TOE_Banningstraat 5-11_ontwerp_02-03-2022
Tekst van het document
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
23
Onderzoek Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 49 woningen. Het plan draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is weergegeven in de navolgende afbeelding.
Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.8
Stikstofdepositie
Wet- en regelgeving Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Sinds 2015 was tot voor kort het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) van kracht. Het programma bevatte een integrale beoordeling van de bron- en gebiedsgerichte maatregelen voor de aanpak van de stikstofproblematiek. Deze maatregelen werden getroffen in en nabij de Natura 2000-gebieden die onderdeel zijn van het PAS. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) geldt het PAS voor geen enkel Natura 2000-gebied meer. Dit betekent ook dat de collectieve passende beoordeling via het PAS door de uitspraak is komen te vervallen. In het kader van dit bestemmingsplan is gekeken naar de mogelijk te verwachten effecten.
Onderzoek Ten behoeve van de ontwikkeling is de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige natuurgebieden bekeken in het onderzoek Stikstofdepositie. De drie Natura-2000 gebieden die op minder dan 10 kilometer van de gemeente Soest liggen zijn:
Arkemheen (op circa 6,3 kilometer afstand).
Oostelijke Vechtplassen (op circa 7 kilometer) en
Eemmeer en Gooimeer Zuidoever (op circa 7,4 kilometer).
De gebieden Eemmeer & Gooimeer Zuidoever en Arkemheen zijn niet stikstofgevoelig en kan met betrekking tot stikstofdepositie buiten beschouwing worden gelaten.
24
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
De afstanden tot de Oostelijke Vechtplassen en het Eemmeer & Gooimeer zijn dermate groot dat een effect door de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen op stikstofdepositie dan ook niet te verwachten is.
Conclusie Stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.9
Externe veiligheid
Wet- en regelgeving Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het zgn. plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen in de directe omgeving lopen als gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven.
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water en door leidingen.
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken, dat wil zeggen 24-uur per dag en gedurende het gehele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur.
Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde (inspanningsverplichting). Indien de oriënterende waarde voor het GR wordt overschreden, legt dit in het algemeen ook ruimtelijke beperkingen op aan een gebied buiten de 10-6-contour (PR).
Besluit externe veiligheid transportroutes Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden waarmee het verplicht wordt transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in het bestemmingsplan. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen en de bebouwde omgeving die hier langs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt aan de ene kant regels aan het vervoer van gevaarlijke stoffen en geeft aan de andere kant aan welke beperkingen gelden in het gebied rond de betreffende routes. Zo wordt aan iedereen die dicht bij deze snelwegen en spoorwegen woont of verblijft een basisbeschermingsniveau geboden. De "Wet basisnet" is een heel stelsel van wetten en regels. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) de belangrijkste wet. Hierin staan de risiconormen en de regels voor de beheersing van het risico van het vervoer.
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
25
Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid Op 28 juni 2016 is de "Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid" in de Staatscourant gepubliceerd. Deze circulaire vraagt actie van gemeenten bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan rondom LPG-tankstations en bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van een LPG-tankstation. De circulaire beoogt dat gemeenten, naast een risicobenadering in het kader van het Bevi (plaatsgebonden risico en groepsrisico), uitdrukkelijk ook een effectbenadering toepassen bij besluiten rondom LPG-tankstations. De effectbenadering is van toepassing als er een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld op grond waarvan kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten nabij een LPG-tankstation gerealiseerd kunnen worden of op een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van een LPG-tankstation.
Onderzoeken Raadpleging van de digitale risicokaart wijst uit dat rondom het plangebied twee risicobronnen aanwezig zijn, in de vorm van de provinciale weg N237 en de rijksweg A28. Er is daarom een Quick scan externe veiligheid uitgevoerd. In dit onderzoek wordt derhalve stilgestaan bij alle risicobronnen in een straal van 1,5 km vanaf de ontwikkellocatie. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de digitale risicokaart. De globale ligging van de ontwikkellocatie is globaal blauw aangeduid, de 1,5 kilometer grens is in zwart aangeduid.
[1] Wegtraject, N237, [2] Wegtraject, N413, [3] Wegtraject, A28 Uitsnede digitale risicokaart met aanduiding plangebied (blauwe cirkel) bron: www.risicokaart.nl
26
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
Binnen een afstand van 1,5 km bevinden zich geen risicovolle inrichtingen, risicovolle buisleidingen, transport over spoor of transport over water. Er liggen wel drie wegen nabij het plangebied waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. De wegen N237, N413 en A28 nader bekeken. Uit de uitgevoerde quick scan blijkt dat de ontwikkellocatie niet binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) en/of plasbrandaandachtsgebied en/of het invloedsgebied voor groepsrisico van een risicobron ligt. Daarmee is een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico niet vereist.
Niet gesprongen explosieven Teven is een Vooronderzoek niet gesprongen explosieven (ECG, 30 april 2020) uitgevoerd. Het doel van deze studie was het verkrijgen van een, door middel van het verzamelen en verwerken van relevant historisch feitenmateriaal, gefundeerd antwoord op de volgende drie kernvragen: 1. Is het onderzoeksgebied of delen hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen (indicaties) en is er daardoor sprake van een verhoogd risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven oftewel van VERDACHT-gebied? Uit het indicatie-onderzoek is gebleken dat er op 3 september 1944 nabij het onderzoeksgebied vliegtuigbommen zijn gevallen tijdens een Engelse luchtaanval op Soesterberg. Middels luchtfoto-interpretatie zijn de kraters van afgeworpen vliegtuigbommen nabij het onderzoeksgebied waargenomen. 2. Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk VERDACHT) gebied als ONVERDACHT kan worden aangemerkt? Op basis van het contra-indicatieonderzoek is vastgesteld dat er in de naoorlogse periode de navolgende werkzaamheden binnen en nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden, waarbij grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden:
Aanleggen nieuwe weg (N237) ten noorden van het onderzoeksgebied;
Aanleggen en verwijderen van een nieuwe weg in het onderzoeksgebied;
Bomenkap en verandering van grondgebruik;
Bouwen en slopen van naoorlogse bebouwing;
Aanleggen van kabels en leidingen.
