CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 12 Bomeneffectanalyse

Raad in gesprek 14 september 2023, gemeente SoestBij agendapunt: Bestemmingsplan voormalig Elma-terrein5.627 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bomen Effect Analyse en Verplantbaarheidsonderzoek Batenburgerweg Soesterberg

COLOFON Bomen Effect Analyse en Verplantbaarheidsonderzoek Batenburgerweg Soesterberg OPDRACHTNEMER

idverde Bomendienst Postbus 177 7300 AD Apeldoorn T 055 5 999 444 E bomendienst@idverde.nl

OPGESTELD DOOR VRIJGEGEVEN DOOR

Jeffrey Roest Bart van Tilburg

OPDRACHTGEVER

KuiperCompagnons Mevr. F. Fresen Postbus 13042 3004 HA Rotterdam

PROJECTNUMMER KENMERK

728210281 BD21139

VERSIE DATUM

1 2 augustus 2021

Copyright 2021 idverde. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van idverde. idverde is niet aansprakelijk voor eventuele schade ontstaan bij gebruik van gegevens uit dit rapport.

2

BD21139

INHOUDSOPGAVE COLOFON ........................................................................................................................................ 2 1.

INLEIDING ............................................................................................................................. 4 1.1 Uitgangspunten project 1.2 Voorgenomen werkzaamheden

2.

WERKWIJZE .......................................................................................................................... 8 2.1 Werkwijze bovengrondse beoordeling 2.2 Werkwijze ondergronds onderzoek

3.

8 9

RESULTATEN ....................................................................................................................... 11 3.1 Bovengrondse Beoordeling 3.2 Resultaten ondergronds onderzoek 3.3 Resultaten bovengronds onderzoek

4.

4 6

11 13 15

CONCLUSIE EN ADVIES ........................................................................................................ 18 4.1 Eindoordeel effecten 4.2 Impact uitvoering 4.3 Randvoorwaarden boombescherming 4.4 Verplantbaarheid

18 19 20 21

BIJLAGEN ....................................................................................................................................... 22 Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

3

BD21139

Bomenposter werken rond bomen Bodemprofielen Boomgegevens

22 23 28

1. Inleiding Aan de Sterrenbergweg te Soesterberg zullen nieuwe woningen gerealiseerd worden. Hiervoor zal de bebouwing gelegen tussen de Sterrenbergweg en de Batenburgweg gesloopt worden. Binnen het plangebied staan 13 bomen. De bomen dienen te worden geïnventariseerd. Daarnaast dient de potentiële verplantbaarheid te worden onderzocht. Bomen Effect Analyse (BEA) Een BEA beantwoordt de vraag of een boom/bomen in de huidige verschijningsvorm en huidige standplaats duurzaam behouden kan/kunnen blijven in relatie tot de voorgenomen werkzaamheden en welke maatregelen en randvoorwaarden hiervoor nodig zijn. Verplantbaarheidsonderzoek (VPO) Een verplantbaarheidsonderzoek beantwoordt de vraag of een boom in de huidige verschijningsvorm en met het huidige wortelgestel duurzaam verplant kan worden, met behoud van de kwaliteit van de boom, en welke randvoorwaarden hiervoor nodig zijn.

Hiervoor worden de volgende onderdelen nader uitgewerkt: • Wat is de conditie en kwaliteit van de bomen in het plangebied? • Hoe is de bodemopbouw en bewortelingssituatie van de aanwezige bomen? • Wat zijn de (mogelijke) negatieve effecten van de geplande werkzaamheden, zowel op korte als op lange termijn? • Welke maatregelen zijn nodig om mogelijk negatieve effecten te voorkomen dan wel te beperken? Aanvullend heeft u ons gevraagd om een advies te leveren over: • Is de boom geschikt voor verplanting? • Wat zijn de beperkingen voor het verplanten van de boom? • Wat is de slagingskans van een verplanting voor deze boom? Het onderzoek is op 29 juli 2021 uitgevoerd door Jeffrey Roest, Boomtechnisch Adviseur werkzaam bij idverde Bomendienst B.V.

1.1 Uitgangspunten project Aanleiding In de oriëntatiefase van een planontwikkeling moet door de initiatiefnemer het aanwezige groen en de bomen/houtopstanden worden ingemeten, geïnventariseerd en gewaardeerd. Bij het inventariseren is het van belang dat ook de kroonprojectie wordt verbeeld en de mogelijkheid tot verplanten van de bomen wordt onderzocht. Op basis van deze inventarisatie beoordeeld de gemeente welke bomen behouden moeten blijven en worden randvoorwaarden gesteld. Ook bomen binnen de directe invloedssfeer van de ontwikkeling (5 meter uit bouwwerk (rondom) of binnen 5 meter uit perceelsgrens) moeten geïnventariseerd worden, om mogelijke schade / noodzaak tot vellen vooraf in beeld te hebben en bepalend te laten zijn voor de vergunningverlening van het bouwwerk.

4

BD21139

Locatie De Batenburgerweg ligt in het noorden van Soesterberg en grenst het industrieterrein aan Vliegbasis Soesterberg, zie afbeelding 1.1. Aan het einde van de weg kruist de Batenburgerweg met de Sterrenbergweg.

