4i 5 Bijlage 4 Consultatienota kabels en leidingen 2022.pdf
Tekst van het document
wordt op plaatsen waar de wegverharding is opgebroken tijdelijke bestrating aangebracht en dient losliggend puin en overtollig zand te worden afgevoerd door de netbeheerder; b. dient opslag van materialen achter deugdelijk afgesloten bouwhekken plaats te vinden door de netbeheerder. c. Er mogen nergens sleuven openliggen. 8. Indien zich tijdens een ingesteld graafverbod een calamiteit of ernstige belemmering of storing voordoet in de dienstverlening, als bedoeld in artikel 2.1 vierde lid van de AVOI, moet de procedure van artikel 2.3 worden gevolgd. 3.10.
Verkeersvoorzieningen
1. Verkeersvoorzieningen mogen maximaal 72 uur voor aanvang van de werkzaamheden, met de voor- of beeldzijde afgedraaid van het verkeer, worden aangebracht. 2. Verkeersvoorzieningen mogen niet aan lichtmasten worden bevestigd en mogen het zicht op de overige bebording en eventuele camera’s niet ontnemen. 3. Verkeersvoorzieningen dienen op de dag van en voor aanvang van de werkzaamheden met de voor- of beeldzijde naar het verkeer te worden geplaatst.
Pagina 11/18
4. Verkeersvoorzieningen die (tijdelijk) geen dienst (meer) doen dienen meteen verwijderd c.q. afgedraaid of afgedekt te worden tot het tijdstip dat deze weer nodig zijn. 5. Indien in een instemmingsbesluit of een vergunning de voorwaard is gesteld dat een verkeersplan als bedoeld in artikel 2.2 lid 4 onder e moet worden aangeleverd, dan mogen de werkzaamheden niet eerder starten dan 15 dagen na goedkeuring van het verkeersplan. 3.11.
Bereikbaarheid
1. De netbeheerder dient de bereikbaarheid voor hulpdiensten doorlopend te waarborgen, waarbij de hulpdiensten de gebouwen en werken op tenminste 40 m moeten kunnen benaderen. De minimale doorrijdbreedte bedraagt 3,5 m en de doorrijdhoogte 4,5 m. 2. Brandkranen, aansluitingen voor droge blusleidingen dienen te allen tijde zichtbaar en bereikbaar te zijn. 3. De netbeheerder is verantwoordelijk voor de bereikbaarheid van woningen, winkels, bedrijven en openbare gebouwen. 4. Alle (nood)uitgangen dienen over de volle breedte toegankelijk gehouden te worden. 5. De netbeheerder waarborgt de toegang tot particuliere percelen tot aan de openbare weg gedurende de uitvoering van de werkzaamheden. 3.12.
Bereikbaarheid voor personen met een functiebeperking
Voor personen met een functiebeperking dient ten minste een route tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector van een gebouw over een weg, pad of steiger te lopen met: a. een breedte van ten minste 1,1 m, en b.
bij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 0,02 m, een hellingbaan als bedoeld in afdeling 2.6. van het Bouwbesluit 2018.
3.13.
Gereedmelding
1. De netbeheerder die zijn fysieke werkzaamheden heeft afgerond doet hiervan binnen vijf werkdagen langs elektronische weg een gereedmelding bij het college via het door de gemeente gehanteerde meldsysteem. 2. Indien de gereedmelding niet langs elektronische weg kan worden ingediend, wordt een gereedmelding schriftelijk in enkelvoud ingediend binnen de in lid 1 genoemde termijn. 3. Bij de gereedmelding dient ook een opgave van zowel het opgebroken aantal m2 als het type verharding en/of groenvoorziening te worden gedaan.
Pagina 12/18
3.14.
Opname eindsituatie
1. De eindsituatie wordt door de netbeheerder opgenomen en vastgelegd in een eindrapport. 2. Het college kan beslissen de opname gezamenlijk met de netbeheerder uit te voeren. 3. De netbeheerder levert het eindrapport digitaal aan bij het college. 4. Ten behoeve van het eindrapport als bedoeld in het eerste lid levert de netbeheerder, indien de werkzaamheden niet conform de voorschriften zijn uitgevoerd, een aangepaste tracétekening aan, waarbij wordt aangetoond dat de aanleg conform artikel 4.2 lid 1 is uitgevoerd. 5. Het rapport wordt akkoord bevonden door het college als de werkzaamheden zijn uitgevoerd conform de gestelde voorschriften dan wel als de aangepaste tracétekening is geaccordeerd en als er overeenstemming is over het herstel in de oude staat.
4. Technische bepalingen 4.1. Herkenbaarheid Zowel bovengrondse als ondergrondse voorzieningen moeten zijn voorzien van een kenmerk, waarop duidelijk te zien is wie de beheerder van de voorziening is. 4.2. Tracébepaling algemeen 1. In het gehele beheergebied van de gemeente geldt bij plaatsbepaling van kabels en leidingen als uitgangspunt de gemeentelijke dwarsprofielen als bedoeld in de bijlage […]. De netbeheerder stemt zijn werkzaamheden af conform het gestelde in de NPR 7171-2. 2. Indien er sprake is van nieuwbouw of in andere gevallen waarin er geen gasleidingen worden gerealiseerd dan geldt als uitgangspunt NEN 7171 dwarsprofiel K&L, gasloos [bijlage…] 3. Bij het bepalen van een tracé dient te allen tijde rekening te worden gehouden met aanwezige objecten zoals langs liggende dan wel kruisende wegen, spoorwegen, waterlopen, voetpaden, kademuren, viaducten, tunnels, naastliggende kabels en leidingen, bomen, gebouwen. 4.3. Tracébepaling energietransitie en digitale connectiviteit 1. Indien in het kader van de energietransitie het ruimtebeslag in de ondergrond door het aanleggen en/of verzwaren van elektriciteitskabels al dan niet in combinatie met de verwijdering van gasleidingen afwijkt van gemeentelijke dwarsprofielen, wordt voorafgaande aan de tracébepaling overleg gevoerd als bedoeld in artikel 3.2. 2.
Indien in het kader van de energietransitie het ruimtebeslag in de ondergrond door innovatieve elektriciteits- en/of warmtevoorzieningen afwijkt van gemeentelijke dwarsprofielen, wordt voorafgaande aan de tracébepaling overleg gevoerd als bedoeld in artikel 3.2.
