4a .eH Einduitspraak Rb Wob verzoek.pdf
Tekst van het document
de Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland | | AANTEKENEN | | PER POST | | PER FAX (035) 609 37 34
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest Postbus 2000 3760 CA Soest
Bestuursrecht
bezoekadres Vrouwe Justitiaplein 1 3511 EX Utrecht
datum onderdeel
2 juli 2020 Team 3
contactpersoon doorkiesnummer ons kenmerk uw kenmerk
zaaknummer UTR 19/2391 WOB VI80 2142882
bijlage(n) faxnummer afdeling onderwerp
(088)361 04 51 het beroep van
correspondentieadres Postadres: Postbus 16005, 3500 DA Utrecht t 088 36 20000 f Algemeen (088) 361 04 51 Voorlopige Voorzieningen (088) 361 04 52 www. rechtspraak, nl
Bij beantwoording de datum en ons kenmerk vermelden. Wilt u slechts één zaak in uw brief behandelen.
Geachte heer/mevrouw, Over het beroep met zaaknummer UTR 19/2391 WOB VI80 deel ik u het volgende mee. De rechtbank heeft uitspraak gedaan. Ik stuur u een kopie van de uitspraak. Indien in deze uitspraak wordt verwezen naar een uitspraak met een ECLl-nummer, is de tekst van de betreffende uitspraak onder dat nummer gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. In uw beroepschrift moet u vermelden waarom u het niet eens bent met de uitspraak. U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op vvww.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep. Als u naar aanleiding van deze brief vragen hebt, kunt u contact opnemen met de administratie van de rechtbank op het hierboven vermelde doorkiesnummer. Als u de rechtbank belt of schrijft, verzoek ik u het zaaknummer te vermelden. Hoogachtend,
gnffi
BE022
uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 19/2391-E uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2020 in de zaak tussen , te
, eiser
en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder (gemachtigden: mr. S.F. Supusepa en A. de Hoogh). Procesverloop Bij besluit van 14 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk ingewilligd. Bij besluit van 9 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen ontbrekende geheime stukken alsnog aan de rechtbank toe te sturen. Na ontvangst van deze stukken heeft de rechtbank het onderzoek op 1 1 maart 2020 gesloten en partijen meegedeeld dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan. Bij tussenuitspraak van 7 april 2020 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven. De rechtbank heeft het onderzoek op 3 juni 2020 gesloten en bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
zaaknummer: UTR 19/2391-E
blad 2
Overwegingen 1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 201 I (ECLI:NL:RVS:2011 :BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694). 2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder voor een aantal documenten onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze niet openbaar gemaakt kunnen worden. 3. In haar aanvullende motivering van 6 mei 2020 heeft verweerder besloten de documenten Bijlage B, Bijlage D en de concept-rapportage van Bureau BTL alsnog openbaar te maken. Verweerder heeft deze documenten bij haar brief van 6 mei 2020 gevoegd. De rechtbank constateert echter dat verweerder een ander document dan Bijlage B bij de brief van 6 mei 2020 openbaar heeft gemaakt, namelijk een Adviesnota van de gemeente Soest van 10 juni 2009. Dit document valt, gelet op de datum, niet binnen de reikwijdte van het Wob-verzoek van eiser.
Verweerder zal dus over Bijlage B alsnog een besluit moeten nemen met inachtneming van wat hierover in de tussenuitspraak is overwogen. 4. Over de openbaar gemaakte concept-rapportage van Bureau BTL merkt de rechtbank op dat dit een andere versie is dan de versie die verweerder aan de rechtbank heeft verstrekt. Over de versie die verweerder aan de rechtbank heeft verstrekt (met bijgehouden wijzigingen zichtbaar) moet verweerder dus ook nog een besluit nemen met inachtneming van hetgeen hierover in de tussenuitspraak is overwogen. 5. Wat betreft de notulen van de raadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 heeft verweerder nogmaals gemotiveerd waarom artikel 11, eerste lid, van de Wob zich tegen openbaarmaking verzet. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak echter al geoordeeld dat artikel 11, eerste lid, van de Wob niet aan de weigering tot openbaarmaking ten grondslag kan worden gelegd. De weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob strekt er niet toe politieke debatten tussen een wethouder en een gemeenteraad geheim te houden. De rechtbank blijft hierbij en ziet geen reden om terug te komen van dit oordeel.
Op grond van artikel 23 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad vergaderen achter gesloten deuren en besluiten het verslag van de vergadering niet openbaar te maken, wanneer ten minste een vijfde van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet kan de gemeenteraad, op grond van een belang genoemd in artikel 10 van de Wob, geheimhouding opleggen. Gesteld noch gebleken is dat verweerder toepassing heeft gegeven aan deze artikelen. De weigering tot openbaarmaking van de notulen van de raadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 heeft verweerder dus nog steeds onvoldoende gemotiveerd. 6. Eiser merkt in zijn zienswijze op dat de rechtbank in de tussenuitspraak niet heeft geoordeeld over andere stukken dan de hiervoor genoemde en de vraag niet heeft beantwoord of de integriteit van de overheid in geding komt en of dat zwaarder moet wegen dan
zaaknummer: UTR 19/2391-E
blad 3
artikel 11 van de Wob. Ter voorlichting van eiser merkt de rechtbank hierover op dat de rechtbank over de weigering tot openbaarmaking van de andere stukken heeft geoordeeld in rechtsoverwegingen 6 en 9 van de tussenuitspraak. De rechtbank heeft daar geoordeeld over de vraag of verweerder aan de weigering tot openbaarmaking terecht artikel 1 1 van de Wob ten grondslag heeft gelegd. De vraag of de integriteit van de overheid in het geding is, speelt bij de beoordeling van deze vraag geen rol. 7. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de openbaarmaking van Bijlage B. de concept-rapportage van Bureau BIL. en de notulen van de raadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 is geweigerd. 8. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. Dat betekent dat verweerder in dat besluit de documenten Bijlage B.
de concept-rapportage van Bureau BIL en de notulen van de raadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 openbaar moet maken of moet motiveren welke weigeringsgrond zich daartegen verzet. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. 9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. 10. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
zaaknummer: UTR 19/2391-E
blad 4
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de openbaarmaking van Bijlage B, de concept-rapportage van Bureau BTL en de notulen van de raadsvergaderingen van 28 januari 2016 en 24 maart 2016 zijn geweigerd; draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. ML. Bressers, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 1 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
\ Afschrift verzonden aan partijen op:
0*2 JUL202I) Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Voor kopie conform De Griffier
PostNL Port Betaald Port Payé Pays-Bas
de Rechtspraak
Postop rekening
Rechtbank Midden-Nederland
R
Aangetekend
Postbus 16005, 3500 DA Utrecht
3SRRC13942333
G-A-l
Port Betaald Port Payé Pays-Bas
p'ostnl