De naoorlogse werkzaamheden zoals hierboven vermeld hebben niet in het verdachte gebied plaatsgevonden of de grond roerende activiteiten zijn niet diep genoeg geweest om het onderzoeksgebied als onverdacht aan te merken. 3. Indien er sprake is van verdacht-gebied wat is dan de (sub)soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoede Conventionele Explosieven? Op basis van het uitgevoerde onderzoek dient geconcludeerd te worden dat er binnen het onderzoeksgebied gerede kans is op het aantreffen van Engelse afgeworpen munitie. Het gaat hier om de volgende kalibers; 1000lbs USA SAP, 1000lbs USA, 500lbs USA, 500lbs GP, 500lbs MC. Het onderzoeksbureau adviseert om de locaties waar gebouwd gaat worden nader te onderzoeken op de aanwezigheid van mogelijk aanwezige objecten die voldoen aan het voorgenoemde zoekdoel.
Conclusie Er wordt met betrekking tot niet gesprongen explosieven geadviseerd om de locaties waar gebouwd gaat worden nader te onderzoeken op de aanwezigheid van mogelijk aanwezige objecten die voldoen aan het voorgenoemde zoekdoel. Dit onderzoek zal uitgevoerd worden voordat de bodemwerkzaamheden plaatsvinden. Verder vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor deze ontwikkeling.
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
27
4.10
Kabels en leidingen
Beleid, Wet- en regelgeving Structuurvisie Buisleidingen De Structuurvisie Buisleidingen is een visie van het Rijk waarmee het Rijk voor 20 tot 30 jaar ruimte wil reserveren voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Het gaat om ondergrondse buisleidingen voor het transport van aardgas, olieproducten en chemicaliën, die provinciegrens- en vaak ook landgrensoverschrijdend zijn. In de Structuurvisie wordt een hoofdstructuur van verbindingen aangegeven waarlangs ruimte moet worden vrijgehouden, om ook in de toekomst een ongehinderde doorgang van buisleidingtransport van nationaal belang mogelijk te maken. Deze leidingen, bestaand of nieuw, moeten volgens het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) moeten worden opgenomen in het bestemmingsplan met een belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijden van de leiding. Verder moet op grond van het Bevb voor alle leidingen rekening worden gehouden met de risiconormering voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen.
Onderzoek Er bevinden zich in het zich geen relevante leidingen. In geldende bestemmingsplan was een waterleiding opgenomen. Deze is niet meer in gebruik. De leiding is niet meer op de verbeelding opgenomen.
Conclusie het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.11
Water
Beleid, Wet- en regelgeving Bestuursakkoord Water Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven, hebben besloten maatregelen voor een doelmatiger waterbeheer overeen te komen in dit Bestuursakkoord Water. Men gaat zich inzetten voor een veilig, schoon, gezond en duurzaam beheer van het watersysteem en de waterketen. Het doel is om de kwaliteit van het beheer vergroten tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. De burger laten zien wat wordt bereikt en transparant zijn over de kosten. Dat doen de partijen vanuit eigen verantwoordelijkheden waarbij zij de expertise en deskundigheid met elkaar delen. Het Bestuursakkoord Water is één van de vijf onderdelen die vallen onder het Hoofdlijnenakkoord 2011-2015 tussen Rijk en decentrale overheden over decentralisatie. Dit Hoofdlijnenakkoord bevat naast afspraken over bestuur, financiën en het verminderen van regeldruk, richtinggevende kaders voor vijf terreinen van decentralisatie, waaronder water. Het Bestuursakkoord Water gaat uit van de algemene uitgangspunten van het kabinet: Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven beperken zich tot hun kerntaken; taken worden op een niveau zo dicht mogelijk bij de burger gelegd; per terrein zijn ten hoogste twee bestuurslagen betrokken bij hetzelfde onderwerp.
Met dit akkoord leggen de overheden vast op welke wijze, met welke middelen en langs welk tijdspad zij gezamenlijk de grote wateropgave voor Nederland in de 21e eeuw willen aanpakken. Het akkoord benadrukt de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het op orde krijgen en houden van het totale watersysteem. Het geeft aan welke instrumenten ingezet worden om de opgave te realiseren, welke taken en verantwoordelijkheden iedere partij daarbij heeft en hoe partijen elkaar in staat willen stellen hun taken uit te voeren.
Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:
Nederland blijft de veiligste delta in de wereld.
Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater.
Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.
Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement.
Nederlanders leven waterbewust.
28
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een normspecificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven.
Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.
Wet gemeentelijke watertaken (2008) In de Wet verankering en bekostiging gemeentelijke watertaken is de verbreding van het gemeentelijke rioolrecht tot een bestemmingsheffing geregeld. Hiermee kunnen gemeenten ook voorzieningen bekostigen voor hemelwaterafvoer en de aanpak van grondwaterproblemen in bebouwd gebied. Gemeenten is via een zorgplicht een formele rol toegekend in de aanpak van stedelijke grondwaterproblemen. Het gemeentelijke grondwaterbeleid moet zijn opgenomen in het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Indien er in het bebouwd gebied sprake is van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aanwezige bestemming, dan heeft de gemeente een zorgplicht. Dit betekent, dat de gemeente maatregelen moet nemen waarmee de problemen zoveel mogelijk voorkomen worden. De gemeentelijke zorgplicht geldt alleen als het gaat om maatregelen, die doelmatig zijn en niet tot de verantwoordelijkheid van het waterschap, provincie of particulieren behoren. Ook is de gemeente verantwoordelijk voor de doelmatige inzameling van afstromend hemelwater, voor zover de perceeleigenaar zelf dit water niet kan verwerken. Alle voorzieningen, die direct of indirect samenhangen met de gemeentelijke stelsels voor afvalwater, hemelwater en grondwater kunnen uit de verbrede rioolheffing worden bekostigd.
