4c3 10 Bijlage 9 Nader onderzoek vleermuizen.pdf
Tekst van het document
Nader onderzoek vleermuizen Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid
Opdrachtgever: Gemeente Soest T.a.v. De heer W. de Jong Postbus 2000 3760 CA Soest
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
200133 19-10-2020 I. van Dijk I. van Dijk M. Hoofd Concept 1
© 2020 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave 1
Inleiding ...................................................................................................................................................... 4
1.1
Aanleiding ............................................................................................................................................... 4
2
Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 5
2.1
Huidige situatie ....................................................................................................................................... 5
2.2
Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................................... 7
3
Natuurwetgeving ........................................................................................................................................ 9
3.1
Inleiding .................................................................................................................................................. 9
3.2
Bescherming van soorten ....................................................................................................................... 9
4
Methode ................................................................................................................................................... 10
4.1
Bureauonderzoek ................................................................................................................................. 10
4.2
Veldonderzoek ...................................................................................................................................... 10
5
Beschermde soorten ................................................................................................................................. 12
5.1
Vleermuizen .......................................................................................................................................... 12
5.1.1
Voorkomen en functie ................................................................................................................. 12
5.1.2
Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 16
5.1.3
Te nemen maatregelen bij kappen abeel .................................................................................... 17
5.1.4
Kader zorgplicht: aanbevolen maatregelen ................................................................................. 17
5.2
Overige beschermde soorten ............................................................................................................... 18
5.2.1
Voorkomen en functie ................................................................................................................. 18
5.2.2
Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 18
6
Conclusie ................................................................................................................................................... 20
6.1
Soortenbescherming ............................................................................................................................ 20
6.1.1
Rosse vleermuis: geen ontheffing nodig bij behouden grote abeel ............................................ 20
6.1.2
Rosse vleermuis: ontheffing nodig bij kappen grote abeel.......................................................... 20
6.1.3
Kader zorgplicht: aanbevolen maatregelen ................................................................................. 20
6.2
Indien ontheffing noodzakelijk ............................................................................................................. 20
6.3
Geldigheid onderzoek ........................................................................................................................... 21
Bijlage 1 Wettelijk kader Natuurwetgeving ........................................................................................................... 23 Bijlage 2 Opbreekkaarten ....................................................................................................................................... 28 Bijlage 3 Soortenkaarten ........................................................................................................................................ 34
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 3
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Gemeente Soest is voornemens de omgeving van Station Soest Zuid te herinrichten (Afbeelding 1). In verband met deze plannen is er reeds een toetsing uitgevoerd aan de natuurwetgeving en aan het natuurbeleid. Uit deze toetsing kwam naar voren dat nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk was omdat tijdens de uitgevoerde quickscan potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen, zijn aangetroffen. Nader, gericht veldonderzoek is uitgevoerd om aan te tonen, dan wel uit te sluiten dat aanwezige bomen een functie hebben als verblijfplaats voor beschermde soorten. Duidelijk is geworden om welke soort(en) en aantallen het gaat en wat de eventuele functie van bomen is voor deze soort(en). Uit het onderzoek komt naar voren of de voorgenomen ontwikkelingen consequenties hebben voor de aanwezige beschermde natuurwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.
Afbeelding 1. Globale ligging van het plangebied (rode cirkel) stationsomgeving Soest Zuid. Bron: Esri, 2020.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 4
2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt in stationsomgeving van Soest Zuid te Soest, gemeente Soest in de provincie Utrecht. Het plangebied bestaat uit een aantal onderdelen: Station Soest Zuid, de parkeerplaats, het kruispunt met de Nieuweweg en het kruispunt met de Pimpelmees (Afbeelding 2). Binnen het plangebied liggen groenstroken in de vorm van bermen tussen de wegen en langs het perron van het station. Het plangebied wordt verlicht door lantarenpalen. Ten noorden van de parkeerplaats is (buiten het plangebied) een stadspark met een vijver, bomenrijen, bosschages en wandelpaden aanwezig. De directe omgeving is stedelijk. In de ruimere omgeving liggen sport- en speelvelden en het natuurgebied “de Lange Duinen”. Zie Afbeelding 3 en Afbeelding 4 voor een impressie van het plangebied.
