CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

4c3 9 Bijlage 8 Quickscan ecologie.pdf

Besluitvormende Raadsvergadering 7 juli 2021, gemeente SoestBij agendapunt: Bestemmingsplan Verkeersplan Soest-Zuid 3 (Ossendamweg)8.652 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toetsing Wet natuurbescherming Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest

Opdrachtgever: Gemeente Soest T.a.v. De heer W. de Jong Postbus 2000 3760 CA Soest

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:

10296 18-12-2019 J. Loeffen M. Oomen J. Loeffen Definitief 1

© 2019 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1 1.1 2

Inleiding ................................................................................................................................ 4 Aanleiding ........................................................................................................................ 4 Huidige situatie en ontwikkeling........................................................................................... 5

2.1

Huidige situatie ............................................................................................................... 5

2.2

Uitgevoerde aanpassing .................................................................................................. 7

3

Natuurwetgeving en -beleid ................................................................................................. 9

3.1

Inleiding ........................................................................................................................... 9

3.2

Bescherming van soorten ................................................................................................ 9

3.3

Bescherming van gebieden ............................................................................................. 9

3.4

Bescherming van houtopstanden ................................................................................. 10

3.5

Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................ 11

4

Methode ............................................................................................................................. 13

4.1

Bureauonderzoek .......................................................................................................... 13

4.2

Terreinbezoek................................................................................................................ 13

5

Beschermde soorten ........................................................................................................... 14

5.1

Planten .......................................................................................................................... 14

5.2

Zoogdieren .................................................................................................................... 15

5.3

Vogels ............................................................................................................................ 19

5.4

Reptielen ....................................................................................................................... 20

5.5

Amfibieën ...................................................................................................................... 21

5.6

Vissen ............................................................................................................................ 21

5.7

Ongewervelden ............................................................................................................. 22

6

Conclusie ............................................................................................................................. 23

6.1

Bescherming soorten .................................................................................................... 23

6.2

Bescherming gebieden .................................................................................................. 24

6.3

Bescherming houtopstanden ........................................................................................ 24

6.4

Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................ 24

6.5

Geldigheid onderzoek ................................................................................................... 25

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

3

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Gemeente Soest is voornemens een herinrichting te realiseren voor de omgeving van Station Soest Zuid (Figuur 1). In verband met deze voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden of, en zo ja hoe, deze ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Middels een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van de aanwezige terreintypen en waarnemingen van soorten beoordeeld welke beschermde gebieden, en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.

Figuur 1. Globale ligging van het plangebied (rode cirkel) stationsomgeving Soest Zuid. Bron: Esri, 2019

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

4

2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt in stationsomgeving van Soest Zuid te Soest, gemeente Soest in de provincie Utrecht. Het plangebied bestaat uit een aantal onderdelen: Station Soest Zuid, de parkeerplaats, het kruispunt met de Nieuweweg en het kruispunt met de Pimpelmees (Figuur 2). Binnen het plangebied liggen groenstroken in de vorm van bermen tussen de wegen en langs het stations perron. Ten noorden van de parkeerplaats is een stadspark met een vijver, bomenrijen, bosschages en wandelpaden. Het plangebied wordt verlicht door lantarenpalen. De directe omgeving is stedelijk. In de ruimere omgeving liggen sport- en speelvelden en het natuurgebied “de Lange Duinen”. Zie Figuur 3 en Figuur 4 voor een impressie van het plangebied.

Figuur 2. De begrenzing van het plangebied verkeersplan stationsomgeving Soest Zuid. Bron: Esri, 2019

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

5

Figuur 3. Impressie van het plangebied. Linksboven het station Soest Zuid. Rechtsboven het busstation. Linksmidden Japanse duizendknoop in groenstrook tussen perron en busstation. Rechtsmidden bermen langs de N221. Linksonder het kruispunt met de Nieuweweg. Rechtsonder het kruispunt met de Pimpelmees.

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

6

Figuur 4. Impressie van het plangebied. Linksboven de parkeerplaats. Rechtsboven bomenrijen in het stadspark. Links midden de vijver. Rechts midden de bosschages. Linksonder de kruising met Pimpelmees. Rechtsonder een droogstaande watergang/ greppel door de bosschages.