Iedere gemeente dient de grondwater- en hemelwaterzorgplicht te concretiseren naar de eigen lokale situatie. Er is beleidsruimte om op gemeentelijk niveau vast te stellen wanneer er bijvoorbeeld sprake is van structurele overlast en welke minimale ontwateringsdiepte gewenst is.
Provinciale Waterhuishoudingsplan Op 7 december 2015 heeft de provincie het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 (BWM-plan) vastgesteld. Dit plan legt het beleid op basis van de provinciale wettelijke taken voor bodem, water en milieu vast voor de periode 2016-2021. Het BWM-plan richt zich op vier belangrijke maatschappelijke opgaven: waterveiligheid en wateroverlast, schoon en voldoende oppervlaktewater, ondergrond en leefkwaliteit stedelijk gebied. Vanaf 2016 is al het bodem-, water en milieubeleid in één integraal plan opgenomen. De opgaven vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van dit plan. De provincie heeft in het plan de volgende doelen geformuleerd:
Wij streven naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden.
Wij streven naar bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied.
Wij streven naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden.
Wij streven naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio.
Om hierin een focus aan te brengen zijn vier prioriteiten benoemd: 1.
Waterveiligheid en wateroverlast
2.
Schoon en voldoende oppervlaktewater
3.
Ondergrond
4.
Leefkwaliteit stedelijk gebied
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
29
Gemeentelijke Water- en rioleringsplan Baarn en Soest 2018-2022 Het gemeentelijk riolering- en waterplan [GWRP] Baarn en Soest is in december 2017 vastgesteld en geldt voor de periode 2018 tot en met 2022. Het gaat over alle gemeentelijke watertaken (afvalwater, hemelwater en grondwater), het stedelijk oppervlaktewater en de integratie met de leefomgeving. Het plan beschrijft de achtergronden, het beleid, het programma en de financiën. Ook komen de rollen van de gemeente, waterschap. bewoners en bedrijven aan bod.
Onderzoek Voor onderhavig plan is de digitale Watertoets doorlopen. Uit de digitale watertoets blijkt dat het plan onder de korte procedure valt. De verharding binnen het plangebied neemt af door toedoen van onderhavige ontwikkeling, zoals weergegeven in de navolgende afbeeldingen.
Verharding bestaande situatie (bron: SAB)
Verharding nieuwe situatie (bron: SAB)
30
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
Er kan worden volstaan met een standaard wateradvies:
Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.
Grondwaterneutraal bouwen Nieuwe ontwikkelingen dienen volgens het beleid 'waterneutraal' te worden ontworpen. Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.
Schoon houden - scheiden - schoon maken Bij nieuwbouw moet hemelwater van afvalwater gescheiden worden gehouden. Het waterbeleid houdt rekening met een veranderend klimaat. Regenwater dat op het onverhard gebied valt in dit gebied zal op natuurlijke wijze in de bodem zakken, ook bij heftige buien. Regenwater dat op het verharde gebied valt wordt 'opgevangen' en geïnfiltreerd in de bodem.
Hemelwater In het GWRP staat de regel dat bij nieuwbouw (ook bij bestemmingswijzigingen) al het hemelwater op het perceel moet worden verwerkt. Hierbij mag gebruik worden gemaakt van hergebruiksystemen, waarbij hemelwater wordt ingezet voor de doorspoeling van wc, wasmachine of bewatering van tuinen. Gezien de ligging van de grondwaterspiegel en de bodemopbouw is het infiltreren een uitstekende optie. In het plan is zo min mogelijk straatoppervlak verhard. Paden worden niet bestraat en parkeerplekken krijgen open verharding, waardoor het water kan infiltreren in de bodem. Bovendien ligt het parkachtige middengebied iets lager, als natuurlijke bassin waar bij piekbuien het water in de zandachtige grond kan wegsijpelen.
Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Door de ontwikkeling neemt het oppervlakte aan verharding af.
Wateroverlast In de wijk is, vanwege diep gelegen grondwater, geen sprake van structurele grondwateroverlast. Het gebied is juist - net als de rest van de Utrechtse Heuvelrug - erg droog en daar wordt bij de inrichting rekening mee gehouden. De langere droogteperioden, in combinatie met de van nature diepe grondwaterstanden, maken dat vegetatie in dit gebied kan uitdrogen. In dit plan zal een centrale groene plek worden gecreëerd - als een open plek in het bos - met een mengsel van heide, eiken, grove den en jeneverbessen. Dit is natuurlijke vegetatie die past bij de schrale zandgrond.
Waterkwaliteit Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit betekent geen afvoer van hemelwater op het rioolstelsel: bij nieuwbouw moet hemelwater van afvalwater gescheiden worden gehouden. Dit wordt meegenomen in de verdere uitwerking van het plan.
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
31
Riolering Het afvalwater in dit gebied wordt momenteel door een deels gemengd en deels gescheiden stelsel afgevoerd naar de rioolwaterzuivering. Om verontreiniging te voorkomen, wordt de nieuwbouw alleen aangesloten op het vuilwaterriool.
Met onderhavig plan wordt een natuuurinclusieve aanpak gehanteerd, waar in de openbare ruimte nadrukkelijk rekening is gehouden met het vereiste waterbeheer. Tevens zijn er waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk binnen de volgende bestemmingen: 'Groen - Wijkgroen', 'Wonen' en 'Tuin'. Bij de uitwerking van de plannen zal verder worden uitgewerkt hoe dit vorm krijgt.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.12
Natuur en groen
Wet- en regelgeving Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora - en Faunawet. Doel van de Wnb is drieledig:
bescherming van de biodiversiteit in Nederland;
decentralisatie van verantwoordelijkheden en
vereenvoudiging van regels.
