4a .eI Hoger beroepschrift gemeente 7 augustus 2020.pdf
Tekst van het document
Uflïï DCP FCLTZ BEZORGEN MET BEWIJS VAN ONTVANGST Raad van State
t. a. v. Afdeling bestuursrechtspraak Postbus 20019
2500 EA DEN HAAG
Datum: Onze ref. :
7 augustus 2020 20185178/
Van:
advocaten
Betreft:
College van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest / HOGER-BEROEPSCHRIFT
Hoogedelgestreng college,
Namens cliënt, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest (hierna: het 'College'), stellen wij hiermee (tijdig) hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 juli 2020 (verzonden aan partijen op 2 juli 2020, hierna: de "bestreden uitspraak"). De bestreden uitspraak is aangehecht als bijlage 1 en ziet voortbouwend op de tussenuitspraak van 7 april 2020 (hierna: de 'tussenuitspraak', aangehecht als bijlage 2) - op het besluit van het college van 9 mei 2019, waarin het bezwaar van tegen gedeeltelijke inwilliging van zijn verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: "Wob") ongegrond is verklaard.
l.
Inleiding en achtergrond
1
heeft op 14 november 2018 een Wob-verzoek ingediend bij het college, waarin is verzocht om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op een bouwperceel aan de Dr. De Voslaan te Soest. Onder deze documenten bevinden
zich onder meer de notulen van de besloten gemeenteraadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 (hierna: de 'notulen'). 2.
Tijdens deze besloten, opiniërende raadsbijeenkomsten hebben de raadsleden van de
gemeente Soest gedebatteerd over de vraag of planologische medewerking zou worden verleend aan een verzoek om ter plaatse van het bouwperceel aan de Dr. de Voslaan het bestemmingsplan te herzien. Het college heeft de openbaarmaking van de notulen Van der Feltz advocaten
| Javastraat 22 2585 AN Den Haag
T: +31 (0)70 31 31 050
|
E: info@feltz. nl
Postbus 85615 2508 CH Den Haag W: www. feltz. nl
Al onze werkzaamheden worden verricht krachtens een overeenkomst van opdracht, gesloten met de naamloze vennootschap Van der Feltz Advocaten N. V., gevestigd te Den Haag en ingeschreven in het handelsregister onder nr. 27364182. Op onze werkzaamheden zijn algemene voorwaarden van toepassing. Daarin is een beperking van aansprakelijkheid opgenomen. De algemene voorwaarden zijn gedeponeerd ter griffievan de rechtbank te Den Haag onder nr. 43/2017 en zijn te raadplegen via www.feltz.nl.
geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob. Bij de beslissingvan 9 mei 2019 heeft het College het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard en de weigering van de openbaarmaking van de notulen gehandhaafd.
In de tussenuitspraak van 7 april 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat het College de weigeringtot openbaarmaking van de notulen in de beslissing op bezwaar onvoldoende heeft onderbouwd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het College ten onrechte van openbaarmaking van de notulen heeft afgezien op grond artikel 11, eerste lid, van de Wob. De rechtbank overweegt dit artikel er niet toe strekt om
politieke debatten tussen een wethouder en een gemeenteraad geheim te houden. De rechtbank heeft het College in de gelegenheid gesteld om het weigeringsbesluitnader te onderbouwen. Het College heeft vervolgens een aanvullende motivering gegeven van het standpunt dat artikel 1 1, eerste lid, van de Wob zich verzet tegen openbaarmaking van de notulen.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de nadere motivering van het College geen aanleiding is om terug te komen op het eerdere oordeel uit de tussenuitspraak dat het College artikel 11, eerste lid, van de Wob niet aan het
bestreden besluit ten grondslag kan leggen. De rechtbank voegt hieraan toe dat niet is gebleken dat de gemeenteraad tijdens de vergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid uit artikel 23 van de
Gemeentewet om de vergadering achter gesloten deuren te doen plaatsvinden, of de bevoegdheid uit artikel 25 van de Gemeentewet om geheimhouding op te leggen. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar en draagt het College op om binnen zes weken na de verzending van de bestreden uitspraak een nieuwe beslissing op de aanvraag te nemen met in achtneming van die uitspraak. De gemeente stelt zich op het standpunt dat het oordeel van de rechtbank dat de
weigering om de notulen openbaar te maken niet kan worden gebaseerd op artikel 11, eerste lid, van de Wob onjuist is. Dat artikel bepaalt immers dat als een verzoek wordt
gedaan om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie wordt verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. De notulen zijn documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad (onder II). Hierin zijn - uitsluitend - persoonlijke beleidsopvattingen opgenomen (onder III). Naar
de mening van het College heeft de rechtbank dit in de bestreden uitspraak miskend, althans, heeft de rechtbank onvoldoende onderbouwd waarom artikel 11 , eerste lid,
van de Wob niet van toepassing is (onder IV). De bestreden uitspraak dient daarom te worden vernietigd voor zover die uitspraak betrekking heeft op de weigeringom de notulen openbaar te maken.