2.2 Uitgevoerde aanpassing Gemeente Soest is voornemens een herinrichting te realiseren in stationsomgeving Soest Zuid. De plannen bestaan uit aanpassingen bij het busstation, uitbreiding van de P+R, een rijstrook bij de kruising met de Nieuweweg en van de kruising met de Pimpelmees een rotonde te realiseren (Figuur 5). Het merendeel van de bomen blijft gehandhaafd, al zullen er een aantal voor deze ontwikkeling moeten worden verwijderd. De exacte planning is nog niet bekend.

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

7

Figuur 5. Voorgenomen verkeersplannen. Bron: Gemeente Soest, 2019.

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

8

3 Natuurwetgeving en -beleid 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen bij ruimtelijke ingrepen op een beperkt aantal terreinen is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het onderzoeksgebied.

3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk de nesten van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk het geval blijkt te zijn, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen onderzoeksgebied De bescherming van soorten is overal en altijd van toepassing bij ontwikkelingen. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

9

een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Gevolgen onderzoeksgebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: In de omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Op circa 9,5 kilometer afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied genaamd ‘Arkemheen’, op circa 10,5 kilometer afstand het natuurgebied Oostelijke Vechtplassen. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden met infrastructuur en bebouwing en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Een AERIUS berekening geeft de uitstoot en depositie van stikstof weer als gevolg van de werkzaamheden, en te bepalen wat de gevolgen daarvan zijn op het nabijgelegen Natura 2000gebied.

Gezien de nieuwe functie van het plangebied gelijk is aan de huidige functie en de omvang van gebruik niet tot zeer beperkt zal toenemen, wordt een toename van stikstofdepositie in de gebruiksfase uitgesloten. Middels een AERIUS berekening wordt inzichtelijk gemaakt of sprake is van depositie gedurende de werkzaamheden (aanlegfase). Deze berekening is noodzakelijk voor aanvang van de werkzaamheden.

3.4 Bescherming van houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is gelet op de Wet natuurbescherming niet zomaar toegestaan. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2) • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht. De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om:

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

10

• • • • • •

• •

• • •

houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom: houtopstanden op erven of in tuinen fruitbomen en windschermen om boomgaarden naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar kweekgoed uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen, o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. het dunnen van een houtopstand van: uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode.

De provincie kan een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of er hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Daarnaast geeft de gemeente middels een op te vragen bomenkaart aan welke zij wil beschermen. Gevolgen onderzoeksgebied Het plangebied ligt binnen de grenzen van de bebouwde kom boswet waardoor de bescherming van houtopstanden onder de Wet natuurbescherming niet van toepassing is en een nadere toetsing niet noodzakelijk is. Voor het kappen van de bomen geldt gemeentelijk beleid. De bomen betreffen beschermde bomen, weergegeven in de bomenkaart aangegeven als boomstructuren park en lanen. Voor de kap is een vergunning nodig. (Gemeente Soest, 2019)

3.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

11

Het netwerk faciliteert het beter verbinden van natuurgebieden - met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het NNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een NNN-toetsing uit te voeren. Gevolgen onderzoeksgebied Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Het plangebied ligt op circa 1,4 kilometer van begrensd NNN-gebied. Doordat NNN-gebieden geen externe werking kennen, kunnen met de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN worden uitgesloten. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

12

4 Methode De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.

op

basis

van

bestaande

4.1 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is, indien beschikbaar, gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie. De landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, is gebruikt om na te gaan of nabij het plangebied in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of data van de waarnemingen waren daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) en kunnen daardoor betrekking hebben op waarnemingen buiten het onderzoeksgebied. De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerder onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database.