Afbeelding 2. De begrenzing van het plangebied verkeersplein stationsomgeving Soest Zuid. Bron: Esri, 2020.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 5
Afbeelding 3. Impressie van het plangebied. Linksboven het station Soest Zuid. Rechtsboven het busstation. Links midden Japanse duizendknoop in groenstrook tussen perron en busstation. Rechtsmidden bermen langs de Koningsweg. Linksonder het kruispunt met de Nieuweweg. Rechtsonder het kruispunt met de Pimpelmees.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 6
Afbeelding 4. Impressie van het plangebied. Linksboven de parkeerplaats. Rechtsboven bomenrijen in het stadspark. Linksmidden de vijver. Rechts midden de bosschages. Linksonder de kruising met Pimpelmees. Rechtsonder een droogstaande watergang door de bosschages.
2.2 Voorgenomen ontwikkeling Gemeente Soest is voornemens de omgeving van Station Soest Zuid te herinrichten. De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit onder andere: kapwerkzaamheden bij het busstation, uitbreiding van de P+R, het realiseren van en extra rijstrook bij de kruising Koningsweg met de Nieuweweg en het realiseren van een rotonde bij de kruising Koningsweg met de Pimpelmees (Afbeelding 5). Het merendeel van de bomen blijft gehandhaafd, al zullen er een aantal voor deze ontwikkeling moeten worden verwijderd. Bijlage 2 geeft de te verwijderen bomen weer. De aangewezen bomen kunnen nog worden aangepast. Er worden geen werkzaamheden verricht aan de vijver in het bos ten noorden van de P&R. De exacte planning is nog niet bekend.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 7
Afbeelding 5. Voorgenomen verkeersplannen. Bron: Gemeente Soest, 2019.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 8
3 Natuurwetgeving 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied; de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming.
3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De Wet natuurbescherming in een nationale wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 9
4 Methode De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van een verkenning van bestaande inventarisatiegegevens en gericht onderzoek naar vleermuizen.
4.1 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en indien beschikbaar regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna. • Uit de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, moet blijken of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer), en veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. • De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database. Zie de literatuurlijst voor een totale lijst van de geraadpleegde bronnen.
4.2 Veldonderzoek Op basis van vier veldbezoeken is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen en de functionele leefomgeving van vleermuizen. De onderzoeken zijn uitgevoerd door M. Oomen en I. van Dijk. Betreffende personen zijn ecologische adviseur en werkzaam bij Eelerwoude (zie kader – ecologisch deskundige). In tabel 1 zijn de onderzoekdata weergegeven. Hierbij zijn tevens de onderzoekers, starttijd en weersomstandigheden genoteerd. Kader - Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
-
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
-
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 10
Tabel 1. Type onderzoek, datum, start- en eindtijd, onderzoeker(s) en de weersomstandigheden genoteerd per veldbezoek. Datum
Type onderzoek
Start –eindtijd
Onderzoeker
Weersomstandigheden
28 mei 2020
Kraamonderzoek vleermuizen
21.30 - 23.30
M. Oomen I. van Dijk
15 °C, droog, licht bewolkt, windkracht 2 Bft
9 juli 2020
Kraamonderzoek vleermuizen
21.45 - 23.50
M. Oomen I. van Dijk
17 °C, miezer, betrokken, windkracht 2 Bft
12 augustus 2020
Baltsonderzoek vleermuizen
21.55 - 00.15
I. van Dijk
25 °C, droog, half bewolkt, windkracht 1 Bft
15 september 2020
Baltsonderzoek vleermuizen
21.10 - 22.55
I. van Dijk
22 °C, droog, half bewolkt, windkracht 1 Bft
Zon onder: 21.46
Zon onder: 21.58
Zon onder: 22.09
Zon onder: 19.50
Vleermuizen Bij de uitvoering van het vleermuisonderzoek is gewerkt conform het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties’ dat in januari 2017 is geëvalueerd door deskundigen van het Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het protocol is daarmee aangepast naar de meest recente wetenschappelijke inzichten. Het vleermuisonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van de soortensamenstelling, de aantallen, de gebruiksfunctie van het gebied en het vaststellen van verblijfplaatsen (kraamverblijven, winterverblijfplaatsen, zomerverblijven etc.), vliegroutes en foerageergebieden. Het onderzoek heeft zich geconcentreerd op de aanwezigheid van zomer- en paarverblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen, met name rondom de kruising Koningsweg met Nieuweweg vanwege de geschiktheid (leeftijd, omvang en gezondheid) van deze bomen om gebruikt te worden als verblijfplaats. Kraam- en winterverblijfplaatsen werden niet verwacht vanwege de beperkte diameter, en daarmee het beperkte bufferende vermogen, van de bomen voor dit type verblijfplaatsen. Uiteraard is tijdens de veldbezoeken ook aandacht besteed aan eventuele andere beschermde vleermuissoorten binnen het plangebied. Tijdens het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van een batdetector Pettersson D240X in combinatie met een EchoMeter Touch en/of een Pettersson D100.
