Bijlage 3 Flora- en faunaonderzoek Batenburgweg
Tekst van het document
FLORA- EN FAUNAONDERZOEK BATENBURGWEG – SOESTERBERG
Opdrachtgever
:
KuiperCompagnons t.a.v. de heer P. Snelders Postbus 13042 3004 HA Rotterdam
Vestiging
:
ABO-Milieuconsult B.V. Amundsenweg 29 4462 GP Goes tel. +31 (0)113 362280
Projectnummer Periode onderzoek Datum rapportage
: : :
ANL19-4588 Maart 2020 18 maart 2020
Veldmedewerkers:
De heer R.F.M. Sluijs (Ecoloog)
Projectadviseur:
De heer D.D.C.A. Bijl
Handtekening:
Dhr. R.J. van der Helm Team Manager Zonder toestemming van de opdrachtgever of ABO-Milieuconsult B.V. mag deze uitgave niet anders dan in zijn geheel worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van fotokopie, microfilm of welke andere wijze dan ook. Alle opdrachten worden uitgevoerd volgens onze Algemene Voorwaarden, zoals gedeponeerd bij de KvK Zuidwest-Nederland te Middelburg onder nr. 22065838. Op verzoek kunnen de Algemene Voorwaarden naar u worden toegestuurd.
Inhoudsopgave 1. Inleiding ___________________________________________________________________________ 3 1.1 Aanleiding ______________________________________________________________________ 3 1.2 Doel van het onderzoek ____________________________________________________________ 3 1.3 Leeswijzer ______________________________________________________________________ 3 2. Opzet en uitvoering van het onderzoek ___________________________________________________ 4 2.1 Bureaustudie ____________________________________________________________________ 4 2.2 Veldonderzoek ___________________________________________________________________ 4 2.3 Effectenbeoordeling _______________________________________________________________ 4 3. Beschrijving van het plangebied ________________________________________________________ 5 3.1 Ligging plangebied _______________________________________________________________ 5 3.2 Algemene beschrijving van het plangebied _____________________________________________ 7 4. Wettelijk kader ______________________________________________________________________ 9 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten ____________________________________________ 9 4.2 Vrijstelling soorten provincie Utrecht _________________________________________________ 10 5.
Resultaten en effectenbeoordeling _____________________________________________________ 11 5.1 Vleermuizen ____________________________________________________________________ 11 5.2 Grondgebonden zoogdieren _______________________________________________________ 11 5.3 Vaatplanten ____________________________________________________________________ 12 5.4 Vogels ________________________________________________________________________ 13 5.5 Amfibieën en reptielen ____________________________________________________________ 13 5.6 Overige beschermde soorten ______________________________________________________ 14 5.7 Bomen in het plangebied __________________________________________________________ 14 6. Samenvatting, conclusie en overzichtstabel ______________________________________________ 15 6.1 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 ________________________________________ 15 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 ________________________________________ 15 6.3 Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied __________ 16 7. Nader onderzoek vleermuizen _________________________________________________________ 17 8.
Aanbevelingen _____________________________________________________________________ 18 Literatuur en bronvermelding ____________________________________________________________ 21 Detailfoto’s ________________________________________________________________________ 22
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
2/25
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding In opdracht van KuiperCompagnons is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd op de locatie Batenburgweg, te Soesterberg. Aanleiding voor het uitvoeren van dit flora- en faunaonderzoek zijn de voorgenomen plannen tot sloop en verwijdering van de bestaande opstallen en de realisering van nieuwbouw binnen het plangebied. 1.2 Doel van het onderzoek Deze quickscan flora en fauna heeft ten doel de voorgenomen plannen te toetsen aan de huidige natuurwetgeving, de Wet natuurbescherming, zodat duidelijk wordt welke maatregelen moeten worden getroffen om overtreding van deze wet te voorkomen. Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor door de Wet natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten. Indien overtreding niet kan worden vermeden, is in het onderhavige rapport in hoofdstuk 7 aangegeven voor welke soorten ontheffing dient te worden aangevraagd. Indien aanvullend onderzoek noodzakelijk blijkt, kan op basis van de quickscan een gedegen planning daarvan worden gemaakt. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de opzet van het onderzoek besproken en in hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het plangebied. In hoofdstuk 4 is de reikwijdte en de doelstelling uit de Wet natuurbescherming beschreven.