4.2 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het plangebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is uitgevoerd door Mariëlle Oomen, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Bij het onderzoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Luxon 12x50) en een vissteeknet. Het veldbezoek is overdag uitgevoerd op 26 november 2019 bij 11°C, zwaarbewolkt en windkracht 1 Bft. Het betreft een deskundigenoordeel gebaseerd op de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn ook de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Kader – ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

-

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

-

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

13

5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Planten Voorkomen en functie In de vijver is een uitbundige plantengroei van de exoot parelvederkruid. Langs de oever staan soorten als riet, lisdodde, gele lis en pitrus. De bosschages bestaan voornamelijk uit wintereiken met een ondergroei van bramen en klimop. Ook zijn boomsoorten als Amerikaanse eik, beuk en gewone esdoorn aanwezig. De groenstroken in het park en de bermen langs het station en de wegen bestaan uit soorten zoals: grijskruid, boerenwormkruid, duizendblad, smalle weegbree, algemene distels, geraniums, boterbloemen en grassoorten. Daarnaast is ook de exoot Japanse duizendknoop aangetroffen op diverse plekken in het plangebied. Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Bekent is dat wilde Marjolein in het plangebied voorkomt. Deze soort is onder de Wet natuurbescherming niet meer beschermd. Gezien de periode van het jaar worden beschermde soorten nu ook niet verwacht. Op grond van een deskundigenoordeel is een biotoopanalyse uitgevoerd met betrekking tot de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het onderzoeksgebied. De aangetroffen plantsoorten zijn kenmerkend voor een voedselrijke bodem. Gelet op de aanwezige habitat, het huidige beheer van de bermen, parkeerplaats en groenstroken en de functie van het plangebied worden beschermde plantensoorten binnen de grenzen van het plangebied uitgesloten.

Effecten en ontheffing Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen tijdens het veldbezoek en kunnen op basis van de biotoopanalyse worden uitgesloten. Ook zijn er geen gegevens van beschermde planten in of in de omgeving van het plangebied bekend uit verspreidingsatlassen. Derhalve zijn negatieve effecten op beschermde plantsoorten uit te sluiten, en is een nader onderzoek of ontheffing Wet natuurbescherming niet aan de orde. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

14

5.2 Zoogdieren 5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens de veldbezoeken beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en mogelijk ook watervleermuis of franjestaart in de bossen. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen. Zie ook kader - vleermuisverblijfplaatsen Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats • zomerverblijfplaats • paar- en/of baltsverblijfplaats • winterverblijfplaats Kader - vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. De gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouwbewonend. De rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boombewonend en de ruige dwergvleermuis bewoont zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen.

Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

De enkele bebouwing in het plangebied bestaat uit een overkapping/ stalling voor fietsen nabij de parkeerplaats en klein gebouw op het perron waar reizigers kunnen schuilen. Door de grote hoeveelheid glas en het ontbreken van geschikte holten en kieren (bijvoorbeeld spouwmuren met open stootvoegen) zijn deze ongeschikt voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Tijdens het veldbezoek is onderzocht welke bomen geschikte holtes en kieren hebben waar boombewonende vleermuizen gebruik van kunnen maken voor hun verblijfplaats. Daarbij is met name gelet op bomen die in de werkgrens staan en zullen worden gekapt. Deze bomen zijn alleen aangetroffen bij de kruising waar extra rijstroken worden aangebracht, kruising Koningsweg met Nieuweweg. Daar staan zowel aan de noord- als de zuidzijde drie bomen met geschikte holten voor vleermuizen. De holten zijn klein en geschikt als zomer- of paarverblijf. Er is onvoldoende ruimte en buffer aanwezig om te dienen als kraamverblijf.

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

15

Andere bomen in het park en in de bosschages bieden eveneens geschikte holten met potentiële verblijfplaatsen aan boombewonende vleermuizen. Deze bomen blijven echter behouden evenals de bomen daar direct omheen. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied en de omgeving zijn geschikt als foerageergebied, onder meer omdat insecten worden aangetrokken tot de vijver en de beschutting van de bomenrijen en bosschages. Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen, zoals boomrijen en watergangen, welke als vliegroute kunnen dienen. De bomenlanen in het plangebied bieden door de grootte en lijnvormige structuur een geschikte (potentiële) vliegroute. Zie ook kader – foerageergebieden en vliegroutes. Deze lijnvormige bomenrijen bieden potentiele vliegroutes in het plangebied. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen.

Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Plaatselijke factoren met betrekking tot vleermuizen: • Verblijfplaatsen mogelijk aanwezig in bomen Binnen het plangebied staan bomen met holtes en kieren die als potentieel verblijf kunnen fungeren voor vleermuizen. Drie bomen daarvan staan in de werkgrens bij de kruising met de Nieuweweg. Nader onderzoek is noodzakelijk om aan te tonen dan wel uit te sluiten of en zo ja, welke functie de bomen hebben voor vleermuizen. • Verblijfplaatsen afwezig in gebouwen De aanwezige gebouwen zijn ongeschikt voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Er worden geen werkzaamheden verricht aan de gebouwen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen worden uitgesloten.

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

16

• Foerageergebied niet essentieel In het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen aanwezig. Er is geen sprake van essentieel foerageergebied, doordat er voldoende alternatieve gebieden aanwezig zijn ten zuiden van het plangebied als de Lange Duinen en de ingrepen beperkt zijn waardoor geschikt foerageergebied blijft behouden. • Vliegroute niet essentieel De bomenrijen zijn lijnvormige elementen die door vleermuizen kunnen worden gebruikt als vliegroute. Deze bomenrijen zijn potentiele vliegroutes die op voor hand niet uit gesloten kunnen worden. Echter, door het aanwezige groen in lijnvormig structuren dat blijft behouden in en direct rondom het plangebied, betreft het geen essentiële vliegroute. In het kader van de zorgplicht wordt aanbevolen rekening te houden met de nieuwe verlichting. Met het voorkomen van licht verstrooiing en gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting, wordt het gebied meer geschikt als vliegroute en foerageergebied. Zie ook kader verlichting. Kader – Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis.

Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.

Er dient te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te beperken en directe belichting van de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden:

-

verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is

-

beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur

-

geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes

verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting) verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen en waterlopen onverlicht blijven gebruik maken van vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurige LED-verlichting)

Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

17

Conclusie: Nader onderzoek is voor vleermuizen noodzakelijk om de functie van het plangebied voor vleermuizen na te gaan. Indien nieuwe verlichting wordt geplaatst, wordt aanbevolen rekening te houden met vleermuizen.

5.2.2 Grondgebonden zoogdieren Voorkomen en functie Op basis van de aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: egel, mol en diverse algemene muizen, allen soorten die het plangebied kunnen benutten als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime “andere soorten”. In de provincie Utrecht is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt zijn bijvoorbeeld boommarter, eekhoorn en das. Volgens de recente verspreidingsgegevens komen de genoemde soorten in de omgeving van het plangebied voor. Tijdens het veldbezoek zijn er geen dassenburchten of eekhoornnesten aangetroffen. In het plangebied is een boom met een grotere holte dat een potentieel verblijfplaats kan zijn voor een marterachtige (Figuur 6).

Figuur 6. Boom in plangebied met potentiële holte voor (boom)marter (groene ruit). Bron kaart: Esri, 2019

Effecten en ontheffing De voorgenomen werkzaamheden zullen leiden tot een (tijdelijk) verlies van leefgebied van genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime andere soorten. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Utrecht een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Voor overige beschermde soorten zonder vrijstelling zoals eekhoorn en das geldt dat negatieve effecten zijn uit te sluiten; nesten en burchten zijn niet aanwezig in het plangebied. De soorten kunnen het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied, al is geen sprake van een essentieel onderdeel. Er zijn geen lijnvormige structuren die belangrijke groengebieden verbinden, veel bomen blijven behouden en het plangebied is na de herinrichting weer geschikt als (onderdeel van het) foerageergebied.

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

18

Voor de beschermde boommarter is een potentieel verblijf aangetroffen in een boom. Echter, deze is gelegen buiten de werkgrens en op ruime afstand van de werkzaamheden. De boom blijft dan ook behouden. Negatieve effecten op een eventuele nestlocatie zijn uit te sluiten. Conclusie: nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk.