In totaal zijn vier veldbezoeken uitgevoerd: twee in de kraam-/zomerperiode (15 mei - 15 juli) en twee in de baltsperiode (1 augustus – 15 september). Het kraamonderzoek heeft zich met name gericht op de aanwezigheid van zomerverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens het uitvliegtijdtip van vleermuizen, respectievelijk rond zonsondergang. Het baltsonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van balts- of paarverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens de baltsactiviteit van vleermuizen, vanaf een uur na zonsondergang. Tijdens dit tijdstip is de meeste baltsactiviteit bij vleermuizen waar te nemen. De veldbezoeken hebben plaatsgevonden tijdens voor vleermuizen gunstige weersomstandigheden. Overige beschermde soorten In en rond het plangebied komen mogelijk nog een aantal andere beschermde soorten voor. Voor een groot deel zal het gaan om algemeen voorkomende en vrijgestelde beschermde soorten, maar ook de aanwezigheid van een aantal beschermde (nachtactieve) soorten kan niet op voorhand worden uitgesloten. Hierbij dient gedacht te worden aan bijvoorbeeld boommarter en uilen. Het veldwerk naar de groep van overige soorten is uitgevoerd tijdens de veldbezoeken naar vleermuizen.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 11
5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldonderzoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.1 Vleermuizen 5.1.1 Voorkomen en functie Tijdens het vleermuisonderzoek zijn in het gebied vier soorten vastgesteld; gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Hieronder wordt per soort ingegaan op welke functies het plangebied heeft voor deze soorten. Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is in Nederland de meest algemene vleermuissoort. De soort wordt veelvuldig waargenomen in stedelijk gebied. (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen aangetroffen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij (mogelijk) vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden, mits deze vorstvrij zijn. Ze jagen hoofdzakelijk binnen en straal van 2-5 km van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren en ze jagen in gesloten tot halfopen landschap. Verblijfplaatsen Tijdens het kraamonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijke) zomer- en kraamverblijfplaatsen vastgesteld vanwege het ontbreken van geschikte verblijfplaatsen die zich hoofdzakelijk in bebouwing bevinden.
Tijdens het baltsonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijke) balts-, paaren/of winterverblijfplaatsen vastgesteld vanwege het ontbreken van geschikte verblijfplaatsen die zich in bebouwing bevinden. Foerageergebied Het plangebied is redelijk geschikt als foerageergebied. Tijdens het vleermuisonderzoek is een enkele individuele gewone dwergvleermuis waargenomen bij de kruising tussen de Nieuweweg en Koningsweg, bij de kruising tussen Koningsweg en Pimpelmees, boven de carpool en bij de bushaltes naast het treinstation. Tijdens alle veldbezoeken zijn gewone dwergvleermuizen met name foeragerend waargenomen langs de boomrijen en boven het open veld in het park en boven de vijver, direct ten zuiden van de Koningsweg. Het aantal aanwezige individuen varieerde hier van 5 tot 10 dieren per avond. Vliegroutes Gewone dwergvleermuizen gebruiken lijnvormige elementen zoals de bomenrijen om zich langs te verplaatsen van verblijfplaatsen naar foerageergebieden en weer terug. Dit worden vliegroutes genoemd. Binnen het plangebied wordt de aanwezige beplanting niet als vaste vliegroute gebruikt. Enkele individuele gewone dwergvleermuizen gebruiken enkele bomen wel als een ‘hop over’ om vanuit de bebouwing naar het park, direct grenzend aan de Koningsweg, te vliegen.
Dit geldt met name voor de bomen in de middenberm, ter hoogte van de zebrapaden aan de kruising Nieuweweg met Koningsweg en Koningsweg met Pimpelmees (zie Bijlage 3 Soortenkaarten). De bomenrijen langs de Koningsweg worden niet als essentiële vliegroute gebruikt.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 12
Laatvlieger De laatvlieger komt in Nederland vrij algemeen voor (al laat de soort wel een dalende trend zien). Laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Kraamkolonies komen in Nederland voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Deze bevinden zich in de spouwmuur, achter en onder de (dak)betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. De jachtgebieden liggen in een straal van 1 tot 5 km (zelden meer) rondom de kolonie. Vliegroutes volgen waar mogelijk lijnvormige structuren, maar laatvliegers vliegen bij gunstige weersomstandigheden ook wel grote afstanden door open gebied. Verblijfplaatsen Tijdens het kraamonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijke) zomer- en kraamverblijfplaatsen vastgesteld vanwege het ontbreken van geschikte verblijfplaatsen die zich in bebouwing bevinden. Tijdens het baltsonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijke) balts-, paaren/of winterverblijfplaatsen vastgesteld vanwege het ontbreken van geschikte verblijfplaatsen die zich in bebouwing bevinden.
