CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

9 3 Bijlage 2 Toelichting Bestemmingsplan 1e Heezerlaantje naast nr. 7.pdf

Besluitvormende Raadsvergadering 4 februari 2021, gemeente SoestBij agendapunt: RV 21-04: Bestemmingsplan 1e Heezerlaantje naast nr. 714.921 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.5

Water

Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de verschillende waterbeheerders (waterschap, provincie en gemeente) over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Vallei en Veluwe, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt deze waterparagraaf aan het waterschap voorgelegd. Ook de gemeente Soest heeft

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

32

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal:  Bodem‐, Water‐ en Milieuplan 2016 ‐ 2021  Provinciale Verordening Ruimte  Provinciale Structuurvisie Waterbeheerprogramma 2016‐2021 Waterschap Vallei & Veluwe Het plangebied valt binnen de grenzen van waterschap Vallei & Veluwe. Het Algemeen Bestuur van het waterschap heeft op 30 september 2015 het Waterbeheerprogramma 2016‐2021 vastgesteld. Het nieuwe waterbeheerprogramma draagt de titel ‘Partnerschap als watermerk’. Het waterbeheerprogramma gaat uit van 6 hoofddoelen: 1. We beschermen het gebied tegen overstromingen 2. We zorgen voor de juiste hoeveelheid water 3. We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit 4. Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden 5. We halen de hoogst mogelijke waarde uit water 6.

We beheren de waterketen en watersysteem als één systeem, samen met partners Gemeentelijk water‐ en rioleringsplan Baarn en Soest 2018‐2022 Het Gemeentelijk water‐ en rioleringsplan gaat over alle gemeentelijk watertaken (afvalwater, hemelwater en grondwater), het stedelijk oppervlaktewater en de integratie met onze leefomgeving. Het plan beschrijft de achtergronden, het beleid, het programma en de financiën. Ook komen de rollen van gemeente, waterschap, bewoners en bedrijven aan bod. En het plan houdt rekening met recente ontwikkelingen en het pas afgeronde technische onderzoek Basiswaterketenplan. De gemeente zorgt voor het inzamelen en afvoeren of verwerken van stedelijk afvalwater en hemelwater. Voor zover doelmatig neemt de gemeente maatregelen tegen grondwateroverlast en zorgen ze samen met het waterschap Vallei en Veluwe dat het stedelijke oppervlaktewater schoon, veilig en beleefbaar is. De gemeente zorgt niet overal en niet altijd voor het water. Bewoners en bedrijven moeten zelf voor de voorzieningen op hun perceel zorgen. In sommige gebieden en situaties moeten zij het regenwater bergen en verwerken of afvoeren, of zelf maatregelen nemen tegen grondwaterproblemen. In het Gemeentelijk water‐ en rioleringsplan is aangegeven wat de gemeente doet en waarvoor bewoners en bedrijven zelf verantwoordelijk zijn.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

33

Water en riolering zijn van groot belang voor de volksgezondheid en onze leefomgeving. Het grondwater is belangrijk voor bomen, planten, het bodemleven en de drinkwatervoorziening. Het oppervlaktewater draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit en wordt gebruikt voor ontspanning en recreatie. Een gezonde leefomgeving betekent ook een groene en koele leefomgeving. Minder zichtbaar maar zeker zo belangrijk, is de riolering onder de grond. Een goed functionerende riolering is nodig voor de volksgezondheid, een schone leefomgeving en het beperken van wateroverlast. Door de klimaatverandering wordt dit alles nog belangrijker. De gemeente maakt het watersysteem en de riolering duurzaam en robuust, zodat deze de effecten van de klimaatverandering kunnen opvangen. Dit gebeurt in samenhang met andere ingrepen in de (stedelijke) omgeving, waarbij de gemeente kansen benut en effectgericht werkt. De thema’s om tot een duurzaam en robuust systeem te komen zijn:  Baarn en Soest klimaatbestendig;  duurzame afvalwaterketen;  bewoners bewust;  beleefbaar water;  goed beheren;  financiën op orde. Huidige situatie Algemeen Het plangebied bestaat uit een grasveld/paardenweide. Bodem en grondwater Het plangebied is volgens de bodemkaart van Nederland gelegen op zwaklemig fijn zand. Volgens de bodemkaart van Nederland (www.bodemdata.nl) is in de omgeving sprake van grondwatertrap VII.

Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand tussen de 80 en 140 cm beneden het maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand op meer dan 120 cm beneden het maaiveld ligt. De maaiveldhoogte in het plangebied is circa NAP +5.2 m.

Figuur 4.4 Uitsnede Bodemkaart Nederland en plangebied (rode cirkel).

Figuur 4.5 Uitsnede kaart Grondwatertrappen en plangbied (rode cirkel). Waterkwantiteit Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Er is ook geen oppervlaktewater aanwezig in de directe omgeving.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

34

Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen een primaire of regionale waterkering. Het plangebied is ook niet gelegen binnen beschermingszones hiervan. Afvalwater en riolering Momenteel is het plangebied niet bebouwd en is het niet aangesloten op het rioleringsstelsel. Toekomstige situatie Algemeen De beoogde ontwikkeling houdt de realisatie van vijf woningen met bijbehorende garages en tuin in. Waterkwantiteit Met de beoogde ontwikkeling wordt geen oppervlaktewater gedempt of gerealiseerd. Waterkwaliteit Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐ uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Afvalwater en riolering De afvoer van afvalwater zal aangesloten worden op de bestaande riolering, zoals de rest van de woningen in de straat. De afvoer van het hemelwater wordt niet op het riool aangesloten, maar door middel van hemelwaterbrievenbussen (figuur 4.6) afgewaterd. Waar nodig wordt door middel van molgoten het hemelwater geloodst naar een geschikte plaats in de tuin, waarna het kan infiltreren in de bodem. Hiermee wordt gehoor gegeven aan het principe om hemelwater niet versneld af te voeren, maar juist te vertragen en te bergen.

Figuur 4.6 Voorbeeld van een hemelwaterbrievenbus (bron: giverbo.nl) Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding ter plaatse van het plangebied.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

35

5.6

Bodem

Beleid en normstelling Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek Op de locatie heeft in februari 2019 een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden, zie bijlage 5. Uit het vooronderzoek zijn voor de locatie zelf geen eerdere bodemkwaliteitsgegevens bekend geworden. Op basis van gegevens van nabij gelegen locaties en het feit dat de locatie zover bekend altijd weiland is geweest, worden er geen verontreinigingen in de grond en mogelijk enkele licht verhoogde concentraties met zware metalen in het grondwater verwacht. Aan de grens van het plangebied bevindt zich een schuur voor veestalling en opslag van voer en kleinschalig materiaal. De schuur heeft een asbestverdachte golfplaten dakbedekking. Er is geen dakgoot aanwezig.

De bodem direct rondom de schuur, met name de grond onder de afwatering van de golfplaten, wordt als potentieel verdacht voor de aanwezigheid van asbest beschouwd. Bij een visuele inspectie van het maaiveld conform de NEN 5707 is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De kwaliteit van de bodem op de locatie is voldoende vastgelegd en er is geen vermoeden voor de aanwezigheid van een sterke verontreiniging, noch een geval van ernstige bodemverontreiniging. De actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is in voldoende mate vastgesteld. De aangetoonde lichte verontreinigingen in het grondwater, alsmede het aangetoonde gehalte aan asbest rondom de schuur met asbestverdachte golfplaten dakbedekking geven geen beperkingen voor het huidige gebruik van de locatie. De aangetoonde milieuhygienische bodemkwaliteit op de locatie geeft tevens geen beperkingen voor eventuele toekomstige herinrichting en/of nieuwbouw op de locatie. Grondverzet Bij grondverzet van‐, of naar de onderzoeklocatie is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Afvoer van grond vanaf de locatie kan mogelijk plaatsvinden op basis van de uitkomsten van onderhavig bodemonderzoek naar een BRL‐SIKB 9335 erkende grondbank. Bij afvoer van grotere hoeveelheden grond wordt geadviseerd om een partijkeuring conform het Besluit Bodemkwaliteit uit te voeren.

De verkregen resultaten van onderhavig onderzoek kunnen dan gebruikt worden ter bepaling van de te verwachten kwaliteit van de te keuren grond. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

36

5.7

Bedrijven en milieuzonering

Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Bij een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Onderzoek De beoogde woonbestemming komt op circa 50 m van de westelijk gelegen sportvelden. Voor een sportcomplex met lichtmasten, geldt een richtafstand van 50 m voor geluid. Om het akoestisch klimaat bij de woningen te bepalen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het geluid afkomstig van de sportvelden, zie bijlage 7.

