtelijke organisatie. Het evaluatierapport en deze beleidsnotitie vormen samen een goede basis om het project actualisatie bestemmingsplan Buitengebied te vervolgen.
10/10