In hoofdstuk 5 worden conclusies getrokken uit de resultaten van het bureauonderzoek en het veldbezoek, waarna in hoofdstuk 6 de conclusies zijn samengevat. Tot slot worden in hoofdstuk 8 aanbevelingen en in de bijlage een overzicht van de geraadpleegde literatuur gepresenteerd.
Afkadering plangebied. Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
3/25
2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK Het onderhavige flora- en faunaonderzoek bestaat uit twee onderdelen, te weten: een bronnen- en literatuuronderzoek en een biotooptoets (veldbezoek). De biotooptoets is door een ecoloog uitgevoerd op 1 maart 2020 in de ochtend bij bewolkt weer, windkracht 3 en circa 9ºC. 2.1 Bureaustudie Het bronnen- en literatuuronderzoek omvat een bureaustudie, waarbij kaarten zijn geraadpleegd (kenmerken van het landschap waarin het plangebied zich bevindt) en de reeds bekende verspreidingsgegevens van voorkomende beschermde soorten in de regio zijn geraadpleegd. In het bronnen- en literatuuronderzoek zijn het plangebied en het omliggende gebied in een straal van ongeveer 1,5 kilometer onderzocht. Er zijn diverse bronnen geraadpleegd om een beeld te krijgen van de verspreiding en mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied. Aan de hand van deze informatie is een inschatting gemaakt of de betreffende soorten in het plangebied voor zouden kunnen komen, gezien de habitatvoorkeur van de betreffende soorten. Een overzicht van de gebruikte literatuur is opgenomen in de literatuurlijst, die is opgenomen in de bijlage van deze briefrapportage. 2.2 Veldonderzoek Naast een bureaustudie is een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied.
De bevindingen van het bronnenen literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch mogelijk kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied. 2.3 Effectenbeoordeling Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, is beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing is alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet Natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect.
Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet natuurbescherming. Algemene soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet Natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht ex artikel 1.11.
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
4/25
3. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 3.1 Ligging plangebied Het plangebied ligt ingesloten tussen de Batenburgweg, Sterrenbergweg en Schooldwarsweg in Soesterberg Noord, gemeente Soest. Aan de noordzijde grenst het aan voormalig vliegveld Soesterberg. Het plangebied maakt onderdeel uit van Masterplan Soesterberg, waartoe ook woningbouw op het voormalig vliegkamp en direct grenzend aan het plangebied hoort. In de directe omgeving van het plangebied wordt al enige jaren dit masterplan ten uitvoer gebracht. Op onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur.
Ligging plangebied (blauwe kader) ten opzichte van NNN (groen). Duidelijk zichtbaar is de woningbouw rechts van het plangebied. De strook tussen plangebied en NNN is eveneens bestemd voor woningbouw. De gebouwen zijn genummerd 1,2 en 3 ten behoeve van de quickscan, zie voor foto’s §3.2.
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
5/25
Binnen een straal van 10 kilometer liggen geen Natura 2000-gebieden.
Ligging plangebied (i) ten opzichte van omgeving. Binnen een straal van 10km zijn geen stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden. Bron: Calculator Aerius.
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
6/25
3.2 Algemene beschrijving van het plangebied In het plangebied staan drie vrij van elkaar staande opstallen (voor nummering zie afbeelding §3.1). Opstal 1 betreft een loods met kantoorgedeelte. Het gebouw is opgetrokken uit baksteen en plaatstaal. In een strook groen voor het kantoor staan enkele berken en coniferen. Twee lindes en een berk staan aan de Sterrenbergweg.
Foto-impressie opstal 1
Opstal 2 is een expeditieruimte. Ook dit gebouw is opgetrokken uit baksteen en plaatstaal. Twee coniferen staan in de noordoosthoek, ander groen is niet aanwezig.
Foto-impressie opstal 2
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
7/25
Opstal 3 is deels expeditieruimte en deels kantoor. De expeditieruimte is opgetrokken uit baksteen en plaatstaal. Het kantoor volledig uit baksteen. Twee eiken en twee coniferen staan op dit terrein.
Foto-impressie opstal 3. De foto linksboven geeft aan hoe de gebouwen ten opzichte van elkaar zijn gelegen.
Overzicht van de meeste bomen in het plangebied.