Verder zijn er geen bedrijven of andere inrichtingen in de directe omgeving van het plangebied gelegen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus vanwege de sportvelden ter plaatse van de nieuwe woningen voldoen aan de richtwaarden voor een “rustige woonwijk/rustig buitengebied”. Ook blijkt dat de geluidniveaus ter plaatse van de al bestaande woningen hoger zijn dan ter plaatse van de nieuwe woningen en niet voldoen aan deze richtwaarden. Verder worden de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit overschreden. Planologisch gezien valt een groot deel van het sportpark buiten de richtafstand van 50 meter, bezien vanuit de nieuwe woningen. Voor het planologisch onderzoek zijn de akoestisch meest relevante activiteiten/velden meegenomen: 3 hockeyvelden en 2 voetbalvelden. Vanwege de afstand van de verschillende clubgebouwen (140 meter voor het eerste voetbalclubgebouw SEC) wordt dit planologisch akoestisch niet relevant geacht. Dit geldt in nog sterkere mate voor accommodaties aan de overzijde van de Bosstraat. Voor wat betreft maximale geluidniveaus geldt dat er niet wordt voldaan aan de richtwaarden. Het berekende maximale geluidniveaus bedraagt ten hoogste 70 dB(A) in de avondperiode ter plaatse van de nieuwe woningen (vanwege hockey‐geluid op het meest nabijgelegen hockeyveld). Dat is een overschrijding van 5 dB(A).

Ondanks dat de maximale geluidniveaus bij de nieuwe woningen zijn lager dan bij de bestaande woningen is ook bij de nieuwe woningen sprake van een overschrijding van de richtwaarden. Het blijkt naar aanleiding van enkele zienswijzen en ingediende klachten bij de gemeente dat er klachten zijn vanuit omwonenden over geluidshinder afkomstig van het de sportvelden, waaronder het hockeyveld. Voor de nieuwe woningen moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Met de aangegeven overschrijding van de maximale geluidsniveaus in de avondperiode lijkt daar geen sprake van, zonder dat daar maatregelen voor worden genomen. Om ook in de avondperiode een goed woon‐ en leefklimaat voor de nieuwe woningen te kunnen waarborgen worden daarom aanvullende maatregelen genomen met een versterkte isolatie van de woningen. Dit sluit ook aan op de te nemen maatregelen voor het gasloos bouwen. De woningen worden luchtdicht met balansventilatiesystemen uitgevoerd, waarmee binnenshuis een reductie van minimaal 25 dB(A) wordt behaald. Met het nemen van deze maatregelen wordt dan wel voldaan aan de maximale geluidsniveaus, ook in de avondperiode.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

37

Conclusie Het geluid dat afkomstig is van de nabijgelegen hockeyvelden geeft een overschrijding van de maximale geluidsniveaus op de nieuwe woningen in de avondperiode. Door het nemen van aanvullende maatregelen bij nieuwe woningen, het voorzien van versterkte isolatie dat ook aansluit bij de te nemen maatregelen voor het gasloos bouwen, kan wel worden voldaan aan de maximale geluidsniveaus. De nieuwe woningen worden luchtdicht gemaakt met behulp van balansventilatiesystemen. Dit zorgt voor een geluidsreductie van het binnengeluid van ten minste 25 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de maximale geluidsniveaus, ook in de avondperiode. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

5.8

Kabels en leidingen

Beleid en normstelling Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Beoordeling en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.9

Wegverkeerslawaai

Normstelling en beleid In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) bevinden zich langs alle wegen geluidzones, met uitzondering van woonerven en 30 km/u‐wegen. Binnen de geluidzone van een weg dient de geluidbelasting aan de gevel van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen aan wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk). Binnen het plangebied worden woningen mogelijk gemaakt. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) is wonen een geluidgevoelige functie. Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/u of lager zijn op basis van de Wgh niet gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven. Echter dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Onderzoek Voor het aspect wegverkeer is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is verwerkt in het totale akoestisch onderzoek (bijlage 7) voor het plangebied. Van het 1e Heezerlaantje zijn geen verkeersgegevens bekend. Op basis van CROW 381 is een globale inschatting gemaakt van 850 mvt/etmaal als weekdaggemiddelde. Worstcase is een berekening uitgevoerd met 1.000 mvt/etmaal. Voor de voertuig‐ en etmaalverdelingen is uitgegaan van een standaard verdeling.