Pagina 13/18
3. Indien in het kader van digitale connectiviteit een interlokale telecomkabel of een nieuw (glasvezel)net wordt aangelegd in openbare gronden van de gemeente, wordt voorafgaande aan de tracébepaling overleg gevoerd als bedoeld in artikel 3.2. 4.4. Tracébepaling klimaatadaptatie en hittestress 1. Bij het bepalen van een tracé dient een netbeheerder rekening te houden met toekomstige locaties die ten behoeve van klimaatadaptatie dienst zullen doen voor waterberging of wateropvang. 2. Bij het bepalen van een tracé dient een netbeheerder rekening te houden met toekomstige locaties waar ten behoeve van klimaatadaptatie en hittestress bomen of groenvoorziening zullen worden geplaatst. 3. Indien een netbeheerder haar net aanlegt op een locatie als bedoeld in lid 1 en 2 dan moet het aan te leggen net technisch voldoen aan de toekomstige situatie. 4. Indien een netbeheerder haar net aanlegt op een locatie als bedoeld in lid 1 en 2 en het net voldoet technisch niet aan de toekomstige situatie, dan wordt bij een verzoek tot het nemen van maatregelen als bedoeld in de nadeelcompensatieregeling de schade geacht een gevolg te zijn van een omstandigheid die aan de netbeheerder kan worden toegerekend. 5. Het voornoemde in dit artikel geldt alleen indien de gemeente de locaties als bedoeld in lid 1 en 2 kenbaar heeft gemaakt. 4.5.
Horizontale indeling Bij de tracébepaling gelden ten aanzien van de horizontale indeling de volgende algemene uitgangspunten: a. huisaansluitingen en tijdelijke aansluitingen worden zo veel mogelijk haaks op het net aangelegd; b. bij het indelen van kabels of leidingen in de nabijheid van bomen moet rekening worden gehouden met het beleid als bedoeld in de Leidraad fysieke leefomgeving en het Handboek Bomen; c. Bij het kruisen van wegen en/of waterwegen worden kabels of leidingen zo veel mogelijk haaks aangelegd. 4.6. Verticale indeling Bij de tracébepaling gelden ten aanzien van de verticale indeling de volgende algemene uitgangspunten: a. Vrijvervalleidingen hebben voorrang boven overige leidingen; b. Leidingen worden in principe horizontaal gelegd, behoudens vrijvervalleidingen; c. Bij kruisingen van leidingen met andere leidingen in open ontgraving bedraagt de tussenruimte (verticale dagmaat) ten minste 0,20 m; d. Bij sleufloze technieken is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De verticale dagmaat ten opzichte van de te kruisen leidingen bedraagt ten minste 0,50 m, waarbij de te boren/persen leiding onder de bestaande leiding(en) dient te
Pagina 14/18
worden gevoerd. Genoemde minimale verticale dagmaat dient aantoonbaar te worden gegarandeerd om schade aan de te kruisen leidingen te voorkomen; e. Watergangen die beheerd worden door de gemeente dienen op ten minste 1,00 m onder de vaste bodem te worden gekruist. Kabels, die een watergang kruisen, dienen te worden ommanteld dan wel op een gelijksoortige wijze van een beschermingsbuis te worden voorzien. 4.7. Bovengrondse voorzieningen 1. De locatie, het uiterlijk, de kleurstelling en de afmetingen van bovengrondse voorzieningen die verband houden met kabels en leidingen zoals transformator-, schakel- en verdeelstations, versterkers, etc., worden vooraf afgestemd met het college. 2. De netbeheerder is verantwoordelijk voor een goed beheer van de bovengrondse voorzieningen en dient op aanschrijven van het college bij beschadigingen, vervuiling en/of bekladding de bovengrondse voorzieningen binnen de door het college gestelde termijn te herstellen. 3. Bovengrondse voorzieningen dan wel concentraties daarvan, dienen te worden omgeven of begrensd door een 40 cm brede verharding (tegel + band). 4.8. Handholes 1. De locatie van handholes wordt vooraf afgestemd met het college. 2.
Handholes worden niet geplaatst: binnen de ruimte die gereserveerd is voor bestaande en toekomstige kabel- en leidingtracés; in de rijbaan; binnen de kroonprojectie van een boom; binnen 3 meter uit het hart van een boom. 3. Handholes die maximaal 2 x per jaar geopend worden, worden aangebracht met een minimale dekking van 0,40 m onder het maaiveld en afgedekt met straatzand. 4. Handholes die meer dan 2 x per jaar geopend worden, worden voorzien van een geprofileerde putdekselconstructie conform verkeersklasse D400 NEN-EN 124. Na zetting dient de putdekselconstructie op dezelfde hoogte te liggen als het omringend maaiveld en/of (bovenkant) elementenverharding. 4.9. Small cells 1. De locatie van small cells wordt vooraf afgestemd met de gemeente 2. Het college kan omwille van stedenbouwkundige of planologische doelstellingen colocatie of gedeeld gebruik opleggen. 3. Als uitgangspunt geldt dat voorzieningen ten behoeve van de werking van small cells zoals telecom- en/of elektriciteitskabels in één mantelbuis dan wel gebundeld worden aangelegd.
Pagina 15/18
Met opmerkingen [MMt1]: Bovengrondse voorzieningen behoren niet in een Verordening voor Ondergrondse Infra. Trafo’s, schakel- en verdeelstations voor hoogspanning zijn in de meeste gevallen standaardafmetingen en de bouwwerken zien er ook hetzelfde uit. De afmetingen, uiterlijk en evt. landschappelijke voorwaarden worden bepaald in een Bestemmingsplan en niet in een AVOI.
4.10.
Uitnemen en terugplaatsen grond
1. De graafwerkzaamheden moeten zo worden uitgevoerd dat beschadiging van in de grond aanwezige kabels en leidingen en overige objecten wordt voorkomen. 2. De uitkomende grond moet zo worden opgeslagen dat bij het later aanvullen van de werkput de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel zo veel mogelijk wordt hersteld. 3. Bij het terugplaatsen van de grond dient het bodemprofiel zoveel mogelijk te worden hersteld. De werkput hoeft niet verder verdicht te worden dan de naastliggende grond. 4. De grond dient op zodanige wijze te zijn afgewerkt dat er na klink sprake is van een vlakke aansluiting op de ongeroerde grond. 5. De verdichting van de ondergrond wordt bij wateroverlast in een later stadium door de netbeheerder definitief hersteld. 6. Bevroren grond en sneeuw mag niet worden verwerkt in de aanvulling. 7. Materiaal dat vrijkomt en niet kan worden hergebruikt, waaronder bevroren grond en sneeuw, dient door de netbeheerder voor eigen rekening te worden afgevoerd naar een erkende gecertificeerde verwerker. 8. In die gevallen dat er sprake is van Pfas, vindt de afvoer hiervan plaats in overleg met het college. 9. 4.11.