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
8/25
4. WETTELIJK KADER 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.
Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.
in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
9/25
4.2 Vrijstelling soorten provincie Utrecht In de provincie Utrecht zijn de volgende soorten vrijgesteld: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, middelste groene kikker/bastaard kikker, aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat. Wanneer deze soorten in het plangebied voorkomen hoeft een ontheffing niet te worden aangevraagd. Voor bovengenoemde soorten blijft de zorgplicht, zie §6.1, altijd bestaan.
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
10/25
5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING 5.1 Vleermuizen Resultaten bureauonderzoek In het plangebied staan opstallen, waardoor gebouwbewonende soorten vleermuizen kunnen worden verwacht. Hieronder vallen volgens de verspreidingsgegevens de gewone dwergvleermuis, meervleermuis, vale vleermuis, gewone grootoorvleermuis, baarvleermuis, franjestaart en laatvlieger. Ruige dwergvleermuis kan paarverblijven hebben in kieren in gebouwen, maar is over het algemeen een boombewonende soort. Bomen van voldoende grootte zijn in het plangebied aanwezig, waardoor de aanwezigheid van de volgende boombewonende soorten kan worden verwacht: rosse vleermuis en watervleermuis. Resultaten veldbezoek De opstallen in het plangebied zijn geïnspecteerd op geschikte aanwezige invliegopeningen voor vleermuizen. Bij de gebouwen zijn 1 en 2 zijn geen voor vleermuizen geschikte openingen gevonden. Er zijn geen open stootvoegen aanwezig. Het plaatstaal warm te snel op en koelt te snel af, waardoor de klimatologische omstandigheden ongeschikt zijn als verblijfplaats. Alle gebouwen hebben een plat dak, waardoor het ongeschikt is voor vleermuizen. Bij gebouw 3 zijn open stootvoegen aanwezig die leiden tot een spouw. Naast de ingang zit een groter gat dat toegang tot de spouw geeft. Andere kieren zijn niet gevonden. In de bomen zijn geen voor vleermuizen geschikte holtes of loszittende schors waargenomen.
Zie detailfoto’s in de bijlage. Het plangebied vormt geen lijnvormig element en maakt daarom geen deel uit van een vliegroute voor vleermuizen. Als foerageergebied heeft het plangebied geen essentiële functie, omdat groen van betekenis voor insecten en vleermuizen ontbreekt. Conclusie vleermuizen In het plangebied zijn alleen bij gebouw 3 invliegmogelijkheden voor vleermuizen aangetroffen. Een lijnelement is niet aanwezig. Als foerageergebied heeft het plangebied geen essentiële functie. Een vaste vliegroute van vleermuizen is niet aanwezig. Op grond van het bovenstaande is het uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen. Nader onderzoek naar vaste rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen is noodzakelijk om na te gaan of vleermuizen verblijven in gebouw 3. Zie §7.1. 5.2 Grondgebonden zoogdieren Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens komen boommarter, rode eekhoorn en das voor in de omgeving van het plangebied. Bos is bij uitstek het biotoop van de boommarter. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottingsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan.
Boommarters maken meestal niet zelf een hol maar passen een bestaand nest aan. Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied. Hun voorkeur gaat uit naar ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40-80 jaar) omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid is. Eekhoorns bouwen nesten in bomen die vooral in de winter, wanneer er geen blad aan de bomen zit, goed waarneembaar zijn. Het nest is bolvormig, zo groot als een voetbal en heeft een doorsnede van 30 tot 50 cm. Het wordt op minstens 5 meter boven de grond gebouwd. Soms gebruiken ze ook boomholten, oude kraaien- of eksternesten of grote nestkasten als nestplaats.
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
11/25
De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook andere open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte gebieden. Zelfs in afgravingen, oude ertsmijnen, op kliffen en onder gebouwen wordt de das soms aangetroffen. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen van) beschermde zoogdieren waargenomen. In het plangebied en de directe omgeving zijn geen foerageer- en schuilmogelijkheden, in de vorm van besdragende struiken en takkenhopen of dergelijk. Een groot areaal aan bos is in of nabij het plangebied niet aanwezig. Een nest van eekhoorn in de bomen is niet gevonden. Kleinschalig landschap is niet aanwezig. Het plangebied is daarom ongeschikt als biotoop voor beschermde zoogdieren. Algemene soorten zoogdieren, waaronder egel en diverse soorten muizen, kunnen wel voorkomen. Conclusie grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten zoogdieren, of sporen hiervan, aangetroffen. Deze worden gezien het biotoop ook niet verwacht in de toekomst.