II.
Documenten ten behoeve van intern beraad
6.
Vooropgesteld moet worden dat de raadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 onderdeel uitmaakten van een 'intern beraad'.
2/6
7.
Het begrip 'intern beraad' wordt in artikel 1 onder c van de Wob gedefinieerd als "het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan". Onder 'bestuurlijke aangelegenheid' moet volgens artikel 1 onder b van de Wob worden verstaan: "een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan". Ook bestuurlijke overleggen over de beslissing omtrent een aanvraag om een besluit te nemen zijn aan te merken als een beraad over een bestuurlijke aangelegenheid.
Zie bijv. ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0664. 8.
Tijdens de vergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 heeft de gemeenteraad zich beraden over de vraag of planologische medewerking moest worden verleend aan de aangevraagde herziening van het bestemmingsplan voor het bouwperceel aan de Dr. de Voslaan. Het debat had dus betrekking op het planologisch beleid van de
gemeenteraad. Aangezien de raad ingevolge artikel 3. 1 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening het bevoegd gezag is om op die aanvraag te beslissen, heeft de gemeenteraad zich tijdens de vergaderingen bovendien beraden over een beslissing omtrent een (bij de raad) ingediende aanvraag om een besluit te nemen. 9.
De notulen moeten worden aangemerkt als documenten die zijn opgesteld ten behoeve van dit interne beraad.
10.
Het College wijst er hierbij op dat uit de memorie van toelichting bij de Wob volgt dat het interne karakter van een stuk wordt bepaald door het oogmerk waarmee het stuk is opgesteld.
Kamerstukken II 1986/87, 19859, nr. 3, p. 13. 11
Hiervan is ook sprake als men redelijkerwijs moet kunnen vermoeden dat het de bedoeling is om de stukken als voor intern beraad te beschouwen.
Kamerstukken II 1986/87, 19859, nr. 3, p. 14. 12.
In aanvulling hierop volgt uit de jurisprudentie van uw Afdeling dat een document een intern karakter heeft, als degene die het document heeft opgesteld de bedoeling heeft gehad dat dit zou dienen voor zichzelf of voor het gebruik door anderen binnen de overheid.
Zie bijv. ABRvS 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7753, r. o. 4.1 13.
Ook notulen van interne vergaderingen kunnen documenten zijn die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. Dit volgt uit de memorie van toelichting bij de Wob en de jurisprudentie.
3/6
Zie in dit verband Kamerstukken I11986/87, 19859, nr. 3, p. 13-14 en bijv. ABRvS
17 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL4132. 14.
Dat de notulen van de raadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 een intern karakter hebben en dat zij uitsluitend met het oog op gebruik binnen de gemeentelijke organisatie zijn opgesteld, blijkt uit het hoofd van de documenten, waar staat vermeld dat het gaat om 'vertrouwelijke notulen'. Naar de mening van het College kan hieruit redelijkerwijs worden afgeleid dat het uitdrukkelijk de bedoeling is geweest om de notulen te beschouwen als stukken voor het interne beraad over de afhandeling van de aanvraag om het bestemmingsplan te herzien. In dit kader is ook relevant dat de gemeenteraad ervoor heeft gekozen om in beslotenheid te debatteren over de vraag of planologische medewerking zou worden verleend aan deze herziening. De omstandigheid dat de notulen daarna met een oogmerk van vertrouwelijkheid zijn opgesteld is een logisch gevolg van die keuze.
15.
