CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

4a .eJ Voorlopige voorziening gemeente 7 augustus 2020.pdf

Besluitvormende Raadsvergadering 23 september 2021, gemeente SoestBij agendapunt: Uitspraak Raad van State WOB-advies over Bestemmingsplan Dr. De Voslaan4.204 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

UflR DCP FDLTZ BEZORGEN MET BEWIJS VAN ONTVANGST Raad van State

t. a. v. Afdeling bestuursrechtspraak Postbus 20019

2500 EA DENHMG

Datum: Onze ref. :

7 augustus 2020 20185178

Van:

Betreft:

College van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest /

VERZOEK OM EEN VOORLOPIGE VOORZIENING EX ART. 8:81 LID 1 AWB Hoogedelgestreng college,

Namens cliënt, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verzoek ik u hierbij de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 juli 2020 met zaaknummer

UTR 19/2391-E (hierna: de 'bestreden uitspraak', aangehecht als bijlage 1) op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht te schorsen.

Bij besluit van 14 januari 2019 heeft het College met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob, geweigerd om de notulen van de besloten raadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 openbaar te maken. Bij besluit van 9 mei 2019 heeft het college de bezwaren tegen deze weigering ongegrond verklaard en die weigering in stand gelaten. In de bestreden uitspraak is dit besluit vernietigd, waarbij de rechtbank kort gezegd heeft geoordeeld dat geheimhouding van politieke debatten tussen een wethouder en een gemeenteraad niet op artikel 11, eerste lid, van de Wob kan worden gebaseerd.

Het College kan zich niet vinden in dit oordeel en heeft daarom hoger beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. Naar de mening van het College is het oordeel van de rechtbank dat artikel 11, eerste lid, van de Wob niet van toepassing is op de notulen van de besloten raadsvergadering onjuist. Voor een nadere onderbouwing van dit standpunt verwijzen wij u naar het hoger-beroepschriftdat zonder eigen bijlagen is aangehecht als bi'la e 2. Het College heeft een spoedeisend belang bij schorsing van de bestreden uitspraak, omdat de rechtbank heeft opgedragen binnen zes weken na de verzending van die uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Omdat de bestreden uitspraak bij dat besluit in acht moet Van der Feltz advocaten

| Javastraat 22 2585 AN Den Haag

T: +31 (0)70 31 31 050

|

E: info@feltz. nl

| |

Postbus 85615 2508 CH Den Haag W: www. feltz. nt

Al onze werkzaamheden worden verricht krachtens een overeenkomst van opdracht, gesloten met de naamloze vennootschapVan der FeltzAdvocaten N.V., gevestigd te Den Haag en ingeschreven in het handelsregister onder nr. 27364182. Op onze werkzaamheden zijn algemene voorwaarden van toepassing. Daarin is een beperking van aansprakelijkheid opgenomen. De algemene voorwaarden zijn gedeponeerd ter griffievan de rechtbank te Den Haag onder nr. 43/2017 en zijn te raadplegen via www.feltz. nl.

worden genomen, kan het College de openbaarmaking van de notulen niet opnieuw weigeren met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob. Dit betekent dat die notulen openbaar zouden moeten worden gemaakt, waarmee het hoger beroep van het college tegen dit oordeel van de rechtbank zinledig zou worden.

Gelet hierop verzoeken wij u dit verzoek toe te wijzen en de bestreden uitspraak te schorsen tot het moment dat op het hoger beroep van het college is beslist. Daarbij verzoeken wij u de mogelijkheid te onderzoeken om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

De termijn waarbinnen het College is opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, verstrijkt 13 augustus a. s. Indien het niet mogelijk is om daaraan voorafgaand op dit verzoek om een voorlopige voorzieningte beslissen, verzoeken wij u tevens om een voorlopige orde maatregel te treffen en te bepalen dat hangende de afhandeling van dit verzoek geen nieuw besluit genomen hoeft te worden.