Afbeelding 1.1 Kruising Batenburgerweg en Sterrenbergweg in Soesterberg Relevante informatie Bij de ontwikkeling zullen de bomen aan de Sterrenbergweg zoveel mogelijk worden gerespecteerd. De voortuinen van de woningen aan de Sterrenbergweg zijn minimaal 4 meter diep en de rooilijn van de appartementengebouwen blijft ook circa 4 meter uit de erfgrens, met groene invulling. Naar verwachting zal geen bebouwing worden geprojecteerd binnen de kroonprojectie van de bestaande bomen. Projectfase Het project bevindt zich in de ontwerpfase. Er is inzicht in de te verwachten ingrepen. Aan de hand van deze BEA is beoordeeld wat de invloed van de werkzaamheden op de bomen zal zijn en welke maatregelen (indien nodig) getroffen moeten worden om de bomen duurzaam te kunnen behouden. Beschikbare informatie Voor deze BEA zijn de volgende bronnen en uitgangspunten gebruikt:  Door de opdrachtgever gegeven informatie en kaartmateriaal.  KLIC-melding met referentienummer: 21G448933.

5

BD21139

Functie of waarde van bomen De bomenstructuur in het westelijk deel van het plangebied is aangeduid als laan. Er zijn geen monumentale waardevolle bomen aanwezig, afbeelding 1.2. De bomen die op onderstaande kaart staan aangeduid als monumentale boom, vallen buiten het plangebied.

Afbeelding 1.2 Functie van bomen

1.2 Voorgenomen werkzaamheden In het plangebied (afbeelding 1.3) gaan bovengrondse en ondergrondse herinrichtingen plaatsvinden. Op basis van de werkomschrijving zijn de gevolgen voor de boom in beeld gebracht. Het bovengrondse en ondergrondse onderzoek is erop gericht om deze knelpunten te onderzoeken. Op basis van de resultaten wordt een analyse gemaakt om de effecten van de voorgenomen werkzaamheden te bepalen. De impact van de voorgenomen werkzaamheden op de bovengrondse en ondergrondse situatie van de bomen wordt toegelicht aan de hand van de knelpunten, daarnaast worden waar mogelijk kansen benoemd om de situatie en kwaliteit van de bomen te verbeteren.

Afbeelding 1.3 Plangebied 6

BD21139

Woningbouw In het plangebied wordt nieuwbouw gerealiseerd. Binnen het plangebied zijn woongebieden te onderscheiden, met elk een eigen karakter en relatie met de omgeving. De lintstructuur aan de Sterrenbergweg wordt ter hoogte van het plangebied doorgezet in opzet, architectuur en kapvorm. Het noordelijk deelgebied krijgt een campus achtige setting en een groen, bosrijk landschap en uitstraling naar de noordzijde. Belangrijke randvoorwaarde zijn diepe voortuinen langs de Sterrenbergweg: minimaal 4 meter uit de erfgrens. Bij het bouwen van woningen, kantoren en andere bouwwerken wordt de bovengrondse en ondergrondse ruimte veranderd. Het bouwwerk bevindt zich mogelijk binnen de kroonprojectie waardoor snoei noodzakelijk is. Voor de plaatsing van stijgers en het hijsen van materialen is doorgaans extra werkruimte nodig, waardoor de boom mogelijk behouden kan blijven maar door de wijze van uitvoering toch ernstige kroonschade oplevert. Het plaatsen van gebouwen kan daarbij zorgen voor een veranderende windbelasting die kan resulteren in takbreuk van met name populieren en wilgen en recent uitgevoerde ingrijpende snoeimaatregelen. Transportbewegingen materieel en opslag materiaal onder de kroon Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt er mogelijk met materieel onder de boomkronen gereden en kan er materiaal onder de kroon worden opgeslagen.

Dit heeft impact op de groeiplaats van de boom door druk op de ondergrond, dit kan ertoe leiden dat de ondergrond wordt verdicht. Door de verdichting is wortelgroei niet meer mogelijk en sterven haarwortels af. Deze processen zijn niet altijd direct zichtbaar en kunnen tot wel 5 jaar later leiden tot het afsterven van de boom. Draaibereik van materieel Wanneer onder de boomkroon gewerkt wordt vanaf een wegcunet of op rijplaten kan de boom beschadigd raken door het draaien van de machine of bewegingen met de arm van een kraan. Door bast- en kroonschade kunnen invalspoorten ontstaan voor parasitaire houtaantasters en kan de sapstroom onderbroken worden, dit kan de dood van de boomt tot gevolg hebben of het langzaam afsterven van de boom inleiden.

7

BD21139

2. Werkwijze 2.1 Werkwijze bovengrondse beoordeling Alle bomen in het gebied worden uitgebreid visueel beoordeeld op veiligheid, conditie, mechanische kwaliteit en toekomstverwachting bij ongewijzigde omstandigheden. Hierbij is gebruik gemaakt van de VTA-methode. VTA-methode Met de VTA-methode (Mattheck & Breloer, The Body Language Of Trees, 1995) worden de visueel zichtbare gebreken van de boom beoordeeld. Er wordt gekeken naar afwijkingen aan stam, kroon en wortelaanlopen. Sommige van deze afwijkingen geven een indicatie van verminderde stabiliteit (gevaar voor windworp of stambreuk). Andere afwijkingen, bijvoorbeeld zwaar dood hout in de kroon, hebben een verhoogd risico op takbreuk tot gevolg. Tevens wordt aandacht besteed aan de conditie van de bomen. Bepalend voor de conditie is scheutlengte in de winter en knopzetting en in de zomer bladzetting. Conditiebepaling De conditiebepaling geeft een oordeel over de gezondheidstoestand van een boom op een bepaald moment.