Kortom, de notulen zijn documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad als bedoeld in artikel 1 1, eerste lid, van de Wob. Om die reden dient de
openbaarmaking van die stukken te worden geweigerd, voor zover daarin persoonlijke beleidsopvattingen zijn neergelegd. III.
Persoonlijke beleidsopvattingen
16.
In artikel 1 onder f van de Wob is het begrip 'persoonlijke beleidsopvatting' gedefinieerd als: "een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten."
17
De beperking van de openbaarheid van persoonlijke beleidsopvattingen is bedoeld om te bereiken dat de betrokkenen bij de primaire vormgeving van het beleid in alle vrijheid hun gedachten en opvattingen naar voren kunnen brengen.
Kamerstukken II 1986/87, 19859, nr. 3, p. 38. 18.
Op deze manier biedt artikel 11 van de Wob bescherming aan een vrije, openhartige en onbelemmerde communicatie bij de voorbereiding van besluitvorming. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak beoogt artikel 1 1, eerste lid, van de Wob "ter bescherming van de vrije meningsvorming (... ) te verzekeren dat de bij de ontwikkeling van beleid van een bestuursorgaan betrokken personen in alle vrijheid en in een vertrouwelijke sfeer hun gedachten en opvattingen kunnen uiten zonder vrees voor gezichtsverlies".
Zie bijv. ABRvS 18 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4268, r. o. 2. 3. 1.
4, 6
19.
De notulen bestaan geheel uit persoonlijke beleidsopvattingen van de raadsleden die
bij de raadsvergaderingen aanwezig waren. Tijdens de vergaderingen hebben de betrokken raadsleden (en de wethouder) namelijk hun opvattingen gedeeld over de vraag of in dit geval planologische medewerking zou moeten worden verleend. Om in alle vrijheid hun gedachten en opvattingen naar voren te kunnen brengen en daarmee een vrije, openhartige en onbelemmerde communicatie te fadliteren, heeft deze beraadslaging achter gesloten deuren plaatsgevonden. De deelnemers aan de vergadering hebben elkaars standpunten doorgesproken en bediscussieerd. Deze
discussie is vervolgens in de notulen vastgelegd, waarbij per raadslid is weergegeven welke punten tijdens de vergaderingen naar voren zijn gebracht. 20.
Artikel 11, eerste lid, van de Wob beoogt deze vrije meningsvorming te beschermen.
Om die reden kan de openbaarmaking van de notulen van deze vergadering met een beroep op dat artikel worden geweigerd. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat de notulen een uitgebreid verslag betreffen van de standpunten die door de raadsleden
naar voren zijn gebracht. Naar de mening van het College ligt een gedeeltelijke openbaarmaking van de notulen dan ook niet in de rede. IV. 21.
De bestreden uitspraak is gebrekkig onderbouwd Naar de mening van het College heeft de rechtbank haar standpunt dat artikel 11,
eerste lid, van de Wob in dit geval niet van toepassing is, gebrekkig onderbouwd. 22.
In de tussenuitspraak overweegt de rechtbank dat artikel 1 1, eerste lid, van de Wob
niet bedoeld is om politieke debatten tussen een wethouder en een gemeenteraad geheim te houden. De rechtbank suggereert daarmee dat dergelijke politieke debatten
nooit onderdeel uit kunnen maken van een intern beraad. Die suggestie is onjuist. Het is immers heel goed mogelijk dat het College en de raad gezamenlijk overleggen over de beslissing omtrent een aanvraag om een besluit te nemen. Op grond van artikel 1 onder b van de Wob kan in zo'n geval worden gesproken van een 'intern beraad',
omdat daaronder uitdrukkelijk ook wordt verstaan het beraad binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid. Het College en de raad dragen een gezamenlijke
verantwoordelijkheid voor de planologische besluitvorming. Bovendien is het College in algemene zin bevoegd om de besluitvorming door de raad voor te bereiden (artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet).
23.
In de overwegingen van de rechtbank uit de tussenuitspraak ligt bovendien de gedachte besloten dat alleen sprake is van intern beraad als bestuursorganen zich laten adviseren door hun ambtenaren. Die gedachte staat haaks op de definitie van 'intern beraad' uit artikel 1 onder c van de Wob. Daarin is immers bepaald dat het gaat om beraad binnen een bestuursorgaan. Bovendien gaat de gedachte voorbij aan de jurisprudentie van uw
Afdeling dat ook bestuurlijke overleggen over de beslissing omtrent een aanvraag om
5 / 6
een besluit te nemen zijn aan te merken als een beraad over een bestuurlijke aangelegenheid.