Elementenverharding
1. Het opnemen en terugplaatsen van elementenverharding dient zorgvuldig plaats te vinden, waarbij schade zo veel mogelijk wordt voorkomen. 2. De uitgenomen elementenverharding dient altijd binnen de afzetting te worden opgeslagen. Verlies, vermissing of beschadiging van het materiaal is voor rekening van de vergunninghouder, tot het tijdstip waarop de werkzaamheden zijn opgeleverd aan de gemeente. 3. Herstel dient van dezelfde kwaliteit te zijn als de kwaliteit van de verharding voordat er gegraven werd. 4. In die gevallen dat het niet mogelijk dan wel wenselijk is om het herstel van de elementverharding in dezelfde kwaliteit uit te voeren als de kwaliteit van de verharding voordat er gegraven werd, dient de uitvoering en de daarbij behorende kostenverdeling van het herstel voorafgaande aan de werkzaamheden in overleg met het college te zijn overeengekomen. Hierbij geldt als uitgangspunt dat verharding met breuk niet teruggeplaatst mag worden en voor gelijkwaardig materiaal vervangen moet worden. 4.12.
Gesloten verharding
1. Werkzaamheden aan kabels en leidingen onder gesloten verharding worden uitgevoerd met behulp van een sleufloze techniek. 2. Bij gebruik van een mantelbuis moet de mantelbuis minimaal 0,60 m buiten de fundering van de gesloten verharding uitsteken. De ruimten tussen de mantelbuis en
Pagina 16/18
kabel of leiding moeten aan de uiteinden volledig worden afgedicht volgens conform de daarvoor geldende normen. 3. Wanneer een sleufloze techniek niet mogelijk is, kan het college besluiten dat de gesloten verharding gedeeltelijk verwijderd mag worden. 4. Bij ingraving wordt, na verdichting van de sleuf en herstel van de funderingslaag de sleuf tijdelijk dicht geblokt met betonklinkers. 4.13.
Bijzondere verharding
1. Als uitgangspunt geldt dat leidingen niet worden gelegd onder bijzondere verharding. 2. In die gevallen dat aanleg onder bijzondere verharding onvermijdelijk is, dient aanleg plaats te vinden in overleg met het college. 4.14. 1. 2. 3. 4. 5.
Verdichting van de sleuf:
Er vindt controle van de toezichthouder van de gemeente plaats voordat de sleuf wordt dichtgegooid met puin en/of zand. De sleuf wordt verdicht in aanwezigheid van de toezichthouder van de gemeente. Verdere verdichtingscontrole is niet nodig. Aanvullen onder straatwerk dient alleen met zand te gebeuren. Het aanvullen dient laagsgewijs te gebeuren. Het verdichten mag met behulp van een mechanische stamper in lagen van max. 20 cm. Bij het verdichten van de sleuf dient de indringingsweerstand is ten minste gelijk aan 90% van de indringingsweerstand van de ongeroerde grondslag op die desbetreffende locatie.
5. Schaderegeling ingravingen 5.1. Uitgangspunten 1. Dit hoofdstuk is een nadere uitwerking van artikel 4.2 van de AVOI. 2. De kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van de openbare ruimte die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden door of namens een netbeheerder worden in rekening gebracht bij de netbeheerder. 5.2. Uitvoering herstel en onderhoud 1. Het herstel en onderhoud gedurende de onderhoudstermijn van elementenverharding wordt uitgevoerd door de netbeheerder. 2. Het tijdelijk herstel van gesloten verharding wordt uitgevoerd door de netbeheerder door middel van het dichtblokken van de sleuf. Het definitieve herstel en onderhoud van gesloten verharding wordt uitgevoerd door de gemeente binnen …. weken na het tijdelijk herstel. Tot het moment dat de gesloten verharding definitief is hersteld wordt het onderhoud uitgevoerd door de netbeheerder.
Met opmerkingen [MMt2]: Geen voorwaarden voor termijn? Binnen hoeveel tijd? Lijkt mij een vereiste vanwege de opgelegde verplichting van onderhoud voor een netbeheerder tot het definitief hersteld is. Met opmerkingen [MMt3]: Niet passende voorwaarde. Zie hieronder
Pagina 17/18
3. Het tijdelijke herstel van bijzondere verharding wordt uitgevoerd door de netbeheerder. Het definitieve herstel en onderhoud van bijzondere verharding wordt uitgevoerd door de gemeente. Tot het moment dat de bijzondere verharding definitief is hersteld wordt het onderhoud uitgevoerd door de netbeheerder. 4. Het herstel en onderhoud van groenvoorzieningen wordt uitgevoerd door de gemeente. De netbeheerder draagt zorg voor het opnieuw inzaaien van bermen en dat bermen vrij zijn van stenen. 5. De onderhoudstermijn voor de werkzaamheden ten behoeve van herstel en onderhoud geldt gedurende een periode van twaalf maanden. 5.3. Tarieven 1. Voor elementverhardingen en bermen hanteert de gemeente voor alle netbeheerders de “Richtlijn tarieven (graaf-) werkzaamheden” van de VNG, die jaarlijks wordt geïndexeerd. 2. De kosten voor het herstel van gesloten verhardingen, halfverhardingen, bijzondere verhardingen of groenvoorzieningen worden per geval door de gemeente bepaald en in rekening gebracht. 5.4. Herstel overige schade Schade aan gemeentelijke eigendommen (bijvoorbeeld straatmeubilair, openbare verlichting, groenvoorziening en verkeerslichten) wordt verhaald op de netbeheerder.
Pagina 18/18
Met opmerkingen [MMt4]: Hier ook een tijdsbepaling opnemen.
Met opmerkingen [MMt5]: Is dit de tijdsbepaling? Dus de gemeente heeft 1 jaar de tijd om het definitieve herstel uit te voeren? Vind ik niet gepast om een netbeheerder, na het uitvoeren van de verplichting tot tijdelijk herstel, vervolgens nog eens maximaal één jaar verantwoordelijk te maken voor onderhoud hiervan. Na het tijdelijk herstel is het de verantwoording van de gemeente om aan hun eigen verantwoordelijkheid van definitief herstel te gaan voldoen en niet van een netbeheerder. De netbeheerder heeft al voldaan aan zijn verplichting door het te herstellen. Je zou het kunnen vergelijken met de bouw van een huis. Na oplevering is de aannemer verplicht tot onderhoud totdat de bewoner zijn intrek neemt.