Bij de conditie worden, afhankelijk van het seizoen, de volgende conditiekenmerken beoordeeld:  Blad/ knopbezetting  Bladgrootte  Transparantie van de kroon  Kroonstructuur  Takscheutlengte  Hoeveelheid dode takken/ twijgen  Aanwezigheid van groeistrepen op de bast Afhankelijk van de boomsoort, de leeftijd en de beschikbare hoeveelheid licht rond de boomkroon kan de aanwezigheid van enig dood hout als normaal worden beoordeeld. De conditiebepaling is conform Stadsbomen Vademecum deel 3A opgesteld, hierbij is de volgende indeling gehanteerd: goed, redelijk, matig, slecht & zeer slecht/dood. Deze classificatie kan worden gerelateerd aan de visuele beoordeling van Andreas Roloff. (Baumkronen, 2001) Op basis van de conditiebepaling en aanwezigheid van eventuele gebreken wordt bepaald wat de toekomstverwachting van de boom is. Voor toekomstverwachting wordt de volgende indeling gehanteerd; meer dan 15 jaar, 10 tot 15 jaar, 5 tot 10 jaar, 1 tot 5 jaar en < 1 jaar. Onderstaand worden de toekomstverwachting op basis van de conditie weergegeven. Op basis van aangetroffen gebreken kan deze toekomstverwachting negatief worden bijgesteld. Met toekomstverwachting wordt niet de levensverwachting bedoeld, dit is de theoretische eindleeftijd op basis van boomsoort en standplaats. De levensverwachting wordt voor een BEA niet bepaald.

Bomen met een toekomstverwachting van meer dan 15 jaar kunnen in de praktijk vaak zonder belemmeringen hun theoretische eindleeftijd bereiken. Conditiebepaling Goed

Redelijk

Matig

Slecht

Zeer slecht/dood

Omschrijving De boom vertoont het beeld dat van de soort verwacht mag worden onder goede groeiomstandigheden en op een goede groeiplaats Niet-optimale groei, maar de minder optimale omstandigheden hebben nog geen duidelijk negatieve gevolgen voor de verdere ontwikkeling van de boom Er is duidelijk sprake van negatieve gevolgen voor de verdere ontwikkeling van de boom, zoals beginnende scheutsterfte in de buitenkroon. Het proces is echter nog omkeerbaar Duidelijk aftakelende boom, waarbij veelal sprake is van een ijle kroon met zware scheutsterfte resulterend in veel en soms zwaar dood hout de boom is op sterven na dood, danwel de boom is reeds afgestorven

Klasse Roloff

Klasse Roloff

Toekomstverwachting

0

gezond

> 15 jaar

1

verzwakt

> 15 jaar

2

sterk verminderd

10 tot 15 jaar 5 tot 10 jaar

3

afstervend

< 5 jaar

-

-

< 1 jaar

Tabel 2.1. Classificatie conditie in relatie tot toekomstverwachting 8

BD21139

De conditiebeoordeling doet geen uitspraak over de vitaliteit van de boom. De vitaliteit is de gezondheidstoestand van de boom over langere termijn en bepaalt het vermogen van een boom om stresssituaties te overleven. Dit kunnen bijvoorbeeld perioden van droogte of ernstige wortelbeschadiging zijn. Om de vitaliteit van een boom te kunnen bepalen dienen in de loop der jaren meerdere conditiebepalingen te worden gedaan. Wanneer een boom een toekomstverwachting heeft van minder dan 10 jaar dan wordt geadviseerd de boom niet in te passen op basis van de kwaliteit. Gebreken bomen Naast de conditiebepaling zijn tevens de gebreken van de bomen beoordeeld. In de meeste gevallen is er geen relatie tussen gebreken en conditie. Gebreken kunnen wel invloed hebben op de toekomstverwachting van bomen met een goede conditie. Gebreken kunnen bijvoorbeeld zijn:  Slechte takaanhechtingen (plakoksels)  Parasitaire schimmelaantastingen  Scheuren in stam en/ of takken  Holtes  Dode takken Mechanische gebreken kunnen van invloed zijn op de stabiliteit van de gehele boom of breukvastheid van de kroon, stam en/ of takken. Zo kan een boom die is aangetast door een parasitaire schimmel omvallen of afbreken. Wanneer gebreken invloed hebben op de stabiliteit en/ of breukvastheid dan worden beheermaatregelen geadviseerd.

Wanneer visueel de veiligheidstoestand niet goed is vast te stellen dan wordt nader stabiliteitsonderzoek geadviseerd.

2.2 Werkwijze ondergronds onderzoek Naast de visuele boomcontrole zijn de bodemopbouw en het bewortelingspatroon van de relevante bomen onderzocht. Dit is gebeurd door het maken van proefsleuven en profielboringen ter plaatse van de knelpunten. Op basis van deze resultaten wordt de BEA Analyse uitgevoerd, waarmee de effecten van de voorgenomen werkzaamheden bepaald. Groeiplaatsonderzoek Op basis van grondboringen of profielsleuven wordt het bodemprofiel beschreven. Aspecten die per bodemlaag worden beschreven zijn de mate van beworteling, het vochtgehalte, eventuele roestverschijnselen, het organisch stofgehalte, de textuur, leemgehalte en de verdichting. De waardes zijn bepaald op basis van visuele waarnemingen. De locatie van de profielsleuven is gekozen aan de hand van mogelijke knelpunten bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden. Bij de bodembeschrijving wordt gebruik gemaakt een visuele classificatie van het organische stofgehalte en de zandmediaan conform de indeling van de Stiboka en een vaste classificatie van het vochtpercentage. Organische stof