Voor eventueel aanwezige algemene zoogdieren geldt de zorgplicht (zie §6.1). 5.3 Vaatplanten Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens komen wilde averuit, korensla en dennenorchis voor in de omgeving van het plangebied. Resultaten veldbezoek De meeste beschermde planten zijn afhankelijk van een zeer specialistisch biotoop, zoals naaldbossen met een bodem van half verteerd naaldenstrooisel, rivierduinen, zonnige open plaatsen in bermen, braakliggende grond of akkers. Geconstateerd is dat het biotoop in het plangebied hiervoor niet geschikt is. Dit bestaat uit een gecultiveerde groenstrook en verharding. Beschermde vaatplanten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Conclusie vaatplanten Op grond van het biotoop kan de aanwezigheid van beschermde soorten vaatplanten worden uitgesloten. Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige vaatplanten geen beschermde status hebben en ontwikkelingen niet in de weg staan.
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
12/25
5.4 Vogels Resultaten bureauonderzoek In de verspreidingsgegevens worden over de afgelopen drie jaar meerdere vogelsoorten genoemd. Huismus en gierzwaluw komen voor in Soesterberg. Andere soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is, waaronder uilen en roofvogels, worden niet verwacht vanwege het aanwezige biotoop. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het plangebied ongeschikt is voor huismussen en gierzwaluwen omdat invliegopeningen die kunnen leiden naar geschikte nestplaatsen ontbreken. Huismussen zijn niet waargenomen in het plangebied en in de omgeving daarvan. In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Vanwege het aanwezige groen valt niet uit te sluiten dat in het plangebied soorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is gaan broeden. Conclusie vogels Het plangebied heeft geen functie voor broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. In het gebied zijn geen (overblijfselen van) jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Huismussen zijn in het gebied niet gesignaleerd, noch doet het plangebied dienst als (essentiële) foerageerplaats of schuilplaats voor huismussen. Vanwege het aanwezige groen is het niet uit te sluiten dat algemene soorten in het plangebied gaan broeden.
De Wet natuurbescherming biedt bescherming aan alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. De nestbescherming geldt voor alle in gebruik zijnde nesten gedurende het broedseizoen en voor een beperkt aantal soorten jaarrond. Iedere in gebruik zijnde nest is beschermd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode, globaal wordt uitgegaan van half maart tot half augustus. Geadviseerd wordt het groen in het plangebied, voor zover noodzakelijk, te verwijderen voor het broedseizoen, om verstoring van broedvogels te voorkomen. Eveneens kan gestart worden voor het broedseizoen en met continue (weekenden uitgezonderd) verstoring door te werken in het broedseizoen. Indien wordt gestart in het broedseizoen, moet door een deskundig ecoloog worden vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels plaatsvindt. 5.5 Amfibieën en reptielen Resultaten bureauonderzoek In de omgeving van Soesterberg komen vier reptielsoorten voor: zandhagedis, levendbarende hagedis, hazelworm en ringslang. Op het aangrenzende Vliegveld Soesterberg komt zandhagedis voor. De meeste waarnemingen worden gedaan in het heideterrein ten noorden van de oost-west gelegen voormalige landingsbaan op circa 500m van het onderzoeksgebied. Dergelijk zeer geschikt leefgebied is niet aanwezig in het deel van het vliegveld dat aan het onderzoeksgebied grenst.
Op een afstand van circa 600 meter ten oosten van het onderzoeksgebied zijn in het verleden hazelwormen aangetroffen aan de rand van de bosstrook aangrenzend aan de vliegbasis (Van Kessel & Hoogerwerf, 2013). In Nederland is de zandhagedis sterk gebonden aan duin- en heidegebieden. In het binnenland en in de kalkarme duinen wordt hij vooral aangetroffen in droge struikheideterreinen. In de kalkrijke duinen komen de meeste zandhagedissen voor in het open struweelduin. Voor het leggen van eieren kiezen de vrouwtjes zonnige, onbegroeide zandige plekken. Heide en hoogveen vormen de voorkeurshabitat van de levendbarende hagedis. De soort komt ook voor in open bossen en ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in een beperkt deel van de duinen. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die in de genoemde landschapstypen veel wordt aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen. De hazelworm heeft een voorkeur voor enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. De soort komt voor in open bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen. De meeste waarnemingen komen uit bos- en heideterreinen. Ze zijn vaak lastig te vinden omdat ze weinig op open plekken zonnen. In mei bestaat de grootste kans ze zonnend aan te treffen.