De wegdekverharding bestaat uit standaard asfalt. De berekende geluidbelasting vanwege wegverkeer over het 1e Heezerlaantje bedraagt ten hoogste Lden = 45 dB en voldoet daarmee aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder. In dit geval te zien als richtwaarde omdat de Wgh formeel niet van toepassing is (30 km‐weg).

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

38

Twee bouwvlakken zijn dichter (respectievelijk 1,48 meter en 1 meter) op het 1e Heezerlaantje gesitueerd dan in het akoestisch onderzoek onderzocht is. Dit heeft echter geen gevolgen voor de conclusies van het akoestisch onderzoek. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.

5.10

Externe veiligheid

Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een ruimtelijke onderbouwing moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.

Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

39

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 meter binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek Er zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen. Ook vindt er geen gevaarlijk transport plaats over de weg, het water of via buisleidingen. Op grote afstand (meer dan 3 kilometer) ligt het spoortraject 30DS.5 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van dit spoortraject waardoor conform artikel 7 Bevt.

lid 1 en 2 aandacht moet worden besteed aan de verantwoording van het groepsrisico en hulpverlening. Beknopte verantwoording groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg zal voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd worden aan de veiligheidsregio. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via het 1e Heezerlaantje. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Soest. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie worden 5 woningen gerealiseerd. Aanwezige kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen.

Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het water of het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject 30DS.5. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

40

5.11

Archeologie en cultuurhistorie

5.11.1 Archeologie Beleidskader Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Onderzoek De gemeente Soest heeft een beleidsadvieskaart archeologie voor het gehele grondgebied opgesteld. Dit beleid is middels dubbelbestemmingen vertaald in de bestemmingsplannen. Ter plaatse van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde ‐ Archeologie middelhoge verwachting’. Voor gronden met deze dubbelbestemming geldt een onderzoekplicht bij bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld waarbij de bestaande oppervlakte met meer dan 500 m² wordt vergroot. Omdat er bodemroerende werkzaamheden plaatsvinden met een grote oppervlak dan 500 m2 heeft er een verkennend archeologisch onderzoek plaatsgevonden, zie bijlage 6. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat er in het plangebied twee potentiële archeologische niveaus aanwezig zijn.

Deze niveaus bevinden zich direct onder de humeuze bovenlaag (sporenniveau in de top van de C‐horizont) en onder de vegetatiehorizont (mogelijke Laag van Usselo). Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert IDDS Archeologie om vervolgonderzoek uit te laten voeren indien bodemverstoringen plaatsvinden die dieper reiken dan 0,3 m –mv (4,9 m NAP). Conclusie De woningen worden onderheid waardoor er niet dieper dan 0,3 meter de grond in gegaan hoeft te worden. Hierdoor is een vervolgonderzoek naar archeologie niet nodig. De archeologische waarden in de bodem blijven ongeroerd. Het aspect archeologie staat de ontwikkeling niet in de weg. 5.11.2 Cultuurhistorie Beleidskader Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

Onderzoek De gemeente Soest heeft voor haar grondgebied een cultuurlandschappelijke waardering opgenomen, die in beeld is gebracht in de Gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart. Zie ook figuur 4.7.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

41

figuur 4.7 Uitsnede Gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart en plangebied (blauwe cirkel). Waardering 'Hoog' Voor het stedelijk gebied betreft het gebieden die van belang zijn voor de geschiedenis van de stedenbouw in het algemeen en de ontwikkeling van Soest in het bijzonder en/of met een hechte relatie met de historische en landschappelijke hoofdstructuren en/of met een herkenbaar en gaaf bewaard gebleven stedenbouwkundig concept en/of met een bovengemiddelde ruimtelijke kwaliteit in de samenhang tussen bebouwing, openbare ruimte en beplanting. De kleine schaal van de directe woonomgeving en de grote schaal van het dorp en het landschap zijn mooi met elkaar verweven door de manier waarop verkaveling en hoofdstructuur elkaar versterken. Hiërarchie in de ruimtelijke opbouw zorgt voor verbindingen tussen het kleine en het grote schaalniveau. Conclusie Met het ontwerp is zoveel mogelijk aangesloten op het huidige straatbeeld. Er wordt rekening gehouden met doorzichten zodat ook het landschap verweven wordt met de ontwikkeling. De aanwezige groenstructuur blijft behouden en waar nodig versterkt. Met de planontwikkeling is voldoende rekening gehouden met het aspect cultuurhistorie.