5.3 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid kan gemaakt worden tussen broedvogels en vogels met jaarrond beschermde nesten. Vogels met jaarrond beschermde nesten komen elk jaar terug bij hun nest. Deze nesten mogen dan ook niet buiten het broedseizoen verwijderd worden. Broedvogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bos, struwelen en parken. Onder andere vinken, koolmees, ekster, houtduif, merel, roodborst, grote bonte specht en wilde eend kunnen gebruik maken van het plangebied. Vogels met jaarrond beschermde nesten Van vogelsoorten die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruik maken zijn horsten in bomen in het plangebied van bijvoorbeeld buizerd zijn niet aangetroffen. Wel is het mogelijk dat vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals buizerd en sperwer, het plangebied gebruiken als onderdeel van hun foerageergebied. Jaarrond beschermde nesten van ransuil zijn in het plangebied niet uit te sluiten. Dit doordat in een deel van de bosschages de bomen met klimop zijn begroeid, die zeer geschikte nestgelegenheden bieden voor ransuil. Huismussen en gierzwaluwen maken voor hun nestlocatie doorgaans gebruik van bebouwing met dakpannen. Deze gebouwen zijn in het plangebied afwezig.

Effecten en ontheffing Broedvogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van eieren en/of nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Deze verbodsbepalingen kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

19

vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Tijdens het veldbezoek zijn in de bosschages potentiele plekken voor jaarrond beschermde nesten aangetroffen van ransuil. Echter, deze bosschages zijn gelegen buiten de werkgrens en op ruime afstand van de werkzaamheden. Desbetreffende bomen blijven dan ook behouden waardoor geen sprake is van negatieve effecten. Andere jaarrond beschermde nesten zijn niet aangetroffen. Nader onderzoek naar jaarrond beschermde nesten is niet nodig. Conclusie: nader onderzoek naar vogels met jaarrond beschermde nesten is niet noodzakelijk Bij de aanvang van en tijdens de werkzaamheden moet rekening worden gehouden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels en de jongen die nog in het gebied kunnen voorkomen. Ook is de zorgplicht te allen tijde van kracht.

5.4 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen, zoals gladde slang en zandhagedis, zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt een dergelijke geschikt biotoop, zoals heideterreinen, open zandvlakten, venranden en goed ontwikkelde watergangen. De ringslang, levendbarende hagedis, hazelworm en zandhagedis komen in de ruimere omgeving voor, vooral in het natuurgebied de Lange Duinen en in Lage Vuursche. Voor de ringslang ontbreken broeihopen die zij kunnen gebruiken voor de afzet van eieren. Ook voor de zandhagedis zijn er geen geschikte voortplantingsplekken door de afwezigheid van open zand. Hazelworm en levendbarende hagedis kunnen worden uitgesloten door de vele drukke wegen, grote mate aan verharding door aanwezige bebouwing en de verstoring door verkeer en personen. Effecten en ontheffing In het plangebied biedt geen biotoop die geschikt is voor beschermde reptielen. Ook zijn geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde reptielen in of in de zeer directe omgeving van het plangebied. Door het ontbreken van voortplantingsplekken als broeihopen en open zand kunnen essentiële leefgebieden voor beschermde reptielen worden uitgesloten. Op basis van deze kenmerken kunnen beschermde reptielen en negatieve effecten daarop worden uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde.

Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor reptielen niet noodzakelijk.

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

20

5.5 Amfibieën Voorkomen en functie Een aantal soorten zoals bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als land- en voortplantingsbiotoop. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime “andere soorten”. In de provincie Utrecht is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Andere beschermde amfibieën zoals kamsalamander, heikikker of rugstreeppad worden uitgesloten in het plangebied vanwege het ontbreken van een geschikte habitat voor deze soorten. Zo zijn in de vijver vissen aanwezig waardoor deze niet geschikt is als voortplantingswater van de beschermde kamsalamander. Ook is geen goed vergraafbare grond, waar de rugstreeppad zich ophoudt, aanwezig in het plangebied. Daarnaast zijn er veel verharde wegen (ook in het park) en woningen, en is er een grote mate van verstoring door verkeer en personen. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën in of in de directe omgeving van het plangebied. Effecten en ontheffing De werkzaamheden zullen leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime “andere soorten”.

