CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

7. Bijlage 6_Bijlage I bij Nota van Zienswijze Trillingsonderzoek Parklaan 104A

Beeldvormende vergadering (Raadzaal) 8 februari 2024, gemeente SoestBij agendapunt: Bestemmingsplan Parklaan 104A6.925 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

<

Auteur

Marjolein Hordijk marjolein@we-boost.nl

Controle en vrijgave

Pieter Boon pieter@we-boost.nl +31 6 10 03 94 54

Projectcode

WBD2023-044

Versienr

1.0

Datum

5 oktober 2023

Status

Definitief

Opdrachtgever

Irma Dekking

<

Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van metingen van

© We-Boost 2023 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van We-Boost.

> Aan de Parklaan 104a in Soest wordt de bestaande opstal gesloopt, en een nieuwe woning gerealiseerd. De woning komt op korte afstand van de spoorlijn Utrecht - Hilversum te staan. Daardoor kunnen trillingen van treinverkeer als hinderlijk worden ervaren. Doel van het voorliggende onderzoek is om vast te stellen of er sprake zal zijn van trillingshinder in de geplande woningen, en zo ja, met welke maatregelen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (e.e.a. conform de Wro art. 3.1, wat in wezen niet verandert in de Omgevingswet (art. 4.2)). Voor het beoordelen van mogelijke trillingshinder maken we gebruik van de streefwaarden uit de SBR B-richtlijn. Deze streefwaarden zijn voorkeurswaarden, waarbij het streven moet zijn om de trillingen in de beoogde bebouwing te laten voldoen aan deze waarden. In dit onderzoek is met behulp van metingen op de bouwlocatie en modelberekeningen onderzocht wat de trillingen zullen zijn in de toekomstige woning. Omdat de details van het plan nog niet bekend zijn, zijn hierbij meerdere constructieve uitwerkingsvarianten onderzocht. In onze aanpak volgen we de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat er geen overschrijdingen zijn van het beoordelingskader voor trillingshinder (de SBR B-richtlijn). Er hoeft geen rekening te worden gehouden met trillingen bij de verdere ontwikkeling van het plan.

1. 1.1.

Aanleiding

7

1.2.

Doel

7

1.3.

Leeswijzer

7

2.1.

Situatie

10

2.2.

Uitgangspunten

11

3.1.

Trillingen en wetgeving

14

3.2.

Beoordelingskader trillingshinder

14

3.3.

Rekenmethode

15

4.1.

Meetresultaten

19

4.2.

Trillingen in geplande gebouw

19

II.1

Trillingsmeting

22

II.2

Gegevens treinpassages

22

II.3

Bepalen verschillen tussen meetpunten

23

II.4

Opstellen bodemmodel

23

II.5

Opstellen Gebouwmodel

24

II.6

Bepalen trillingsspectra t.p.v. randen gebouw

31

II.7

Bepalen trillingsspectra t.p.v. fundering gebouw

31

II.8

Bepalen trillingsspectra t.p.v. vloeren gebouw

31

II.9

Bepalen Vmax en Vper t.p.v. vloeren gebouw

32

2.

3.

4.

I. II.

4

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

II.10

Omgaan met onzekerheden

33

III.1

Gegevens metingen

34

III.2

Resultaten metingen

35

III.

5

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

1.

In dit hoofdstuk geven we een korte omschrijving van de inhoud van dit onderzoek: de aanleiding, het doel van het onderzoek en een beknopte leeswijzer om informatie snel te kunnen vinden.

1. 1.1. Aan de Parklaan 104a in Soest wordt de bestaande opstal gesloopt, en een nieuwe woning gerealiseerd. De woning komt op korte afstand van de spoorlijn Utrecht - Hilversum te staan, zie Figuur 1. Daardoor kunnen trillingen van treinverkeer als hinderlijk worden ervaren.

Figuur 1 Plangebied

1.2. Doel van dit onderzoek is om vast te stellen of er sprake zal zijn van trillingshinder in de geplande woning, en zo ja, met welke maatregelen deze hinder is te voorkomen. Hiervoor maken wij een nauwkeurige predictie van de trillingen in de geplande bebouwing, conform de in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen omschreven aanpak. Deze trillingen toetsen we aan het van toepassing zijnde beoordelingskader. Als we overschrijdingen van het beoordelingskader verwachten, dan geven we aan met welke constructieve aanpassingen of maatregelen kan worden voldaan aan de streefwaarden uit het beoordelingskader.

1.3. Wij beschrijven de situatie in het onderzoeksgebied en de uitgangspunten in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 lichten we het beoordelingskader en de gevolgde rekenmethodiek toe. Met behulp van de uitgangspunten berekenen we de trillingen in de woning op basis van de gemeten trillingen en de eigenschappen van de gebouwen. Het resultaat van deze stap wordt in hoofdstuk 4 beschreven. 7

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

De bijlages bevatten technische informatie van het onderzoek, zoals een toelichting op de rekenmethodiek en grondonderzoek van nabijgelegen locaties.

8

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

2.

In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de beoogde toekomstige situatie en worden de uitgangspunten van het onderzoek weergegeven.

2

2. 2.1. Het plangebied bestaat momenteel uit een terrein met een opstal. Deze opstal wordt gesloopt, waarbij de fundering behouden blijft en wordt uitgebreid. Hierop komt een nieuwe woning te staan. De bestaande en geplande bebouwing is weergegeven in Figuur 2.

Figuur 2 Huidige en toekomstige bebouwing rond de planlocatie

De woning is gepland op een afstand van ca. 12.5 meter van het spoor. De rijsnelheid en het aantal treinen per uur per richting zijn weergegeven in Tabel 1. Deze gegevens zijn gebaseerd op het Geluidsregister Spoor en gegevens van de vervoerders. Er wordt geen toename van het aantal treinen voorzien. Er is geen sprake van structureel goederenvervoer op deze lijn. Tabel 1 Treinen, rijsnelheid en aantal treinen per uur per richting (gemiddeld, per richting) Type trein

Rijsnelheid

dag (7:00 – 19:00)

avond (19:00 – 23:00)

nacht (23:00 – 7:00)

Sprinter

0 - 40 km/h

2.00

2.00

0.75

Andere trillingsbronnen, zoals wegverkeer, zullen gezien de afstand tot de bebouwing, het wegdek en het type verkeer naar verwachting niet voor voelbare trillingen zorgen in de geplande bebouwing. Wegverkeer is dan ook niet nader kwantitatief beschouwd in dit onderzoek.