De rest van het jaar verschuilen ze zich vaak onder planten, strooisel of ondergronds. Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
13/25
De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Grote oppervlaktes laag gelegen, nat gebied worden gemeden, omdat de soort daar vaak niet alle stadia van zijn levenscyclus kan doorlopen. Met name de ontwikkeling van de eieren en de overwintering vormen in polders een probleem. Ringslangen zonnen vaak op dijkjes in de buurt van water, waar ze jagen op voornamelijk amfibieën en soms andere gewervelde dieren waaronder vissen. Het voorkomen van in de verspreidingsgegevens genoemde beschermde amfibieën heikikker, poelkikker, alpenwatersalamander, vroedmeesterpad en kamsalamander, kan op basis van het ontbreken van het juiste biotoop (water ontbreekt in of nabij het plangebied) op voorhand worden uitgesloten. Resultaten veldbezoek In het plangebied zijn vanwege de tijd van het jaar geen reptielen waargenomen. Het plangebied biedt geen geschikt biotoop voor reptielen vanwege het ontbreken van het juiste biotoop. Zo ontbreekt een oppervlakte los zand voor zandhagedis. Water ontbreekt in het geheel. Poeltjes of plaatsen waar regenwater kan blijven staan, zowel in het plangebied als in de directe omgeving van het plangebied zijn niet aanwezig. Conclusie amfibieën en reptielen Beschermde amfibieën en reptielen komen op grond van het ongeschikte biotoop niet voor.
Nader onderzoek naar en maatregelen voor deze soortgroepen is niet noodzakelijk. Voor eventueel aanwezige algemene soorten geldt de zorgplicht, zie § 6.1. 5.6 Overige beschermde soorten Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens komen kommavlinder, gevlekte witsnuitlibel en sleedoornpage voor in de omgeving van het plangebied.
Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het biotoop ongeschikt is voor beschermde soorten libellen en vlinders, vanwege het ontbreken van poeltjes of waardplanten (zoals schapengras, prunus soorten en sleedoorn) voor ei-afzetting. Conclusie overige beschermde soorten Met beschermde ongewervelde diersoorten hoeft op grond van biotoop en verspreidingsgegevens geen rekening gehouden te worden. 5.7 Bomen in het plangebied De bomen in het plangebied vallen binnen de bebouwde kom en zijn daarmee niet beschermd in de Wet natuurbescherming. Volgens het omgevingsloketonline.nl geldt met betrekking tot kap van de bomen: “Voor particuliere eigenaars van percelen binnen de bebouwde kom die hun boom willen vellen, betekent dit dat: 1. voor een boom die een stamomtrek heeft van minder dan 30 cm (gemeten op 1.30 meter boven maaiveld) geen omgevingsvergunning vereist is; 2. voor een boom die op een perceel staat van minder dan 175 m² en die krachtens de bomenkaart niet beschermd wordt, is geen omgevingsvergunning vereist; 3. voor een boom die op een perceel staat van meer dan 175 m² en die krachtens de bomenkaart niet beschermd wordt, is geen omgevingsvergunning vereist als de boom dunner is dan 80 cm stamomtrek (gemeten op 1.30 meter boven maaiveld).” Meerdere bomen hebben een omtrek van meer dan 80cm. Een kapvergunning is vereist.
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
14/25
6. SAMENVATTING, CONCLUSIE EN OVERZICHTSTABEL Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het mogelijk is dat met de plannen vaste rusten verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde vleermuizen. Nader onderzoek naar vleermuizen moet aantonen of vleermuizen in het plangebied verblijven. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Hieronder wordt geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven. 6.1 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Zodra een in het wild levend dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Invulling zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 Geadviseerd wordt de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden, of het groen te verwijderen voor het broedseizoen. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden.
Dit geldt niet indien het groen reeds is verwijderd voor het broedseizoen, omdat dan geen vogels in het plangebied tot broeden kunnen komen.