Naam

0 - 1,5 %

Humusarm

1,5 - 2,5 %

Licht humeus

2,5 - 5 %

Matig humeus

5-8%

Zeer humeus

8 - 15 %

Humusrijk

Tabel 2.2.Classificatie organische stof M50 tussen

Naam

50 en 105 µm

Uiterst fijn zand

105 en 150 µm

Zeer fijn zand

150 en 210 µm

Matig fijn zand

210 en 420 µm

Matig grof zand

420 en 2000 µm

Zeer grof zand

Tabel 2.3. Classificatie zandmediaan (Stiboka indeling)

9

BD21139

Bodemvocht

Beschrijving

Droog

Geen vocht waarneembaar

Licht vochtig

Weinig vocht, grond valt nog uiteen (veldcapaciteit)

Vochtig

Vocht blijft in grond bij knijpen

Nat

Vocht komt uit de grond bij knijpen (grondwater)

Tabel 2.4. Classificatie vochtgehalte

2.3 Bepaling verplantbaarheid De verplantbaarheid wordt bepaald aan de hand van verschillende factoren en criteria. Om te bepalen of de verplanting duurzaam kan worden uitgevoerd worden de volgende factoren beoordeeld: • Toekomstverwachting • Gebreke en afwijkingen • Aanwezigheid van boven- en ondergrondse obstakels • Dichtheid en omvang van de kluit • Situatie huidige groeiplaats • Situatie toekomstige groeiplaats (indien bekend) Boomkwaliteit Een boom dient een toekomstverwachting van meer dan 10 jaar te hebben, omdat de investering in de verplanting anders niet duurzaam wordt geacht. Gebreken en afwijkingen kunnen de toekomstverwachting negatief beïnvloeden. Daarnaast kunnen bepaalde gebreken en afwijkingen tijdens en na de verplanting een verhoogd risico op stam en takbreuk met zich meebrengen, wat de verplantbaarheid negatief beïnvloedt. Obstakels Boven- en ondergrondse obstakels kunnen een belemmerende factor zijn tijdens de verplanting. Er dient voldoende werkruimte te zijn om de boom te kunnen verplanten. Objecten ondergronds kunnen ervoor zorgen dat de gewenste verplantkluit niet te realiseren is, zonder schade te veroorzaken aan objecten zoals kabels en leidingen. Kluit De te verplanten bomen dienen voldoende wortelvolume te hebben om de slagingskans van de verplanting zo groot mogelijk te maken.

Daarnaast is het ongewenst om te dikke wortels te verwijderen, wegens het risico op secundaire aantastingen en gebrek aan opname capaciteit door wortelverlies. Bij het onderzoek wordt in eerste instantie uitgegaan van een verplantkluit van 8 keer de stamdiameter. Aan de hand van de bevindingen uit het onderzoek kan de aanbevolen afmeting van de verplantkluit afwijken. Toekomstige groeiplaats De toekomstige groeiplaats dient voldoende groeiruimte en een geschikt bodemprofiel te bieden. Hierbij spelen de aanwezigheid van boven- en ondergrondse obstakels zoals kabels en leidingen, het huidige bodemprofiel en de aanwezigheid van grondwater een belangrijke rol. Per situatie zullen kansen en knelpunten voor de verplantbaarheid beoordeeld worden en worden conclusies en een advies uitgebracht over de slagingskans, de verplantmethode en de nazorg.

10

BD21139

3. Resultaten Dit hoofdstuk bestaat uit de bovengrondse beoordeling en het ondergronds onderzoek. Daarnaast worden de knelpunten benoemd die invloed hebben op het duurzaam behoud van de bomen.

3.1 Bovengrondse Beoordeling In de hiernavolgende sub-paragrafen worden de resultaten van de bovengrondse beoordeling weergegeven. De resultaten geven inzicht in de huidige situatie. In bijlage 3 is de uitgebreide inventarisatietabel met een overzicht weergegeven van de conditie, gebreken en toekomstverwachting per boom. Conditie en toekomstverwachting Van de 13 beoordeelde bomen zijn er 9 visueel beoordeeld als goed of redelijk, met een daarbij horende toekomstverwachting van meer dan 15 jaar. In tabel 3.1 is een overzicht weergegeven van de conditie van alle bomen, met de daarbij behorende toekomstverwachting. Op afbeeldingen 3.2 en 3.3 is een overzicht weergegeven van de locatie en conditie van de bomen. Conditie

Toekomstverwachting

Aantal bomen

Goed

> 15 jaar

2

Redelijk

> 15 jaar

7

Matig

10 tot 15 jaar

1

Slecht Zeer slecht/dood

<1 jaar + 1 tot 5 jaar

2

n.v.t.

