MEMO verhouding raad en college bij bestemmingsplanprocedure
Tekst van het document
MEMO Aan: Van: Betreft: Datum:
De leden van de gemeenteraad Karin Scholten Verhouding raad en college bij een bestemmingsplanprocedure 23 september 2024
Inleiding Tijdens de beeldvormende bijeenkomst van afgelopen donderdagavond heb ik aan u toegezegd dat ik nader zal ingegaan op de verhouding tussen het college en de raad in het kader van een bestemmingsplanprocedure. Raad is bevoegd gezag tot vaststelling bestemmingsplan Uw raad is bevoegd tot het nemen van een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan (zie artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening). Het college is bevoegd dit besluit van de raad voor te bereiden (zie artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen: de Afdeling) verwijst naar haar uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:580, waarin ook een weigering om een bestemmingsplan vast te stellen voorlag. In dat geval had het college in de zienswijzennota het standpunt ingenomen dat het plan ruimtelijk aanvaardbaar was. De raad besloot het plan echter niet vast te stellen. In dit kader overwoog de Afdeling dat de raad niet aan de inzichten van het college ter zake is gebonden. De raad oordeelt namelijk over de aanvaardbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling.
Vergelijk ook de uitspraak van 1 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1543, waarin de Afdeling in dezelfde zin oordeelde over een weigering van de raad om een bestemmingsplan vast te stellen in relatie tot een door het college genomen principebesluit. Besluit van de Raad moet gemotiveerd zijn Op 15 november 2023 deed de Afdeling een uitspraak over een besluit van de gemeenteraad van Montfoort tot niet-vaststelling van een bestemmingsplan. De Afdeling overweegt in navolging van eerdere uitspraken dat ook een dergelijk besluit voorzien dient te zijn van een ruimtelijk relevante motivering. Ik verwijs kortheidshalve naar de uitspraak van de Afdeling inzake het besluit van uw raad tot niet-vaststelling van het bestemmingsplan ‘Dr. De Voslaan nabij nrs, 4. 6 en 8’. Uw raad heeft hiertoe besloten omdat er geen maatschappelijk draagvlak is voor de bouw van een woning op de beoogde locatie. Naar het oordeel van de Afdeling betreft het ontbreken van een maatschappelijk draagvlak echter geen ruimtelijk relevant aspect.
1
Conclusie: Voornoemde uitspraken bieden voor de praktijk een belangrijke herinnering dat ook indien een gemeenteraad besluit tot het niet vaststellen van een bestemmingsplan dit besluit op grond van de artikelen 3:2 en 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb) deugdelijk moet zijn gemotiveerd en ten aanzien van dit besluit een adequate belangenafweging wordt gemaakt. Het enkele feit dat er geen maatschappelijk draagvlak is, is niet afdoende. Aangezien de Awb onder de Omgevingswet ook nog onverkort zal gelden, blijft dit voor u als raad ook een aandachtspunt.
2