AVOI Soest 1. Algemene bepalingen 1.1.
Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder: a.
aanbieder: de aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in de Telecommunicatiewet;
b.
aanvraag: de aanvraag van een instemmingsbesluit of vergunning;
c.
college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest;
d.
instemmingsbesluit: besluit van het college als bedoeld in artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet;
e.
kabels en leidingen: één of meer kabels of leidingen, daaronder in ieder geval begrepen telecomkabels alsmede lege buizen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie;
f.
melding: een melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard, waarvoor geen instemmingsbesluit of vergunning noodzakelijk is.
g.
netbeheerder: degene die als natuurlijk persoon handelende in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon een net beheert. Onder netbeheerder wordt tevens verstaan een aanbieder;
h.
openbaar elektronisch communicatienetwerk: netwerk als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet;
i.
openbare gronden: openbare gronden zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet;
j.
spoedeisende werkzaamheden: werkzaamheden waarvan uitstel niet mogelijk is ten gevolge van een calamiteit of ten gevolge van een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening; Ernstige belemmering is een ruime omschrijving. Aanvullen met een storing in de dienstverlening van een enkele aansluiting. Dit valt binnen het toetsingskader van AT.
k.
telecomkabel: een kabel als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet;
l.
vergunning: een vergunning voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden, niet zijnde telecomkabels;
m. Werkzaamheden van niet ingrijpend aard: werkzaamheden die dusdanig beperkt zijn dat op grond van artikel 2.1. tweede lid van de AVOI geen vergunning of instemmingsbesluit noodzakelijk is.
1.2.
Toepasselijkheid
1. Deze verordening is van toepassing op werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. 2. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
2. Instemmingsbesluit en vergunning 2.1.
Vereiste van instemming, vergunning en melding
1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een door het college verleend instemmingsbesluit of verleende vergunning werkzaamheden uit te voeren in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. 2. In afwijking van het eerste lid kan voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard worden volstaan met een melding aan het college. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van categorieën van werkzaamheden van niet ingrijpende aard. 3. Het college kan één of meer gebieden aanwijzen waarbinnen niet volstaan kan worden met een melding, maar altijd een instemmingsbesluit of vergunning moet worden aangevraagd. 4. Spoedeisende werkzaamheden dienen onverwijld te worden gemeld aan de burgemeester. Hierna kunnen, in afwijking van het eerste lid, de werkzaamheden plaatsvinden, tenzij de burgemeester, op grond van de APV of een andere hem toekomende bevoegdheid, in verband met de openbare orde of gevaar dan wel de vrees voor het ontstaan van gevaar de uitvoering van de werkzaamheden verbiedt. Het college stelt ten aanzien van spoedeisende werkzaamheden nadere regels vast. 5.
Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente bij de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak of op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale wegenverordening. 2.2.
De aanvraag en de melding
1. Een aanvraag wordt ingediend bij het college. 2. Een melding wordt minimaal 5 werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden aan het college gedaan. 3. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de bij een aanvraag of melding te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking. 2.3.
Beslistermijnen
1. Het college beslist op de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
Met opmerkingen [JP1]: 5 dagen is niet meer van deze tijd. Deze is ontstaan uit de oude KIIC systemen waar je na 3 dagen alle info moest hebben. Dit is nu elektronisch en binnen een paar uur. Graag aanpassen naar 3 dagen zoals vrijwel overal wordt gehanteerd
2. Indien voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen zowel een aanvraag op grond van deze verordening als een aanvraag op grond van een andere wet is ingediend, al dan niet bij een ander bestuursorgaan, dan stelt de aanvrager het college hiervan op de hoogte. 3. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn van ten hoogste acht weken waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 4. Op schriftelijk verzoek van de aanvrager stelt het college een aanvraag buiten behandeling. 2.4.
Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden
1. Het college kan aan een instemmingsbesluit, vergunning of melding voorschriften en beperkingen verbinden, dan wel een vergunning weigeren, in het belang van: a.
de openbare orde;
b.
de veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid of een goede doorstroming van het verkeer;
c.
het voorkomen of beperken van overlast;
d.
de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik van openbare gronden en gebouwen, het doelmatig beheer en onderhoud en het belang van nader aan te geven lokale evenementen;
e.
de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt de bescherming van reeds in de grond aanwezige werken;
f.
de bescherming van eventuele archeologische vondsten en van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen;
g.
het uiterlijk aanzien van de omgeving;
2. De werkzaamheden moeten zijn voltooid binnen zes maanden na aanvang, tenzij in het instemmingsbesluit of de vergunning anders is bepaald. 3. De aanvrager draagt er zorg voor dat de voorschriften die aan het instemmingsbesluit of de vergunning zijn verbonden worden nageleefd. 4. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de wijze van uitvoering van werkzaamheden aan kabels of leidingen. 2.5.
Wijziging en intrekking
1. Het college kan het instemmingsbesluit of de vergunning wijzigen of intrekken, indien: a.
de netbeheerder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het instemmingsbesluit of de vergunning, of de in het instemmingsbesluit of de
vergunning opgenomen termijn, met de werkzaamheden als omschreven in het instemmingsbesluit of de vergunning is begonnen; b.
de in het instemmingsbesluit of de vergunning benoemde werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen;
c.
het instemmingsbesluit of de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens;
d.
de netbeheerder het bepaalde bij of krachtens deze verordening niet naleeft;
2. Het college kan de vergunning wijzigen of intrekken, indien: a.
de netbeheerder de leiding definitief buiten gebruik heeft gesteld;
b.
dit naar het oordeel van het college redelijkerwijs nodig is vanwege de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak.
3. Het college gaat niet over tot intrekking of wijziging van het instemmingsbesluit of de
Met opmerkingen [JP2]: De definitie Kabel en leiding veranderd hier. Ik weet niet of met leiding ook telecom bedoeld word maar dan is hier de telecommunicatiewet op van toepassing en kan verwijderen alleen onder voorwaarden als gesteld in de wet
vergunning dan nadat het college de houder van het instemmingsbesluit of de vergunning heeft gehoord. 4. Aan het besluit tot wijziging of intrekking van het instemmingsbesluit of de vergunning kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabels of leidingen aan te passen of deze te verwijderen. 5. Het college trekt het instemmingsbesluit of de vergunning in indien de houder schriftelijk aan het college verklaart geen gebruik meer daarvan te willen maken. 6. Een instemmingsbesluit of een vergunning geldt voor een specifieke kabel of leiding en is overdraagbaar, tenzij in de vergunning of het instemmingsbesluit anders is bepaald. Het college kan het instemmingsbesluit of de vergunning op schriftelijk verzoek van de houder op naam stellen van een andere netbeheerder.