1

Totaal beoordeelde bomen Tabel 3.1 Resultaten conditie en toekomstverwachting

Afbeelding 3.1 Conditie bomen in projectgebied

11

BD21139

13

Afbeelding 3.2 Conditie bomen in projectgebied Mechanische gebreken In totaal zijn er bij 11 bomen invloedrijke mechanische gebreken geconstateerd. Afhankelijk van het gebrek kan deze de veiligheid van de omgeving of de toekomstverwachting van de bomen beïnvloeden. In tabel 3.2 zijn de gebreken bij de individuele bomen weergegeven, die binnen 3 jaar een risico kunnen veroorzaken. Gebrek Scheefstand

Boomnummer 1

Scheefgroei

8 ,9

Zuiger(s)

2

Oppervlakkige wond

9

Zwaar dood hout

3, 7, 8

Licht dood hout

1, 2

Wortelpakket beschadigd

4, 5, 6, 10, 11

Zwam in kroon

7

Zwam op stam

7

Ingerotte snoeiwond(en) stam

3

Tabel 3.2 Resultaten mechanische gebreken

12

BD21139

3.2 Resultaten ondergronds onderzoek 3.2.1

Profielsleuven

Bij deze BEA is ondergronds onderzoek verricht naar de bodemopbouw en de beworteling. De uitgewerkte profielen zijn opgenomen in bijlage 2. Hieronder is in afbeeldingen 3.3 t/m 3.5 een overzicht opgenomen van de locaties van de boringen en profielsleuven. In de profielsleuven is over het algemeen tot 70 centimeter diepte licht humeus, matig grof zwart en licht vochtig zand aangetroffen. Hier zat veelal grof grind van groter dan 2 centimeter Ø in. Dieper dan 70 centimeter is humusarm, grof donkergeel en droog zand aangetroffen, wat fijn grind van kleiner dan 0,5 centimeter Ø bevat. Op een aantal plekken is op de scheidingslijn van de twee lagen een verdichte laag puin aangetroffen. Betreffende beworteling laten de bomen, met uitzondering van bomen 4 en 5, het zelfde beeld zien: over de gehele diepte licht intensieve tot intensieve fijne beworteling met enkele wat dikkere wortels van kleiner dan 5 centimeter Ø. Bomen 4 en 5 laten op 40 centimeter diepte meerdere dikkere wortels tot 8 centimeter Ø zien.

Afbeelding 3.3 Profielsleuven 1 en 2

13

BD21139

Afbeelding 3.4 Profielsleuf 3

Afbeelding 3.5 Profielsleuven 5 en 6

3.2.2

Kabels en leidingen

In het plangebied en op de rand hiervan zijn kabels en leidingen aanwezig. De ligging van deze kabels en leidingen is belangrijk ten opzichte van de verplantbaarheid van de bomen. Op afbeelding 3.6 is de KLIC-melding van het gebied te zien, op afbeelding 3.7 een meer gedetailleerd beeld ten opzichte van een aantal bomen. Te zien is op afbeelding 3.9 dat de bomen vlak bij het trottoir staan. Afbeelding 3.8 toont de werkelijke ligging van de kabels en leidingen. Deze vallen binnen de verplantkluiten van de bomen. Het betreft in ieder geval: • Elektriciteitskabels • Olie/gas/chemicaliënpijpleiding • Telecommunicatiekabels • Kabelbed

Afbeelding 3.6 KLIC-melding plangebied

Afbeelding 3.8 Aangetroffen kabels en leidingen in een profielsleuf

14

BD21139

Afbeelding 3.7 Details KLIC-melding in het trottoir ter hoogte van bomen 3, 4 en 5

Afbeelding 3.9 Bomen 4 en 5 vlakbij het trottoir

3.3 Resultaten bovengronds onderzoek Bij de bomen in het plangebied is onderzocht waar de 4 meter grens ligt en wat deze grens betekent voor de bomen. Bij het meten is er van uit gegaan dat de grens van het plangebied op de grens met het bestaande trottoir langs de Sterrenbergweg ligt. Bij de Batenburgerweg is er van uit gegaan dat de grens op de grens met de bestaande parkeervakken ligt. Om het overzichtelijk te houden zijn de bomen opgedeeld in 4 groepen: • Bomen 1 en 2 • Bomen 3, 4 en 5 • Bomen 6 t/m 11 • Bomen 12 en 13

3.3.1

Bomen 1 en 2

Boom

Meters uit de grens tot aan de stamvoet 1 1

1 2

Kroonprojectie richting te bouwen woningen 7 6

Tabel 3.3 Bomen 1 en 2

Afbeelding 3.10 Bomen 1 en 2

3.3.2

Bomen 3, 4 en 5

Boom

Meters uit de grens tot aan de stamvoet 1.6 1 1

3 4 5

Tabel 3.4 Bomen 3, 4 en 5

15

BD21139

Afbeelding 3.11 Bomen 1 en 2

Kroonprojectie richting te bouwen woningen 5 4 3

Afbeelding 3.12 Bomen 3, 4 en 5

3.3.3 Boom 6 7 8 9 10 11

Afbeelding 3.13 Bomen 3, 4 en 5

Bomen 6 t/m 11 Gezien vanaf de Sterrenbergweg Meters uit de grens tot Kroonprojectie richting aan de stamvoet te bouwen woningen 2.5 5.5 1.5 1.5 1.5 1.5 3 5 5.8 10 6.6 10

Gezien vanaf de Batenburgerweg Meters uit de grens tot Kroonprojectie richting aan de stamvoet te bouwen woningen 4.8 7.5 4.2 5.5 3.9 4.4 3.2 3.5 1.3 7 1.5 7

Tabel 3.5 Bomen 6 t/m 11

Afbeelding 3.14 Bomen 6 t/m 11

16

BD21139

Afbeelding 3.15 Bomen 6 t/m 11

3.3.4

Bomen 12 en 13

Bomen 12 en 13 staan aan de Batenburgerweg in groenvakken tussen de parkeervakken in, zie afbeeldingen 3.12 en 3.13.