Het griffiegeld kan worden geboekt in de rekening-courantverhoudingdie ons kantoor met uw Afdeling onderhoudt (debiteurnummer 900140). Hoogachtend,

2/2

m

DCP FCLT2

BIJLAGE 1

uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht

^'BA/V^

'f

Bestuursrecht

^ -;">»"L^

zaaknummer: UTR 19/2391-E

uitspraak van de enkelvoudige kamer van l juli 2020 in de zaak tussen , te

^ ^N.^

^

, eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder (gemachtigden: mr. S, F. Supusepa en A. de Hoogh). Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om

openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob)

gedeeltelijk ingewilligd.

Bij besluit van 9 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen ontbrekende geheime stukken alsnog aan de rechtbank toe te sturen. Na ontvangst van deze stukken heeft de rechtbank het onderzoek op 11 maart 2020 gesloten en partijen meegedeeld dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan.

Bij tussenuitspraak van 7 april 2020 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de

gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met

nachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het

bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

De rechtbank heeft het onderzoek op 3 juni 2020 gesloten en bepaald dat een nadere zitting

achterwege blijft.

zaaknummer: UTR 19/2391-E

blad 2

Ovenvegingen

l. Deze uitspraak bouvvt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de

tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt

overvvogeii. Ftet staat de rechtbank niet vrij om tenig te komen van zonder voorbehoud

gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijkegevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursreclitspraak van de

Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 201 l (ECLI:NL:RVS:201 l:BR57Ö4)en t5augustus

2012 (ECU:NL:RVS;2012:BX4694).

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder voor

een aantal documenten onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze niet openbaar gemaakt kunnen worden.

3. In haar aanvullende inotiveringvan 6 mei 2020 heeft venveerder besloten de documenten Bijlage B, Bijlage D en de concept-rapportage van Biireau BTL alsnog openbaar te maken. Verweerder heeft deze documenten bij haar brief van 6 mei 2020 gevoegd. De rechtbank constateert echter dat verweerder een ander dociiinent dan Bijlage B bij de brief van 6 mei

2020 openbaar heeft gemaakt, namelijk een Adviesnota van de gemeente Soest van 10 juni

2009. Dit dociiment valt, gelet op de datum, niet binnen de reikwijdte van het Wob-verzoek van eiser. Venveerder zal dus over Bijlage B alsnog een besluit moeten nemen met inaclitiiemiiig van wat hierover in de tussenuitspraak is overwogeii.

4. Over de openbaar gemaakte concept-rapportage van Bureaii B'! 1< merkt de rechtbank op dat dit een andere versie is dan de versie die verweerder aan de rechtbank heeft verstrekt.

Over de versiedie verweerder aan de rechtbank heeft verstrekt (mei bijgehoiidenwijzigingen zichtbaar) moet verweerder dus ook nog een besluit nemen met inachtneming van hetgeen hierover in de tussenuitspraak is overwogen. 5.

Wat betreft de notulen van de raadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 20 16

heeft vei-v\cerder nogmaals gemotiveerd waarom artikel 11, eerste lid, van de Wob zich tegeii openbaarmaking verzet. De reclitbank heeft in haar tussenuitspraakechter al geoordeeld dat

artikel 11, eerste lid, van de Wob niet aan de weigering tot openbaannaking ten grondslag kan worden gelegd. De weigeriiigsgrondvan anikcl 11, eerste lid, van de Wob strekt er niet toe politieke debatten tussen een wethouder en een gemeenteraad geheini te houden. De rechtbank blijft liierbij en ziet geen reden om terug te komen van dit oordeel.

Op grond van artikel 23 van de Gemeentewet kaii de gemeenteraad vergaderen achter gesloten

deuren en besluiten het verslag van de vergadering niet openbaar te maken, wanneer ten minste een vijfde van het aantal leden dat de presentielijstheeft getekend daarom verdoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet kan de gemeenteraad, op grond van een belang genoemd in artikel 10 van de Wob, geheimhouding opleggen. Gesteld noch gebleken is dat ver\\ eerder toepassing heeft gegeven aan deze artikelen. De weigering tot openbaarmaking van de notulen van de raadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 heeft verweerder dus nog steeds onvoldoende gemotiveerd. 6. Eiser merkt in zijn zienswijze op dat de rechtbank in de tussenuitspraak niet heeft geoordeeld over andere stukken dan de hiervoor genoeinde en de vraag niet heeft beantwoord