10

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

2.2. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van een aantal uitgangspunten. In het volgende hoofdstuk wordt toegelicht hoe deze uitgangspunten zijn verwerkt in de berekeningen. 2.2.1. Voor het uitvoeren van de berekeningen is gerekend met het ontwerp van 3 mei 2022. De gegevens van het gebouw zijn weergegeven in zie Tabel 2. Het rekenmodel voor de bebouwing is hierop gebaseerd. Tabel 2 Eigenschappen bebouwing Parameter

Eigenschappen

Vloertype

Begane grond: schuimbeton op betonnen funderingsplaat Verdieping: houten vloer, maar geen verblijfsruimte

Hoogte

6 meter (2 bouwlagen, bovenste heeft geen verblijfsfunctie)

Lengte vloerveld

5.0 meter

Constructietype

Houtskeletbouw

Fundering

Op staal, bestaande fundering wordt uitgebreid

2.2.2. Voor gegevens van de ondergrond is gebruik gemaakt van beschikbare boringen en sonderingen uit Dinoloket en bodemonderzoeken die in de omgeving van het plangebied zijn uitgevoerd. Deze gegevens zijn gebruikt om de bodemopbouw te modelleren. De bodemopbouw heeft invloed op hoe de trillingen uitdempen met de afstand, en op hoe de gebouwen reageren op trillingen. 2.2.3. Zoals te zien in Figuur 3 zijn door Alcedo metingen uitgevoerd. Het gaat hierbij om drie meetpunten op maaiveld in de buurt van de beoogde locaties van de gebouwen. De metingen zijn uitgevoerd van 27 september tot en met 4 oktober 2023. Er waren geen afwijkingen in het treinverkeer in deze periode. De meting heeft een meetduur van een week, conform de eisen uit de SBR B-richtlijn, om de trillingen van de treinen betrouwbaar vast te leggen. De metingen zijn uitgevoerd met FrogWatch trillingsmeters, die voldoen aan de eisen uit de SBR-richtlijnen1. Verdere gegevens over de metingen zijn opgenomen in bijlage III van dit rapport.

1

Zie een uitgebreide toelichting van de specificaties op https://www.frog.watch/facts/. Er wordt uitsluitend gebruik gemaakt van sensoren die voldoen aan de kalibratie-eisen uit de SBR B-richtlijn.

11

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

Figuur 3 Meetpunten

12

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

3.

In dit hoofdstuk geven wij een toelichting op het beoordelingskader en de gebruikte rekenmethode.

3

3. 3.1. Er bestaat in Nederland geen wettelijk kader voor de beoordeling van trillingshinder in gebouwen. Wel geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening o.b.v. de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) kan worden verzocht om trillingen mee te nemen bij de wijziging van bestemmingsplannen waar trillingen een rol kunnen spelen. Per 1 januari 2024 wordt de Omgevingswet (Ow) van kracht. Ook in de Ow zijn geen streef- en grenswaarden opgenomen voor trillingen afkomstig van hoofd- en spoorwegen. Het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’ uit de Wro art. 3.1 is in de Ow vervangen door het begrip ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’, art. 4.2. Vanuit dit artikel moet ook in het kader van een omgevingsplan onder de Ow trillingshinder (waar relevant) in kaart worden gebracht en betrokken worden bij de afweging in het kader van het beschermen van de fysieke leefomgeving. Net als onder de Wro zijn hulpmiddelen als de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen en de SBR-richtlijn van toepassing om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen respectievelijk te beoordelen. De beoordeling van trillingen langs spoorlijnen verandert niet wezenlijk onder de Omgevingswet.

3.2. Op basis van jurisprudentie wordt al enkele decennia gebruik gemaakt van de SBR-richtlijn om trillingen in gebouwen te beoordelen. 2 1F0F

Deze SBR-richtlijn bestaat uit drie delen (deel A3– schade in gebouwen, deel B4 – hinder voor personen in gebouwen en deel C5 – verstoring van gevoelige apparatuur) waarvan alleen deel B voor dit onderzoek relevant is. De afstand tussen het spoor en het gebouw is dermate groot dat er geen schade aan de gebouwen zal ontstaan, en verstoring van gevoelige apparatuur als gevolg van de realisatie van dit plan is ook niet aan de orde. In deze SBR-richtlijn deel B zijn een aantal aspecten relevant, deze worden hieronder kort toegelicht: 1.

De richtlijn toetst zowel een maximaal optredende trillingssterkte (Vmax, treedt op bij de trein die gedurende de meetperiode de hoogste trillingen veroorzaakt) als het tijdsgemiddelde van de trillingen (Vper, deze grootheid is in tegenstelling tot Vmax dus ook afhankelijk van het aantal treinen).

2

Voor spoorprojecten wordt door ProRail sinds 2012 ook wel gebruik gemaakt van de Bts, deze is afgeleid van de SBRrichtlijn en op aspecten aangescherpt (waaronder een doelmatigheidsafweging en een andere manier om de trillingen vast te stellen). Deze richtlijn wordt echter doorgaans niet gebruikt om de trillingen in nieuw te bouwen woningen langs het spoor te beoordelen. 3

SBR-richtlijn deel A:2017 – Schade aan bouwwerken

4

SBR-richtlijn deel B:2002 – Hinder voor personen in gebouwen

5

SBR-richtlijn deel C:2002 – Verstoring van trillingsgevoelige apparatuur

14

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

2.

De richtlijn maakt in de beoordeling onderscheid tussen verschillende situaties, en toetst daarbij strenger in: a. Nieuwbouwsituaties (nieuwe gebouwen, nieuw spoor, aanleg van wissels). Bij bestaande situaties zijn de streefwaarden minder streng, er wordt dan uitgegaan van een zekere mate van gewenning en er zijn minder mogelijkheden om de trillingen te reduceren. b. Gebouwen met een overnachtingsfunctie (woningen, ziekenhuizen). De meeste hinder wordt vaak in rust ervaren. Bij gebouwen met een niet-overnachtingsfunctie (kantoren, scholen) gelden minder strenge streefwaarden. Winkels, sport- en industriepanden vallen buiten de richtlijn. In dit plan gaat het om een gebouw met een woonfunctie. Omdat op de verdieping geen verblijfsfunctie wordt voorzien, is uitsluitend de begane grond beoordeeld. c. De nacht, omdat de meeste hinder vaak in rust wordt ervaren. De streefwaarden voor overdag zijn ca. een factor 2 minder streng dan ’s nachts.

