Bijlage 1 Toelichting ontwerpbestemmingsplan Bosstraat 84 B en C.pdf
Tekst van het document
31/42 - ontwerp - NL.IMRO.0342.SOE0030-0201 -
Het plangebied ligt om ruim 280 meter van de spoorlijn Utrecht - Baarn. Hiermee valt het buiten de geluidszone van de spoorlijn. Grenzend aan het plangebied liggen sportvelden. In paragraaf 4.9 wordt nader op dit onderwerp ingegaan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van de voorgenomen wijziging. 4.7
Water
Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Dit plan Boordeling Het watertoetsproces is op 10 maart 2015 digitaal doorlopen via www.dewatertoets.nl. In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of Awatergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Aandachtspunten Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water. Algemene aandachtspunten Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat zo veel mogelijk van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet (direct) afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater.
Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Op de afkoppelkansenkaart van de gemeente Soest staat het plangebied aangeduid als 'Overgangszone: eerst onderzoek naar haalbaarheid infiltratie'. De mogelijkheden voor afgekoppelen en infiltreren van hemelwater moeten dus eerst worden onderzocht en hangen af van de doorlatendheid van de bodem, de grondwaterstand en de gewenste ontwateringsdiepte van de gebruiksfuncties. Er is geen peilbuis in de nabijheid waaruit een representatieve waarde voor de GHG kan worden afgeleid. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG.
Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.
32/42 - ontwerp - NL.IMRO.0342.SOE0030-0201 -
De gemeente hanteert voor nieuwbouw een ontwatering van minimaal 90 cm ten opzichte van de GHG. Daarbij is het uitgangspunt dus dat de gebruiksfunctie zich aanpast aan het watersysteem en niet andersom. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Om verontreiniging van bodem, grond- en oppervlaktewater zo veel mogelijk te voorkomen dient toepassing van uitlogende bouwmaterialen (zoals koper, lood en zink) tot een minimum beperkt te worden. De initiatiefnemer wordt gevraagd de beslisboom voor het afkoppelen van verhard oppervlak van het waterschap toe te passen. Daarnaast geldt de Leidraad afkoppelen Utrechtse Heuvelrug, die integraal onderdeel uitmaakt van het convenant 'Afkoppelbeleid Utrechtse Heuvelrug' die is ondertekend door de gemeente Soest. Het afvalwater wordt door middel van een aansluiting op het bestaande rioolstelsel afgevoerd. Het plan zal nog worden voorgelegd aan het waterschap. 4.8
Externe veiligheid
Op 28 oktober 2004 is het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi) van kracht geworden. In het besluit zijn richtlijnen opgenomen voor het bouwen en handhaven van gevoelige bestemmingen zoals woningen in de buurt van inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd en/of opgeslagen. In het kader van de externe veiligheid worden in hoofdzaak drie mogelijke risicobronnen onderscheiden: Inrichtingen; Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water en per spoor; Buisleidingen. In de nabijheid van het projectgebied bevinden zich geen inrichtingen die op basis van het Besluit externe veiligheid inrichtingen(Bevi 2004) een potentiële belemmering zouden kunnen vormen voor de voorgestelde ontwikkeling. Eveneens liggen in of nabij het gebied geen buisleidingen of vervoerstromen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgestelde ontwikkeling. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling van de voorgenomen wijziging. De Veiligheidsregio Utrecht heeft in het advies met archiefnummer 3766AH0084B aangegeven geen problemen te voorzien als op deze locatie twee woningen worden gebouwd. 4.9
Hinder bedrijvigheid
In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich geen bedrijven waar uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening rekening mee dient te worden gehouden. Het plangebied grenst echter wel aan een bestaand sportcomplex, van onder andere voetbalvereniging SO Soest en Mixed Hockey Club Soest. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om de geplande woningen op de bestaande functies af te stemmen. Uitgangspunt daarbij is dat de bedrijfsvoering van de bestaande functies niet onevenredig wordt beperkt. Ook moet ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefmilieu kunnen worden gegarandeerd. Het realiseren van de nieuwe woningen nabij het sportcomplex dient dan ook op elkaar afgestemd te worden. In het kader van het projectbesluit Bos en Duin is vanwege de ligging nabij het sportcomplex in 33/42 - ontwerp - NL.IMRO.0342.SOE0030-0201 -