5.12

Duurzaamheid

Beleid en normstelling De Rijksoverheid wil in 2050 geen uitstoot van broeikasgassen, zoals CO2. In het Energieakkoord staat hoe de overheid zorgt dat de hoeveelheid duurzame energie in Nederland 16% is in 2023. Hierover heeft het kabinet afspraken gemaakt met 40 partijen, waaronder werkgevers, vakbonden en milieuorganisaties. In de Energieagenda staan de afspraken tot 2050. Een van deze afspraken is geen toepassing van aardgas meer vanaf 2050. Voor nieuwbouw betekent dit, dat er geen aardgas bij nieuwbouw wordt aangelegd. Een andere vorm van verwarmen is noodzakelijk. Onderzoek Energie Wat betreft de aan te houden GPR‐score gelden in Soest geen strengere eisen dan in het Bouwbesluit beschreven staan. Hier zal met de beoogde ontwikkeling dan ook aan gehouden worden.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

42

Klimaatadaptatie Andere uitgangspunten voor klimaatadaptatie (m.n. lokale wateroverlast): De vloer van de woningen zal minimaal 25 cm boven de kruin van de weg worden gebouwd. De opritten en tuinen worden minimaal 10 cm onder het peil van de woning gebouwd. Conclusie De woningen voldoen aan de duurzaamheidsambities van de gemeente Soest. Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

43

Hoofdstuk 6

6.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit een (digitale) verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen moeten in onderlinge samenhang worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld. Daarnaast zijn er algemene regels, en overgangs‐ en slotregels opgenomen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer, die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

6.2

Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen, die in het plan voorkomen. De begrippen zijn afkomstig uit het SVBP2012 en aangevuld met voor het plan relevante begrippen. Artikel 2 Wijze van meten Artikel 2 bevat de wijze van meten. De meetregels zijn afkomstig uit het SVBP2012 en aangevuld met voor het plan relevante meetregels.

6.3

Bestemmingsregels

Artikel 3 Tuin De gronden bij de woning die vrij moeten blijven van bebouwing hebben de bestemming 'Tuin' gekregen. In het onderhavige geval betreft dit de voortuinen. In de tuin is in beginsel geen bebouwing mogelijk, met uitzondering van een tuinhekje van maximaal 1 meter hoogte. Voor de gronden buiten de rode contour is op de bestemming Tuin de aanduiding 'specifieke vorm van Tuin ‐ openheid' gelegd. Om verstedelijking van het als provinciaal aangewezen landelijk gebied tegen te gaan is deze aanduiding opgenomen. Binnen deze aanduiding kan niet vergunningsvrij bebouwing worden opgericht. Hiermee wordt voorkomen dat bouwmassa's aan elkaar gebouwd kunnen worden en behoud van de openheid tussen de woningen tegelijkertijd geborgd. Artikel 4 Wonen De woningen met de daarbij behorende tuinen en erven en in samenhang daarmee de uitoefening van aan‐huis‐gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn bestemd als "Wonen". In deze bestemming zijn de woningen toegestaan binnen de bouwvlakken. De maximale goot‐ en bouwhoogte van woningen is op de verbeelding vastgelegd. Binnen de opgenomen specifieke bouwaanduiding uitgesloten – bebouwing, is vergunningvrij bouwen niet toegestaan om de doorzichten te waarborgen.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