Met de Wnb bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer.
In de Wnb is opgenomen dat er beleidsregels en -verordeningen door de provincie worden vastgesteld rondom natuurgebieden, planten, dieren en bossen. Hiermee wordt per provincie een kader gegeven voor het afgeven van vergunningen en ontheffingen. De Wnb staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet.
De Wnb benoemt niet welke concrete activiteiten wel of niet zijn toegestaan. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Dit betekent in de praktijk dat het gaat om het effect van activiteiten op beschermde soorten. Andere belangrijke onderwerpen die geregeld worden in de Wet natuurbescherming, betreffen de jacht, de bestrijding van schade door beschermde wilde dieren en het beheer van populaties daarvan, maar ook de bescherming van natuurgebieden.
In de uitwerking van de Wnb wordt ook expliciet aan de provincies gevraagd om actief soortenbeleid te voeren. De Provincie Utrecht heeft inmiddels nieuw natuurbeleid vastgesteld. Daarin worden o.a. icoonsoorten en natuurparels benoemd. Een deel van het betreffende bestemmingsplangebied is aangewezen als natuurparel 'rivier'.
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee en alle Natura 2000-gebieden.
32
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. Het Natuurnetwerk Nederland moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen.
De bescherming van de NNN betekent niet dat bijvoorbeeld woningbouw en bedrijvigheid altijd verboden zijn. Ontwikkelingen zijn onder bepaalde voorwaarden mogelijk. Het Rijk en de provincies hebben hiervoor samen met gemeenten en maatschappelijke organisaties, spelregels opgesteld. In de NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. Ruimtelijke ingrepen zijn niet toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn. Ook moeten de ontwikkelingen een groot openbaar belang hebben. De schadelijke effecten van de activiteit op de natuur moeten bovendien worden gecompenseerd. Ook hierover zijn afspraken gemaakt.
Bescherming en kap van bomen (2012) In de nota 'Bescherming en kap van bomen' is het beleid rondom het duurzaam beschermen van bomen en de regels voor het kappen vastgelegd. De juridische regels rondom het beschermen en kappen van bomen zijn vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening Soest (APV Soest). Het beschermen van bomen is gericht op het behoud van het groene karakter van de gemeente Soest, dat hoofdzakelijk wordt bepaald door bomenstructuren. Daarnaast kunnen individuele bomen of bomengroepen van grote waarde zijn voor een bepaalde plek.
De te beschermen bomen zijn onderverdeeld in 5 categorieën: 1.
Bomenstructuren zoals vastgelegd op de groenstructuurkaart, en de parkwijken;
2.
Monumentale bomen (particulier en gemeentelijk);
3.
Waardevolle bomen (gemeentelijk);
4.
Toekomstig monumentale particuliere bomen op percelen = 175m²;
5.
Overige openbare bomen.
De beschermwaardige bomen van categorieën 1 t/m 3 zijn vastgelegd op de bomenkaart van Soest. Voor deze bomen geldt een concreet verbod op het vellen. Er wordt géén vergunning verleend voor kap, tenzij sprake is van een zwaarwegend planologisch argument van algemeen belang. Daarbij geldt de juridische voorwaarde dat eerst aantoonbaar gekeken moet worden naar alternatieve ruimtelijke en boomkundige oplossingen om de monumentale boom te behouden. Er wordt altijd een herplantplicht opgelegd. Voor de bomen in categorie 4 en 5 geldt dat een vergunning wordt verleend mist geen sprake is van een weigeringsgrond. Daarbij dient aangetoond te worden dat de boom in de planvorming uitdrukkelijk is meegewogen, er géén haalbare alternatieven zijn en het belang van het doorgaan van de plannen/ontwikkeling(en) groter is dan de waarde van de boom. Bij vergunningverlening kan een herplantplicht worden opgelegd.
Bomen en ruimtelijke ontwikkelingen In de oriëntatiefase van een planontwikkeling moet door de initiatiefnemer het aanwezige groen en de bomen/houtopstanden worden ingemeten, geïnventariseerd en gewaardeerd. Bij het inventariseren is het van belang dat ook de kroonprojectie wordt ingemeten en de mogelijkheid tot verplanten van de bomen wordt onderzocht. Op basis van deze inventarisatie beoordeeld de gemeente welke bomen behouden moeten blijven en worden randvoorwaarden gesteld. Ook bomen binnen de directe invloedssfeer van de ontwikkeling (5 meter uit bouwwerk (rondom) of binnen 5 meter uit perceelsgrens) moeten geïnventariseerd worden, om mogelijke schade / noodzaak tot vellen vooraf in beeld te hebben en bepalend te laten zijn voor de vergunningverlening van het bouwwerk.
In de ontwerp-/ voorbereidende fase moet inzichtelijk worden gemaakt wat het effect is van het (bouw)plan / de werkzaamheden op de bomen. Een Bomeneffectanalyse (BEA) beoordeelt of de boom/houtopstand, in het perspectief van de voorgenomen bouw/aanleg, in zijn huidige verschijningsvorm en standplaats, duurzaam behouden kan blijven. Ook worden knelpunten in beeld gebracht. Op basis van een BEA worden passende oplossingen gezocht. Tevens worden maatregelen en randvoorwaarden (ontwerpeisen) aangegeven met als doel de bomen duurzaam te behouden, zowel tijdens de sloop, de bouw als daarna.
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
33
Onderzoek Door BK bouw- & milieuadvies (d.d. 19 februari 2019) is een Quick scan flora en fauna uitgevoerd. Daaruit kan het volgende worden geconcludeerd.
Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in de buurt van Natura 2000-gebied. Het meest nabije gebied, Oostelijke Vechtplassen, ligt op circa 11 kilometer afstand. Door de afstand tot het Natura 2000-gebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn verstoringen op voorhand uitgesloten. De bescherming van Natura 2000 staat de ontwikkeling niet in de weg en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.