Foerageergebied en vliegroutes In totaal is tweemaal, op 28 mei 2020 en op 9 juli 2020, een laatvlieger boven het open veld in het park en boven de vijver, ten zuiden van de Koningsweg, waargenomen. Binnen het plangebied zijn geen essentiële foerageergebieden of vliegroutes voor laatvlieger aangetroffen. Rosse vleermuis De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Onder andere solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen en dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. De vlucht van de rosse vleermuis doet enigszins denken aan die van de gierzwaluw: hoog en snel. De afstand tussen dagrustplaats en jachtgebied wordt in de regel in een snelle rechte vlucht afgelegd, op een hoogte van honderd meter of meer. Jachtplaatsen liggen meestal in open terrein, waar met snelle duiken op insecten gejaagd wordt. De rosse vleermuis jaagt vooral boven water en moerassige gebieden en ook wel rondom straatverlichting. Verblijfplaatsen Tijdens het kraamonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijke) zomer- en kraamverblijfplaatsen vastgesteld. Tijdens het baltsonderzoek is binnen de begrenzing van het plangebied één vermoedelijke paarverblijfplaats van rosse vleermuis vastgesteld. Op 15 september 2020 is boven de bushaltes ten oosten van het station een roepende rosse vleermuis waargenomen.
Deze heeft een groot deel van de avond nabij het station en de bomen rondom de fietsenstalling en de bushalte gevlogen. Het dier leek met name binding te hebben met de grote abeel op de hoek tussen de stationstrap en de fietsenstalling, zie Afbeelding 6. Foerageergebied en vliegroutes Tijdens het baltsonderzoek is driemaal een rosse vleermuis waargenomen. Op 28 mei 2020 is een rosse vleermuis foeragerend boven de vijver ten zuiden van de Koningsweg waargenomen. Op 12 augustus 2020 is een rosse vleermuis nabij de drie bomen op de kruising tussen Nieuweweg en Koningsweg waargenomen, deze vloog eenmaal kort over. Op 15 september 2020 is een rosse vleermuis foeragerend waargenomen rondom het station en de bushaltes. Rosse vleermuis maakt doorgaans geen gebruik van lijnvormige elementen als
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 13
vliegroute en jaagt met name in open terreinen. Binnen het plangebied zijn geen essentiële foerageergebieden of vliegroutes voor rosse vleermuis aangetroffen.
Afbeelding 6. Betreffende abeel op de hoek van het station, met vermoedelijk een paarverblijfplaats van rosse vleermuis. Bron: Maps Google, 2020.
Ruige dwergvleermuis De ruige dwergvleermuis kent een sterke seizoenstrek en legt daarbij grote afstanden af. Vanaf augustus/september trekken vooral de dieren uit Midden- en Oost-Europa in Zuidwestelijke richting om onder andere in Nederland te overwinteren. De soort wordt dan ook vaak in Nederland in het najaar gezien, in Nederland zijn slechts enkele kraamverblijfplaats vastgesteld. Uit het buitenland zijn verblijfplaatsen vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, in gebouwen achter betimmeringen, achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Ze gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Als winterverblijf zijn gebouwen (spouwmuur, dakpannen, betimmering), houtstapels, maar ook boomholtes en nest- en vleermuiskasten bekend. Ze jagen tot op 5 á 10 km afstand van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren. Ruige dwergvleermuizen jagen in vooral halfopen bosrijk landschap. Verblijfplaatsen Tijdens het kraamonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijke) zomer- en kraamverblijfplaatsen aangetroffen. Tijdens het baltsonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijke) balts-, paaren/of winterverblijfplaatsen aangetroffen.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 14
Foerageergebied en vliegroutes Tijdens het baltsonderzoek zijn enkele individuele ruige dwergvleermuizen boven het open veld en boven de vijver in het park ten zuiden van de Koningsweg waargenomen. Het aantal varieerden tussen de 2 en 5 dieren per avond. Binnen het plangebied is er geen sprake van essentiële foerageergebieden of vliegroutes die essentieel onderdeel uitmaken van het leefgebied van ruige dwergvleermuis. Hoewel ruige dwergvleermuizen lijnvormige elementen, zoals bomenrijen, als vliegroute kunnen gebruiken om langs te vliegen, wordt de aanwezige beplanting binnen het plangebied niet als vaste vliegroute gebruikt. Kader -Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn boom bewonende soorten aanwezig. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.