24.
Dat de gemeenteraad op grond van artikel 25 van de Gemeentewet de bevoegdheid heeft om geheimhouding op te leggen, maakt dit niet anders. Deze bevoegdheid is immers uitsluitend van toepassing op de belangen die worden genoemd in artikel 10 van de Wob. Als deze geheimhoudingsregeting niet van toepassing is, moet de Wob worden
toegepast en kan artikel 1 1, eerste lid, van de Wob aan openbaarmaking in de weg staan.
Zie bijv. ABRvS 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:105. 25.
In de einduitspraak wordt daarom niet draagkrachtig gemotiveerd waarom de notulen geen documenten kunnen zijn die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad.
V.
Conclusie
26.
Gelet op het voorgaande verzoeken wij u om:
a.
het hoger beroep van het College tegen de bestreden uitspraak gegrond te verklaren;
b.
de bestreden uitspraak te vernietigen voor zover die uitspraak betrekking heeft
c.
op de weigering van het College om de notulen openbaar te maken; doende wat de rechtbank had behoren te doen, het door
ingestelde beroep tegen het besluit van 9 met 2019 in zoverre ongegrond te verklaren.
27.
Het griffiegeld kan worden geboekt in de rekening-courantverhoudingdie ons kantoor met uw Afdeling onderhoudt (debiteurnummer 900140).
Hoogachtend,
6 ,6
m
DCP FCLT2
BULAGE 1
uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/2391-E
uitspraak van de enkelvoudige kamer van l juli 2020 in de zaak tussen , te
%^.^
eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder
(gemachtigden: mr. S. F. Supusepa en A. de Hoogh). Procesverloop
Bij besluit van 14 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om
openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk ingewilligd.
Bij besluit van 9 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser
ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
(kt onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2020. Eiser is verschenen.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te
stellen ontbrekende geheime stukken alsnog aan de rechtbank toe te sturen. Na ontvangst van deze stukken heeft de rechtbank het onderzoek op 11 maart 2020 gesloten en partijen meegedeeld dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan,
Bij tussenuitspraak van 7 april 2020 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de
gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met nachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het
bestreden besluit te herstellen.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze(de zienswijze)gegeven. De rechtbank heeft het onderzoek op 3 juni 2020 gesloten en bepaald dat een nadere zitting
achterwege blijft.
—--
-.—..o
zaaknummer: UTR 19/2391-E
blad 2
Overwegingen
!
Deze uitspraak bouvvl voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de
tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt
overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud
gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011 :BR5704) en 15
2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
2, In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder voor een aantal documenten onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze niet openbaar gemaakt kunnen worden.
3.
In haar aanvullende motivering van 6 mei 2020 heeft venveerder besloten de documenten
Bijlage B, Bijlage D en de concept-rapportage van Burcau BTL alsnog openbaar te maken. Verweerder heeft deze documenten bij haar briefvan 6 mei 2020 gevoegd. De rechtbank constateert echter dat verweerder een ander document dan Bijlage B bij de briefvan 6 mei
2020 openbaar heefl gemaakt, namelijk een Adviesnota van de gemeente Soest van 10 juni
2009. Dit document valt, getet op de datum, niet binnen de reikwijdte van het Wob-verzoek van eiser. Venveerder zal dus over Bijlage B alsnog een besluit moeten nemen met inachtneming van wat hierover in de tussenuitspraak is overwogen. 4. Over de openbaar gemaakte concept-rapportage van Bureau BTL merkt de rechtbank op
dat dit een andere versie is dan de versie die verweerder aan de rechtbank heeft verstrekt.
Over de versie die verweerder aan de rechtbank heeft verstrekt (met bijgehouden wijzigingen zichtbaar) moet verweerder dus ook nog een besluit nemen met inachtneming van hetgeen hierover in de tussenuitspraak is ovem'ogen.