of de integriteitvan de overheid in geding kt>mt en of dat z\vaarder moet wegen dan

zaaknummer: UTR 19/2391-E

blad

artikel 11 van de \Vob. Ter voorlichting van eiser merkl de rechtbank hierover op dat de rechtbank over de weigeringtot openbaarmaking van de andere stukken heeft geoordeeld in rechtsovenvegingen 6 en 9 van de tussenuitspraak. De reclitbank heeft daar geoordeeld over de vraag of venveerder aan de weigering tot openbaannaking terecht artikel 11 'van de Wob ten

grondslag heeft gelegd. De vraag of de integriteit van de overheid in het geding is, speelt bij de beoordeling van deze vraag geen rol.

7. Gelei op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegroiid. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de openbaarmaking van Bijlage B. de concept-rapportage van Bureau BTL en de notulen van de raadsvergadenngeii van 28

januari 2016 en 24 maart 2016 is geweigerd.

8. De reclitbank ziet geen aanleidingde rechtgevolge» in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aaiileiding om een tweede bestuurlijke lus toe te

passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënteafdoeningswijze zou inhouden Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van

deze uitspraak en de tussenuitspraak. Dat betekent dat verweerder in dat besluit de

documenten Bijlage B, de concept-rapportage van Bureau BTL en de notulen van de raadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 openbaar moet maken of moet motiveren welke weigen'ngsgrondzich daartegen verzet. De rechtbank steil hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. 9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaan. bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde grifïierechtvergoedt, 10. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

zaakiiummer: UTR 19/2391-E

blad 4

Beslissing De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de openbaarmaking van Bijlage B, de concept-rapponagevan Bureau BTL en de notulen van de raadsvergaderingen van 28

januari 2016 en 24 niaart 2016 zijn geweigerd;

draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneniingvan deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174, - aan eiser te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door nir. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.L. Bressers, griffier. Deze uitspraak is gedaan op l juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare

uitsprakenzining. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier \

Afschrift verzonden aan partijen op:

0^2 JUL2020 Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzeiiding van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van

de Raad van State.

Voor kopie conform DcGriffiet

V2ü

-o *a> -^

l?5

£||i </1

p

o a.

«"l < o

,§

l

"o

l

:1-s

i eu

w c

"3

<

z

fX ^j. i. t-'lirfj

3

§

IQ?^

m

DCP FÖLT2

BIJLAGE 2

UflR DOP FCLTZ c

a

BEZORGEN MET BEWIJS VAN ONTVANGST Raad van State

t. a. v. Afdeling bestuursrechtspraak

Postbus 20019 2500 EA DENHMG

Datum:

7 augustus 2020

Onze ref. :

20185178/

Van:

advocaten

Betreft:

College van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest / HOGER-BEROEPSCHRIFT

Hoogedelgestreng college,

Namens cliënt, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest (hierna: het 'College'), stellen wij hiermee (tijdig) hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 juli 2020 (verzonden aan partijen op 2 juli 2020, hierna: de "bestreden uitspraak"). De bestreden uitspraak is aangehecht als biilaee 1 en ziet voortbouwend op de tussenuitspraak van 7 april 2020 (hierna: de 'tussenuitspraak', aangehecht als bijlage 2) - op het besluit van het college van 9 mei 2019, waarin het bezwaar van tegen gedeeltelijke inwilliging van zijn verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: "Wob") ongegrond is verklaard.

l.

Inleiding en achtergrond

1.

heeft op 14 november 2018 een Wob-verzoek ingediend bij het college, waarin is verzocht om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op een bouwperceel aan de Dr. De Voslaan te Soest. Onder deze documenten bevinden

zich onder meer de notulen van de besloten gemeenteraadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 (hierna: de 'notulen'). 2.