Afbeelding 3.16 Boom 12

17

BD21139

Afbeelding 3.17 Boom 13

4. Conclusie en Advies In het projectgebied gaan diverse werkzaamheden plaatsvinden die (mogelijk) invloed hebben op de bomen. Per onderdeel geven wij randvoorwaarden voor ontwerp en boombescherming. Er worden indien mogelijk alternatieven geboden voor het behoud van de bomen en een verbetering van de conditie en toekomstverwachting.

4.1 Eindoordeel effecten Op basis van de voorgenomen werkzaamheden en de veranderende toekomstverwachting zijn de effecten op de bomen inzichtelijk gemaakt en wordt een conclusie gegeven of de bomen in de nieuwe situatie ingepast kunnen worden en onder welke randvoorwaarden. Op afbeeldingen 4.1 en 4.2 is hiervan kaartmateriaal te zien, tabel 4.1 vat deze kaarten samen.

Afbeelding 4.1 Eindoordeel effecten

Afbeelding 4.2 Eindoordeel effecten

18

BD21139

Inpasbaarheid

Boomnummers

Aantal bomen

Ja

4, 5, 9, 12, 13

5

Ja, met aanpassing ontwerp

1, 2, 6, 10, 11

5

Nee, op basis van ontwerp

0

0

Nee, op basis van kwaliteit

3, 7, 8

3

Totaal

13

Tabel 4.1 Eindoordeel effecten Niet duurzaam te behouden bomen, op basis van kwaliteit Aan de hand van de bovengrondse beoordeling van de bomen wordt is bepaald wat de conditie en de levensverwachting van de bomen is. Voor 3 bomen is de toekomstverwachting minder dan 10 jaar, wij adviseren om deze bomen niet in te passen in de nieuwe situatie. De bomen hebben een slechte tot matige conditie, waardoor deze bij geringe (wortel)schade onvoldoende zullen herstellen. Als bomen op basis van de bovengrondse kwaliteit niet kunnen worden ingepast, zijn deze bomen bij de inpasbaarheid gekenmerkt als: Nee. Niet duurzaam te behouden bomen, op basis van het ontwerp Op basis van het ontwerp kunnen 0 bomen niet behouden blijven, dit betreft bomen waarvoor het niet mogelijk is om het ontwerp aan te passen om deze te behouden. Deze bomen zijn bij de inpasbaarheid gekenmerkt als: Nee. Duurzaam te behouden bomen, met aanpassing van het ontwerp Op basis van het ontwerp kunnen 5 bomen niet worden ingepast omdat er onomkeerbare schade optreedt door de uit te voeren werkzaamheden rond deze bomen, bijvoorbeeld door beschadiging van stabiliteitswortels, het verlies van wortelvolume of grote snoeiingrepen in de kroon. Deze bomen zijn van voldoende kwaliteit om te worden ingepast in het nieuwe ontwerp.

Door aanpassingen in het ontwerp zoals het verplaatsen van de grenzen van bestrating kunnen deze bomen toch behouden blijven, deze bomen zijn bij de inpasbaarheid gekenmerkt als: Beperkt. Duurzaam te behouden 5 bomen hebben een toekomstverwachting van meer dan 10 jaar en kunnen zonder aanpassing van het ontwerp behouden blijven, mits de randvoorwaarden worden opgevolgd. Deze bomen zijn bij de inpasbaarheid gekenmerkt als: Ja.

4.2 Impact uitvoering Op basis van de voorgenomen werkzaamheden wordt er tijdens de uitvoering gewerkt binnen de kwetsbare boomzone, dit betreft de kroonprojectie plus 1,5 meter. Bij het werken binnen de kroonprojectie zijn de volgende risico’s aanwezig. In paragraaf 4.4 worden de randvoorwaarden voor boombescherming opgenomen om deze risico’s te beperken. Niet duurzaam in te passen bomen op basis van ontwerp 5 bomen kunnen niet duurzaam worden ingepast vanwege de snoeiingrepen die benodigd zijn ten behoeve van de nieuwbouw. Deze nieuwbouw komt op 4 meter vanuit de grens, waardoor de kronen van de bomen in aanraking zullen komen met het gebouw. Hierdoor zullen de bomen dusdanig gesnoeid moeten worden, dat dit zal zorgen voor een vermindering in conditie en daardoor niet langer duurzaam te behouden zullen zijn. Bij bomen 1 en 2 geldt dat wanneer de tuinen dieper worden gemaakt, 7 meter in plaats van 4 meter, de kronen van de bomen binnen de voortuinen zullen vallen en niet tegen het gebouw aan waardoor de snoeiwerkzaamheden tot een minimum kunnen worden beperkt en hierdoor wel duurzaam te behouden zullen zijn (zie de schets op afbeelding 4.3). De kronen van bomen 6, 10 en 11 vallen voor een groot deel buiten de 4 meter grens. Boom 6 kan duurzaam worden behouden wanneer de grens van de tuin op 6 meter vanaf de grens met de Sterrenbergweg wordt gesteld.

De kronen van bomen 10 en 11 vallen vanuit de Sterrenbergweg gezien volledig buiten de 4 meter grens. Vanaf de Batenburgerweg gezien dient een grens van minstens 7 meter te worden aangehouden om de bomen duurzaam te behouden, zie de schets afbeelding 4.4. Op deze manier zullen de kronen van de bomen binnen de voortuinen vallen en niet tegen het gebouw aan waardoor de snoeiwerkzaamheden tot een minimum kunnen worden beperkt en de bomen hierdoor wel duurzaam te behouden zullen zijn.