5. Wat betreft de notiilen van de raadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 20 16
heeft verweerder nogmaals gemotiveerd waarom artikel 11, eerste lid, van de Wob zich tegen
openbaarniaking verzet. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak echter al geoordeeld dat artikel 11. eerste lid. van de Wob niet aan de weigering tot openbaannaking ten grondslag kan worden gelegd. De vveigeringsgrondvan artikel II, eerste lid, van de Wob strekt er niet toe
politieke debatten tussen een v\eThouder en een geineenteraad geheim te houden. De rechtbank blijft hierbijen ziet geen reden om terug te komen van dit oordeel. üp grond van artikel 23 vaii de Gemeentewet kan de gemeenteraad vergaderen achter gesloten deuren en besluiten het verslag van de vergadering niet openbaar te maken, wanneer ten minste een vijfde van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt, üp grond van artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet kan de
gemeenteraad, op grond van een belang genoemd in artikel 10 van de Wob, geheimhouding opleggen. Gesteld noch gebleken is dat verweerder toepassing heefl gegeven aan deze artikelen. De weigering tot openbaannaking van de notulen van de raadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 heeft verweerder dus nog steeds onvoldoende gemotiveerd. 6. Eiser merkt in zijn zienswijze op dat de rechtbank in de tussenuitspraak niet heeft geoordeeld over andere stukken dan de hiervoor genoemde en de vraag niet heeft beantwoord of de integriteit van de overheid in geding komt en of dat zwaarder moet \\egen dan
zaaknummer: UTR 19/2391-E
blad 3
artikel 11 van de Wob. Ter voorlichting van eiser merkt de rechtbank hierover op dat de
rechtbank over de weigeringtot openbaarniakingvan de andere stukken heeft geoordeeld in
rechtsovemegingen 6 en 9 van de tussenuitspraak. De rechtbank heeft daar geoordeeld over de vraag of verweerder aan de weigeringtol openbaannaking terecht artikel 11 van de Wob ten
f.°"d!1^heeft 8flegd'De vraa8 ofde integriteitvan de overheid in het geding is,speelt bij'de beoordeling van deze vraag geen rol.
. ?el^t op de'" d! tllssenuilsP'"aal< geconstateerde gebreken, ishet beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de openbaarmaking van Bijlage '
concePt-raPPOrtage van Bureau BT1. en de notulen van de raadsvergaderingen van 28
januari 2016 en 24 maart 2016 is geweigerd.
8. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtgevolgen in stand te laten of zelfin de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen omdat dat naar het zich taat aanzien geen doelmatige en efficiënteafdoeningsvvijze
zou inhouden Verweerder moet daarom een nieuwbesliiitnemen met inachtneming van
deze uitspraak en de tussenuitspraak, Dat betekent dat verweerder in dat besluit de
documenten Bijlage B, de concept-rapportage van Bureau BTL en de notulen van'de raadsvergaderingen van 28 januari 2016en 24 maart 2016 openbaar moet makenofmoet
motiveren welke weigeringsgrond zich daartegen verzet. De rechtbank stelt hien'oor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaan. bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
10. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
zaaknummer: UTR 19/2391-E
blad 4
Beslissing De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de openbaarmaking van Bijlage B,
de concept-rapportage van Bureau BTL en de notulen van de raadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 zijn geweigerd;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak
een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174, - aan eiser te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijii, rechter, in aanwezigheid van mr. M. L. Bressers, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 1 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare
uitsprakenzining. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is. wordt deze uitspraak.
voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier
\ Afschrift verzonden aan partijen op;
0^2 JUL 2020 Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoiier beroep worden ingesteld bij de Afdeliiig bestuursrechtspraak van
de Raad van Slate.
Voor kopie conform De Griffier
Uo
K(ü
Ln
15 s n?
ei CO ss (U
4-'
/ï\
c!ül
s
r^ t
< o
II
"o
n
i
:1 •s
i 0'.
1^
00 c
ro
<
z
CK Sll. tld
§
§
Uflïï DCP fCLT2
BIJLAGE 2
tussenuitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht
^Te\
Bestuursrecht
^'~K
?<iaknummer: UTR 19/2391
%A
^
^-/VED^^
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2020 in de zaak tussen te
eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest. ver\veerder (gemachtigden: mr. S. F. Siipusepaen A. de Koogli). Procesvei-loop
Bij besluit van 14 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om
openbaarmaking van docuinenlen op grond van de Wet opeiibaarlieid van bestuur (Wob) gedeeltelijk ingewilligd.