Verder blijkt uit de quick scan dat in de directe omgeving van het plangebied Natuurnetwerk Nederland aanwezig is. Gezien de stedelijke omgeving met reeds aanwezige verstoringsfactoren als licht, geluid et cetera worden daar op gebiedsniveau geen nadelige effecten verwacht.
Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Uit de quick scan blijkt verder dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Nestplaatsen van vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd worden niet verwacht. Nader onderzoek naar deze soorten is niet nodig en de bescherming van deze soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Nader onderzoek is benodigd naar vleermuizen en de hazelworm. Er wordt niet verwacht dat andere strikt beschermde soorten voor zullen komen binnen het plangebied, nader onderzoek naar het voorkomen van andere soorten is dan ook niet noodzakelijk.
Er is een Nader onderzoek vleermuizen en hazelwormen uitgevoerd. Op grond van dit onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden:
het plangebied heeft de functie als foerageergebied, maar gezien de groene en bosachtige omgeving gaat er geen essentieel foerageergebied verloren;
door tijdens de bouwwerkzaamheden eventuele verlichting neerwaarts te richten en geen nachtelijke werkzaamheden uit te voeren worden nadelige effecten ten aanzien van foeragerende vleermuizen tot een minimum beperkt;
de staat van instandhouding van de vleermuizen in Soesterberg komt niet in het geding;
met het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld, vermoedelijk zijn in de buurt wel verblijfplaatsen van vleermuizen;
de locatie heeft geen functie voor hazelwormen;
er is geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. De locatie kan vrijgegeven worden voor vleermuizen.
Beschermde houtopstanden Ten behoeven van het planvoornemen dienen circa 350 bomen gekapt te worden, dit is circa 70 % van de bomen binnen het plangebied. Ten behoeve daarvan is een Bomen effect analyse (BEA) (Copijn, 12-11-2021) uitgevoerd. In de BEA wordt verder ingezoomd op de bomen waar knelpunten optreden of knelpunten zijn verholpen. Een groot gedeelte van de te kappen bomen bestaat uit jonge bomen (onder de 25 DBH). Vijf waardevolle bomen dienen gekapt te worden, 157 waardevolle bomen kunnen blijven staan (97 procent). Van de totaal 371 ingemeten en beoordeelde bomen (het aantal ligt hoger, omdat de bomen binnen de houtwal aan de noordzijde niet individueel zijn opgenomen) komen er 307 bomen voor kap in aanmerking. Belangrijk is dat in dit aantal 98 bomen zijn opgenomen met een toekomstperspectief dat beperkend is voor de lange termijn, zoals rotting van de stamvoet of terugstervende kronen. Hiervan hebben 32 bomen de categorie 'dood' of een toekomstverwachting van minder dan 5 jaar. Daarnaast zijn er 16 bomen, waarvoor behoud extra groeiplaatsverbetering geadviseerd wordt. Deze bomen staan bijvoorbeeld relatief dicht bij een oprit of te bouwen woning. Het is in de voorbereiding op de bouwfase ter nadere uitwerking welke exacte maatregelen nodig zijn deze bomen zo goed mogelijk in te passen. Dit kan onder meer door gerichte snoei vanwege de
34
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
achterstallige beheersituatie. Om dit op orde te brengen dient onder begeleiding van een gecertificeerde boomverzorger (ETW) snoei plaats te vinden, zodat probleemtakken zoals zuigers en plakoksels worden uitgelicht/ingenomen en dood hout wordt verwijderd. Dergelijke begeleiding en onderhoud is in de voorgaande jaren niet gedaan, maar was ook niet in alle gevallen noodzakelijk vanwege de beperkte omgevingsveiligheid en het feit dat het om particuliere bomen ging. In de toekomstige situatie valt een deel van de waardevolle bomen onder het gemeentelijk beheer, omdat het openbare ruimte betreft.
Conclusie Met het in acht nemen van de bovengenoemde maatregelen ten behoeven van vleermuizen en bomen zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het aspect natuur. Er is geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig.
4.13
Archeologie
Wet- en regelgeving
Modernisering Monumentenzorg (MoMo) De Rijksoverheid wil de monumentenzorg op hoofdpunten moderniseren. Onder meer door gemeenten en provincies in hun ruimtelijke ordening rekening te laten houden met cultureel erfgoed.
Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) Het Europese Verdrag over de bescherming van archeologische erfgoed (het Verdrag van Malta) bepaalt onder andere dat het archeologisch belang wordt meegewogen bij besluitvorming over ruimtelijke ordening. Bij elke activiteit waarmee de bodem wordt verstoord in een gebied met (verwachte) archeologische waarde, moet in een zo vroeg mogelijk stadium worden bepaald of nader onderzoek noodzakelijk is.
Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) In 2007 is als implementatie van het Verdrag van Malta de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten. De Wamz gaat uit van het zo vroeg mogelijk betrekken van archeologische waarden in het ruimtelijk ordeningsproces. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de gronden moet dan ook rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Daarom moet bij het opstellen van een bestemmingsplan worden onderzocht in hoeverre in betreffende gronden archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Gebieden waar resten aanwezig (kunnen) zijn, kunnen met een dubbelbestemming archeologie in het bestemmingsplan worden beschermd. Voorafgaand aan bodemverstorende ingrepen moet dan in bepaalde gevallen eerst nader onderzoek worden uitgevoerd. De Wamz geeft aan dat archeologisch onderzoek nodig is bij bodemverstorende ingrepen van meer dan 100 m2.