44

Bijbehorende bouwwerken Aan‐ of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen binnen deze woonbestemming, zowel binnen als buiten de bouwvlakken worden gebouwd. Buiten de bouwvlakken mogen uitbouwen en bijgebouwen uitsluitend worden gebouwd binnen de op de verbeelding aangegeven bestemmingsgrenzen behorende bij de woonbestemming. Beroep aan huis Het uitoefenen van een beroep aan huis, zoals dat in de begrippen is omschreven, is als recht toegestaan in de bestemming “Wonen”. Om te voorkomen dat de beroepsuitoefening de woonfunctie zou kunnen overheersen, is deze aan een maximale vloeroppervlakte gebonden binnen de woning en de bijbehorende aan‐ of uitbouwen en bijgebouwen. Bedrijf aan huis Bij bedrijf aan huis zoals in de begripsomschrijvingen in Artikel 1 van de regels is omschreven, kan het gaan om activiteiten met wat grotere gevolgen voor de omgeving dan een beroep aan huis. Om duidelijk aan te geven om welk soort bedrijven het hier gaat is een "Staat van bedrijfsactiviteiten aan huis" opgenomen. Voor afwijking moet worden voldaan aan de bij die afwijkings‐bevoegdheid gestelde voorwaarden. Hierdoor wordt voorkomen, dat hinderlijke functies zich in woonwijken kunnen vestigen. Om te voorkomen dat de beroepsuitoefening de woonfunctie kan gaan overheersen, is ook deze aan een maximale vloeroppervlakte gebonden binnen de woning en bijbehorende bouwwerken.

Artikel 5 Waarde ‐ Archeologie middelhoge verwachting In de regels is een dubbelbestemming opgenomen voor archeologie. Deze dubbelbestemming ligt als het ware over de andere bestemmingen heen en geniet voorrang. Bij de dubbelbestemming voor archeologie betekent dat bijvoorbeeld dat er pas gebruik kan worden gemaakt van de bouwmogelijkheden van de woonbestemming als er eerst, op kosten van de initiatiefnemer, archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Voor het onderhavige plangebied geldt een archeologische verwachtingswaarde. Concreet betekent dit, dat er geen nieuwe bebouwing of grondbewerkingen dieper dan 30 centimeter zijn toegestaan, met een oppervlakte van meer dan 500 m2. Deze laatste uitzondering is opgenomen, omdat deze verwachtingswaarde ook over de woonpercelen heen ligt. Voor elke aan‐ of uitbouw en voor elke inrichting van de tuin zou dan een archeologisch onderzoek nodig zijn. De kosten van een dergelijk onderzoek staan in die gevallen (minder dan 100 m2) niet in verhouding tot de beoogde bebouwing of bewerking. Daarom is voor kleinschalige bebouwing en grondbewerkingen een uitzondering gemaakt op de verplichting om archeologisch onderzoek te doen.

6.4

Algemene regels

Artikel 6 Anti‐dubbeltelregel In de regels is een bepaling opgenomen om te voorkomen, dat gronden die bij een eerder bouwplan reeds in aanmerking zijn genomen voor het toestaan van het bouwplan, nogmaals meegeteld worden. Artikel 7 Algemene bouwregels In deze regels zijn algemene bouwregels opgenomen, die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Er is een regel opgenomen, die bepaalt, dat van het plan afwijkende maatvoering, die in het verleden is vergund ook mag worden aangehouden en dus niet onder het overgangsrecht komt. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksbepaling wordt voor een aantal zaken expliciet aangegeven, dat deze als strijdig gebruik worden aangemerkt en daarmee onder het verbod vallen zoals opgenomen in artikel 2.1 van de Wabo. Indien in een bepaald geval gebruik in strijd met bijvoorbeeld de doeleindenomschrijving van een bestemming of met een verleende vrijstelling wordt geconstateerd, dan is er sprake van een overtreding, waartegen kan worden opgetreden.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

45

Artikel 9 Algemene aanduidingsregels overige zone – voorwaardelijke verplichting 1 Om de groenstructuren in het plangebied te waarborgen en verbeteren is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking tot de landschappelijke inpassing waarbij het gebruik van de bestemming Wonen alleen is toegestaan op voorwaarde dat binnen twee jaar na inwerking treden van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning het plangebied ingericht is en ingericht blijf voor wat betreft de overeengekomen landschappelijke inpassing met aanplant van de meidoornhagen en bomen, uit het landschappelijk inpassingsplan. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Het plan bevat een algemene afwijkingsbevoegdheid om een aantal nodige zaken en ondergeschikte afwijkingen mogelijk te maken. Artikel 11 Algemene wijzigingsregels Het plan bevat een aantal wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om de bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten en Nota parkeernormen actueel te houden.