Kader – Paarverblijfplaatsen Definitie paar(verblijf)plaats in het vleermuisprotocol 2017: Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.) Een samenhang van waarnemingen kunnen duidelijk maken wat de waarde van een locatie is. Fanatiek roepende mannetjes zijn een belangrijke indicatie voor een paarverblijfplaats in het gebied. Maar wanneer is de roep nou een indicatie voor een paarverblijfplaats of wanneer is het gewoon een sociaal geluid? Om zeker te kunnen aangeven dat het om een baltsroep gaat voor het vaststellen van een paarverblijfplaats moet er gekeken worden naar verschillende factoren: •
aantal roepen; wanneer een vleermuis <5 roept, gaat het om een sociale roep. Wanneer de roep in lange series met regelmatige intervallen > 10 keer wordt uitgestoten gaat het om een baltsroep;
•
vliegstijl; baltsactiviteiten gaan gepaard met vleugelslagen welke onderbroken worden met een glijdende vlucht;
•
valse landingen; baltsende mannetjes worden vaak herhaaldelijk aanvliegend waargenomen bij bepaalde plaatsen op de muur, dit vaak in de hoeken van een gebouw of onder uitstekende delen van de wand;
•
aantal uren na en voor zonsondergang en -opgang; baltsactiviteiten worden opgebouwd tot 4 uur na zonsondergang (met een piek in het 4e uur) en 4 uur voor zonsopkomst (piek op het 3e uur), om middernacht nemen de baltsactiviteiten iets af;
•
tijd van het jaar; van juli tot augustus is er weinig baltsactiviteit in de eerste uren na zonsondergang, van augustus t/m oktober beginnen de baltsactiviteiten steeds vroeger op de avond;
•
temperatuur en weersomstandigheden; bij hogere temperatuur in de avond zijn er meer baltsactiviteiten, bij heftige regen zijn er geen baltsactiviteiten aanwezig, andere weers- omstandigheden hebben geen invloed op de baltsactiviteiten.
Voordeel van het inventariseren tijdens de baltspiek is dat er makkelijk vastgesteld kan worden wat de territoriumgrenzen van het mannetje zijn, deze kunnen voor gewone dwergvleermuis circa 1,2 tot 10 ha groot zijn. Met deze gegevens kan de dichtheid van de paarplaatsen bepaald worden. Daarnaast is er een voordeel dat ook de aangrenzende gebieden makkelijk beoordeeld kunnen worden en of deze binnen het territorium vallen. Informatie over het territorium is belangrijk wanneer er in het plangebied een paarverblijfplaats wordt aangetroffen. Aan de hand van de informatie over de territoria in de omgeving kan aangegeven worden of er voldoende alternatieve in de omgeving aanwezig zijn. Want ook in de paartijd verhuizen mannetjes regelmatig binnen hun territorium.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 15
5.1.2 Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Verblijfplaatsen Tijdens het vleermuisonderzoek is één vermoedelijke paarverblijfplaats van rosse vleermuis aangetroffen, bij de grote abeel bij het station. Volgens de meest recente opbreekkaart Blad 4 van d.d. 17 september 2020 (Bijlage 2 Opbreekkaarten) wordt de betreffende abeel niet gekapt en blijft deze behouden. De voorgenomen ontwikkeling bij et station en de bushaltes zijn beperkt, waardoor negatieve effecten op de verblijfplaats niet worden verwacht Met de ontwikkeling kunnen daardoor negatieve effecten op de rosse vleermuis en zijn verblijfplaats worden uitgesloten. Indien in een latere fase van de planontwikkeling wordt besloten de betreffende abeel toch te kappen, kunnen negatieve effecten (beschadigen en/of vernietigen) van de verblijfplaats van rosse vleermuis niet worden uitgesloten. Verblijfplaatsen van rosse vleermuizen zijn beschermd in de Wet natuurbescherming.