Nadruk op "behoud in situ", dit betekent dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem zelf bewaard blijven;
De noodzaak om in de ruimtelijke ordening tijdig te denken aan archeologisch waarden in het plangebied. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met aanwezige en te verwachten monumenten- en archeologische waarden;
Toepassing van het principe dat de verstoorder betaalt: de initiatiefnemer/projectontwikkelaar draagt de kosten voor het noodzakelijk archeologisch onderzoek;
Provinciale Staten kunnen archeologisch attentiegebied aanwijzen indien het bestemmingsplan onvoldoende bescherming biedt. Dit betekent dat de gemeente een nieuw plan moet vaststellen waarin wel rekening wordt gehouden met aanwezige en te verwachten archeologische waarden;
De mogelijkheid tot het werken met opgravingsvergunningen voor commercieel werkende instellingen.
Voor archeologisch waardevolle gebieden gelden voor bodemingrepen strengere eisen. Hiervan mag met goed onderbouwd beleid van worden afgeweken.
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
35
Archeologische beleids- en advieskaart Soest Voor het grondgebied in Soest is een Archeologische beleidsadvieskaart opgesteld, die aangeeft welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke een hoge, middelhoge en lage verwachtingswaarde hebben.
Archeologisch onderzoek is nodig als de (nog niet eerder verstoorde) bodem dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt verstoord:
in een archeologisch waardevol gebied bij een ingreep van meer dan 50 m2;
in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde bij een ingreep van meer dan 100 m2;
in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde bij een ingreep van meer dan 500 m2;
in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde bij een ingreep van meer dan 10.000 m2.
Onderzoek Het plangebied valt onder een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. Het plangebied is ruim 16.000 m2 groot. Hiervan wordt bijna 3.000 m2 bebouwd en wordt ruim 5.000 m² vergraven voor infrastructuren werken. Totaal zullen de werkzaamheden in de bodem die dieper gaan dan 30 cm niet meer bedragen 8.000 m². Er zal daarom geen archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.
Conclusie Het plangebied heeft een lage archeologische verwachtingswaarde. Gezien de omvang van de bodemingrepen is archeologisch onderzoek niet nodig voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.14
Cultuurhistorie en erfgoed
Wet- en regelgeving Besluit ruimtelijke ordening In verband met een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 4 onder a.) moeten gemeenten vanaf 1 januari 2012 bij het maken van bestemmingsplannen niet alleen rekening houden met cultuurhistorische waarden onder, maar ook boven de grond. Cultuurhistorie bestaat uit archeologie, historische gebouwen en historische geografie. De potentiële archeologische vindplaatsen zijn reeds in kaart gebracht (Archeologische beleids- en advieskaart Soest). Historische gebouwen worden beschermd via de Monumentenwet. Zij zijn aangewezen als Rijksmonument of als gemeentelijk monument.
Cultuurhistorische Waardenkaart De gemeenteraad van Soest heeft op 25 april 2013 ingestemd met het opstellen van een Cultuurhistorische Waardenkaart (CHWK). Op 27 mei 2014 hebben burgemeester en wethouders van Soest ingestemd met een als zodanig opgestelde cultuurlandschappelijke en historisch-stedenbouwkundige waarderingskaart en een cultuurhistorische kenmerkenkaart met bijbehorend onderzoeksrapport. Alsook hebben burgemeester en wethouders besloten de gedane beleidsadviezen af te wegen en voorstellen te ontwikkelen over in welke mate en op welke wijze de daarvoor in aanmerking komende beleidsadviezen kunnen worden vertaald in concreet beleid in de ruimtelijke plannen.
Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft:
vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten;
verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie;
bescherming van stads- en dorpsgezichten.
36
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
Monumentenverordening gemeente Soest De 'Monumentenverordening gemeente Soest' verbiedt het om binnen de grenzen van een beschermd dorpsgezicht gebouwen geheel of gedeeltelijk af te breken. Dit geldt ook voor de dorpsgezichten op de gemeentelijke monumentenlijst. Het monumentenbeleid van Gemeente Soest is erop gericht, dat wenselijke of noodzakelijke veranderingen binnen een dorpsgezicht flexibel maar verantwoord kunnen worden ingepast in de cultuurhistorische omgeving.
Onderzoek Soesterberg ligt tegen de westkant van de stuwwal die de ruggengraat vormt van de Utrechtse Heuvelrug. De kern is ontstaan halverwege de zeventiende eeuw rond de kruising van de nationale route voor diligence- en postverkeer tussen Amsterdam en Arnhem (voormalige Soesterbergsestraat, nu Veldmaarschalk Montgomeryweg) en de provinciale weg tussen Utrecht en Amersfoort (voormalige Amersfoortsestraat, nu Rademakerstraat/Banningstraat). Om deze weg destijds te bekostigen, zijn aan weerszijden de woeste gronden ontgonnen in regelmatige kavels van 100 roe (376 meter) breed en 50 roe diep. De kavels werden bebost en in combinatie met de overgebleven heidevelden en stuifzanden en meer gecultiveerde tuinen rond de huizen kreeg het gebied het karakter van een landgoederenzone. Wanneer de nieuwe eigenaar namelijk besloot op zijn perceel een huis te bouwen dan kreeg hij een dubbele diepte van 100 roe toegewezen. Die kavelstructuur is nog steeds goed te herkennen net als op een aantal plaatsen zogenaamde sorties. Deze dienden destijds om de heide aan weerszijden van de weg bereikbaar te houden. Ze waren ongeveer 40 m breed: eikenhakhout op de twee wallen met daartussen een eikenlaan. Veel sorties (ook in Soesterberg) zijn nog aanwezig als infrastructuur of erfgrens. In 2011 is dit in opdracht van de Provincie Utrecht onderzocht.
De Rademakerstraat/Banningstraat is als historisch infrastructurele lijn opgenomen in de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur. Met voorliggend plan wordt deze cultuurhistorisch waardevolle structuur niet aangetast. Binnen het plangebied liggen geen monumenten.