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
15/25
6.3 Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied Soort(groep)
Ingreep verstorend Mogelijk
Nader onderzoek Ja
Ontheffing
Grondgebonden zoogdieren Vogels Amfibieën en reptielen
Nee
Nee
Nee
Bijzonderheden/ opmerkingen Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Geen beschermde soorten aanwezig.
Nee* Nee
Nee Nee
Nee Nee
* Houd rekening met het broedseizoen Geen beschermde soorten aanwezig.
Vaatplanten Overige soorten
Nee Nee
Nee Nee
Nee Nee
Geen beschermde soorten aanwezig. Geen beschermde soorten aanwezig.
Vleermuizen
Mogelijk
Wij adviseren om de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en bovengenoemde conclusies.
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
16/25
7. NADER ONDERZOEK VLEERMUIZEN Alle soorten vleermuizen zijn beschermd in het kader van de Wet Natuurbescherming. Dit betekent dat vaste rust- of verblijfplaatsen van deze soorten niet zomaar mogen worden aangetast. Hiervoor is een ontheffing van de Wet Natuurbescherming nodig. Tijdens het flora- en faunaonderzoek (ecologische quickscan) is vastgesteld dat in het plangebied vleermuizen kunnen voorkomen. Nader onderzoek is nodig om het voorkomen van vleermuizen met zekerheid vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Omdat vleermuizen nachtdieren zijn, zijn deze overdag niet of nauwelijks waar te nemen. Tijdens het aanvullend onderzoek moet het plangebied ’s nachts worden onderzocht met behulp van een zogenaamde batdetector. Tijdens het uitvoeren van vleermuisonderzoeken wordt gewerkt volgens het landelijk vastgestelde vleermuisprotocol (opgesteld door Gegevensautoriteit Natuur, Zoogdiervereniging en Netwerk Groene Bureau’s, 2017). Tijdens het onderzoek zal worden beoordeeld in hoeverre het plangebied een functie heeft als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen en in hoeverre deze een onderdeel vormt van een essentieel foerageergebied en/of vliegroute. Vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen voor vleermuizen meerdere functies bezitten, namelijk als: -
Zomerverblijfplaats, onderzoek 15 april-15 augustus; Kraamverblijfplaats: onderzoek 15 mei-15 juli; Winterverblijfplaats: onderzoek naar zwermen 1 augustus – 15 augustus; Paar- en zwermverblijfplaats: onderzoek 15 augustus-1 oktober.
De vijf bezoeken die nodig zijn voor het aanvullend onderzoek vinden bij voorkeur plaats in de bovenstaande periodes. In het geval daadwerkelijk vleermuizen aanwezig zijn in het plangebied, dan is een ontheffing noodzakelijk, deze moet worden aangevraagd. Hiervoor dienen ten eerste tijdelijke (mitigerende) maatregelen genomen te worden. Elke verblijfplaats dient minimaal één jaar voor het ingaan van de werkzaamheden in viervoud te worden gecompenseerd. Bijvoorbeeld een paarverblijf in een boom die wordt gekapt kan worden gemitigeerd door het ophangen van 4 paarverblijfkasten in de nabijheid van het plangebied. Ten tweede moeten in de nieuwbouw permanente (compenserende) maatregelen worden genomen. Ook dit dient in viervoud te geschieden. Bijvoorbeeld voor een gebouw dat gesloopt gaat worden waarin een kolonie dwergvleermuizen heeft gezeten worden in de nieuwbouw minimaal 4 compenserende vleermuis kraamverblijven ingebouwd. De planning voor een plangebied waarin vleermuizen verwacht kunnen worden kan dan als volgt uitpakken: In maart vond de ecologische quickscan plaats. Deze stelt vast dat vleermuizen in het plangebied kunnen voorkomen. Het nader onderzoek loopt tot en met september. In oktober wordt de rapportage opgeleverd. In oktober wordt de vergunning aangevraagd en worden de mitigerende maatregelen genomen.
De daadwerkelijke werkzaamheden in het plangebied kunnen dan, indien de vergunning wordt verleend, plaatsvinden vanaf oktober 2021. Dit proces kan worden versneld door voor april 2020 reeds vleermuiskasten in de omgeving op te hangen. Dit kan aan panden die niet vallen binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden (binnen een straal van 30m) maar wel binnen een straal van 200m. Voorkomen moet worden dat kasten worden opgehangen aan plaatstaal, omdat dit te snel opwarmt en afkoelt. Het gebouw aan de Sterrenbergweg 29 en de woonhuizen aan de Sterrenbergerweg zijn mogelijkheden. Eveneens kunnen vleermuiskasten op palen worden geplaatst. De hoogte van de kasten moet meer dan 2,5m zijn. In dat geval kan, indien er vleermuizen in het gebied verblijven, worden gestart met de werkzaamheden zodra de in oktober 2020 aangevraagde ontheffing is verleend (dit kan ongeveer 20 weken duren).