6.5

Overgangs‐ en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht Uitgangspunt in een nieuw bestemmingsplan is dat bestaande bouwwerken en gebruiksvormen in principe positief worden bestemd, dus als zodanig als recht zijn toegestaan. De overgangsrechtelijke bepalingen zijn bindend voorgeschreven in art. 3.2.1 en 3.2.2 Bro. Deze overgangsrechtelijke bepalingen dienen om te waarborgen, dat een bestaand bouwwerken of een bestaand gebruik dat niet in overeenstemming is met het nieuwe plan en waarvan sloop respectievelijk beëindiging wordt beoogd, als zodanig voorlopig kan blijven voortbestaan. Het bouwwerk of gebruik wordt dan als zodanig gedoogd, totdat in de loop van de planperiode wordt beslist over sloop respectievelijk beëindiging. Bouwwerken en gebruiksvormen, die al in strijd zijn met het vorige bestemmingsplan worden expliciet uitgesloten van het overgangsrecht van het nieuwe plan. Ze worden niet gedoogd onder het nieuwe plan, maar blijven in strijd daarmee. Handhaving door sloop respectievelijk gebruiksbeëindiging blijft een optie. Artikel 13 Slotregel Hier is bepaald hoe de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

46

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

47

Hoofdstuk 7

7.1

Uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan moet op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Ook geldt volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dat als sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer of ontwikkelaar. Een en ander moet worden gelegd in een exploitatieplan. Een exploitatieplan is alleen nodig voor ontwikkelingen, die met het plan mogelijk worden gemaakt en waarvoor, voor de vaststelling van het bestemmingsplan, geen privaatrechtelijke overeenkomsten zijn gesloten. De verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan kan in geval van wijzigingsbevoegdheden worden doorgeschoven naar het wijzigingsplan. Dit maakt ook een privaatrechtelijke overeenkomst na de vaststelling van het bestemmingsplan, maar vóór de wijzigingsprocedure, mogelijk. In dat geval is een exploitatieplan niet meer verplicht. De economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied is gewaarborgd door het sluiten van een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente.

Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat aan de wettelijke vereisten voor de economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is voldaan.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan kan onder meer worden aangetoond door het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop instanties, burgers en belanghebbenden kunnen reageren op het plan. Het bestemmingsplan doorloopt de wettelijk vastgelegde procedure, bestaande uit de volgende stappen. Vooroverleg en inspraak Op 30 oktober 2018 heeft een buurtinspraak plaatsgevonden op het toenmalige voorgenomen ontwerp. Een korte samenvatting van suggesties die behandeld zijn tijdens de avond:  Lagere nok‐ en goothoogte.  Lagere dichtheid.  Meer doorzichten naar het achterliggende gebied. Sindsdien is verder gewerkt aan het plan en is er met de kappen van de woningen rekening gehouden zoveel mogelijk doorkijk te bieden. Ook loopt het bouwvolume af naarmate men het 1e Heezerlaantje vervolgt. Het concept‐ontwerp bestemmingsplan is, volgens artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), verzonden naar de overleginstanties. Op het plan is één inspraakreactie binnen gekomen van de Provincie Utrecht.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

48

Provincie Utrecht Het concept bestemmingsplan geeft geen aanleiding om opmerkingen te plaatsen in het kader van het provinciaal belang. Reactie gemeente De gemeente bedankt voor de reactie. De reactie is ter kennisgeving aangenomen. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan volgt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpplan heeft van 4 juni 2020 tot en met 15 juli 2020 voor een ieder ter inzage gelegen. Er zijn in totaal vier zienswijzen binnengekomen. Dit heeft op een aantal plekken in het bestemmingsplan tot wijzigingen geleid. Ook zijn er twee ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. De beantwoording en alle wijzigingen zijn terug te vinden in de Nota van zienswijzen, zoals deze is bijgevoegd in Bijlage 8. Vervolg Vervolgens wordt het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad. De publicatie van het vaststellingsbesluit vindt (over het algemeen) plaats binnen twee weken na de vaststelling. Tijdens de daarop volgende inzage termijn (6 weken) is het mogelijk beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Het vaststellingsbesluit treedt in werking op de eerste dag ná de dag waarop de beroepstermijn afloopt, tenzij er een voorlopige voorziening is aangevraagd.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002065.20190769

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=0a4c494d-f680-4b6e-a748-141316735d3b