Tijdens deze besloten, opiniërende raadsbijeenkomsten hebben de raadsleden van de

gemeente Soest gedebatteerd over de vraag of planologische medewerking zou worden verleend aan een verzoek om ter plaatse van het bouwperceel aan de Dr. de Voslaan het bestemmingsplan te herzien. Het college heeft de openbaarmaking van de notulen Van der Fettz advocaten | Javastraat 22 2585 AN Den Haag | Postbus 85615 2508 CH Den Haag T: +31 (0)70 31 31 050

|

E: info@feltz. nl

|

W: www. feltz. nl

Alonzewerkzaamhedenwordenverrichtkrachtenseenovereenkomstvan opdracht,geslotenmet de naamlozevennootschapVander FeltzAdvocatenN.V.,gevestigdte Den Haag en ingeschrevenin het handelsregisteronder nr. 27364182.Op onzewerkzaamhedenzijnalgemenevoorwaardenvan toepassing.Daariniseen beperkingvan aansprakelijkheid opgenomen. De algemene voorwaarden zijn gedeponeerd ter griffie van de rechtbank te Den Haag onder nr. 43/2017 en zijn te raadplegen via www.feltz. nl.

geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob. Bij de beslissingvan 9 mei 2019 heeft het College het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard en de weigering van de openbaarmaking van de notulen gehandhaafd.

3.

In de tussenuitspraak van 7 april 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat het College de weigeringtot openbaarmaking van de notulen in de beslissingop bezwaar onvoldoende heeft onderbouwd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het College ten onrechte van openbaarmaking van de notulen heeft afgezien op grond artikel 11 eerste lid, van de Wob. De rechtbank overweegt dit artikel er niet toe strekt om politieke debatten tussen een wethouder en een gemeenteraad geheim te houden. De

rechtbank heeft het College in de gelegenheid gesteld om het weigeringsbesluitnader te onderbouwen. Het College heeft vervolgens een aanvullende motivering gegeven van het standpunt dat artikel 1 1, eerste lid, van de Wob zich verzet tegen openbaarmaking van de notulen.

4.

In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de nadere motivering van het College geen aanleiding is om terug te komen op het eerdere oordeel uit de tussenuitspraak dat het College artikel 11, eerste lid, van de Wob niet aan het

bestreden bestuit ten grondslag kan leggen. De rechtbank voegt hieraan toe dat niet is gebleken dat de gemeenteraad tijdens de vergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid uit artikel 23 van de

Gemeentewet om de vergadering achter gesloten deuren te doen plaatsvinden, of de bevoegdheid uit artikel 25 van de Gemeentewet om geheimhouding op te leggen. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar en draagt het College op om binnen zes weken na de verzending van de bestreden uitspraak een nieuwe beslissing op de aanvraag te nemen met in achtneming van die uitspraak. 5.

De gemeente stelt zich op het standpunt dat het oordeel van de rechtbank dat de

weigeringom de notulen openbaar te maken niet kan worden gebaseerd op artikel 11, eerste lid, van de Wob onjuist is. Dat artikel bepaalt immers dat als een verzoek wordt

gedaan om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie wordt verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. De notulen zijn documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad (onder II). Hierin zijn - uitsluitend - persoonlijke beleidsopvattingen opgenomen (onder III). Naar de mening van het College heeft de rechtbank dit in de bestreden uitspraak miskend, althans, heeft de rechtbank onvoldoende onderbouwd waarom artikel 11 , eerste lid, van de Wob niet van toepassing is (onder IV). De bestreden uitspraak dient daarom te worden vernietigd voor zover die uitspraak betrekking heeft op de weigering om de notulen openbaar te maken. II.

Documenten ten behoeve van intern beraad

6.

Vooropgesteld moet worden dat de raadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 onderdeel uitmaakten van een 'intern beraad'

2/6

7.

Het begrip 'intern beraad' wordt in artikel 1 onder c van de Wob gedefinieerd als "het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan". Onder 'bestuurlijke aangelegenheid' moet volgens artikel 1 onder b van de Wob worden

verstaan: "een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan". Ook bestuurlijke overleggen over de beslissing omtrent een aanvraag om een besluit te nemen zijn aan te merken als een beraad over een bestuurlijke aangelegenheid. Zie bijv. ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0664.

8.

Tijdens de vergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 heeft de gemeenteraad zich beraden over de vraag of planologische medewerking moest worden verleend aan

de aangevraagde herzieningvan het bestemmingsplan voor het bouwperceel aan de Dr. de Voslaan. Het debat had dus betrekking op het planologisch beleid van de gemeenteraad. Aangezien de raad ingevolge artikel 3. 1 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening het bevoegd gezag is om op die aanvraag te beslissen, heeft de gemeenteraad zich tijdens de vergaderingen bovendien beraden over een beslissing omtrent een (bij de raad) ingediende aanvraag om een besluit te nemen.