Bij besluit van 9 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft vemeerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegeii het bestredcii besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
I^et onderzoek ter zittingheeft plaatsgevonden op 27 januari 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De rechtbank heeft hel onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te
stellen ontbrekende geheime stukken alsnog aan de rechtbank toe te sturen. Na ontvangst van
deze stukken heeft de rechtbank liet onderzoek op 11 maart 2020 gesloten en partijen ineegedeeld dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan. Ovcnvegiiigcn
I. Op 14 november 201 8 heeft eiser een Wob-verzoek ingediend. H ij vraagt om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op het bouwperceel aan de Dr. de Voslaan in Soest.
2. Eiser heeft zijn verzoek uitgesplitst in 14 onderdelen. Eisers verzoek spitst zich toe op de iiodilenvan de hesloten raadsvergaderingen van 28 januari 2016 (onderdeel 1) en 24 maart 2016 (onderdeel 6) en alle daaraan ten grondslag liggende stukken. Deze stukken heeft eiser als volgt benoemd: alle geheime of vertrouwelijk adviesnota's uit de collegeperiode 2014 t/m
zaaknummer: UTR 19/2391
blad 2
2016 (onderdeel 2), de memo's ten behoeve van de raadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 (onderdelen 4 en 7) en alle bijlagen hierbij (onderdelen 5 en 8) en eventuele
aanvullende toelichtingen ^onderdeel 9). Verder heeft eiser verzocht om openbaarmaking van de opdraclit aan Bureau BTL tot het uitvoeren van eeii Boom Effect Analyse en de
correspondentie hierover (onderdelen lOen 11) en het concept rapport van Bureau BTL
(onderdeel 12).
3. Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat onderdelen l (het negatieve bouwadvies van bureau Rho) en 13 (verkennend bodemonderzoek) openbaar zijn gemaakt. Wat betreft onderdeel 14 (asbestonderzoek) heeft de rechtbank vastgesteld dat geen asbestonderzoek heeft plaatsgevonden en dat er dus geen stukken van zijn. Op deze onderdelen van het Wob-verzoek van eiserzal de rechtbank daarom verder niet ingaan. 4. Na ontvangst van de (aanvullende) geheime stukken stelt de rechtbank vast dat er veel
overlap bestaat tussen de verschillende onderdelen. Dit bleek nietduidelijk uit het primaire besluit noch uit het bestreden besluit, maar de rechtbank houdt het ervoor dat zij nu beschikt over alle documenten die binnen de reikwijdte van de onderdelen van eisers verzoek vallen.
Omwille van de leesbaarheid zal de rechtbank hierna de documenten afzonderlijk bespreken, los van de vraag onder welk onderdeel van het verzoek ze zijn te rangschikken.
Adviesnota 's. memo 's. concept-raadsvoorslel en daarbij behorende bijlagen. 5. Het gaat om de volgende dociimenten;
- een adviesnota van 13 oktober 2015 met memo van l oktober 2015 en 4 bijlagen, te weten: I. Afdelingsuitsprakenvan l augustus 2012 en 13 november 2013; II. een adviesnota van 25 november 2014;
III. een nota van februari 2014 en
IV. een adviesnota van l l juni 2014; - een concept-raadsvoorstel van 7 januari 2016;
- een adviesnota van 25 februari 2016 met mümo van 8 maart 2016 met 4 bijlagen A. Matrix beleidskaders nu en 2009; B. Besluit 2009;
C. Bomenonderzoek en BEA en een
D. Gewijzigde verbeelding.
Vem'eerder heeft al deze documenten geweigerd onder verwijzing naar artikel 11, eerste lid,
van de Wob Het gaat volgens hem om ambtelijke adviezen met voorstellen tot bestuurlijke besluitvorming.
6
Over de adviesnota van 13 oktober 2015, het memo van l oktober 2015 en bijlagen II en
III, het concept-raadsvoorstel van 7 januari 2016, de adviesnota van 25 februari 2016 en het
memo van 8 maart 2016 is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze documenten heeft kunnen weigeren op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob. De rechtbank licht dat hierna toe.