19

BD21139

Legenda schetsen Huidige grens Mogelijke nieuwe grens Afbeelding 4.3 Schets bomen 1 en 2

Afbeelding 4.4 Schets bomen 6, 10 en 11

Transportbewegingen materieel en opslag materiaal onder de kroon Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt er mogelijk met materieel onder de boomkronen gereden en kan er materiaal onder de kroon worden opgeslagen. Dit heeft impact op de groeiplaats van de boom door druk op de ondergrond, dit kan ertoe leiden dat de ondergrond wordt verdicht. Door de verdichting is wortelgroei niet meer mogelijk en sterven haarwortels af. Deze processen zijn niet altijd direct zichtbaar en kunnen tot wel 5 jaar later leiden tot het afsterven van de boom. Draaibereik van materieel Wanneer onder de boomkroon gewerkt wordt vanaf een wegcunet of op rijplaten kan de boom beschadigd raken door het draaien van de machine of bewegingen met de arm van een kraan. Door bast- en kroonschade kunnen invalspoorten ontstaan voor parasitaire houtaantasters en kan de sapstroom onderbroken worden, dit kan de dood van de boomt tot gevolg hebben of het langzaam afsterven van de boom inleiden.

4.3 Randvoorwaarden boombescherming Bij de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de volgende randvoorwaarden. Ter voorkoming van schade aan de boom of het wortelgestel.        

20

Aanstellen onafhankelijk boomtoezichthouder die ETW (European Tree Worker) is gecertificeerd, met de volmacht tot nader order van de directie om de werkzaamheden stil te leggen. Wortels dikker dan 5 cm alleen haaks op de groeirichting afzagen, waarbij rafelige wonden dienen te worden voorkomen en onder toezicht van een door OG aangewezen ETW gecertificeerde boomtoezichthouder. Aan de uitvoerende partijen wordt de poster “Werken rond Bomen” van Stadswerk (zie Bijlage 1) verstrekt en van toepassing verklaard in het bestek. De kwetsbare boomzone mag niet gebruikt worden voor opslag van materialen (ook geen depositie van vrijkomend grond). Binnen de kwetsbare boomzone mag niet gereden worden met zwaar materieel zoals rupskranen en minigravers. Is betreding van de kwetsbare boomzone met zwaar materiaal onvermijdelijk, dan alleen met gebruik van druk verdelende platen voor de duur van max. 2 weken. De bomen staan binnen het draaibereik van graafmachines, hiervoor adviseren wij ter voorkoming van schade om de stam te ommantelen met planken met daartussen een drainbuis. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een toolbox te worden georganiseerd voor alle leidinggevende en operationele medewerkers inclusief inhuur op het project, waarbij het werken binnen de kroonprojectie wordt behandeld door een ETT-er.

Snoeien aan bomen mag alleen na goedkeuring van de boomeigenaar/-beheerder worden uitgevoerd door een gecertificeerd ETW (European Tree Worker) boomverzorger. Dit geldt ook wanneer er sprake is van een minimale snoeiingreep zoals een gebroken of beschadigde tak. Bodembewerkingen binnen de kwetsbare zone mogen niet onder (te) natte (verzadigde) of bevroren bodemomstandigheden worden uitgevoerd.

BD21139

4.4 Verplantbaarheid Op basis van de bovengrondse en ondergrondse beoordeling van de boom is bepaald of de boom in de huidige verschijningsvorm duurzaam verplant kan worden, met behoud van de kwaliteit van de boom, en welke randvoorwaarden hiervoor nodig zijn. Gezien de conditie en de ondergrondse situatie worden de bomen, afgezien van bomen 12 en 13, niet verplantbaar geacht. Vanwege het bewortelingspatroon en de conditie van de bomen wordt een verplantkluit van minstens 8 keer de stamdiameter geadviseerd. Op afbeeldingen 4.5 en 4.6 zijn kaarten te zien waarop per boom is aangegeven of ze verplantbaar zijn. Een aantal bomen heeft een toekomstverwachting van minder dan 10 jaar (bomen 3, 7 en 8), deze adviseren wij op basis van conditie niet te verplanten. De bomen langs de Sterrenbergweg (bomen 1 t/m 6) staan allen vlak langs het bestaande trottoir, waardoor de beoogde verplantkluit voor een groot deel in dit trottoir valt. Echter is het vanwege de aanwezige ondergrondse infrastructuur niet mogelijk de beoogde verplantkluit te verwezenlijken, waardoor de bomen niet verplantbaar worden geacht. Voor bomen 9 t/m 11 wordt geadviseerd deze niet te verplanten op basis van de vorm van de bomen en het (reeds beschadigde) oppervlakkige bewortelingspatroon.

Bomen 12 en 13 zijn wel te verplanten, deze bomen zijn van een dusdanig formaat en conditie dat deze door bijvoorbeeld een graafmachine omgezet kunnen worden.

Afbeelding 4.5 Oordeel verplantbaarheid

Afbeelding 4.6 Oordeel verplantbaarheid 21

BD21139

Bijlagen Bijlage 1

22

BD21139

Bomenposter werken rond bomen

Bijlage 2

Bodemprofielen

Bodemprofiel 1 Locatie profiel

In ruw gras – 2 meter vanuit de stamvoet van boom 2

Opbouw bodemprofiel

0 - 70 centimeter Matig humeus, matig grof zand, zwart, droog, grind (tot 2cm diameter) De sleuf is gegraven op de rand van de eventuele verplantkluit. Van 10 tot 50 centimeter diepte is intensieve fijne beworteling van kleiner dan 1 centimeter Ø met een aantal wortels van 2 centimeter Ø gevonden. Van 50 tot 70 centimeter diepte is intensieve fijne beworteling van kleiner dan 1 centimeter Ø aangetroffen. Op 60 centimeter diepte zitten meerdere wortels van 2 tot 3 centimeter Ø.