9

De notulen moeten worden aangemerkt als documenten die zijn opgesteld ten behoeve van dit interne beraad.

10.

Het College wijst er hierbij op dat uit de memorie van toelichting bij de Wob volgt dat het interne karakter van een stuk wordt bepaald door het oogmerk waarmee het stuk is opgesteld.

Kamerstukken II 1986/87, 19859, nr. 3, p. 13. 11.

Hiervan is ook sprake als men redelijkerwijs moet kunnen vermoeden dat het de bedoeling is om de stukken als voor intern beraad te beschouwen.

Kamerstukken II 1986/87, 19859, nr. 3, p. 14. 12.

In aanvulling hierop volgt uit de jurisprudentie van uw Afdeling dat een document een

intern karakter heeft, als degene die het document heeft opgesteld de bedoeling heeft gehad dat dit zou dienen voor zichzelf of voor het gebruik door anderen binnen de overheid.

Zie bijv. ABRvS 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7753, r. o. 4. 1.

13.

Ook notulen van interne vergaderingen kunnen documenten zijn die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. Dit volgt uit de memorie van toelichting bij de Wob en de jurisprudentie.

3/6

Zie in dit verband Kamerstukken II 1986/87, 19859, nr. 3, p. 13-14 en bijv. ABRvS 17 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL4132. 14.

Dat de notulen van de raadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 een intern karakter hebben en dat zij uitsluitend met het oog op gebruik binnen de

gemeentelijke organisatiezijn opgesteld, blijkt uit het hoofd van de documenten, waar staat vermeld dat het gaat om 'vertrouwelijke notulen'. Naar de mening van het

College kan hieruit redelijkerwijs worden afgeleid dat het uitdrukkelijk de bedoeling is geweest om de notulen te beschouwen als stukken voor het interne beraad over de

afhandeling van de aanvraag om het bestemmingsplan te herzien. In dit kader is ook relevant dat de gemeenteraad ervoor heeft gekozen om in beslotenheid te debatteren

over de vraag of planologische medewerking zou worden verleend aan deze herziening. De omstandigheid dat de notulen daarna met een oogmerk van vertrouwelijkheid zijn opgesteld is een logisch gevolg van die keuze.

15.

Kortom, de notulen zijn documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wob. Om die reden dient de

openbaarmaking van die stukken te worden geweigerd, voor zover daarin persoonlijke beleidsopvattingen zijn neergelegd. III.

Persoonlijke beleidsopvattingen

16.

In artikel 1 onder f van de Wob is het begrip 'persoonlijkebeleidsopvatting' gedefinieerd als: "een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten."

17

De beperking van de openbaarheid van persoonlijke beleidsopvattingen is bedoeld om

te bereiken dat de betrokkenen bij de primaire vormgeving van het beleid in alle vrijheid hun gedachten en opvattingen naar voren kunnen brengen. Kamerstukken II 1986/87, 19859, nr. 3, p. 38.

18.

Op deze manier biedt artikel 11 van de Wob bescherming aan een vrije, openhartige en onbelemmerde communicatie bij de voorbereidingvan besluitvorming. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak beoogt artikel 1 1, eerste lid, van de Wob "ter

bescherming van de vrije meningsvorming (... ) te verzekeren dat de bij de ontwikkeling van beleid van een bestuursorgaan betrokken personen in alle vrijheid en in een vertrouwelijke sfeer hun gedachten en opvattingen kunnen uiten zonder vrees voor gezichtsverlies".

Zie bijv. ABRvS 18 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4268, r. o. 2. 3. 1.

4/6

19.