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
17/25
8. Aanbevelingen Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet natuurbescherming geven wij in relatie tot de voorgenomen nieuwbouw de volgende aanbevelingen met als doel de ecologische structuren in de omgeving te versterken. Voor meer informatie over de mogelijkheden zie: Checklist groen bouwen: https://www.checklistgroenbouwen.nl/ Verstedelijking draagt bij aan het verlies van biodiversiteit, maar de bouw biedt ook kansen. Voor sommige dieren zijn onze steden en dorpen zelfs het belangrijkste leefgebied. Daar kan iedereen een steentje aan bijdragen. Met de Checklist Groen Bouwen kan iedere bouwonderneming, architect of projectontwikkelaar zijn projecten en ontwerpen natuurvriendelijker maken. Het beantwoorden van enkele simpele ja/nee vragen leidt tot eenvoudige soortbeschermingsmaatregelen. Het planten van bomen en struwelen voor vogels verdient aanbeveling. Het beste zijn, ecologisch gezien, inheemse bes- en bloemdragende struiken en planten. Een haag van meidoorn/sleedoorn en liguster vormt een goede schuilgelegenheid voor huismussen. Creëer insectenhotels.
Voorbeelden van insectenhotels.
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
18/25
Voor huismussen blijken uit onderzoek zogenaamde mussenvides (onderste foto's) uitstekend te functioneren als nestplaats. Deze zijn gemakkelijk en relatief goedkoop in te bouwen in de nieuwbouw. Huismussen hebben schuilplaatsen in de directe omgeving van het nest nodig. Hiervoor kunnen bomen en/of struiken worden aangeplant. Een kleine plaats waar een zandbad genomen kan worden door de huismus moet ook aanwezig zijn.
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
19/25
Voor vleermuizen kunnen open stootvoegen aangebracht worden in muren, of vleermuiskasten kunnen worden geplaatst in de spouw of tegen de muur op >2,5 meter hoogte in nieuwbouw. Eveneens kunnen vleermuisstenen worden ingemetseld (foto links boven). Zie literatuurlijst voor vermelding naar brochure vleermuisvriendelijk bouwen.
Vrijwel onzichtbare inbouw van vleermuisstenen en technische informatie over de plaatsing daarvan.
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
20/25
Literatuur en bronvermelding Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Limpens e.a. KNNV 1997 Bats of Britain and Europe, C. Dietz en A. Kiefer, Bloomsbury 2016 www.vleermuis.net, voor up-to-date kennis van vleermuizen Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON)(Redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland brochure vleermuisvriendelijk bouwen: Zoogdiervereniging e.a., 2011 Atlas van de Nederlandse Zoogdieren, Zoogdiervereniging 2016, S. Broekhuizen et al. Zoogdiervereniging: www.zoogdiervereniging.nl Stichting RAVON: www.ravon.nl Nederlandse Oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Weeda e.a. 1985-1994 Verspreidingsatlas planten. 13 mei 2014, http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Sovon Vogelonderzoek Nederland: www.sovon.nl Vereniging Vogelbescherming: www.vogelbescherming.nl Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep, Ministerie van LNV, 2009 Nationale Databank Flora en Fauna, www.telmee.nl Omgevingsdienst Online www.olo.nl Bomenkaart Soest, www.soest.nl
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
21/25
Detailfoto’s
Naadloze aansluiting plaatstaal op bakstenen bij alle gebouwen. Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
22/25
Niet doorlopende holtes in de bomen
Enkele van de aanwezige open stootvoegen in gebouw 3.
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
23/25
Meer open stootvoegen boven de lateien en groter gat (gele cirkel), waar vleermuizen kunnen invliegen.
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
24/25
Aansluiting zonder kieren tussen kozijn en dakbetimmering van kantoor gebouw 1
Flora- en faunaonderzoek, Batenburgweg te Soesterberg, ANL19-4588
25/25