Opmerkingen Beworteling

Bijlage 2 Tabel 1 Bodemprofiel 1

Bijlage 2 Afbeelding 1 Overzichtsfoto

Bijlage 2 Afbeelding 2 Detailfoto beworteling

Bijlage 2 Afbeelding 3 Detailfoto beworteling

Bijlage 2 Afbeelding 4 Detailfoto beworteling

23

BD21139

Bodemprofiel 2 Locatie profiel

In de stoep – 1,5 meter vanuit de stamvoet van boom 2

Opbouw bodemprofiel

0 - 5 centimeter Bestrating 5 – 70 centimeter Licht humeus, grof zand, licht vochtig, zwart, veel grind (<2 centimeter) In de sleuf zijn meer kabels en leidingen aangetroffen dan op KLIC aangegeven staat op 60 centimeter diepte. In de verplantkluit zit maar weinig beworteling. Van 5 tot 10 centimeter diepte is matig intensieve fijne beworteling van kleiner dan 1 centimeter Ø aangetroffen. Van 10 tot 50 centimeter is sporadisch fijne beworteling van kleiner dan 1 centimeter Ø aangetroffen.

Opmerkingen

Beworteling

Bijlage 2 Tabel 2 Bodemprofiel 2

Bijlage 2 Afbeelding 5 Overzichtsfoto

Bijlage 2 Afbeelding 6 Detailfoto beworteling

Bijlage 2 Afbeelding 7 Detailfoto beworteling

Bijlage 2 Afbeelding 8 Detailfoto beworteling

24

BD21139

Bodemprofiel 3 Locatie profiel

In grond – 2 meter vanuit de stamvoet van boom 4

Opbouw bodemprofiel

0 - 70 centimeter Licht humeus, matig grof zand, zwart, licht vochtig, grof grind 70 – 80 centimeter Licht humeus, matig grof zand, bruin-zwart, droog, fijn grind (<0,5 centimeter) 80 – 100 centimeter Humusarm, matig fijn zand, donker geel, droog Vanaf 60 centimeter diepte is geboord. Op 40 centimeter diepte zijn meerdere wortels van 5 – 8 centimeter Ø gevonden. Van 30 – 50 centimeter diept is matig intensieve fijne beworteling van kleiner dan 2 centimeter Ø aangetroffen. Op 40 centimeter diepte is een afgestorven worteleinde aangetroffen. Op 2 centimeter diepte is een afgescheurde wortel van 4 centimeter Ø gevonden.

Opmerkingen Beworteling

Bijlage 2 Tabel 3 Bodemprofiel 3

Bijlage 2 Afbeelding 9 Overzichtsfoto

Bijlage 2 Afbeelding 10 Detailfoto beworteling

Bijlage 2 Afbeelding 11 Detailfoto beworteling

Bijlage 2 Afbeelding 12 Detailfoto bodemprofiel

25

BD21139

Bodemprofiel 4 Locatie profiel

In ruw gras – 0,8 meter vanuit de stamvoet van boom 6

Opbouw bodemprofiel

0 - 70 centimeter Matig humeus, matig grof zand, zwart, licht vochtig, fijn grind 60 – 65 centimeter Puinlaag 65 – 100 centimeter Humusarm, grof zand, donker geel, droog, fijn grind (>0,5 centimeter) In de gehele sleuf is sporadisch fijne beworteling van kleiner dan 0,5 centimeter Ø gevonden. Op 5 centimeter diepte is 1 wortel van 4 centimeter Ø aangetroffen. Meerdere al afgestorven wortels van 2 tot 5 centimeter Ø zijn op maaiveldniveau aangetroffen.

Beworteling

Bijlage 2 Tabel 4 Bodemprofiel 4

Bijlage 2 Afbeelding 13 Overzichtsfoto

Bijlage 2 Afbeelding 14 Detailfoto beworteling

Bijlage 2 Afbeelding 15 Detailfoto beworteling

Bijlage 2 Afbeelding 16 Detailfoto beworteling

26

BD21139

Bodemprofiel 5 Locatie profiel

In grond – 2 meter vanuit de stamvoet van boom 10

Opbouw bodemprofiel

0 - 70 centimeter Licht humeus, matig grof zand, zwart, licht vochtig, grof grind (> 2 centimeter) 50 – 70 centimeter Grindlaag met grond, verdicht 70 – 100 centimeter Humusarm, grof zand, donker geel, droog, fijn grind (< 0,5 centimeter) Vanaf 60 centimeter diepte is geboord. Er is sporadisch fijne beworteling van kleiner dan 0,5 centimeter Ø in de gehele sleuf aangetroffen. Op 35 centimeter diepte is een bundel wortels van elk 2 centimeter Ø gevonden. Oppervlakkige en al dode beworteling is op het niveau van het maaiveld aangetroffen.

Opmerkingen Beworteling

Bijlage 2 Tabel 5 Bodemprofiel 5

Bijlage 2 Afbeelding 17 Overzichtsfoto

Bijlage 2 Afbeelding 18 Detailfoto beworteling

Bijlage 2 Afbeelding 19 Detailfoto beworteling

Bijlage 2 Afbeelding 20 Detailfoto beworteling

27

BD21139

Bijlage 3

Boomgegevens

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=88b995af-f438-4bea-a045-8a7e3b73ebf1