Het beschadigen of vernielen van deze zijn dan ook verboden (artikel 3.5 lid 4). Om de kap van de abeel te kunnen uitvoeren is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In de nieuwe de situatie is het noodzakelijk dat er alternatieve verblijfplaatsen voor rosse vleermuis aanwezig zijn. Daarnaast zijn dan ook aanvullende maatregelen noodzakelijk om negatieve effecten te voorkomen of te beperken en om ten alle tijden een verblijfplaats aan te bieden. Deze maatregelen worden in paragaaf 5.1.3 verder toegelicht. Foerageergebied Tijdens alle veldbezoeken zijn name in het park (bij de bomenrijen, het open veld en de vijver) foeragerende gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis waargenomen. De aangetroffen foerageergebieden zijn met name in de directe omgeving van het plangebied vastgesteld. Binnen het plangebied zijn geen essentiële foerageergebieden vastgesteld. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking tot de Koningsweg, twee kruisingen en het station. De omgeving van het plangebied, zoals het park, blijft behouden, waardoor voldoende alternatief leefgebied behouden blijft. Met de ontwikkeling kunnen negatieve effecten op de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis daardoor worden uitgesloten. Zie ook het kader over foerageergebieden en vliegroutes op de volgende pagina.
Vliegroutes Binnen het plangebied zijn geen essentiële vliegroutes voor vleermuizen aangetroffen. Wel gebruiken enkele individuele gewone dwergvleermuizen de bomen bij de zebrapaden aan de kruising Nieuweweg en Koningsweg en Koningsweg met Pimpelmees als ‘hop over’ tussen de bebouwing aan de noord- en westkant van de Koningsweg en het park aan de zuidkant van de Koningsweg. Volgens de meest recente opbreekkaarten Blad 1 en Blad 2 van d.d. 17 september 2020 (Bijlage 2 Opbreekkaarten) worden deze bomen verwijderd. In de omgeving blijven voldoende alternatieve vliegroutes en ‘hop overs’ voor gewone dwergvleermuis beschikbaar om vanuit de bebouwing naar het park te vliegen. Met de ontwikkeling worden daarom negatieve effecten op de gewone dwergvleermuis niet verwacht. Wel wordt, in het kader van de zorgplicht, aanbevolen nabij de kruising Nieuweweg met Koningsweg enkele maatregelen te treffen waardoor gewone dwergvleermuis de kruising ook in de toekomstige situatie als ‘hop over’ goed kan blijven gebruiken. Deze worden in paragraaf 5.1.4 verder toegelicht.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 16
Conclusie: Indien de grote abeel nabij het station gekapt wordt, is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor rosse vleermuis noodzakelijk. Daarnaast worden in het kader van de zorgplicht enkele aanvullende maatregelen geadviseerd. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
5.1.3 Te nemen maatregelen bij kappen abeel Indien de grote abeel nabij het station wordt gekapt dient een ontheffing te worden aangevraagd en zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk om negatieve effecten op de rosse vleermuis zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Te nemen maatregelen op hoofdlijnen: • plaatsen van vleermuiskasten voor rosse vleermuis voorafgaand aan de werkzaamheden (doorgaans eist de provincie dat per te vernietigen verblijfplaats vier vervangende verblijfplaatsen worden gerealiseerd); • werken buiten de kwetsbare periode van de soort. In deze situatie betreft dit het gebruik van de paarverblijfplaats. De paarperiode loopt globaal van half maart tot half april en van half augustus tot en met eind september; • voorafgaand aan de kap een check door een ecologisch deskundige; • nieuwe verblijfplaatsen creëren in de toekomstige situatie; • begeleiding tijdens de werkzaamheden.
5.1.4 Kader zorgplicht: aanbevolen maatregelen In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd rekening te houden met verlichting. Het verplaatsen of wijzigen van verlichting kan invloed hebben op verblijfplaatsen en vliegroutes. Aanbevolen wordt zowel in de tijdelijke fase als in de nieuwe situatie verlichting op vleermuisvriendelijke wijze toe te passen. Hierdoor wordt en blijft het gebied meer geschikt als leefgebied. Zie ook kader verlichting.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 17
Kader – Verlichting
Kader- Verlichting
Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn
Een aantal nachtactieve vleermuizen, en marters, gevoelig voor verlichting. soorten die kunstlicht zoveeldieren, mogelijkzoals vermijden, zoals de uilen watervleermuis, en zij er zijn soorten die (in beperkte Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mate) rondvermijden, lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij soorten het plaatsen vanbeperkte verlichtingmate) bij in- rond en/of lantaarnpalen jagen, zoals de rosse mogelijk zoals de watervleermuis, en er zijn die (in uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen
vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in -en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan
van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.
waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.