De notulen bestaan geheel uit persoonlijke beleidsopvattingen van de raadsleden die bij de raadsvergaderingen aanwezig waren. Tijdens de vergaderingen hebben de betrokken raadsleden (en de wethouder) namelijk hun opvattingen gedeeld over de vraag of in dit geval planologische medewerking zou moeten worden verleend. Om in

alle vrijheid hun gedachten en opvattingen naar voren te kunnen brengen en daarmee een vrije, openhartige en onbelemmerde communicatie te fadliteren, heeft deze beraadslaging achter gesloten deuren plaatsgevonden. De deelnemers aan de vergadering hebben elkaars standpunten doorgesproken en bediscussieerd. Deze

discussie is vervolgens in de notulen vastgelegd, waarbij per raadslid is weergegeven welke punten tijdens de vergaderingen naar voren zijn gebracht. 20.

Artikel 11, eerste lid, van de Wob beoogt deze vrije meningsvorming te beschermen. Om die reden kan de openbaarmaking van de notulen van deze vergadering met een beroep op dat artikel worden geweigerd. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat de notulen een uitgebreid verslag betreffen van de standpunten die door de raadsleden naar voren zijn gebracht. Naar de mening van het College ligt een gedeeltelijke openbaarmaking van de notulen dan ook niet in de rede.

IV.

De bestreden uitspraak is gebrekkig onderbouwd

21.

Naar de mening van het College heeft de rechtbank haar standpunt dat artikel 11, eerste lid, van de Wob in dit geval niet van toepassing is, gebrekkig onderbouwd.

22.

In de tussenuitspraak overweegt de rechtbank dat artikel 11, eerste lid, van de Wob niet bedoeld is om politieke debatten tussen een wethouder en een gemeenteraad geheim te houden. De rechtbank suggereert daarmee dat dergelijke politieke debatten nooit onderdeel uit kunnen maken van een intern beraad. Die suggestie is onjuist. Het is immers heel goed mogelijk dat het College en de raad gezamenlijk overleggen over de beslissing omtrent een aanvraag om een besluit te nemen. Op grond van artikel 1 onder b van de Wob kan in zo'n geval worden gesproken van een 'intern beraad', omdat daaronder uitdrukkelijk ook wordt verstaan het beraad binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid. Het College en de raad dragen een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de planologische besluitvorming. Bovendien is het College in algemene zin bevoegd om de besluitvorming door de raad voor te bereiden (artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet).

23.

In de overwegingen van de rechtbank uit de tussenuitspraak ligt bovendien de gedachte besloten dat alleen sprake is van intern beraad als bestuursorganen zich laten adviseren door hun ambtenaren. Die gedachte staat haaks op de definitie van 'intern beraad' uit

artikel 1 onder c van de Wob. Daarin is immers bepaald dat het gaat om beraad binnen een bestuursorgaan. Bovendien gaat de gedachte voorbij aan de jurisprudentievan uw Afdeling dat ook bestuurlijke overleggen over de beslissing omtrent een aanvraag om

5/6

een besluit te nemen zijn aan te merken als een beraad over een bestuurlijke aangelegenheid.

24.

Dat de gemeenteraad op grond van artikel 25 van de Gemeentewet de bevoegdheid heeft om geheimhouding op te leggen, maakt dit niet anders. Deze bevoegdheid is immers uitsluitend van toepassing op de belangen die worden genoemd in artikel 10 van de Wob. Als deze geheimhoudingsregeling niet van toepassing is, moet de Wob worden toegepast en kan artikel 1 1, eerste lid, van de Wob aan openbaarmaking in de weg staan.

Zie bijv. ABRvS 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:105.

25.

In de einduitspraak wordt daarom niet draagkrachtig gemotiveerd waarom de notulen geen documenten kunnen zijn die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad.

V.

Conclusie

26.

Gelet op het voorgaande verzoeken wij u om: a.

het hoger beroep van het College tegen de bestreden uitspraak gegrond te verklaren;

b.

de bestreden uitspraak te vernietigen voor zover die uitspraak betrekking heeft op de weigering van het College om de notulen openbaar te maken;

c.

doende wat de rechtbank had behoren te doen, het door

ingestelde beroep tegen het besluit van 9 mei 2019 in zoverre ongegrond te verklaren.

27.

Het griffiegeld kan worden geboekt in de rekening-courantverhouding die ons kantoor met uw Afdeling onderhoudt (debiteurnummer 900140).

Hoogachtend,

6/6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=2330cf5d-ad0a-4470-9bca-b30f5eaed4f1