Een gebouw kan op twee manieren voldoen aan de richtlijn: de trillingssterkte Vmax moet lager zijn dan de onderste streefwaarde A1 (zie Tabel 3), óf Vmax moet lager zijn dan de bovenste streefwaarde A2, waarbij tegelijkertijd de trillingsintensiteit Vper lager is dan de streefwaarde A3. Zie ook het schema in Figuur 4. In dit rapport worden de trillingen, conform de SBR B-richtlijn, beoordeeld op de streefwaarden voor een nieuwe situatie. Bij overschrijdingen van de streefwaarde geeft de SBR B-richtlijn in bijlage 5 handvatten om maatregelen af te wegen op doelmatigheid. Tabel 3 Streefwaarden in de SBR-richtlijn deel B voor gebouwen met bestemming wonen Dag en avond

Nacht

Situatie

A1

A2

A3

A1

A2

A3

Wonen, nieuwe situatie

0.1

0.4

0.05

0.1

0.2

0.05

Wonen, bestaande situatie

0.2

0.8

0.10

0.2

0.4

0.10

Figuur 4 Schema beoordeling SBR B-richtlijn

3.3. In de SBR-richtlijn deel B worden de trillingen beoordeeld in gebouwen. Omdat het bij dit project gaat om nog niet gerealiseerde bebouwing, wordt op basis van metingen in de omgeving van de bebouwing (fundering bestaande opstal, wordt ook de fundering van de nieuwe opstal) een 15

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

berekening gemaakt van de verwachte trillingen in de geplande nieuwe bebouwing. Deze verwachte trillingen zijn afhankelijk van de constructieve eigenschappen van de geplande bebouwing, maar ook van de bodem, de afstand tot het spoor en natuurlijk de gemeten trillingen. Hieronder wordt een korte uitleg gegeven over hoe trillingen zich voortplanten van de trillingsbron tot in het gebouw. In de volgende subparagrafen wordt beschreven hoe dat is vertaald naar een rekenmodel. 3.3.1. Trillingen ontstaan doordat een bewegend object (een trein, tram of vrachtwagen bijvoorbeeld) over een niet-effen ondergrond rijdt. Door de massa en beweging van het voertuig, variaties in de ondergrond (die per definitie niet perfect vlak is) en variaties in de rondheid van de wielen van het voertuig ontstaan spanningen in de bodem die zich door de bodem verplaatsen. Afhankelijk van de opbouw van de bodem en de aanwezigheid van obstakels (zoals sloten en damwanden) verplaatsen de trillingen zich diep of juist ondiep door de bodem. Gebouwen worden daardoor in trilling gebracht. Afhankelijk van hoe het gebouw is geconstrueerd, worden bepaalde trillingen meer of minder versterkt in het gebouw. Deze trillingen kunnen als hinderlijk worden ervaren door personen in gebouwen.

Dit hele systeem van trillingsbron (hier de trein), overdrachtsmedium (de bodem, waardoor de trillingen zich verplaatsen) en ontvanger (het gebouw met daarin de personen die de hinder ervaren) is schematisch weergegeven in Figuur 5. In de subparagrafen hieronder wordt toegelicht hoe in dit onderzoek hiermee wordt omgegaan.

Figuur 5 Trillingen – het systeem van trillingsbron, de bodem en het gebouw als ontvanger

3.3.2. In dit onderzoek zijn treinen de bron van de trillingen. De trillingen van het treinverkeer zijn gemeten door Alcedo op een punt aan de fundering van de bestaande opstal in het plangebied. De beoordeling van de trillingen in de geplande bebouwing heeft plaatsgevonden op basis van deze metingen. Hierbij is in het rekenmodel gecorrigeerd voor afstand tot het spoor.

16

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

3.3.3. De bodem op deze locatie bestaat voornamelijk uit stijve zandlagen, zie bijlage I. De uitdemping van de trillingen met de afstand is bepaald met een rekenmodel op basis van deze bodemopbouw voor een zo betrouwbaar mogelijke predictie van de trillingen. In bijlage II geven we hier meer informatie over. 3.3.4. De trillingen gaan via de fundering een gebouw binnen. Afhankelijk van het type fundering, de bodem, de massa en afmetingen van het gebouw zal de fundering de trillingen meer of minder uitdempen. Vervolgens worden de trillingen in het gebouw weer versterkt door bewegingen van het gebouw en de vloeren. Het gebouwgedrag is in dit onderzoek bepaald op basis van de bodemopbouw, de constructieve eigenschappen en de gebruikte materialen van de gebouwen. Hiervoor maken we gebruik van het rekenmodel Buildyn, een zogenaamd beam-element model (BEM) waarin het gebouw gemodelleerd en doorgerekend wordt. De resultaten van het model zijn geijkt met praktijkresultaten uit metingen. Een toelichting op het rekenmodel Buildyn is gegeven in bijlage II. 3.3.5. Dit onderzoek kent een aantal onzekerheden, hiervoor geldt het volgende:

› Ten aanzien van de trillingsbron: de natuurlijke variatie als gevolg van spooronderhoud en de

temperatuur kunnen zorgen voor zo’n 30% variatie in de trillingen, afhankelijk van de spoorconstructie en de bodemopbouw. Er is gemeten in een klimatologisch als normaal te typeren periode. Er is geen informatie bekend over de huidige status van de spoorligging. Er is op basis van bovenstaande informatie geen reden om te twijfelen aan de representativiteit van de berekeningen voor de toekomstige trillingen.

› Ten aanzien van de bodem geldt dat met name op korte afstand tot het spoor variaties in de trillingen mogelijk zijn door lokale variaties in de bodem. Echter, omdat de fundering gehandhaafd blijft, spelen deze onzekerheden in dit geval geen rol.