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.15
Duurzaamheid
Duurzaamheidsplan (2016-2020) In februari 2016 is het Duurzaamheidsplan 2016-2020 vastgesteld door de gemeenteraad van Soest. De onderstaande ambities en doelstellingen hebben betrekking op het ruimtelijk beleid.
Ambities voor 2030
Voor nieuwbouw wordt de GPR-score van 10 gehanteerd;
Waar er gebouwd wordt wil de gemeente Soest niet ten koste van de natuur maar met de natuur ontwikkelen. Op ieder schaalniveau moeten natuur en stad worden verbonden in het ruimtelijk ontwerp.
Doelstellingen voor 2020
Voor nieuwbouw geldt de GPR-score van minimaal 7 (GPR= integrale praktijkrichtlijn hoe woningen gebouwd moeten worden met cijfer voor energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit, toekomstwaarde). Waar mogelijk wordt gekeken om een stapje verder te gaan;
Bij verstedelijking en uitbreiding hiervan nemen we de voorwaarde op dat ruimtelijke plannen een onderbouwing moeten bevatten over de wijze waarop het plan rekening houdt met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen;
In ruimtelijke plannen (bv. Structuurvisies, bestemmingsplannen of omgevingsplan) en in het voortraject (verkoop grond) altijd duurzaamheidsaspecten meewegen;
Wij streven bij gebiedsontwikkelingen naar zelfvoorzienend op het thema energie. Wij nemen bij uitleglocaties en transformatieopgaven de voorwaarde op dat gemeenten en initiatiefnemers in ruimtelijke plannen dienen te beschrijven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en de inzet van duurzame energie, waarbij onder meer wordt gedacht aan toepassing van restwarmte, Warmte Koude Opslag en aardwarmte, zonne-energie en biomassa.
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
37
Klimaatbestendige leefomgeving (Klimaatadaptatie) Extreme weersomstandigheden (hitte, droogte, wateroverlast) zullen vaker voorkomen. Rijk en gemeenten brengen de komende vier jaar gezamenlijk de maatregelen voor adaptatie in kaart. De uitwerking moet aansluiten bij de ruimtelijke en stedenbouwkundige ontwikkelingen, waterbeheer en gezondheidszorg binnen de gemeenten.
Duurzaam bouwen Gebruik van nationale pakketten duurzaam bouwen of GPR (gemeentelijke praktijk richtlijn) gebouwen (nieuw) wordt in overleg met ontwikkelende partijen meegenomen. De gemeente is van mening dat nieuwe woningen in dit plangebied gerealiseerd moeten worden met een verscherpte energieprestatie van 25% t.o.v. het Bouwbesluit en realiseren van een Energieprestatie op locatie van 8,0 tot 9,0 op wijkniveau. Door gebruik te maken van het instrument GPR kan de aannemer/ontwikkelaar de energieprestatie van een gebouw berekenen. Dit instrument geeft ook de maatregelen aan die nodig zijn om deze energieprestatie te halen. De gemeente Soest streeft naar een GPR score van 7 voor nieuwbouw van woningen en zal de woningen toetsen met "GPR-gebouw". De werking is als een rapportcijfer: door invoering van de kenmerken van een woning, berekent GPR een mate van duurzaamheid tussen de 0 en de 10, waarbij een 7 gelijk is aan een standaardwoning volgens het bouwbesluit. GPR deelt de kenmerken in naar vijf duurzaamheidsthema's: Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Van deze 5 duurzaamheidsthema's valt te denken aan de volgende maatregelen om de ambitie per woning te bereiken:
Energie
Oriëntatie: bouwen pal op zuid levert meest op, daarna ZO, ZW;
Ruimte (eventueel) reserveren voor collectieve opwekking/levering.
Milieu
Opvang en afkoppelen van regenwater;
Minimaliseren verhard oppervlak;
Ruimte voor composteren in de tuin/buurt.
Gezondheid
Minimale geluidsbelasting op de gevels;
Zicht op groen.
Gebruikskwaliteit
Toegankelijkheid met OV en fiets;
Dichtbij parkeren;
Meerdere functies in een gebouw mogelijk;
Woninggrootte & perceeloppervlak.
Onderzoek Met onderhavig plan is aandacht voor duurzaamheid. Zo wordt gasloos gebouwd en is nadrukkelijk aandacht voor een groene inrichting. Centraal in het plangebied is een parkzone beoogd. Daarnaast vormen de randen van het plangebied een groene wal.
Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
38
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
4.16
Verkeer, vervoer en parkeren
Beleid Gemeentelijk verkeer- en vervoersplan 2008 Verkeer- en vervoerstromen zijn de laatste decennia sterk aan verandering onderhevig. Ruimtelijke en economische ontwikkelingen en de hiermee samenhangende, groeiende vraag naar mobiliteit zijn daarvan de oorzaken. Alle verkeer- en vervoerstromen moeten in goede banen worden geleid. Er moet tijdig ingespeeld kunnen worden op ontwikkelingen en de overlast van verkeer moet zoveel mogelijk beperkt worden. Hieraan is invulling gegeven in het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan, dat in 2008 is vastgesteld. Belangrijk onderdeel binnen het verkeersbeleid is bereikbaarheid. De bereikbaarheid van de gemeente is van groot belang voor de ruimtelijke en economische ambities. De verschillende vervoerssystemen (fiets, openbaar vervoer en auto) moeten er voor zorgen, dat Soest bereikbaar is en bereikbaar blijft.