In de provincie Utrecht is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. In het plangebied is in de huidige situatie geen geschikt biotoop aanwezig voor beschermde amfibieën zoals heikikker of rugstreeppad en worden beschermde reptielen dan ook uitgesloten. Ook zijn geen waarnemingen van beschermde amfibieën bekend. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met algemeen voorkomende amfibieën die in de watergang en op de groenstroken kunnen voorkomen, die van het plangebied gebruik kunnen maken als landbiotoop. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor beschermde amfibieën niet noodzakelijk.

5.6 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied ligt een vijver met een uitbundige groei van de exoot parelvederkruid. Hierdoor en door het ontbreken van watergangen met verlandingsprocessen en een goed ontwikkelde inheemse waterplantengroei, biedt het plangebied geen geschikte biotoop voor beschermde vissoorten zoals de grote modderkruiper. De vijver is wel geschikt voor algemene vissoorten zoals tiendoornige stekelbaars. Echter, er worden geen werkzaamheden verricht aan de vijver.

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

21

Effecten en ontheffing Er worden geen werkzaamheden verricht aan de vijver, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten op vissoorten. Daarnaast is geen geschikt biotoop aanwezig voor beschermde vissoorten. Indien wel werkzaamheden worden verricht aan de vijver, wordt aanbevolen onderstaande maatregelen te nemen. Maatregelen Om verstoring op vissoorten te voorkomen, wordt aanbevolen eventuele werkzaamheden aan de vijver uit te voeren in de voor vissen meest gunstige periode: bij voorkeur in de periode van 15 juli tot 1 november, waarbij september en oktober de voorkeur hebben. Dit is buiten het voortplantingsseizoen en de winterrust van vissensoorten. Bij de uitvoering moet één kant op worden gewerkt zodat vissen de gelegenheid hebben te vluchten. Is dit niet mogelijk, dan is het in het kader van de zorgplicht noodzakelijk de vissen in de vijver eerst af te vangen en in vergelijkbaar water in de buurt over te hevelen. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor beschermde vissen niet noodzakelijk. Indien werkzaamheden aan de vijver worden uitgevoerd, wordt in het kader van de zorgplicht aanbevolen maatregelen te nemen met betrekking tot vissen.

5.7 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) is voor beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel en platte schijfhoorn geen geschikt biotoop aanwezig in het plangebied dat onder andere bestaat uit heideterreinen, poelen, goed ontwikkelde watergangen en venranden. De exoten in de vijver bieden geen geschikte biotoop voor beschermde ongewervelden. Ook zijn er geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en rondom het onderzoeksgebied. Effecten en ontheffing Door het ontbreken van geschikte biotoop in het plangebied kunnen beschermde ongewervelden worden uitgesloten. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

22

6 Conclusie Op basis van deze quickscan worden de onderstaande conclusies getrokken.

6.1 Bescherming soorten De voorgenomen werkzaamheden om bomen te kappen en groenstroken te verwijderen voor herontwikkeling van het verkeersplan zal leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. Hiervoor zijn door de provincie Utrecht vrijstellingen van de ontheffingsplicht opgesteld. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten, omdat er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling van ontheffingsplicht indien het een ruimtelijke ontwikkeling betreft. Nader onderzoek naar deze overig beschermde soorten (algemeen voorkomende amfibieën en zoogdieren) of een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. Nader onderzoek naar vleermuizen is noodzakelijk. Er dient in het kader van de zorgplicht rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. De zorgplicht moet ook in acht genomen worden voor vissen als er werkzaamheden plaatsvinden aan de watergang. Dit wordt onderstaand nader toegelicht.

6.1.1 Nader onderzoek naar vleermuizen Naar aanleiding van deze toetsing kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen niet worden uitgesloten. Op basis daarvan is nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk. Dit onderzoek moet voor de start van de werkzaamheden worden uitgevoerd. Bij de uitvoering van vleermuisonderzoek wordt gewerkt conform het vigerende ‘Vleermuisprotocol’ (2017) dat door het Ministerie van Economische Zaken is goedgekeurd en wordt gehanteerd door het Netwerk Groene Bureaus. Het vleermuisonderzoek kan slechts in een beperkte periode van het jaar worden uitgevoerd. Het onderzoek voor dit plangebied in deze toetsing bestaan uit: 2 bezoeken tussen 15 april - 15 juli 2 bezoeken tussen 15 augustus en 1 oktober Tussen de bezoeken zit in de regel 20 tot 30 dagen. Het onderzoek kan in april 2020 worden gestart. Afhankelijk van wat wordt aangetroffen bij het nader onderzoek kan dit consequenties hebben voor de planning en wijze van de uitvoering van werkzaamheden. Daarnaast kunnen zogenaamde compenserende en mitigerende maatregelen nodig zijn of een ontheffing.

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

23

6.1.2 Rekening houden met vogels Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen1 mogen worden uitgevoerd. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen bezette nesten worden verstoord.

6.1.3 Zorgplicht bij eventuele werkzaamheden watergangen Indien werkzaamheden aan de vijver wordt verricht, wordt in het kader van de zorgplicht aanbevolen maatregelen te nemen met betrekking tot vissen en deze maatregelen.

6.2 Bescherming gebieden Niet- stikstof gerelateerde effecten In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof gerelateerde effecten Een AERIUS berekening geeft de uitstoot en depositie van stikstof weer als gevolg van de werkzaamheden, en te bepalen wat de gevolgen daarvan zijn op het nabijgelegen Natura 2000gebied. Gezien de nieuwe functie van het plangebied gelijk is aan de huidige functie en de omvang van gebruik niet tot zeer beperkt zal toenemen, wordt een toename van stikstofdepositie in de gebruiksfase uitgesloten. Middels een AERIUS berekening wordt inzichtelijk gemaakt of sprake is van depositie gedurende de werkzaamheden (aanlegfase). Deze berekening is noodzakelijk voor aanvang van de werkzaamheden.

6.3 Bescherming houtopstanden Het plangebied ligt binnen de grenzen van de bebouwde kom boswet waardoor de bescherming van houtopstanden onder de Wet natuurbescherming niet van toepassing is en een nadere toetsing niet noodzakelijk is. Wel geldt gemeentelijk beleid.

6.4 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN- gebied. Een toetsing aan het NNN- beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

1

In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

24

6.5 Geldigheid onderzoek Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest Definitief

25

Literatuurlijst • • • • •

• •

Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers. Gemeente Soest (2019) Bomenkaart Koninklijke Vermande (1999-2009). Planten en dieren, Flora- en faunawet, band 1, 2, 3 , 4 en 5. SDU Uitgeverij, Den Haag Limpens, H. , K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij. Limpens, H., P. Twisk & G. Veenbaas (2004). Met vleermuizen overweg. Brochure over vleermuizen en de wijze waarop bij planning, aanleg, reconstructie en beheer van wegen praktische invullingen kan worden gegeven aan de wettelijke zorgplicht voor vleermuizen. Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft / Zoogdiervereniging, Arnhem. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. Weeda, R., Westra, C., Westra, E. J., & Westra, T. (1985-1994). Nederlandse oecologische flora: Wilde planten en hun relaties 1 t/m 5. Amsterdam, Nederland: IVN in samenw. met de Vara en de VEWIN.

Soortinformatie: • www.zoogdiervereniging.nl • www.ravon.nl • www.sovon.nl • www.anemoon.org • www.floron.nl • www.verspreidingsatlas.nl Provincie Utrecht, Natura 2000-gebieden en NNN: - https://ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl/NL.IMRO.9926.SV1612PRSVA01?s=SADvnb5UAX5MSvGAzEEcdgQig9AD-_wADELCAAQTw_x8 - https://webkaart.provincieutrecht.nl/viewer/app/Webkaart?bookmark=b86d8df9947f4c568d8f613ce2354f88 - https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/default.aspx?main=natura2000

www.eelerwoude.nl

Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 2. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • Een vrijstelling geldt; • Er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • Een ontheffing is verkregen.

2 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de

bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern

www.eelerwoude.nl

Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. De afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. De ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de

www.eelerwoude.nl

hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.

Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort.

Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. 2.

De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.

www.eelerwoude.nl

Kader - Staat van instandhouding •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

•

Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

•

Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.

Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies.

www.eelerwoude.nl

Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

•

in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

•

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

•

ter bescherming van flora en fauna;

•

voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;

•

om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=bab706e1-0ced-4bc1-90cd-3541a8f5c4d3