› Ten aanzien van de gebouwen geldt dat er altijd verschillen zijn tussen het beoogde ontwerp

en het gerealiseerde ontwerp (verschillen tussen as-built en voorlopig ontwerp). Bovendien is het dynamische gedrag van bijvoorbeeld beton afhankelijk van de mate van gescheurdheid van het beton en zijn er natuurlijke variaties in materiaalgedrag (van bijvoorbeeld hout, metselwerk en beton). Dit heeft zowel impact op de stijfheid als de demping van het gebouw. In de berekeningen zijn deze variaties beschreven als onzekerheden (bandbreedtes) rond de verwachte waardes. Omdat uitsluitend de begane grondvloer wordt beoordeeld op trillingen, heeft de constructie van het gebouw maar zeer beperkt invloed op de trillingen. De constructie van de fundering en de laag schuimbeton die daarop komt, spelen wel een rol, maar de onzekerheid hierin is relatief beperkt.

In bijlage II wordt aangegeven hoe het rekenmodel met deze onzekerheden omgaat. Bij de discussie van de resultaten wordt ingegaan op de invloed van de onzekerheden op de conclusies van het onderzoek.

17

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

4.

In dit hoofdstuk wordt eerst een korte toelichting gegeven op de meetresultaten, daarna worden de verwachte trillingen in de geplande bebouwing gegeven. Hierbij is gebruik gemaakt van de beoordelingsmethode en de rekenmethodiek zoals toegelicht in het voorgaande hoofdstuk.

4

4. 4.1. Alcedo heeft metingen uitgevoerd aan de fundering van de bestaande opstal. Deze trillingen zijn weergegeven in Figuur 6, andere figuren van de metingen zijn opgenomen in bijlage III. In Figuur 6 is te zien dat de trillingen relatief laag zijn. De trillingen van de meeste treinen zijn maar iets hoger dan de achtergrondtrillingen. Alleen de incidenteel rijdende doorgaande treinen (vooral leeg materieel in de avond- en nachturen, dat met hogere snelheid passeert) zorgt voor hogere trillingen.

Figuur 6 Gemeten trillingen aan fundering bestaande opstal, meetpunt 1

4.2. De bebouwing is gemodelleerd op basis van de input uit hoofdstuk 2. Het trillingsgedrag van de geplande woning is weergegeven in Bijlage II. Met de modelresultaten zijn de trillingen in de toekomstige woning bepaald. De resultaten hebben we weergegeven in Tabel 4, samen met een beoordeling van de trillingen. Tabel 4 Trillingen per gebouwtype en beoordeling op SBR B-richtlijn Vmax, dag

Vmax, nacht

Vper

Beoordeling

0.2

0.2

0.01

Voldoet

Er is geen significant verschil tussen de trillingen overdag en in de nacht, de hoogste trillingen zijn afkomstig van de incidenteel op hogere snelheid passerende lege treinen (die niet halteren op Soest-Zuid). Deze rijden doorgaans in de avond en nachturen. Omdat er geen sprake is van overschrijdingen van de streefwaarden, zijn maatregelen tegen trillingen niet nodig.

19

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

I.

Deze bijlage bevat geotechnische achtergrondinformatie. Deze informatie is gebruikt om bijvoorbeeld de uitdemping van de trillingen met de afstand te bepalen. Daarnaast is deze informatie gebruikt in het rekenmodel waarmee de dynamische eigenschappen van de bebouwing worden bepaald. Een grondboring in de nabijheid van het onderzoeksgebied is weergegeven in Figuur 7. Uit de grondboring blijkt dat de bodem is opgebouwd uit stijve zandlagen, met af en toe een leemachtige laag. Bij een zandige bodem dempen de trillingen slecht uit met de afstand, en kunnen trillingen tot op grote afstand van het spoor voelbaar zijn.

Figuur 7 Boring in het onderzoeksgebied

Een representatieve sondering uit de omgeving van het onderzoeksgebied, waarin onder meer de conusweerstand te zien is, is weergegeven in Figuur 8. Ook hier is te zien dat de bodem uit stijvere zandlagen bestaat, met hier en daar een wat leemachtige laag.

20

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

Figuur 8 Sondering nabij het onderzoeksgebied

21

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

II.

In deze bijlage beschrijven we het gebruikte rekenmodel om de trillingen in de gebouwen te berekenen. Visueel is het proces weergegeven in Figuur 9, hieronder beschrijven we per stap de methode en waar mogelijk de tussenresultaten.

Figuur 9 Stappen in rekenmodel

De eerste stap is het uitvoeren van een trillingsmeting. De meetlocaties worden gekozen op basis van de ligging van de geplande gebouwen, de locatie van de trillingsbron (zijn er extra trillingsbronnen zoals wissels, ES-lassen of overwegen), de omvang van het plangebied (bij een groter gebied meer meetpunten om de variatie in trillingen in beeld te brengen) en waar mogelijk een vast punt in de omgeving, omdat de trillingen daar reproduceerbaar en betrouwbaar kunnen worden vastgesteld. De meting heeft altijd een meetduur van minimaal een week, conform het beoordelingskader, de SBR B-richtlijn, om de trillingen van de treinen voldoende betrouwbaar vast te leggen. Met name goederentreinen kennen sterke variaties in de trillingen en passeren vaak niet zo vaak, waardoor een lange meetperiode nodig is om de trillingen voldoende betrouwbaar vast te stellen. Gegevens over de metingen zijn opgenomen in bijlage III. Resultaat van de metingen zijn trillingssignalen (mm/s).

De metingen worden gecombineerd met gegevens van treinpassages. Hiervoor worden meerdere bronnen gebruikt, afhankelijk van het project: gegevens vanuit het OpenOV-loket (reizigerstreinen), een classificatie-algoritme dat getraind is om treinpassages te herkennen in de trillingssignalen en een handmatige controle op afwijkende resultaten. Resultaat van deze stap is een meetjournaal (database met per treinpassage per meetpunt de trillingssterkte Vmax) en per treinpassage het bijbehorende trillingssignaal (1/3-octaafbandspectra of tertsbandspectra).

22

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

Bij elke meting maken we gebruik van meerdere meetpunten, om variaties in de bodem of de invloed van extra trillingsbronnen (zie paragraaf II.1) in beeld te brengen. Vervolgens bepalen we de frequentie-afhankelijke verschillen tussen meetpunten door per meetpunt de trillingsspectra per treinpassage met elkaar te vergelijken. Hieruit halen we drie dingen: 1.

De variatie in de trillingen over het plangebied, veroorzaakt door onzekerheden in de bron of bodem. Deze onzekerheid nemen we mee in de prognoses. 2. De invloed van extra trillingsbronnen, zoals wissels en ES-lassen, of de invloed van bijvoorbeeld een sloot of damwand. Deze invloeden nemen we mee in het rekenmodel door de variatie van de trillingen over het plangebied in kaart te brengen. 3. De uitdemping van de trillingen met de afstand, op basis van de empirische, frequentieafhankelijke Barkanvergelijking, zoals weergegeven in vergelijking 1. 𝑟0 𝑛(𝑓) −𝛼∙(𝑟−𝑟 ) 0 𝑉(𝑓, 𝑟) = 𝑉0 (𝑓, 𝑟0 ) ∙ ( ) ∙𝑒 𝑟

(1)

In deze vergelijking staat V voor de trillingssnelheid, f voor de frequentie, r voor de afstand tot de trillingsbron, r0 voor de referentieafstand (hier 20 m), n voor de geometrische spreidingsfactor en α voor de bodemdemping. De parameters V0, n en α worden bepaald met de kleinste kwadratenmethode. De prognoses van de trillingen zijn gebaseerd op de sensor met de meetduur van een week die het dichtst bij het gebouw staat waarvoor de resultaten nodig zijn. Op veel punten meten we korter, dat is voldoende om de invloed van variaties in beeld te brengen, zie ook paragraaf 3.3.5 en 2.2.3 voor een nadere motivatie.

In veel situaties is er sprake van verschillen in de opbouw van de bodem, kunnen metingen niet worden uitgevoerd ter plekke van de beoogde bouwlocatie of is sprake van een groter gebouw, zodat we de trillingen willen vaststellen op meerdere punten in het plangebied. Dit doen we door een bodemmodel op te stellen, daarmee de uitdemping van de trillingen met de afstand te berekenen en dat te kalibreren met de resultaten uit de metingen. Het bodemmodel wordt opgebouwd op basis van sonderingen. Op basis van de conusweerstand qc en het wrijvingsgetal fw worden de frequentie-afhankelijke parameters n en α uit vergelijking 1 bepaald met behulp van een random forestmodel, getraind op data uit honderden metingen die op maaiveld zijn uitgevoerd in heel Nederland. Resultaat is, naast de genoemde parameters uit de Barkanvergelijking, een inschatting van de onzekerheid van die parameters. Deze onzekerheid is afhankelijk van (1) de afstand tussen gebruikte sonderingen en het gebouw, (2) het aantal gebruikte sonderingen, (3) de variatie in de sonderingen en (4) in hoeverre de gebruikte sonderingen lijken op sonderingen uit het random forestmodel. Een voorbeeld van de door het model bepaalde parameters uit vergelijking 1 is weergegeven in Figuur 10.

23

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

Figuur 10 Bodemdemping α (links) en geometrische spreiding n (rechts) als functie van de frequentie, bepaald met random forestmodel

In dit onderzoek is gebruik gemaakt van het rekenmodel Buildyn om de trillingen in de geplande bebouwing te berekenen. In Buildyn wordt de dynamische responsie van een gebouw berekend met behulp van een beam-element model (BEM). Buildyn is met behulp van een random forest algoritme gekalibreerd op een database met meer dan 600 praktijkmetingen. In deze paragraaf is een beschrijving van het gebruikte rekenmodel opgenomen. In Buildyn wordt een gebouw gemodelleerd door middel van gekoppelde massa-veersystemen, zie Figuur 11. Afhankelijk van de constructie van het gebouw wordt de draagconstructie als één (lage bebouwing, starre bebouwing), of als meerdere elementen (hoge bebouwing, slappere bebouwing) gemodelleerd. Meestal wordt per bouwlaag één element gemodelleerd. Hiervoor maken we gebruik van een module die op basis van een tekening (pdf) of 3D-model (ifc) het gebouw inleest en vertaalt naar een beam element model, waarna de eigenschappen (materiaaltype, verbinding, dimensies en eigenschappen van stalen balken) van de elementen worden toegekend. Hierbij maken we gebruik van standaardmateriaal eigenschappen op basis van literatuurgegevens en normen. Deze materiaaleigenschappen zoals gebruikt in het rekenmodel zijn weergegeven in Tabel 5. Tabel 5 Initiële modelparameters E-modulus E

Demping 

Dichtheid 

Poissons ratio 

Beton C30/37

33 GPa

3%

2500 kg/m

3

0,20

Beton C55/67

38 GPa

3%

2500 kg/m3

0,20

Metselwerk

8 GPa

5%

1800 kg/m3

0,25

Staal

210 GPa

1%

7850 kg/m3

0,30

Hout

13 GPa

7%

700 kg/m3

0,40

CLT

12 GPa

6%

480 kg/m3

0.48

Materiaal

Vervolgens wordt het model opgebouwd. Dat gaat als volgt:

24

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

1.

Eerst wordt een model opgebouwd o.b.v. de materiaaleigenschappen zoals weergegeven in Tabel 5. Dit model wordt doorgerekend om de verschillende overdrachten (zie Figuur 11 en hierna) te berekenen. 2. Op basis van gebouwafmetingen (hoogte, breedte, diepte, vloertype, vloerafmetingen en gebruikte materialen) worden de overdrachten gekalibreerd met een random forest algoritme op basis van een database met praktijkmetingen. Technisch bezien modificeert het algoritme de demping, E-modulus, massa en inklemming van onderdelen om de overdrachten zo goed mogelijk te laten overeenkomen met vergelijkbare gebouwen uit de database. Hiermee ontstaan nauwkeuriger, gemodificeerde overdrachten. Relevant bij deze modificatie is dat het model nauwkeuriger is naarmate gebouwen sterker overeenkomen. Met name grondgebonden woningen komen veelvuldig voor in de database, voor hogere gebouwen zijn minder metingen beschikbaar in de database en is de onzekerheid in de resultaten groter. Verder, resultaten kunnen worden opgevraagd in de hoeken van vloervelden, in het midden van vloervelden en op een kwart van de overspanning. Meestal is het midden van het vloerveld voor trillingen maatgevend.

Figuur 11 Principe van Buildyn met een gebouw als gekoppeld massaveersysteem. Rechts de verschillende componenten van het rekenmodel

Hieronder gaan we in op de verschillende onderdelen uit het model. 25

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

De fundering van een gebouw kan de trillingen uitdempen. De invloed van de fundering op de trillingen is afhankelijk van een aantal parameters: ›

Type fundering (op staal, op palen, oude strokenfundering) en afmetingen daarvan

›

Afmetingen en gewicht van het gebouw

›

Bodem waarop het gebouw staat

Vooral boven de 10 Hz worden trillingen uitgedempt door de fundering, bij slappe bodems en grote gebouwen kan ook al bij lagere frequenties demping optreden. In Buildyn wordt de invloed van de stijfheid van het gebouw als geheel (de zogenaamde rigidbody-mode) verdisconteerd in de stijfheid van de fundering. Overige stijfheidseffecten worden meegenomen in het gedrag van de draagconstructie.

De trillingen worden door de draagconstructie vaak versterkt. Hierbij zijn meerdere effecten te onderscheiden, waarbij met name rotatie van het gebouw als geheel (op de ondergrond), doorbuiging en vering van het gebouw op zijn fundatie een rol spelen. Bij hogere of slappere gebouwen speelt ook doorbuiging en torsie (rotatie om een verticale as in het gebouw) een rol. Het principe van rotatie is rechts weergegeven. Verticale trillingsgolven zorgen voor rotatie van het gebouw, waardoor met name in hogere gebouwen horizontale trillingen ontstaan. Dit effect noemen we Hzx, en is afhankelijk van: ›

Afmetingen van het gebouw (breedte, lengte, hoogte)

›

Gewicht van het gebouw

›

Type en gewicht van de fundering

›

Stijfheid van de ondergrond

Het tweede principe, dat van doorbuiging van het gebouw, is rechts weergegeven. Hierbij zijn met name de horizontale trillingsgolven maatgevend, die bij slappere gebouwen zorgen voor doorbuiging van het gebouw, en daarmee voor horizontale trillingen hoger in het gebouw. Dit effect noemen we Hxx, en is afhankelijk van: ›

Afmetingen van het gebouw

›

Constructietype (stijfheid, starheid van verbindingen, open ruimtes)

›

Gebruikte materialen

26

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

Het derde principe, dat van vering van het gebouw op zijn fundatie, is rechts weergegeven. Dit principe speelt vooral een rol bij wat hogere gebouwen, of bij gebouwen met een slappe onderlaag of lokaal slappere elementen (denk aan kolommen en balkenstructuren). Dit effect noemen we Hzz, en is afhankelijk van: ›

Hoogte van het gebouw

›

Constructietype (stijfheid, starheid van verbindingen, open ruimtes)

Het vierde principe, dat van torsie van het gebouw, is rechts weergegeven. Dit principe speelt vooral een rol bij wat hogere gebouwen, of bij gebouwen met een slappere constructie. Dit effect noemen we Hxy, en is afhankelijk van: ›

Hoogte van het gebouw

›

Constructietype (stijfheid, starheid van verbindingen, open ruimtes)

›

Afmetingen van het gebouw (symmetrie)

Trillingen worden doorgaans als maatgevend ervaren in het midden van de vloeren, waar de doorbuiging het grootst is en de laagste eigenfrequentie optreedt. In specifieke gevallen, met name op stijve zandgronden en bij hoge trillingsfrequenties, kan ook de zogenaamde tweede buigmodus van een vloer een rol spelen. In Buildyn worden daarom beide effecten gemodelleerd. De eerste buigmodus van de vloer (bij de eerste eigenfrequentie) is simpele doorbuiging, zoals weergegeven in de principeschets rechts. Met name de eigenfrequentie (de frequentie waarvoor de vloer gevoelig is) en de demping bepalen in hoeverre de trillingen worden opgeslingerd. De trillingen zijn het hoogst in het midden van de vloer. Dit effect noemen we Hzz1, en is afhankelijk van: ›

Type vloer (doorsnede, materiaal, en bij beton: gescheurd of ongescheurd)

›

Afmetingen van de vloer

›

Type oplegging

27

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

Bij de tweede buigmodus van de vloer (bij de tweede eigenfrequentie) zijn de trillingen maximaal op ongeveer ¼ van het vloerveld, zie de principeschets rechts. Dit effect noemen we Hzz2, en is afhankelijk van dezelfde parameters als Hzz1. Uiteindelijk zorgen alle gebouwbewegingen samen voor een versterking van de trillingen tussen de fundering en de vloer. In de hierna volgende figuren zijn deze totale overdrachten in de X-, Y- en Z-richting van het gebouw weergegeven. Voor de vloeren wordt onderscheid gemaakt tussen de Hzz1 en de Hzz2-beweging, omdat beide niet op hetzelfde punt kunnen optreden (Hzz1 is maximaal in het midden van de vloer, Hzz2 op een kwart van de randen).

Uit evaluatiemetingen blijkt dat model door de kalibratie met praktijkdata een nauwkeurigheid heeft die in de meeste gevallen significant beter is dan een Eindige Elementenmodel. Dat komt doordat de resultaten van het Buildyn-model gebaseerd zijn op werkelijke (as-built) data, terwijl een Eindige Elementenmodel zeer gevoelig is voor de gebruikte input t.a.v. bijv. demping en stijfheden. Qua detailniveau, zoals omschreven in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen (Tabel 10.3), gaat het daarom doorgaans om een model op niveau IV: een 3D-model , mits lokale onderdelen (zoals uitkragingen) specifiek zijn gemodelleerd omdat de empirische praktijkdata hierop minder nauwkeurig is. In deze subparagraaf geven we een aantal voorbeelden uit de praktijk waarin we een vergelijking maken tussen gemeten en vooraf berekende overdrachten. Het betreft gebouwen waar een validatiemeting is gedaan en vooraf een model is gemaakt van de bebouwing op basis van tekeningen. Het eerste gebouw is het Utrechtse Stadskantoor, een constructie met stalen diagonalen, een betonnen kern en betonnen vloeren. De berekende en gemeten overdrachten zijn weergegeven in Figuur 12.

Figuur 12 Staskantoor in Utrecht, links de gemeten en berekende overdrachten, rechts een foto van het gebouw

28

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

De belangrijkste verschillen tussen model en meting zijn: 1.

Vanaf ca. 20 Hz is de overdracht in het model lager (verticale richting). Relevant hierbij is dat de trillingen bij die frequenties weinig energie hebben. Op basis van deze berekeningen lijkt het alsof het model de demping overschat bij hogere frequenties. 2. Verder zien we kleiner verschuivingen in de eigenfrequenties, vermoedelijk door verschillen in constructie en materiaalstijfheden, of verschillen in belasting. Het tweede gebouw is het Noordgebouw in Utrecht, een constructie met stalen kolommen en Comflorvloeren. De berekende en gemeten overdrachten zijn weergegeven in Figuur 13.

Figuur 13 Noordgebouw in Utrecht, links de gemeten en berekende overdrachten, rechts een foto van het gebouw

Hier zien we wat grotere verschillen tussen model en meting: 1.

De laagste eigenfrequentie wordt door het model wat overschat, blijkbaar is het gebouw toch iets slapper (mogelijk slappere verbindingen) dan het model inschat. 2. Verder zien we dat het model de verticale opslingering van de trillingen rond 10 Hz overschat. Relevant hierbij is dat dit een vrij uniek gebouw is, waarvoor de database van het model beperkt is. Mede daardoor zit er een relatief grote onzekerheidsmarge op de resultaten. Het derde gebouw is een appartementengebouw in Utrecht, een constructie met prefab betonnen wanden, breedplaatvloeren en onderin een open kolommenstructuur. De berekende en gemeten overdrachten zijn weergegeven in Figuur 14.

29

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

Figuur 14 Appartementengebouw in Utrecht, links de gemeten en berekende overdrachten, rechts een foto van het gebouw

Het model heeft hier een aantal afwijkingen van de metingen. We zien dat de demping in het model bij de laagste eigenfrequentie hoger is, waardoor de overdracht daar wat wordt onderschat. De piek in de modeloverdracht rond 6 Hz zien we niet terug in de metingen. Het vierde gebouw is een wat oudere woning in Tiel, opgebouwd uit een conventionele constructie van metselwerk en met houten vloeren. De berekende en gemeten overdrachten zijn weergegeven in Figuur 15.

Figuur 15 Vrijstaande woning in Tiel, links de gemeten en berekende overdrachten, rechts een foto van het gebouw

Het model is hier vrij nauwkeurig, doordat de database goed gevuld is met tientallen vergelijkbare woningen. Het vijfde gebouw is een vrijstaande woning in Prinsenbeek, opgebouwd uit prefab beton en afgewerkt met metselwerk. De vloeren bestaan uit leidingplaatvloeren met een 80 mm smeervloer. De berekende en gemeten overdrachten zijn weergegeven in Figuur 15.

30

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

Figuur 16 Twee-onder-een-kapwoning in Prinsenbeek, links de gemeten en berekende overdrachten, rechts een foto van het gebouw

De gemeten overdracht is hier erg laag, het model geeft een beperkte overschatting van de trillingen.

Op basis van de resultaten uit stap 3 en 4, en met behulp van vergelijking 1, worden vervolgens de trillingsspectra in het gehele plangebied bepaald. De invloed van puntbronnen wordt separaat meegenomen, waarbij de trillingen van de puntbronnen energetisch worden opgeteld bij de trillingen van het doorgaande spoor. Na deze stap zijn de trillingen ter plaatse van de randen van het gebouw op maaiveld bekend.

In de volgende stap worden de resultaten op maaiveld vertaald naar de resultaten op de fundering van het gebouw. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de resultaten uit stap 5 en stap 6. De trillingsspectra op de fundering worden berekend met behulp van vergelijking 2:

2 (𝑓) 𝐶𝑓,𝑥𝑥 𝑉𝑥,𝑓𝑢𝑛𝑑𝑒𝑟𝑖𝑛𝑔 (𝑓) 2 (𝑓) 𝑉𝑦,𝑓𝑢𝑛𝑑𝑒𝑟𝑖𝑛𝑔 (𝑓) = √[𝐶𝑓,𝑥𝑦 2 (𝑓) 𝑉𝑧,𝑓𝑢𝑛𝑑𝑒𝑟𝑖𝑛𝑔 (𝑓) 𝐶𝑓,𝑥𝑧

2 (𝑓) 𝐶𝑓,𝑦𝑥 2 (𝑓) 𝐶𝑓,𝑦𝑦 2 (𝑓) 𝐶𝑓,𝑦𝑧

2 (𝑓) 𝐶𝑓,𝑧𝑥

2 (𝑓) 𝑉𝑥,𝑚𝑣 2 (𝑓) 2 𝐶𝑓,𝑧𝑦 ] ∙ [𝑉𝑦,𝑚𝑣 (𝑓)] 2 (𝑓) 2 (𝑓) 𝑉𝑧,𝑚𝑣 𝐶𝑓,𝑧𝑧

(2)

Hierin zijn Cf,ii de frequentie-afhankelijke overdrachten van maaiveld naar fundering, zoals deze volgen uit het model. Dominant hierin zijn vooral de dikgedrukte) diagonale coëfficiënten. Door vervolgens Vi,fundering(f) te delen op Vi,mv(f) in een hoek van het gebouw ontstaat een beeld van de vaak gepresenteerde overdracht Cf(f) van maaiveld naar fundering.

In de volgende stap worden de resultaten op de fundering vertaald naar de resultaten op de vloeren in het gebouw. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de resultaten uit stap 5, 6 en 7. De trillingsspectra op de vloeren worden berekend met behulp van vergelijking 3: 31

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

2 (𝑓) 𝐻𝑥𝑥 𝑉𝑥,𝑣𝑙𝑜𝑒𝑟 (𝑓) 2 (𝑓) 𝑉𝑦,𝑣𝑙𝑜𝑒𝑟 (𝑓) = √[𝐻𝑥𝑦 2 (𝑓) 𝑉𝑧,𝑣𝑙𝑜𝑒𝑟 (𝑓) 𝐻𝑥𝑧

2 (𝑓) 𝐻𝑦𝑥 2 (𝑓) 𝐻𝑦𝑦 2 (𝑓) 𝐻𝑦𝑧

2 2 (𝑓) (𝑓) 𝑉𝑥,𝑓𝑢𝑛𝑑𝑒𝑟𝑖𝑛𝑔 𝐻𝑧𝑥 2 2 (𝑓) 𝐻𝑧𝑦 ] ∙ [𝑉𝑦,𝑓𝑢𝑛𝑑𝑒𝑟𝑖𝑛𝑔 (𝑓)] 2 (𝑓) 2 𝐻𝑧𝑧 (𝑓) 𝑉𝑧,𝑓𝑢𝑛𝑑𝑒𝑟𝑖𝑛𝑔

(3)

Hierin zijn Hfi de frequentie-afhankelijke overdrachten van maaiveld naar fundering, zoals deze volgen uit het model. Door vervolgens Vi,vloer(f) te delen op Vi,fundering(f) in een hoek van het gebouw ontstaat een beeld van de vaak gepresenteerde overdracht Cv(f) van fundering naar de vloer. Als voorbeeld zijn de overdracht Cf (maaiveld naar fundering) en Cv (fundering naar midden vloer) voor het midden van de vloer weergegeven in Figuur 17.

Figuur 17 Overdracht Cf (boven) en Cv van fundering naar midden vloer

In de laatste stap worden de te toetsen grootheden Vmax en Vper bepaald. Hiervoor volgen we de volgende procedure: 1.

Per gemeten treinpassage berekenen we het trillingsspectrum op de vloer van het gebouw, op basis van de resultaten uit stap 8. 2. We berekenen de Vi,max,rms op basis van het trillingsspectrum op de vloer en vanuit het originele meetpunt (op maaiveld of de fundering), waarna we de verhouding tussen die twee bepalen en de gemeten Vi,max hiermee corrigeren. Hiermee krijgen we een zo nauwkeurig mogelijke inschatting van Vi,max op de vloer in het geplande gebouw. Deze methode is 32

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

gebaseerd op de methode zoals gebruik in de Beleidsregel trillinghinder spoor (Bts), waar de Vmax ook wordt berekend op basis van de Vrms6 3. We berekenen de maximale trillingssterkte per vloer, door over alle meetrichtingen heen (X, Y en Z) en over alle rekenpunten op de vloeren heen het maximum te bepalen. 4. Vervolgens berekenen we conform de procedure uit de SBR B-richtlijn de gemiddelde trillingssterkte Vper. De resultaten toetsen we aan het beoordelingskader, de SBR B-richtlijn.

Zoals in paragraaf 0 is toegelicht, zitten er diverse onzekerheden in het onderzoek. Dat varieert van onzekerheden in de metingen, in de opbouw van de bodem, variaties in kwaliteit van de bouwmaterialen en verschillen tussen ontwerp en uitvoering, tot onzekerheden in de gebruikte modellen. In dit onderzoek is daar als volgt mee omgegaan: van elke parameter is een onzekerheid bepaald, met uitzondering van de daadwerkelijk gemeten trillingen. Zoals in paragraaf 0 is toegelicht, kunnen die door het jaar heen ook variëren, maar het is met een meetduur van een week (of zelfs een maand) niet mogelijk om te bepalen of de meting is uitgevoerd op een moment dat de trillingen hoger of lager dan het gemiddelde op deze locatie zijn. In werkelijkheid kunnen de trillingen dus zowel hoger als lager zijn, maar het globale beeld van de verwachte trillingen wijzigt daarmee niet wezenlijk: er ontstaat niet ineens een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat t.a.v. trillingen. Voor alle andere parameters is, op basis van metingen, de random forestanalyse op de database met gebouwen en de afwijking van de geplande bebouwing en de bebouwing in de database, een inschatting gemaakt van de onzekerheden in de parameters (zoals demping en stijfheid van de onderdelen) en modellen (zoals onzekerheid in hoe goed het model de overdrachten kan berekenen).

De onzekerheden worden via een MonteCarlo-analyse (N=100) doorgerekend naar een onzekerheid in de eindresultaten. De eindresultaten worden daarom als een bandbreedte weergegeven. Het is goed om te beseffen dat bovenop die bandbreedte nog een aanvullende bandbreedte mogelijk is vanuit de onzekerheid van de metingen, zoals hierboven beschreven.

6

Zie Koopman , A., LA.131001a.M04 van 13 april 2018

33

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

III.

Deze bijlage bevat gegevens over de metingen.

Hieronder is een overzicht opgenomen met relevante gegevens van de metingen, conform de eisen in hoofdstuk 11 uit de SBR B-richtlijn. 1

Uitvoerende partij

Alcedo B.V. Ondernemersweg 3 7451PK Holten

Verantwoordelijke

Daan Borgonje

2

Meting uitgevoerd door

Leon Spikker

3

Datum en tijd metingen

27 september tot 4 oktober 2023

4

Trillingsbron

5

Classificatie gebouw

6

Locatie metingen

Zie Figuur 3

7

Geotechnische gegevens

Zie bijlage I

8

Locaties meetpunten en meetrichtingen

Treinen Zie paragraaf 3.2

Zie Figuur 3, tenzij anders vermeld: X-richting loodrecht op de trillingsbron Y-richting parallel aan trillingsbron Z-richting verticaal

9

Gebruikte apparatuur

10

Gemeten trillingen

11

Motivatie classificatie gebouw

12

Overige relevante omstandigheden

FrogWatch opnemers. Zie een uitgebreide toelichting van de specificaties op https://www.frog.watch/facts/. Zie bijlage III.2 Op basis van constructietekeningen en gegevens BAG Niet van toepassing

34

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

Deze bijlage bevat de resultaten van de metingen van Alcedo. Per meetpunt zijn de gemeten trillingen en de tertsbandspectra per treinpassage weergegeven.

Figuur 18 Gemeten trillingen bij meetpunt 1 (fundering bestaande opstal)

Figuur 19 Tertsbandspectra bij meetpunt 1

35

<

WBD2023-044 Trillingsonderzoek Parklaan 104a in Soest

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=79cf555f-5d1d-4fa1-8a7e-511484e3d440