7. Op grond van artikel 11, eerste lid van de Wob kunnen documenten voor intern beraad die
persoonlijke beleidsopvattingen bevatten worden geweigerd. Feitelijke gegevens zijn geen
persoonlijke beleidsopvartingen en kiinnen dus niet op grond van artikel 11. eerste lid, van de Wob worden geweigerd.
zaaknummer: UTR 19/2391
blad 3
Feitelijke gegevens kunnen wel zodanig met die opvattingen zijn verweven dat het niet
mogelijk is deze te scheiden. In dat geval kunnen ook die feitelijkegegevens met een beroep
op dit artikel worden geweigerd.
8. Na kennisneming van de documenten is de rechtbank van oordeel dat deze allemaal zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en dat daarin persoonlijkebeleidsopvattingenzijn opgenomen. In de nota's zijn voorstellen van een ambtenaar tot te nemen besluiten door het
college van burgemeester en wethouders neergelegd. Met de voorgestelde besluiten geeft de ambtenaar zijn persoonlijkebeleidsopvattingweer en de argumenten die hij daarvoor heeft.
Voor zover in de documenten ook feiten zijn opgenomen, zijn deze dermate nauw met de persoonlijke beleidsopvattingen verweven, dat liet niet mogelijk is deze te scheiden, zodat ook
deze niet een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob kunnen worden geweigerd.
9. Bijlage IV is een adviesnota van een externe adviseur. Ook deze nota is opgesteld met het oogmerk te dienen voor intern beraad en bevat ovenvegend persoonlijke beleidsopvattingen.
Niet gebleken is verder dat de externe derde een ander belang heeft dan hel bestuursorgaan
vanuit de eigen ervaring en deskundigheid een opvatting te geven. Dit betekent dal verweerder
ook dit document op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob heeft kunnen weigeren. 10. Ter zittingheeft de reclitbank vastgesteld dat Bijlagen A en C al openbaar zijn,zodat de
rechtbank hierover niet hoeft te oordeleii. Ook voor Bijlage l geldt dat deze uitspraken
openbaar zijn, zodat de rechtbank ook hierover niet zal oordelen.
11. Over Bijlage B overweegt de rechtbank dat dit document niet enkel persoonlijke beleidsopvattingen bevat. Het document bevat passages die niet als persoonlijke
beleidsopvattiiig7,ijn te kwalificerenen die ook niet demiate nauw zijn verweven met de persoonlijke beleidsopvattingen die er ook in staan, dat ze daarvan niet zouden kunnen worden
gescheideii.Verweerder heeft diis ten onrechte het volledige document op grond van artikel 11 , eerste lid, van de Wob geweigerd. Over Bijlage D overweegt de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit document op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob kan worden geweigerd. Op hel eerste oog is niet duidelijk of dit document is opgesteld ten behoeve van intern beraad én hoe de inhood ervan begrepen kan worden als een persoonlijke beleidsopvatting. Verweerder moet dit alsnog motiveren. Notulen besloten raadsvergüderingen 12. Wat betreft eisers verzoek om openbaamiakingvan de notulen van de besloten
raadvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 heeft verweerder aan de weigering tot openbaarmaking artikel 11, eerste lid. van de Wob ten grondslag gelegd. De notulen
vormen de verslagleggingvan uitsluitend persoonlijkebeleidsopvattingenten behoeve van
intern beraad. De notulen van de besloten raadsvergaderingen zijn naar hiin aard bedoeld om intern te blijven. Zij bevatten een politiek debat tussen de wethouder en de raad. Een goede
democratische bestuursvoering is niet gediend met geanonimiseerdeopenbaarmakiiig,aldus verweerder.
13. De rechtbank overweegt hierover dat deze motivering de weigeringtot openbaarmaking
niet kan drageii. Geslüld nocli gubleken is dal de notuleii ^ijiiopgesteld ter verdere interne beraadslaging. Dat de notulen de verslaglegging zijn van uitsluitend persoonlijke beleidsopvattingen, is onvoldoende voor een geslaagd beroep op artikel 1 l, eerste lid, van de
zaaknummer: UTR 19/2391
blad 4
Wob. 14et artikel strekt ertoe om een vrije gedachtewisseling binnen overheden mogelijk te maken in die zin dat ambtenaren de mogelijkheid moeten hebben hun opvattingen te uiten en voorstellen te doen zonder dat zij daarmee achterafworden geconfronteerd. Bestuurders moeten zich in vrijheid en vertrouwelijkheid kunnen laten adviseren door hun ambtenaren
zonder dat zij daar naderhand op kunnen worden aangesproken. Deze weigeringsgrond is er dus niet voor om politieke debatteii trssen een wethouder en een gemeenteraad geheim te
houden. Ter zitting heeft verweerder zich er nog op beroepeiidat er een precedennverking uit
zou konnen gaan van openbaarmaking, maar dit is nietaan het primaire en het bestreden besluit ten grondslag gelegd en ook overigens onvoldoende nader toegelicht en onderbouwd. Dit betekent dat verweerderde weigeringtot openbaarmaking van de notulen onvoldoende lieeft onderbouwd.