Op dit moment is binnen en rondom het plangebied verlichting aanwezig. De verlichting beperkt zich tot de straatlantaarns enisinbinnen de nieuwe situatie zal verlichting mogelijk toenemen. Verwacht wordt datbeperkt met de zicht tot de straatlantaarns en in de Op dit moment en rondom hetdeplangebied verlichting aanwezig. De verlichting toename van verlichting rondom de te ontwikkelen locaties geen negatief effect zal optreden op de aanwezige
nieuwe situatie zal de verlichting mogelijk toenemen. Verwacht wordt dat met de toename van verlichting rondom de te ontwikkelen
soorten. De te verwachten soorten gelden namelijk niet als bijzonder gevoelig voor verstoring door verlichting.
locaties geen negatief effect zal optreden op de aanwezige soorten. De te verwachte soorten gelden namelijk niet als bijzonder
Er dient wel te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te
gevoelig en voor verstoring door Eren dient wel te allen tijde rekening gehouden worden met verlichting, door verlichting tot beperken directe belichting vanverlichting. de omgeving onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om te lichthinder te voorkomen ente hetbeperken gebied aantrekkelijker te maken voor kunnen verschillende maatregelen een minimum en directe verlichting vanvleermuizen de omgeving onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te getroffen worden:
voorkomen en het gebied aantrekkelijk te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden: verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is; verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is; verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); - - verlichting alleen aan opdehet momentzodat wanneer het nodig is (dynamische verlaag de hoogte van lichtmasten boomkronen onverlicht blijven; verlichting) -
- verlaag beperk tot een minimum door gebruikonverlicht van aangepaste de verstrooiing hoogtes vanhetdelicht lichtmasten zodat boomkronen blijven;armatuur Fout!
Verwijzingsbron gevonden. ; beperk verstrooiing vanniet het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur;
-
-
geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.
geen verlichting plaatsen bij in-en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.
Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.
Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.
5.2 Overige beschermde soorten 5.2.1 Voorkomen en functie Tijdens het veldonderzoek is ook gelet op de aanwezigheid van andere (niet-vrijgestelde) beschermde soorten dan hierboven beschreven. Beschermde diersoorten zoals boommarter, eekhoorn en steenmarter zijn niet waargenomen en verblijfplaatsen zijn ook niet aangetroffen binnen het plangebied. Wel is bij een van de drie eiken op de kruising tussen Nieuweweg en Koningsweg (de te kappen boom) een groot nest in de kroon van de boom aangetroffen. Tijdens het veldonderzoek zijn enkele kauwen en kraaien in de boom nabij het nest waargenomen. Er zijn geen activiteiten in of op het nest waargenomen. Er zijn geen vogels met jaarrond beschermde nesten rondom het aangetroffen nest waargenomen. In en rond het plangebied kunnen verschillende algemene vogelsoorten voorkomen. Het gaat hierbij o.a. om de soorten merel, witte kwikstaart, winterkoning, roodborst. Deze soorten kunnen in en rond het plangebied tot broeden komen.
5.2.2 Effecten en ontheffing Er worden geen negatieve effecten verwacht van de ontwikkeling op de groep overige beschermde soorten. Vaste rust- en verblijfplaatsen van deze beschermde soorten, zoals boommarter, eekhoorn en steenmarter, ontbreken. Ook zijn er geen activiteiten van vogels met een jaarrond beschermd nest en/of beschermde
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 18
functionele leefomgeving rondom het aangetroffen nest in een van de eikenbomen waargenomen. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van broedvogels. Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Deze verbodsbepalingen worden kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. De genoemde termijn moet daarom niet al te strikt worden toegepast. Conclusie: Negatieve effecten op overige beschermde soorten zijn niet te verwachten.
Het aanvragen van een ontheffing is voor overige beschermde soorten niet noodzakelijk. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 19
6 Conclusie 6.1 Soortenbescherming Uit het vleermuisonderzoek is naar voren gekomen dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Alleen voor de rosse vleermuis vormt het plangebied essentieel leefgebied.
6.1.1 Rosse vleermuis: geen ontheffing nodig bij behouden grote abeel Tijdens het vleermuisonderzoek is één vermoedelijke paarverblijfplaats van rosse vleermuis aangetroffen, bij de grote abeel bij het station. Volgens de meest recente opbreekkaart Blad 4 van d.d. 17 september 2020 wordt de betreffende abeel niet gekapt en blijft deze behouden. Met de ontwikkeling kunnen daardoor negatieve effecten op de rosse vleermuis en zijn verblijfplaats worden uitgesloten. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor vleermuizen dan niet nodig.
6.1.2 Rosse vleermuis: ontheffing nodig bij kappen grote abeel Indien in een latere fase van de planontwikkeling wordt besloten de abeel met de vermoedelijke paarverblijfplaats van rosse vleermuis te kappen dan is een ontheffing nodig. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn beschermd in de Wet natuurbescherming. Het beschadigen of vernielen van verblijfplaatsen is verboden.