3. Overleg, afstemming en overige verplichtingen 3.1.
Overleg en afstemming tijdens planvorming
1. De gemeente initieert en faciliteert nader overleg tussen alle betrokken partijen over alle projecten in openbare gronden. Dit overleg vindt periodiek, doch tenminste eenmaal per jaar plaats. 2. Het college initieert in de planfase van een door of vanwege de gemeente uit te voeren project overleg met de desbetreffende netbeheerder(s) ten einde de gevolgen van dat project voor de ligging en het onderhoud van kabels en leidingen te analyseren. De gemeente doet per bedoeld project een voorstel ten aanzien van het aantal overleggen en de regelmaat daarvan. 3. Op initiatief van het college wisselen alle betrokken partijen voorafgaand aan de start van een werk dat gevolgen heeft voor de ondergrondse infrastructuur de noodzakelijke informatie met elkaar uit.
Met opmerkingen [JP3]: Een instemmingsbesluit kan niet worden gewijzigd of ingetrokken. Na de aanleg op grond van de Tw heeft een instemmingsbesluit geen werking meer. Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2006:AZ0145
3.2.
Verplichtingen netbeheerder
1. De netbeheerder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat van onderhoud van kabels en leidingen. 2. Indien het eigendom, de exploitatie, het beheer of het gebruik van kabels of leidingen wijzigt, stelt de netbeheerder het college onverwijld schriftelijk van deze wijziging in kennis. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de bij de kennisgeving te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking. 3. De netbeheerder levert op verzoek van het college informatie over een kabel of leiding. 3.3.
Medegebruik van voorzieningen
Met opmerkingen [JP4]: Dit zal vrijwel nooit gebeuren, vaak zijn dit bedrijfsovernames. In het kadaster zal dit automatisch aangepast worden omdat dit een wettelijke verplichting is Het gebruik van een kabel zal niet wijzigen. De vraag is ook wat de toegevoegde waarde voor de gemeente is en hetm lijkt dan ook een overbodig artikel
1. Een aanbieder is verplicht om bij de aanleg van telecomkabels in openbare gronden zoveel mogelijk medegebruik te maken van bestaande, hetzij door andere netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, of kabel- en leidingentunnels. 2. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de aanbieder aannemelijk kan maken dat medegebruik op technische of economische gronden niet haalbaar is. 3. Indien het gekozen tracé niet kan worden uitgevoerd, is het aan de aanbieder om een alternatief tracé te kiezen. Ook kan het college een alternatief tracé aanwijzen. 3.4.
Verontreiniging, gevaar en hinder
1. De netbeheerder is verplicht verontreiniging, gevaar of hinder, dan wel storingen waarbij verontreiniging, gevaar of hinder kunnen optreden, onmiddellijk te melden aan het college en alle maatregelen te treffen teneinde verdere verontreiniging, schade of hinder te voorkomen. 2. Het college kan bij gebleken of ernstige dreiging van verontreiniging, gevaar of hinder in of nabij het tracé van kabels en leidingen opschorting gelasten van de aanleg of de exploitatie van de betreffende kabels en leidingen.
4. Financiële bepalingen 4.1.
Nadeelcompensatie
1. Het college kent een netbeheerder, niet zijnde aanbieder, die schade lijdt of zal lijden als gevolg van een besluit van het college als bedoeld in artikel 2.5 tweede lid, onder
Met opmerkingen [JP5]: Wat is gevaar of hinder bij het aantreffen van een onbekende vervuiling (naar bekende is nl. al onderzoek gedaan). Hoe kan verdere verontreiniging dan ontstaan? Gaarne een betere omschrijving
b, dan wel als gevolg van de rechtmatige uitoefening door het college van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toe, wanneer de schade uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en hem in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. 2. Het college stelt een nadeelcompensatieregeling vast over de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid. 4.2.
Herstraat- en degeneratiekosten
1. Indien door de netbeheerder werkzaamheden aan kabels of leidingen in of op openbare gronden worden uitgevoerd, brengt het college de kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van openbare gronden die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden bij de netbeheerder in rekening. 2. Het uitgangspunt bij het herstel van gronden is dat de grond wordt teruggebracht in de oude staat. 3. Het college stelt nadere regels vast over de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid.
5. Handhaving 5.1.
Toezicht op de naleving
Het college wijst de personen aan die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde. 5.2.
Strafbepaling
Overtreding van de artikelen 2.1 eerste en tweede lid, 2.4 derde lid en 3.2 eerste lid wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie.
6. Overgangs- en slotbepalingen 6.1.
Overgangsbepalingen
1. Voor kabels en leidingen die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig aanwezig en in gebruik zijn geldt de door de gemeente verleende toestemming dan wel vergunning op grond waarvan zij gelegd zijn als een vergunning respectievelijk instemmingsbesluit krachtens deze verordening. 2. Voor zover er sprake is van privaatrechtelijke overeenkomsten tussen de gemeente en netbeheerders en tot het moment waarop deze zijn beëindigd, zijn de bepalingen in
deze verordening, voor zover strijdig met de bepalingen in deze overeenkomsten, niet van toepassing. 3. Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een instemmingsbesluit of een vergunning is aangevraagd op grond van de Telecommunicatieverordening 2008 Soest of de Algemene plaatselijke verordening Soest, waarop nog niet is beslist, wordt deze aanvraag beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Telecommunicatieverordening 2008 Soest of de Algemene plaatselijke verordening Soest. 6.2.
Slotbepalingen
1. Deze verordening treedt op […] in werking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als Algemene verordening ondergrondse infrastructuur gemeente Soest 202[…]. 3. De Telecommunicatieverordening 2008 wordt op het tijdstip van inwerkingtreding van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur gemeente Soest 202[…] ingetrokken.