2011 een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de invloed van het sportcomplex op de nieuwe woningen. De twee woningen bij onderhavige afwijkingsprocedure liggen op eenzelfde afstand van het sportcomplex. Daarom kunnen de rekenresultaten overgenomen worden. Uit het onderzoek blijkt dat de langtijdgemiddelde beoordelingsniveau als gevolg van de sportactiviteiten de grenswaarde niet overschrijdt. Overigens zal de 'hinder' voor de nieuwe woningen zeer beperkt zijn aangezien het geluid uit de omroepinstallatie bij SO Soest hooguit circa 30 minuten per twee weken zal klinken. Met het oog op de maximale geluidniveaus is de geluidsemissie van parkerende auto’s bij de sportvelden bepalend. Uit het onderzoek blijkt dat de grenswaarde met betrekking tot de maximale geluidniveaus als gevolg van parkerende auto's ook niet wordt overschreden. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat geluidbeperkende voorzieningen niet noodzakelijk zijn om aan de eisen uit het Activiteitenbesluit te voldoen. Tot slot heeft SO Soest reeds overleg gehad met de gemeente over het gebruik van de omroepinstallatie met als doel hinder in de omgeving te voorkomen. In het onderzochte plangebied en nabije omgeving blijkt dat effectief. Geconcludeerd kan worden dat het aspect milieuhinder bedrijvigheid geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van de voorgenomen wijziging. 4.10
Kabels en leidingen
Voor zover bekend bevinden zich in en nabij het projectgebied geen straalpaden, ondergrondse en bovengrondse leidingen die belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling met zich meebrengen. 4.11
Verkeer en parkeren
Dit plan maakt het mogelijk dat twee woningen worden gebouwd langs een rustige straat. De toename van het aantal verkeersbewegingen is minimaal en er kan dan ook van uit worden gegaan dat geen mobiliteitstoets vereist is. De ruime kavels van de woningen en de parkeergarages op het erf bieden de mogelijkheid om het parkeren zoveel mogelijk op het eigen perceel te regelen. Volgens de 'Nota parkeernormen auto en fiets' is het benodigd aantal parkeerplaatsen gekoppeld aan de oppervlakte van de woning. De woningen in dit plan hebben ieder een oppervlakte van 118 m2. Dit brengt met zich mee dat per woning ruimte moet zijn voor 1,8 parkeerplaatsen. In totaal zijn dus 3,6 parkeerplaatsen vereist.
In bovenstaande afbeelding is opgenomen hoeveel ruimte voor één parkeerplaats benodigd is. De voorzijde van het perceel waar de woningen worden gebouwd, zal zodanig ingericht worden dat ruimte is voor een oprit van 9 meter. Hiervoor is zoals uit onderstaande afbeelding blijkt 34/42 - ontwerp - NL.IMRO.0342.SOE0030-0201 -
voldoende ruimte.
Parkeerruimte Bij de realisatie van de twee opritten worden volgens de tabel twee parkeerplaatsen gerealiseerd. Er zullen dus nog 2 x 0,8 = 1,6 parkeerplaatsen in de openbare ruimte moeten worden gerealiseerd. Hiervoor is voldoende ruimte aan de overzijde van de straat tussen de drie bestaande parkeerplaatsen. 4.12
Duurzaam bouwen
De klimaatveranderingen, de eindigheid van de fossiele brandstof en het daarop anticiperende beleid van het Rijk, provincies en gemeenten vragen er om dat actief gekeken wordt naar duurzaamheid in nieuwbouwplannen. Het betreft thema's zoals CO2- en energiebesparing, duurzame energie en duurzaam bouwen. Bij de realisering van de nieuwe woningen wordt aandacht besteedt aan het duurzaamheidaspect. Hierbij kan gedacht worden aan energiezuinigheid en het gebruik van duurzame bouwmaterialen. Duurzaam bouwen heeft ook een link met duurzaam waterbeheer. Zo is het materiaalgebruik van invloed op de kwaliteit van (te infiltreren) hemelwater en kan duurzaam waterbeheer bijdragen aan de kwaliteit van de woon- en leefomgeving (bijvoorbeeld isolatie van woonruimtes mbv. groene daken, lokaal hergebruik van water door opvang in regentonnen of andere reservoirs, etc.). In het kader van de bouwvergunning worden de duurzaamheidaspecten nader uitgewerkt.
35/42 - ontwerp - NL.IMRO.0342.SOE0030-0201 -
Hoofdstuk 5 Juridische toelichting In hoofdstuk 2 is de voorgestane invulling van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 4 toont aan, dat deze invulling uitvoerbaar is. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling, die de invulling mogelijk maakt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. In de inleiding in paragraaf 6.1 wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven. In paragraaf 6.2 wordt een toelichting gegeven op de regels, waarbij de hoofdstukindeling van de regels wordt gevolgd. In paragraaf 6.3 tenslotte wordt de verbeelding (plankaart) beschreven. 5.1
Inleiding
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Daarnaast zijn er algemene regels, overgangsregels en slotregels opgenomen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten, die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is gericht op het mogelijk maken van twee woningen en de aanpassing van de bestaande bestemming Groen - Wijkgroen. Het bestemmingsplan is vrij gedetailleerd van opzet, aangezien in dit gebied met overwegend bestaande woon- en andere functies en bebouwing de onderlinge belangenafweging nauw luistert. Men wil precies kunnen zien waar men zelf én de buurman aan toe is.
Wel is waar mogelijk de regeling wat globaler en zijn de nodige flexibiliteitsbepalingen, met name afwijkingsen wijzigingsbevoegdheid (ex artikel 3.6 Wro), ingebouwd. Hiermee kan worden ingespeeld op veranderings- en ontwikkelingswensen en behoeften van niet-ingrijpende aard en omvang. Hierna wordt nader ingegaan op de delen van de juridische regeling in de regels en, in voorkomend geval, op de verbeelding, die enige nadere toelichting behoeven. 5.2
De regels
5.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 van de regels geeft de inleidende regels. Het betreft de begripsregels, waarin de in het plan voorkomende begrippen worden gedefinieerd, en de wijze van meten en berekenen. Artikel 1 – Begrippen In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen, die in het plan voorkomen. De begrippen zijn afkomstig uit het SVBP2012 en aangevuld met voor het plan relevante begrippen. Artikel 2 - Wijze van meten Artikel 2 bevat de wijze van meten. De meetregels zijn afkomstig uit het SVBP2012 en aangevuld met voor het plan relavante meetregels. 5.2.2 Bestemmingsregels De voorziene ontwikkelingen in het plangebied zijn voorzien van een passende juridische regeling waarbij zo veel mogelijk wordt aangesloten bij het omliggende bestemmingsplan 'Klaarwater, Smitsveen en Bosstraat'. In het algemeen geldt, dat hoofdgebouwen uitsluitend gebouwd mogen worden in het bouwvlak. In deze bouwvlakken zijn de maximale goot- en bouwhoogte opgenomen. Hieronder wordt per 36/42 - ontwerp - NL.IMRO.0342.SOE0030-0201 -
bestemming en artikelsgewijs een toelichting gegeven op de regels. Artikel 3 - Bos - Bostuin Voor de smalle strook groen aan de achterzijde van de woningen geldt de bestemming Bostuin (voorheen gold hier de bestemming Groen - Wijkgroen). Naast het gebruik als Tuin zijn deze gronden mede bestemd voor bos ten behoeve van het behoud en herstel van de natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden. Artikel 4 - Groen - Structuurgroen De groenvoorzieningen, in de hoofdgroenstructuur, eventueel met een landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde, zijn als Groen - Structuurgroen bestemd. In geval van dit bestemmingsplan gaat het om de 12-meter strook langs de Bosstraat. Om het groene karakter van het gebied te benadrukken en vast te leggen, dat het gebied een groene uitstraling heeft zijn deze stroken niet in de verkeers- of woonbestemming opgenomen. Binnen deze groenbestemming zijn tevens fiets- en voetpaden en speelvoorzieningen toegestaan evenals watergangen en waterpartijen. Artikel 5 - Tuin De onbebouwde gronden en gronden, die vrij dienen te blijven van bebouwing bij een woning, hebben de bestemming "Tuin" gekregen.
Artikel 6 - Wonen - Bos en Duin De twee woningen met de daarbij behorende tuinen en erven en in samenhang daarmee de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten hebben dezelfde bestemming gekregen als de omliggende woningen: Wonen - Bos en Duin. Er zijn maximaal twee woningen toegestaan: een twee onder één kapwoning of twee vrijstaande woningen. Het maximum aantal betreft ook het minimum aantal te realiseren woningen. Op de gronden, die de bestemming Wonen - Bos en Duin hebben gekregen, mogen woningen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en andere bouwwerken gerealiseerd worden. De gronden zijn ook bestemd als tuin of erf. In de regels bij deze bestemming is de maximale bouwhoogte geregeld. Daarnaast gelden binnen deze bestemming maximale hoogtematen voor de bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken. Bij recht is het gebruik van (een deel van de) woning en bijbehorend bouwwerk ten behoeve van beroepsuitoefening aan huis toegestaan. Daarbij worden enige beperkingen gesteld om ervoor te zorgen dat het woonkarakter van de woning het beroepsmatige gebruik blijft overheersen, hetgeen betekent dat niet meer dan 40% van het vloeroppervlak van de woning in gebruik mag zijn voor beroepsuitoefening.
Artikel 7 - Waarde - archeologie middelhoge verwachting Binnen de gemeente Soest geldt de Archeologische beleidsadvieskaart welke wordt verwerkt in ieder bestemmingsplan dat de gemeente vast stelt. De beleidsadviezen uit de legenda-eenheden van de beleidsadvieskaart dienen hiervoor in het bestemmingsplan in standaardregels te worden omgezet. Met het indelen van archeologische waarden en verwachtingen in bestemmingsplancategorieën, het (gemotiveerd) stellen van ondergrenzen ten aanzien van onderzoeksplicht voor de diverse categorieën en het opnemen van bestemmingsplanregels, wordt een verantwoorde balans gezocht tussen enerzijds wetenschappelijke en cultuurhistorische belangen en anderzijds de maatschappelijke belangen en praktische uitvoerbaarheid. Op de Archeologische beleidsadvieskaart Soest zijn in totaal 8 verschillende archeologische zones (categorieën) aangegeven,vertaald naar kleurvlakken. De diverse waarden- en verwachtingszones krijgen ieder een eigen beleidsregime voor bodemingrepen in m2. Voor het plangebied geldt categorie 5: Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 2 (AWV 2). Hiervoor geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30cm en groter dan 500m2. Artikel 8 - Waarde - Landschap De instandhouding van de nieuwe houtwal in de groenstrook langs de Bosstraat ('Groen 37/42 - ontwerp - NL.IMRO.0342.SOE0030-0201 -
Structuurgroen') wordt aanvullend geregeld met de dubbelbestemming 'Waarde - Landschap'. In de visie Bosstraat is aangegeven, dat het gebied Bosstraat en omgeving een bosachtig karakter heeft, onder meer gevormd door de aanwezige hakhoutwallen. Gestreefd wordt naar het behoud van dit karakter. De aanwezige bebouwing en ook toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen binnen een raamwerk van boskamers. Deze worden gevormd door houtwallen. Langs de Bosstraat gaat het om eikenhakhoutwallen, bestaande uit zomereik als boomvormer en struikvormers van meidoorn, sleedoorn, vlier en hulst. Tussen de kamers bepalen houtwallen, bestaande uit bomen van inheemse loofhoutsoorten, aangevuld met struiken, het beeld. Aangegeven is, dat de houtwallen 18 meter breed moeten zijn, maar daar waar deze breedte niet haalbaar is, kan volstaan worden met een minimale maat van 12 meter breed. Hakhoutwal Wat is nu eigenlijk een hakhoutwal? Een hakhoutwal kan worden omschreven als lijnvormige beplantingen met bomen en struiken. Deze elementen vormen vaak begrenzingen van percelen of zijn afscheidingen met een andere functie. Het betreft beplantingen die op een kunstmatige aarden wal staan (houtwal). Houtwallen liggen vooral op hogere (zand-)gronden, waar ze de vee- en wildwerende functie kregen, die in het laagland de sloten hadden.
Kenmerkend is, dat er geen bosachtige 'donkere' kern in voorkomt, waardoor er geen echte bosbiotoop kan ontstaan. Oorsprong Over het algemeen werd de begroeiing op houtwallen in het verleden als hakhout beheerd. Eikenhakhoutwallen werden gebruikt door de boer, bakker en leerlooier. De boer had rasterpalen nodig, de bakker takkenbossen voor zijn oven en de leerlooier haalde looizuur uit de schors om er leer mee te looien. Beheer en instandhouding Het instandhouden van hakhoutbeheer op wallen is alleen mogelijk wanneer er na het afzetten van de houtopstand voldoende licht op de stobben valt. Worden ze overschaduwd door nabij staande bomen, dan zullen de stobben uiteindelijk niet meer uitlopen. Dit betekent, dat spontaan opkomende soorten, zoals bijvoorbeeld lijsterbes, meidoorn, vlier, esdoorn en beuk, verwijderd moeten worden rond eikenstobben. Hetzelfde geldt voor bramen. Worden de bomen te zwaar, dan is het mogelijk, dat ze op een zeker moment omwaaien. Voor de handhaving als landschapselementen en voor het behoud van de ecologische waarden is het wenselijk, dat het hakhoutbeheer wordt volgehouden of hersteld. Verschillende boomsoorten vragen verschillende tempo's in het hakhoutbeheer.
Bij de zomereik en gewone es is een hakhoutbeheer met een cyclus van een jaar of tien waarschijnlijk het meest geschikt om de vegetatie in stand te houden, bij de zwarte els een cyclus van acht à tien jaar. Eikenhakhoutwallen langs de Bosstraat De aanwezige eikenhakhoutwallen aan de noord- en zuidzijde van de Bosstraat zijn gemiddeld 6-7 meter breed, met daarachter een greppel. Deze houtwallen volgen de richting van de oorspronkelijke verkaveling van het gebied, zoals ook terug te vinden is in het noordelijk gelegen Soesterveen. Met name aan de noordzijde van de Bosstraat ligt de houtwal voor een groot deel op particulier terrein. Duidelijk zichtbaar is, dat het beheer van de hakhoutwallen in de afgelopen decennia niet/onvoldoende is uitgevoerd en deels, dat de houtwallen veranderd zijn, doordat de oorspronkelijke beplanting/struiken verwijderd zijn en sierbeplanting is aangeplant. Ten einde het karakter van de Bosstraat te herstellen is het van belang, dat de eikenhakhoutwallen worden hersteld en daar waar nodig gereconstrueerd. Gezien de functie van een houtwal, de huidige breedte van de aanwezige eikenhakhoutwallen en de beschikbare ruimte, is langs de Bosstraat een breedte van 10 tot 12 meter haalbaar.
38/42 - ontwerp - NL.IMRO.0342.SOE0030-0201 -
5.2.3 Algemene regels Artikel 9 - Antidubbeltelregel In de regels is een bepaling opgenomen om te voorkomen, dat gronden die bij een eerder bouwplan reeds in aanmerking zijn genomen voor het toestaan van het bouwplan nogmaals meegeteld worden. Deze is afkomstig uit het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 10 – Algemene bouwregels Op deze plaats zijn algemene bouwregels opgenomen, die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Zo is er een regel opgenomen, die waarborgt, dat er bij het bouwen wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daarnaast is er een regel, die bepaalt, dat van het plan afwijkende maatvoering, die in het verleden is vergund ook mag worden aangehouden en dus niet onder het overgangsrecht komt. Artikel 11 – Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is opgenomen welk gebruik van gronden en bouwwerken in ieder geval wordt aangemerkt als gebruik in strijd met de bestemming, die in het plan aan de gronden en bouwwerken is gegeven. Deze regels zijn dan ook van toepassing op alle bestemmingen in het plan. Seksinrichtingen als strijdig gebruik Aangezien seksinrichtingen vanaf 1 oktober 2000 als een "normale" bedrijfs-/dienstverlenende activiteit worden aangemerkt, dient het bestemmingsplan zich expliciet uit te spreken over het al of niet bieden van mogelijkheden voor vestiging van dergelijke inrichtingen.
In het onderhavige plangebied worden dergelijke inrichtingen niet gewenst geacht. Ze zijn dan ook expliciet als strijdig gebruik aangemerkt. Artikel 12 - Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen, die van toepassing zijn in het plan. Het gaat hierbij om: -milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied. Artikel 13 - Algemene afwijkingsregels Het plan bevat een algemene vrijstellingsbevoegdheid om een aantal nodige zaken en ondergeschikte afwijkingen mogelijk te maken. Het betreft met name: -nutsbebouwing; afwijkingen van de ligging van bestemmings- en bouwgrenzen en andere grenzen, voorzover die nodig zijn ter aanpassing van het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein; -afwijkingen van bepalingen, gesteld ten aanzien van maten en percentages. Artikel 14 - Algemene wijzigingsregels Het plan bevat een aantal wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Daarmee kunnen bestemmings- en bouwgrenzen en grenzen van aanduidingen op de plankaart in beperkte mate worden verschoven. Verder kan de bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten via een wijzigingsbevoegdheid actueel worden gehouden.
5.2.4 Overgangs- en slotregels Artikel 15 - Overgangsrecht Uitgangspunt in een nieuw bestemmingsplan is, dat bestaande bouwwerken en gebruiksvormen in principe positief worden bestemd, dus als zodanig als recht zijn toegestaan. De overgangsrechtelijke bepalingen zijn bindend voorgeschreven in art. 3.2.1 en 3.2.2 Bro. Deze overgangsrechtelijke bepalingen dienen om te waarborgen, dat een bestaand bouwwerken of een bestaand gebruik, dat niet in overeenstemming is met het nieuwe plan en waarvan sloop respectievelijk beëindiging wordt beoogd, als zodanig voorlopig kan blijven voortbestaan. Het bouwwerk of gebruik wordt dan als zodanig gedoogd, totdat in de loop van de planperiode wordt beslist over sloop respectievelijk beëindiging. Bouwwerken en gebruiksvormen, die al in strijd zijn met het vorige bestemmingsplan worden expliciet uitgesloten van het overgangsrecht van het nieuwe plan. Ze worden niet gedoogd onder het nieuwe plan, maar blijven in strijd daarmee. Handhaving door sloop respectievelijk gebruiksbeëindiging blijft een optie. 39/42 - ontwerp - NL.IMRO.0342.SOE0030-0201 -
Artikel 16 - Slotregel Hier is bepaald hoe de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. 5.3
De verbeelding
Het plangebied is getekend op één gekleurde verbeelding, schaal 1: 1.000. De verbeelding is IMRO-gecodeerd getekend, conform IMRO 2012. Voor de verbeelding is aangesloten bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012, welke bindend is voorgeschreven in de ministeriële regeling standaarden ruimtelijke ordening.
40/42 - ontwerp - NL.IMRO.0342.SOE0030-0201 -
Hoofdstuk 6 Financiële uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan/ wijzigingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, onder meer voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient vast te worden gelegd in een exploitatieplan. Een exploitatieplan is alleen nodig voor die ontwikkelingen, die met het plan mogelijk worden gemaakt en waarvoor, voor vaststelling van het bestemmingsplan, geen privaatrechtelijke overeenkomsten worden gesloten. Middels een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de eigenaar van het perceel en de gemeente Soest is de uitvoerbaarheid van het plan gewaarborgd. Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat aan de wettelijke vereisten ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is voldaan.
41/42 - ontwerp - NL.IMRO.0342.SOE0030-0201 -
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1
Procedure en fase bestemmingsplan
Gezien de beperkte impact van dit bestemmingsplan en omdat bestaande omwonenden reeds nauw betrokken zijn bij de planvorming is de voorontwerpfase overgeslagen en is gelijk een ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. Tijdens deze ter inzage legging kunnen belanghebbenden hun zienswijze indienen. De resultaten van deze ter inzage legging zijn weergegeven in paragraaf 7.2.3. Tevens is het plan opgestuurd naar de relevante vooroverlegpartners. De resultaten van dit vooroverleg zijn weergegeven in paragraaf 7.2.2. De gemeenteraad zal vervolgens kennis nemen van deze zienswijzen en het bestemmingsplan vaststellen. 7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1 Algemeen Het plan voorziet in de ontwikkeling van twee nieuwe woningen en van een wijziging van de bestemmingsregeling ten aanzien van de bestaande groenstrook aan de achterzijde van de woningen. Bij dergelijke nieuwe ontwikkelingen wordt een maatschappelijke toets uitgevoerd, waarbij burgers worden geïnformeerd en ruimte hebben om te kunnen reageren op de concrete plannen. 7.2.2 PM
Vooroverleg conform artikel 3.1.1 Bro
7.2.3 PM
Zienswijzen
42/42 - ontwerp - NL.IMRO.0342.SOE0030-0201 -