6.1.3 Kader zorgplicht: aanbevolen maatregelen In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd rekening te houden met verlichting. Het verplaatsen of wijzigen van verlichting kan invloed hebben op verblijfplaatsen en vliegroutes. Met name op de kruising tussen Nieuweweg en Koningsweg en Koningweg met Pimpelmees wordt aanbevolen zowel in de tijdelijke fase als in de nieuwe situatie verlichting op vleermuisvriendelijke wijze toe te passen. Hierdoor wordt en blijft het gebied meer geschikt als leefgebied.
6.2 Indien ontheffing noodzakelijk Indien de grote abeel bij het station gekapt wordt, dient voor rosse vleermuis een ontheffing aangevraagd te worden. Om een ontheffing Wet natuurbescherming te verkrijgen voor rosse vleermuis moet: • de gunstige staat van instandhouding gegarandeerd blijven; • invulling gegeven worden aan de zorgplicht; • voldaan worden aan een bij de wet genoemd belang; • er mogen geen alternatieven zijn. Deze gegevens moeten worden uitgewerkt in een projectplan. In het projectplan staat concreet welke werkzaamheden, wanneer, en op welke wijze worden uitgevoerd. Dit wordt aangevuld met een onderbouwing van de noodzaak van het projecten een alternatievenafweging. Een ontheffingsaanvraag moet worden ingediend bij de provincie Utrecht. Maximaal twintig weken na het indienen van de aanvraag wordt er een besluit genomen. Op dat besluit kunnen belanghebbenden nog bezwaar maken. Deze termijnen zijn terug te vinden op de website van de provincie. Er moeten maatregelen worden genomen om negatieve effecten te voorkomen of te beperken. Zo moeten te allen tijde verblijfplaatsmogelijkheden voor de soort worden aangeboden. Zoals het plaatsen van tijdelijke
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 20
voorzieningen bijvoorbeeld in de vorm van vleermuiskasten voor rosse vleermuis. Concrete maatregelen worden nader uitgewerkt in het projectplan en dienen te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Hierin dienen eveneens de aanvullende voorwaarden verwerkt te worden die voortvloeien uit de ontheffingsaanvraag.
6.3 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegde gezag hanteert de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoekgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 21
Literatuurlijst • • • • •
• •
• • • • •
Bij12 (2017). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus. Bij12, versie 1.0, Utrecht. Bij12 (2017). Kennisdocument Rosse vleermuis Nyctalus noctula. Bij12, versie 1.0, Utrecht. Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers. ESRI Nederland (2020). https://www.esri.nl/nl-nl/home Landschapsbeheer Flevoland (2011). Vleermuisvriendelijk bouwen. Een handreiking voor huiseigenaar, architect en beleidsmedewerker. Een samenwerking tussen Landschapsbeheer Flevoland, Zoogdiervereniging en Tauw bv. Landschapsbeheer Flevoland, Lelystad. Limpens, H., K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij. Limpens, H., P. Twisk & G. Veenbaas (2004). Met vleermuizen overweg. Brochure over vleermuizen en de wijze waarop bij planning, aanleg, reconstructie en beheer van wegen praktische invullingen kan worden gegeven aan de wettelijke zorgplicht voor vleermuizen. Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft/Zoogdiervereniging, Arnhem. Maps Google (2020). www.maps.google.nl Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. Oomen, M. (2020). Toetsing Wet natuurbescherming, Verkeersplan in deelgebied Station Zuid te Soest. Projectnummer: 10296. Culemborg, Eelerwoude.
Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en o Gegevensautoriteit Natuur (2017). Vleermuisprotocol 2017. Weeda, R., Westra, C., Westra, E. J., & Westra, T. (1985-1994). Nederlandse ecologische flora: Wilde planten en hun relaties 1 t/m 5. Amsterdam, Nederland: IVN in samenw. met de Vara en de VEWIN.
Soortinformatie: www.zoogdiervereniging.nl www.nederlandsesoorten.nl www.eurobats.org
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 22
Bijlage 1 Wettelijk kader Natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. 2.
3.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 1. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven.
Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.
1
De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de bescherming uit
de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern 1
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 23
Figuur 1: Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 24
Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid.
Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort.
Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime (Zie kader – Staat van instandhouding). Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. 2.
De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 25
Kader - Staat van instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.
Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebied een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie.
Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.
Verkeersplan in deelgebied Station Soest Zuid | Eelerwoude | 26
Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora en fauna;
•
voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;
•
om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.