Toelichting op de AVOI Algemeen: Deze algemene verordening ondergrondse infrastructuur (verder aangeduid als AVOI) is een verordening die regels bevat met betrekking tot het aanleggen, in stand houden en opruimen van kabels en leidingen. In deze verordening zijn zowel regels gesteld betreffende kabels en leidingen ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken als regels voor de overige kabels en leidingen. Kernpunten van deze AVOI en de daarop gebaseerde besluiten zijn: • de bruikbaarheid en het aanzien van de weg; •
de veiligheid van de kabels en leidingen;
•
het minimaliseren van risico’s voor milieu en gezondheid van mens en dier;
•
te stellen eisen aan de ordening en allocatie van kabels en leidingen;
•
te stellen eisen aan exploitatie en onderhoud van kabels en leidingen;
•
te stellen eisen aan wijzigingen van leidingentracés en verwijdering van kabels en leidingen.
De regels voor werkzaamheden betreffende een openbaar elektronisch communicatienetwerk moeten worden opgenomen in een gemeentelijke verordening. Voor de uitvoering van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk (telecomkabels) wordt namelijk in artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet (Tw) het kader voor de regels in deze verordening bepaald. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze AVOI zal de bestaande Telecommunicatieverordening als afzonderlijke verordening worden ingetrokken. Voor de werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van de overige kabels en leidingen (niet-telecomkabels) ontbreekt een dergelijke vorm van wetgeving. Voorheen werden vergunningen en/of toestemmingen voor deze werkzaamheden verleend op grond van óf een Algemene plaatselijke verordening (APV) óf op grond van een leidingenverordening. Met de inwerkingtreding van deze AVOI wordt de vergunningverlening ten aanzien van kabels en leidingen ook beheerst door deze nieuwe verordening. In deze verordening zijn de regels voor kabels en leidingen vallende onder de Tw en de regels voor de overige kabels en leidingen zo veel als mogelijk geïntegreerd.
Het onderscheid in de toepassing blijkt expliciet uit de gebezigde tekst en uit de definities van ‘telecomkabel’ (alleen Tw) en ‘kabels en leidingen’ (alle kabels en leidingen inclusief telecomkabels).
Artikelsgewijze toelichting 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Algemeen In dit artikel zijn de begripsbepalingen opgenomen. Voor een goed begrip van de AVOI is het van belang om op te merken dat in beginsel alle leidingen (waaronder ook rioolbuizen en openbare verlichting) in openbare gronden waarover de bevoegdheid van het gemeentebestuur zich uitstrekt onder de reikwijdte van de verordening vallen. Voor de definitie van ‘openbare gronden’ is aansluiting gezocht bij de definitie in de Telecommunicatiewet. Uit de definitie van ‘openbare gronden’ blijkt dat het bereik van de verordening niet beperkt blijft tot kabels en leidingen die in de grond liggen, maar ook ziet op kabels en leidingen en bijbehorende voorzieningen die in of op kunstwerken zijn of worden gelegd. Met kunstwerken wordt bedoeld infrastructuur die voor kabels en leidingen is aangelegd om bijvoorbeeld een barrière (zoals een snelweg of een waterweg) over te kunnen steken. Hierbij valt te denken aan leidingentunnels en leidingenviaducten. Ook worden voorzieningen in bestaande infrastructuur (zoals bruggen) in deze verordening als kunstwerken beschouwd. Kabelgoten vallen, voor zover zij in openbare gronden zijn gelegen, eveneens onder de werkingssfeer van de verordening.
Kabels en leidingen die zich niet in of op openbare gronden bevinden (zoals bovengrondse hoogspanningsleidingen) vallen niet onder de werkingssfeer van de verordening. Artikel 1.1 a. aanbieder Met het begrip ‘aanbieder’ wordt bedoeld: een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk in de zin van de Telecommunicatiewet. Op deze ‘aanbieder’ zijn de rechten en plichten van hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet van toepassing. De verordening bevat enkele bepalingen die slechts van toepassing zijn op ‘aanbieders’ en niet op andere netbeheerders zoals de nutsbedrijven. Dit zijn bepalingen die rechtstreeks voortvloeien uit de Telecommunicatiewet en die niet een op een voor andere partijen kunnen gelden. Artikel 1.1 b. aanvraag Met het begrip ‘aanvraag’ wordt bedoeld: een aanvraag om een instemmingsbesluit (conform de Telecommunicatiewet) of een vergunning (overige kabels en leidingen). De aanvraag moet onderscheiden worden van de melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard op grond van artikel 2.1 lid 2 van de verordening. De termijn van afhandeling van een aanvraag tot het verlenen van een instemmingsbesluit (artikel 5.4, tweede lid van de Telecommunicatiewet) of een vergunning (artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht) is 8 weken.
Artikel 1.1 c. college Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de taken voortvloeiende uit de AVOI af te handelen, waarbij deze bevoegdheden voor wat betreft de uitvoering om praktische redenen deels gemandateerd zijn of worden aan een of meer daartoe aangewezen ambtenaren. Deze functie betreft enerzijds het houden van toezicht en anderzijds het coördineren en verlenen van instemmingen en vergunningen. Indien en voor zover de bevoegdheden op het gebied van coördinatie, het verlenen van vergunningen en instemmingbesluiten en het houden van toezicht gemandateerd zijn aan een of meer functionarissen, wordt met ‘college’ tevens deze functionaris bedoeld. Artikel 1.1 d. instemmingsbesluit De Telecommunicatiewet bevat een gedoogplicht voor de aanleg van kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Deze gedoogplicht is vastgelegd in artikel 5.2 van de Telecommunicatiewet. De aanbieder dient echter wel instemming te verkrijgen van de gemeente binnen wier grondgebied de uit te voeren werkzaamheden plaats zullen vinden. Dit vloeit voort uit artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet. De instemming geldt enkel voor werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming. Voor andere kabels en leidingen geldt de Telecommunicatiewet en de daarin opgenomen gedoogplicht niet.
De toestemming om netten aan te leggen, in stand te houden en op te ruimen dient bij deze netten door middel van een vergunning plaats te vinden. In verband met de verschillende regimes is het noodzakelijk om tussen een instemmingsbesluit en een vergunning onderscheid te maken. Artikel 1.1 e. kabels en leidingen De begripsbepaling ‘kabels en leidingen’ is zodanig gedefinieerd dat hier in principe alle kabels en leidingen onder vallen, waaronder mede wordt begrepen de daarbij behorende onderdelen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, zoals brandkranen, afsluiters, mantelbuizen, kasten en gebouwen. Kabels die onder de Telecommunicatiewet vallen (zie begripsbepaling: telecomkabel) en die in openbare gronden liggen of worden gelegd vallen eveneens onder deze definitie. Artikel 1.1 f. melding In de Telecommunicatiewet wordt aangegeven dat een aanbieder slechts overgaat tot het uitvoeren van werkzaamheden, indien dit voornemen schriftelijk is gemeld bij het college én het college hiertoe instemming heeft gegeven. Dit wordt bepaald in artikel 5.4 lid 2 van de Telecommunicatiewet. In hetzelfde artikel in het vijfde lid wordt daarnaast bepaald dat er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen werkzaamheden van ingrijpende én niet-ingrijpende aard.
Voor werkzaamheden van niet-ingrijpende aard, welke staan omschreven in de nadere regels, is slechts een melding nodig. Hierbij dient opgemerkt te worden dat met het begrip ‘melding’ in deze verordening uitsluitend de melding van werkzaamheden van niet ingrijpende aard wordt bedoeld. Indien een partij werkzaamheden verricht die vallen onder de categorie werkzaamheden van niet-ingrijpende aard, kan dus
worden volstaan met een melding die vijf werkdagen voor de start van de werkzaamheden dient te zijn ingediend. Artikel 1.1 g. netbeheerder Onder netbeheerder wordt degene verstaan die als natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon een net beheert. Dit geldt dus voor alle partijen in de ondergrond. Deze definitie is ontleend aan de Wet informatieuitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten (WIBON). In de verordening valt een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk onder de noemer ‘netbeheerder’. Indien er echter uitdrukkelijk gesproken wordt van een ‘aanbieder’, dan heeft het artikel specifiek betrekking op aanbieders en niet op andere netbeheerders (zoals Gasunie, TenneT, etc.) Ook voor diegene die een niet-openbaar elektronisch communicatienetwerk beheert (bijvoorbeeld een ‘point to point’-verbinding tussen twee bedrijfslocaties), zijn de bepalingen van deze verordening van toepassing. Omdat een dergelijke partij niet kan worden beschouwd als een aanbieder, er is namelijk geen sprake van een ‘openbaar’ elektronisch communicatienetwerk, hebben de specifieke bepalingen voor aanbieders geen betrekking op deze netbeheerder.
Deze netbeheerders dienen derhalve een vergunning in plaats van een instemmingsbesluit aan te vragen voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. Artikel 1.1 h. openbaar elektronisch communicatienetwerk Artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet kent de volgende definitie van ‘openbaar elektronisch communicatienetwerk’: elektronisch communicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om openbare elektronische communicatiediensten aan te bieden, waaronder mede wordt begrepen een netwerk, bestemd voor het verspreiden van programma's voor zover dit aan het publiek geschiedt. Voor de invulling van het begrip ‘openbaar’ is het bepalend of eenieder van het aanbod van een aanbiedende onderneming gebruik kan maken. Indien de kring van gebruikers beperkt is, bijvoorbeeld vanwege het feit dat het aanbod enkel aan instellingen die zich richten op wetenschappelijk onderwijs beschikbaar wordt gesteld, is er geen sprake van een openbaar elektronische communicatiedienst. Artikel 1.1 i. openbare gronden Onder de begripsbepaling ‘openbare gronden’ dient te worden verstaan: openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, pleinen, plantsoenen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken.
Ook wateren met daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen die voor eenieder toegankelijk zijn vallen onder het begrip ‘openbare gronden’. Artikel 1.1 j. spoedeisende werkzaamheden Spoedeisende werkzaamheden vallen uiteen in twee verschillende onderdelen, namelijk de calamiteit en de ernstige belemmering of storing in de dienstverlening. Hiervoor is gekozen
vanwege de (potentiële) gevolgen die aan de gebeurtenis kleven. De term calamiteit is overgenomen uit het Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten, artikel 7. Daar worden bepaalde verplichtingen uit de wet (WIBON) buiten toepassing verklaard op het moment dat er sprake is van graafwerkzaamheden die noodzakelijk zijn om persoonlijk letsel of grote schade te voorkomen. Het belang van het expliciet opnemen van de calamiteit in de AVOI is gelegen in de wijze waarop door een netbeheerder melding gedaan dient te worden en bij wie. De melding in verband met een calamiteit dient onverwijld, wat betekent onmiddellijk en zonder uitstel, plaats te vinden vanwege de gevolgen. De termen 'ernstige belemmering' en 'storing', die volgen uit de Telecommunicatiewet maar door opname in de AVOI voor elke netbeheerder geldt, staan niet specifiek omschreven in de wet, maar gedacht moet worden aan een kabelbreuk (Vgl. Kamerstukken II 2004/05, 29 834, nr.3, p.55). Verder zal het gemeentebestuur moeten beoordelen of een ernstige belemmering of storing in de communicatie voldoende reden is om als spoedeisend te worden aangemerkt. Bij spoedeisend dient ingevolge het tweede onderdeel dus niet alleen gedacht te worden aan calamiteiten waarbij de openbare orde en veiligheid in het gedrang zijn.
Ook storingen die financiële of economische consequenties tot gevolg hebben, kunnen een storing spoedeisendheid geven. Het is van belang dat de netbeheerder het gemeentebestuur adequaat inlicht over de (potentiële) gevolgen van een storing, zodat het gemeentebestuur zich een beeld kan vormen van de omvang en spoedeisendheid ervan. De melding in verband met een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening dient voorafgaande aan de werkzaamheden plaats te vinden. Zo is het voor het gemeentebestuur mogelijk om de melding te toetsen op spoedeisendheid. Werkzaamheden die door een netbeheerder zijn ingepland leveren in ieder geval geen spoedeisendheid op. Artikel 1.1 k. telecomkabel In de Telecommunicatiewet is een specifiek regime opgenomen voor telecomkabels. Dit regime ziet er onder andere op dat deze kabels gedoogd moeten worden in ‘openbare gronden’ en dat deze verlegd moeten worden indien de gedoogplichtige daarom verzoekt. Dit dient wel te geschieden op basis van de bij de wet aangegeven gronden. Dit regime ziet enkel op kabels die vallen onder de definitie van ‘kabel’ zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet.
Deze definitie luidt als volgt: Fysieke geleidingsdraden bestemd voor de rechtstreekse overdracht van signalen tussen punten en de bij deze fysieke geleidingsdraden behorende ondergrondse ondersteuningswerken, beschermingswerken en signaalinrichtingen. Hieronder worden in ieder geval begrepen koper- en glasvezelverbindingen, handholes en kasten ten behoeve van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Onder de definitie vallen tevens ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken (zoals mantelbuizen) waarin of waarop geen fysieke geleidingsdraden bestemd voor de rechtstreekse overdracht van signalen tussen punten zijn aangebracht, en die aangelegd worden of zijn met het oogmerk deel uit te gaan maken van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Enkel kabels die onder deze definitie vallen, kunnen worden bestempeld als telecomkabels. ‘Point to point’verbinding vallen hier dus niet onder. Dit regime leidt ertoe dat bepaalde bepalingen alleen voor telecomkabels gelden en niet voor alle ondergrondse infrastructuur. Zodoende wordt
er in die gevallen dat een bepaling alleen ziet op telecomkabels specifiek deze begripsbepaling gehanteerd en niet de algemene begripsbepaling ‘kabels en leidingen’. Artikel 1.1 l. vergunning De vergunning behelst de publiekrechtelijke toestemming voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen, niet zijnde telecomkabels, in of op openbare gronden die in beheer zijn van de gemeente. Artikel 1.1 m. werkzaamheden van niet ingrijpende aard Het definiëren van het onderscheid tussen werkzaamheden van al dan niet ingrijpende aard vloeit voort uit artikel 5.4, vijfde lid van de Telecommunicatiewet, maar geldt ook voor kabels en leidingen die niet onder de Telecommunicatiewet vallen. Het betreffen werkzaamheden waarvoor geen instemmingsbesluit of vergunning hoeft te worden aangevraagd, maar waarbij kan worden volstaan met een melding aan het college. Om welke categorieën van werkzaamheden het gaat, wordt door het college vastgesteld in de nadere regels. Naast werkzaamheden aan huisaansluitingen worden andere niet ingrijpende werkzaamheden aan een lichter regime onderworpen, zolang de werkzaamheden voldoen aan de vastgestelde eisen en randvoorwaarden. Dit kan omdat deze werkzaamheden veelal slechts gedurende relatief korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerk worden verricht, en de impact relatief beperkt en kortstondig is.
Voor deze niet ingrijpende werkzaamheden geldt een verkorte meldingsprocedure. Het college kan echter bepalen dat voor werkzaamheden die vallen binnen een aangegeven categorie van werkzaamheden van niet ingrijpende aard, maar welke zijn gesitueerd binnen een bepaald aangewezen gebied, niet met een melding kan worden volstaan, maar altijd een vergunning of een instemmingsbesluit moet worden aangevraagd. Hierbij moet gedacht worden aan gebieden als de ‘oude’ binnenstad. Artikel 1.2 Toepasselijkheid De verordening is van toepassing op werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. Zoals in de toelichting bij het begrip ‘openbare gronden’ reeds is aangegeven, vallen ook kunstwerken onder dit begrip. Voor kabels en leidingen die niet onder de Telecommunicatiewet vallen, geldt de vergunningplicht slechts voor openbare gronden die in beheer zijn bij de gemeente. Voor telecomkabels zijn de regels van toepassing op alle openbare gronden, ongeacht wie deze beheert. Zo is de gemeente bijvoorbeeld voor gronden waar de provincie haar beheergebied heeft, toch het bevoegde gezag om voor werkzaamheden in die gronden een instemmingsbesluit af te geven. Dit vloeit voort uit artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet.
Zoals gezegd gaat dit dus niet op voor werkzaamheden van andere netbeheerders (zoals Gasunie, TenneT, etc.), zodat er buiten het beheergebied van de gemeente geen vergunningplicht op basis van de AVOI geldt. In het tweede lid van artikel 1.2 wordt bepaald dat paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de zogenaamde lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij
niet tijdig beslissen), niet van toepassing is. Dat betekent dat bij het verstrijken van de beslistermijnen de vergunning niet van rechtswege wordt geacht te zijn verleend. Gelet op de grote publieke belangen die in het geding kunnen zijn, zoals het waarborgen van bereikbaarheid voor politie, brandweer en ambulance en de veiligheid voor het publiek, is het niet verantwoord dat zonder meer met de werkzaamheden mag worden begonnen als de gemeente verzuimd zou hebben binnen de gestelde termijn te beslissen. Dat laat natuurlijk onverlet dat, indien de gemeente in gebreke is, daartegen rechtsmiddelen openstaan. Hierbij moet gedacht worden aan de beroepsmogelijkheden die de Awb in artikel 6:12 biedt bij het niet tijdig nemen van een besluit door een overheidsinstantie. Hetzelfde geldt overigens voor de instemming voor de werkzaamheden in verband met aanleg, instandhouding en opruiming van kabels ten dienste van een openbaar elektronisch telecommunicatienetwerk (de instemming als bedoeld in artikel 5.4, lid 1, sub b, Tw). Het maatschappelijk risico van het stilzwijgend verlenen van de instemming wordt onwenselijk groot geacht, afgezet tegen het maatschappelijk voordeel van een tijdige vergunningverlening (zie de opvatting in de brief van de minister van Justitie aan de Tweede Kamer, d.d.
9 juni 2009, TK 29515, nr.293, in het bijzonder de bijlage 2; laatstelijk herbevestigd door de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot Wijziging van de Telecommunicatiewet ter implementatie van de herziene telecommunicatierichtlijnen, TK 32549, nr.3, pp.29-31).
2. Instemmingsbesluit en vergunning Artikel 2.1. Vereiste van instemming of vergunning Uitgangspunt van de AVOI is dat werkzaamheden in openbare gronden verboden zijn, tenzij men beschikt over een vergunning of een instemmingbesluit. De vergunningplicht geldt alleen voor openbare gronden die in beheer zijn van de gemeente. Bij telecomkabels is dat anders als gevolg van het stelsel van de Telecommunicatiewet. Een instemmingsbesluit is namelijk vereist voor werkzaamheden in openbare gronden binnen de gemeente, ongeacht door wie deze beheerd worden. Een instemmingsbesluit vervalt nadat de werkzaamheden zijn voltooid. Voor bepaalde werkzaamheden kan worden volstaan met een lichtere meldingsprocedure (zowel voor telecomkabels als overige kabels en leidingen). De categorieën van werkzaamheden van niet ingrijpende aard waarvoor dit geldt, worden door het college vastgesteld in de nadere regels. Het college kan echter ook een geografisch gebied vaststellen (opgenomen in de nadere regels) waarbinnen altijd een vergunning of instemmingsbesluit moet worden aangevraagd. Een historische kern van een stad of dorp kan bijvoorbeeld worden aangewezen als gebied waarbinnen niet kan worden volstaan met een melding. In geval van storingen waarbij reparatie geen uitstel kan lijden, kan uiteraard vooraf geen vergunnings- of meldingsprocedure gelden. Deze dienen wel onverwijld, dus zo spoedig