Nota parkeernormen auto en fiets 3e herziening, slimmer en beter 2017 In deze nota zijn de parkeernormen van de gemeente Soest vastgesteld. Deze parkeernormen gelden voor elke bouwactiviteit en/of wijziging van gebruik van een gebouw. De nota geeft uitleg over de berekening van de parkeereis en hoe daaraan te voldoen. Daarbij is ook de mogelijkheid van het college opgenomen om ontheffing te verlenen van de parkeereis tegen betaling van een afkoopsom. De gemeente neemt daarmee de verplichting van een ontwikkelaar over om parkeerplaatsen in de omgeving te realiseren. Hiervoor heeft de gemeente een parkeerfonds opgericht. Op 28 september 2017 heeft de gemeenteraad van Soest de nota herzien. Met de herziening van de beleidsnota zijn ook fietsparkeernormen opgenomen. De aangepaste beleidsregel is op 30 november 2017 in werking getreden. Vanaf dat moment is het van belang om in het vigerende bestemmingsplan na te gaan welke nota voor welk perceel van toepassing is. Wordt in het bestemmingsplan niet verwezen naar een beleidsnota, dan geldt de nieuwe nota.
Onderzoek Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Voor de voorgenomen ontwikkeling is een memo Parkeren en verkeer opgesteld. Voor de verkeersberekening is uitgegaan van het bouwen van 10 starterswoningen, 30 rijwoningen (incl hoekwoningen) en 6 twee onder één kap woningen en 3 vrijstaande woningen. Gelet op het feit dat het plangebied aan de noordrand van Soesterberg ligt, wordt gesteld dat de kencijfers voor 'rest bebouwde kom' aangehouden kunnen worden. De gemeente Soest wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een 'matig stedelijk gebied'. Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling in de toekomstige situatie circa 370 motorvoertuigen per weekdagetmaal genereert. Per werkdag genereert de ontwikkeling in de toekomstige situatie circa 410 motorvoertuigen per etmaal. Dit extra verkeer kan worden opgenomen in het ter plaatse heersende verkeersbeeld.
Parkeren De gemeente Soest heeft voor het aspect parkeren gemeentelijk beleid vastgesteld in de vorm van de Nota Parkeernormen auto en fiets 2017. Binnen de ontwikkeling worden 91 parkeerplaatsen gerealiseerd waarvan 17 parkeerplaatsen op eigen terrein en 74 in het openbaar gebied. De totale rekenkundige parkeercapaciteit conform het gemeentelijk beleid bedraagt afgerond 96 parkeerplaatsen. Indien daarnaast ook gekeken wordt naar de aanwezigheidspercentages kunnen de 91 parkeerplaatsen beschouwd worden als 95,6 parkeerplaatsen. Voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen dient gekeken te worden naar de grootte van de woningen. In de nota Verkeer en parkeren is hiervoor een berekening uitgevoerd. De verdeling, inclusief compensatie ziet er als volgt uit:
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
39
Uit de tabel blijkt dat binnen de ontwikkeling voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd om in de eigen parkeervraag te voorzien. De ontwikkeling heeft, rekening houdend met de te compenseren parkeerplaatsen langs de Banninghal, een overschot van 9 parkeerplaatsen.
Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.17
Duurzame verstedelijking
Beleid, wet- en regelgeving Nota wonen in Soest (2012) Het voornaamste doel van deze nota is een actualisering van het woonbeleid op basis van nieuwe gegevens. De meest recente prognoses ten aanzien van bevolkings- en huishoudenontwikkeling, de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en de nieuwste inzichten in woontrends vormen samen een actueel en volledig beeld waarin onder meer duidelijk wordt waar mensen willen wonen, hoe ze willen wonen, waarin ze willen wonen et cetera. Een ander doel van deze leidraad is het aanreiken van handvatten om ontwikkelingen te sturen en om volkshuisvesting leidend te maken waar het ruimtelijke ontwikkelingen betreft. De bouwopgave wordt idealiter namelijk ingegeven door wat volkshuisvestelijk gewenst is. Dat vertaalt zich in een opgave gespecificeerd naar types, woonmilieus, locatie enzovoort. Tenslotte vormt de inhoud van deze nota een uitvoeringsagenda voor de toekomst. Deze agenda laat zien waar de prioriteiten liggen waar het de woningmarkt betreft.
Actuele regionale behoefte De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer ruimtelijke plannen de treden van de ladder moeten worden doorlopen. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. De trapsgewijze beoordeling van de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals de SVIR die op hoofdlijnen omvat, is neergelegd in artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Het artikel luidt als volgt:
40
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
De toelichting bij een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden: 1.
er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
2.
indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt, dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins en
3.
indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt, dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.
Onderzoek Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Uit jurisprudentie blijkt dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. SAB heeft een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking uitgevoerd. In deze toets wordt geconcludeerd dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Tevens is aangetoond dat deze ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte voor het verzorgingsgebied. Deze behoefte wordt gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. Daarmee wordt geconcludeerd dat het plan de toetsing aan de Ladder positief heeft doorlopen.
Conclusie het aspect ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
Bestemmingsplan Banningstraat 5-11
41
Hoofdstuk 5
Toelichting op regels
In hoofdstuk 3 is de voorgestane invulling van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 4 toont aan, dat deze invulling uitvoerbaar is. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling, die de invulling mogelijk maakt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. In de inleiding wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven. In paragraaf 5.2 wordt een toelichting gegeven op de regels, waarbij de hoofdstukindeling van de regels wordt gevolgd. In paragraaf 5.3 wordt tenslotte de verbeelding beschreven.
5.1
Inleiding
Dit bestemmingsplan bestaat uit een (digitale) verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen moeten in onderlinge samenhang worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld. Daarnaast zijn er algemene regels, en overgangs- en slotregels opgenomen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer, die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Hierna wordt nader ingegaan op de delen van de juridische regeling (de regels en de verbeelding (plankaart) die nadere toelichting nodig hebben.
5.2
Planregels
5.2.1
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 van de regels geeft de inleidende regels. Hier worden de in het bestemmingsplan voorkomende begrippen gedefinieerd en wordt de wijze van meten toegelicht.
5.2.2
Bestemmingsregels
Een aantal regelingen behoeft nadere uitleg. In het algemeen geldt dat hoofdgebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak. In deze bouwvlakken zijn de maximale goot- en bouwhoogte opgenomen.