Boom Effect Ancdyse en daarhij behorende correspomlenüe 14. Eisers verzoek ziet ook nog op de opdracht tot het uitvoeren van een Boom Effect Analyse
aan Bureau BTL en de correspondentiedaarover tussen de ambtenaar en Bureau BTL. Een
e-inailbericht van 3 februari 2016 waarin de opdracht wordt gegeven aan Bureau BTL is openbaar gemaakt met uitzonderingvan de persoonsgegevens.De rechtbank is van oordeel dat verweerder het belang van de eerbiedigingvan de persoonlijkelevenssfeerzwaarder heeft
kiinnen laten wegen dan het belang van openbaarheid van deze gegevens. Hetzelfde geldt voor
de persoonsgegevens die zijii weggelakt in de correspondentie die daarop is gevolgd. Het emailbericht van 11 febmari 2016 is een reactie op de concept-rapportage van Bureau BTL.
Ook dit e-mailbericht is grotendeels openbaar gemaakt met uitzondering van enkele passages
die verweerder op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob heeft geweigerd. Na kennisneniingvan dit e.inailbericliten de vveggelakte passages is de rechtbank van oordeel dat dit e-mailbericht is opgesteld ten behoeve van intern beraad en dat de weggelakte passages
persoonlijke beleidsopvattingen van de ambtenaar bevatten. Verweerder lieeftdeze passages
dan ook op deze grond kunnen weigereii. Concept-rapporl Biireau BTL
15. Eiser heeft tot slot om opcnbaamiaking gevraagd vaii het concept rapport van Bureau
BTL. Zowel in het primaire als het bestreden besluit heeft verweerder dit document niet
genoemd. De rechtbank lieeft liet echter wel aangetroffen bij de stukken die met toepassing van artikel 8:29 van de Avvb zijn ingediend. Ter zittiiigheeft verweerder artikel 11, eerste lid, van de Wob aan de weigering tot openbaarmakiiig ten grondslag gelegd. Na kennisneming van het document kan de rechtbankwel vaststellen dat het document is opgemaakt ten behoeve van intern beraad, maar omdat niet alle passages als persoonlijke beleidsopvatting kiinnen worden geduid, zal verweerder toch eerst nioeten motiveren voor welke passages hij een beroep doet
op artikel 11, eerste lid, van de Wob.
16. Zoals hiervoor is overwogen onder reditsoveroegingen 11, 13en 15 is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:5 la, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in liet bestreden besluit te herstellen ofte laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenlieid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering. De rechtbank bepaalt de tennijn waarbinnen venveerder de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending vaii deze tiissenuitspraak.
zaaknummer: UTR 19/2391
blad 5
17. Verweerder moet op grond van artikel 8:51 b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze
vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen hvee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als
verweerder gebruik maakt van die gelegenheid,zal de rechtbank eiser in de gelegenheidstellen binnen vier weken te reageren op de herstelpogingvan verweerder. In beginsel,ook in de
situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
18. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing De rechtbank:
draagt verweerder op binnen tvvee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik
maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraakde gebreken te herstellen met inachtnemingvan de overwegingenen aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
houdt iedere verdere beslissingaan.
Deze uitspraak is gedaan op 7 april 2020 door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid
van mr. M. L. Bressers, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting.Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt de uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
p e conform
griffier
e
er
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan p
" n op:
2020
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
_1
z LH o
Q-
r?
l
eu
ca
>aj
31
£
Ifl
n? m <ƒ) 3
s <£
o
a.
<H l
< o
"o
l<u +-1
Q>
&D c
f0
<
z
Q: