CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Bijlage 3 Startnotitie mobiliteit

Informatieavond 23 maart 2023, gemeente SoestBij agendapunt: Startnotities Omgevingsprogramma’s Mobiliteit, Wonen, Werken, Energietransitie, Water/riolering en Groen en Landschap15.001 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3.5 Strategie en afwegingskader Met het omgevingsprogramma Mobiliteit willen we een aantal doelen bereiken. Deze doelen gaan over hoe we ons verplaatsen en het beïnvloeden van deze verplaatsingen. We onderscheiden in het programma straks meerdere strategieën om onze verplaatsingen te beïnvloeden, namelijk: 1. Reguleren, bijvoorbeeld met het parkeerbeleid. 2. Faciliteren, bijvoorbeeld door fietspaden aan te leggen. 3. Stimuleren, bijvoorbeeld via deelmobiliteit. 4. Zelf uitvoeren, bijvoorbeeld door als werkgever het goede voorbeeld te geven. We zetten daarbij ook verschillende instrumenten in. De kern van het uitvoeringsprogramma bestaat waarschijnlijk uit fysieke maatregelen in de openbare ruimte. Daarnaast zetten we ook juridische instrumenten in, zoals de parkeernota, en mogelijk ook financiële instrumenten, zoals subsidie voor voorlichting en educatie op scholen. We verwachten dat tijdens het proces een groot aantal maatregelen naar voren komt. Bij het samenstellen van het uitvoeringsprogramma maken we daarin keuzes, leggen we prioriteiten en scoren we de maatregelen op de volgende criteria: •

26

Oplossend vermogen: Draagt de maatregel bij aan één of meerdere doelen van het omgevingsprogramma Mobiliteit? Daarbij wegen ook negatieve effecten voor andere doelen van het omgevingsprogramma Mobiliteit of voor de doelen van andere omgevingsprogramma's mee.

•

•

•

• •

Draagvlak: Is er maatschappelijk (bij verschillende doelgroepen) en politiek draagvlak voor de maatregel? Zijn direct betrokkenen bereid om aan de maatregel mee te werken? Haalbaarheid: Is de maatregel voldoende concreet? Als dit niet het geval is, is de maatregel te vervangen door een vervolgonderzoek waarin de maatregel concreet gemaakt kan worden? Dit geldt met name voor maatregelen die we opnemen in het uitvoeringsprogramma 2024-2029. Uitvoerbaarheid: Is de maatregel vanuit het perspectief van de gemeente uitvoerbaar? Een nieuwe busverbinding ligt bijvoorbeeld buiten de rol van de gemeente, maar lobby voor een nieuwe buslijn is voor de gemeente wel uitvoerbaar. Kosten: Hoe duur is de maatregel en wie moet daarvoor betalen? Is de maatregel door de gemeente te financieren en is de maatregel kosteneffectief? Planning: Op welke termijn is de maatregel uitvoerbaar? We onderscheiden maatregelen in perioden van 6 jaar, namelijk 2024 t/m 2029, 2030 t/m 2035 en na 2035.

Op dit moment sluiten we nog geen maatregelen of oplossingsrichtingen uit, maar gaan (en staan) voor de gestelde doelstellingen en de hierbij behorende optimale aanpak. In de uitwerking van het omgevingsprogramma maken we vervolgens keuzes dan wel zullen we er voor kiezen sommige maatregelen te temporiseren/ achtereenvolgens te realiseren. Bij het prioriteren van maatregelen die op de bovenstaande criteria positief scoren, geven we volgens het STOMP principe prioriteit aan de uitvoering. Bij de keuze voor een te nemen maatregel moet over de grenzen van het programma Mobiliteit heen gekeken worden. Daarbij zullen maatregelen die ook bijdragen aan andere omgevingsprogramma's meer voor de hand liggen. Ook zal blijken dat niet op elke plek alle doelstellingen optimaal behaald kunnen worden en niet elke maatregel bijdraagt aan andere beleidsdoelstellingen buiten het programma Mobiliteit. Het koppelen van kansen verhoogt de effectiviteit van te nemen maatregelen. Daar waar belangen tussen de verschillende programma’s tegengesteld zijn, zullen bestuurlijk keuzes gemaakt moeten worden. Vooralsnog is het beeld van mogelijk tegengestelde belangen niet concreet, zo ook het afwegingskader niet. Op grond van de Global Goals is in 2016 een model ontwikkeld dat zou kunnen dienen als afwegingskader, de zogenaamde ‘Wedding cake’.

In dit model wordt uitgegaan van de randvoorwaardelijkheid van de biosfeer voor de maatschappij en economische activiteiten. Simpel gesteld: zonder aandacht voor de biosfeer is er eenvoudig geen maatschappij of economie meer mogelijk.

27

Wedding Cake bij de Global Goals

3.6 Eindresultaat Het omgevingsprogramma Mobiliteit wordt een compact, positief en inspirerend geschreven document. We zorgen voor een fris en visueel aantrekkelijk stuk door inzet van een grafisch vormgever en professionele fotografie. In het document krijgen een visiekaart en overzichtskaarten een centrale plek. Deze kaarten moeten lange lappen tekst helpen vervangen. In het stuk komen geen uitgebreide verantwoordingen en vakjargon proberen we zoveel mogelijk te vermijden. Onderzoeksresultaten en verantwoording van onze werkwijze komen waar mogelijk in bijlagen. In het omgevingsprogramma Mobiliteit staan de maatschappelijke doelen die we willen bereiken centraal en wordt aangegeven hoe we dit willen bereiken. Het uitvoeringsprogramma wordt eveneens een compact document waarin concrete acties/maatregelen benoemt worden die een bijdrage leveren aan de gestelde maatschappelijke doelen. Per actie/maatregel wordt aangegeven wat de kosten zijn en wanneer die uitgevoerd kunnen worden. Het uitvoeringsprogramma is eigenlijk een projectenlijst aan de hand van de zes doelen die in het omgevingsprogramma zijn gesteld. Het omgevingsprogramma Mobiliteit en het uitvoeringsprogramma worden tegelijkertijd vastgesteld.

Kostenverhaal De programma’s wonen en werken leiden uiteindelijk tot initiatieven en projecten, waarvoor allerlei maatregelen binnen het fysieke domein (vanuit de programma’s Groen, Water, Mobiliteit en Energietransitie) nodig zijn en waar dus kosten aan hangen. De gemeente is verplicht om deze kosten te verhalen op (woning)bouwprojecten. Lukt dat niet privaatrechtelijk (via een anterieure overeenkomst met bijvoorbeeld een ontwikkelaar) dan moet dat publiekrechtelijk. Indien gebruik wordt gemaakt van de publiekrechtelijke regeling

28

zal het bevoegde bestuursorgaan in het besluit dat de activiteit mogelijk maakt regels of voorschriften opnemen over het verhaal van kosten. We onderscheiden hierbij twee typen gebiedsoverstijgende kosten: − Kosten voor bovenwijkse voorzieningen waarvoor een PTP toets nodig is. PTP staat voor profijt, toerekenbaar, en proportionaliteit: heeft de ontwikkeling profijt van de investering, doe je de investering vanwege de ontwikkeling, en in hoeverre heeft de ontwikkeling profijt van de investering. Per ontwikkeling bepalen we het bedrag aan bovenwijkse voorzieningen in de zogenaamde kostenverhaalsbeschikking; − Financiële bijdrage. Naast het kostenverhaal kunnen we ook een financiële bijdrage vragen. Daar is niet per se een PTP toets nodig. Wel de functionele samenhang tussen de investering en de ontwikkeling die we vastleggen in de omgevingsvisie, (via het programma) richting een uiteindelijke vergunning of wijziging van het omgevingsplan. Ook rekenen we met de proportionaliteit van de investering. Per ontwikkeling is dit een vaste bijdrage per woning. Voorgaande tekst vloeit voort uit de (nieuwe) Nota Kostenverhaal, waarin uitgebreid wordt aangegeven hoe wij in onze gemeente om willen gaan met kostenverhaal en waarin een relatie wordt gelegd met de omgevingsprogramma's. De Nota Kostenverhaal wordt in dezelfde raadscyclus als de startnotities ter besluitvorming voorgelegd.

Via kostenverhaal kan vaak slechts een deel van de kosten verhaald worden. In de uitvoeringsparagraaf van het programma wordt tevens aangegeven hoe wij voornemens zijn om de resterende kosten te dekken.

29

4 Plan van Aanpak Dit hoofdstuk geeft antwoord op de organisatorische vraag hoe het programma tot stand komt. De vaststelling van dit hoofdstuk is in principe aan het college van B&W en ter kennisgeving voor de gemeenteraad.

4.1 Globale aanpak Om tot het programma te komen onderscheiden we globaal vier fasen: Analysefase In de eerste fase na vaststelling van deze startnotitie doen we nader onderzoek op basis van de opdrachten voor dit programma in hoofdstuk 3. We onderzoeken hoe het staat met de mobiliteit in Soest en hoe zich dit verhoudt tot de doelstellingen van het programma. Welke trends en ontwikkelingen zien we op het gebied van mobiliteit, welke ontwikkelingen we daarnaast zien in de regio en in de nauw verbonden beleidsterreinen zoals economie, woningbouw en duurzaamheid? Dit brengen we in beeld en een samenvatting hiervan vormt straks het eerste inhoudelijke hoofdstuk voor het programma. Welke onderzoeken we precies doen in de analysefase staat uitgewerkt in paragraaf 4.2. Participatiefase Als tweede stap en deels parallel aan de analysefase brengen we in beeld wat inwoners, ondernemers, belangenverenigingen en andere belangrijke stakeholders vinden van de mobiliteit in Soest. Hoe waarderen zij de bereikbaarheid, de verkeersveiligheid en de leefbaarheid? En wat vinden zij belangrijke aspecten die een plek moeten krijgen in het programma? Daarnaast inventariseren we in de participatiefase alle mogelijke ideeën die er in de samenleving bestaan voor het uitvoeringsprogramma. De participatie staat verder uitgewerkt in paragraaf 4.4.

Ontwerpfase In de ontwerpfase stellen we een conceptprogramma Mobiliteit op. Dat doen we op basis van de kaderstelling en de opdracht uit deze startnotitie, aangevuld met de informatie die we verzamelen in de analyse en uit de participatie. Op welke trends en ontwikkelingen willen we inspelen en welke beleidskeuzes maken wij daarbij? We vertalen de zes hoofddoelen uit deze startnotitie in een strategie, meetbare subdoelen of indicatoren en wat we daarin willen bereiken en onder welke randvoorwaarden. Naast het omgevingsprogramma maken we in deze fase ook een uitvoeringsprogramma. Dit wordt een actieplan met concrete maatregelen om de doelstellingen die in het omgevingsprogramma Mobiliteit staan te realiseren. We brengen in beeld welke acties, plannen, welke fasering, en welke budgetten hiervoor nodig zijn. Een onderdeel daarvan is ook het monitoringsprogramma. In het uitvoeringsprogramma Mobiliteit trekken we integraal op met de uitvoeringsprogramma’s van de andere omgevingsprogramma’s. Dat betekent daar waar overlap is, wordt afgestemd welk omgevingsprogramma wat gaat doen.

30

Besluitvormingsfase Het omgevingsprogramma en het uitvoeringsprogramma vormen uiteindelijk één geheel en kunnen niet zonder elkaar. We stellen ze daarom ook tegelijk vast. Voordat we dat kunnen doen volgt eerst een zienswijzeprocedure. In die periode kan iedereen nog aandachtspunten meegeven. In de zienswijzennota geven we aan hoe we de input die we in deze fase krijgen meenemen in het definitieve programma. Dat programma leggen we ter besluitvorming voor.

4.2 Onderzoek, informatie en kwaliteit Inzichtelijk maken van wandel, fiets en OV-knelpunten Op basis van een kwalitatieve knelpuntenanalyse bekijken we waar de grootste knelpunten in de wandel-, fiets- en ov-infrastructuur zich voordoen. Daarbij gaan we in op de vijf hoofdeisen voor een vriendelijk wandel-, fiets-, en OV-infrastructuur (aantrekkelijkheid, comfort, directheid, samenhang en veiligheid). Voor deze analyse gebruiken we onder andere ongevallengegevens en de verkeersveiligheidsmeter van de provincie. Inzichtelijk maken van knelpunten met het verkeersmodel Als tweede stap in de analysefase bekijken we met behulp van het Verkeersmodel Regio Amersfoort hoe het wegennet voor de auto in 2040 functioneert. Het verkeersmodel wordt hiervoor op dit moment al geactualiseerd. Knelpunten in de verkeersveiligheid en autobereikbaarheid die hieruit naar voren komen, kunnen we meenemen bij het opstellen van het (uitvoerings)programma. We kijken daarbij ook naar de (toekomstige) knelpunten in de wegcapaciteit die we al kennen: - Capaciteit van de Birkstraat en Amersfoortsestraat - Capaciteit op de kruispunten Koningsweg/Beckeringhstraat/Biltseweg Verkeersstructuur en 30 kilometer per uur als standaard in de bebouwde kom De functies van wegen in Soest en de hoofdwegenstructuur staan in een kaart in de omgevingsvisie.

In principe is deze kaart leidend bij de uitwerking in het omgevingsprogramma Mobiliteit. Deze kaart zegt echter nog niets over de inrichting van de wegen. Landelijk speelt de discussie om ook op hoofdwegen de maximumsnelheid te verlagen naar 30 kilometer per uur. We brengen daarom in beeld welke hoofdwegen ‘veilig 50’ zijn, welke hoofdwegen we veiliger kunnen inrichten op de maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en welke wegen op termijn mogelijk een lagere maximumsnelheid krijgen. Daarbij brengen we ook in beeld wat de gevolgen daarvan kunnen zijn voor omliggende straten. Daarnaast spelen op structuurniveau een aantal discussies waarvoor we alternatieven in beeld willen brengen: • Verlagen van de verkeersdruk in de winkelgebieden Van Weedestraat, Soesterbergsestraat en Rademakerstraat in relatie tot de verblijfskwaliteit. • Verlagen van de verkeersdruk op de Koninginnelaan tussen het busstation en het Nieuwerhoekplein in relatie tot de verkeersveiligheid.

31

Veranderen van de formele functie van de Dorresteinweg tussen de Koningsweg en de komgrens in relatie tot de eerdere afwaardering van de Wieksloterweg. Oversteekbaarheid en verkeersveiligheid rotondes In een korte analyse brengen we in beeld waar de oversteekbaarheid in het geding is en bij welke rotondes extra signalering (verlichting in het wegdek) inpasbaar is. Onderzoek naar stationsomgevingen en belangrijke OV-knooppunten De Regio Amersfoort is sinds het BO MIRT in oktober 2022 volwaardig partij in het rijk-regio programma U Ned. In het onderzoeksprogramma U Ned werken rijk, provincie en gemeenten samen aan maatregelen op het gebied van wonen, werken en bereikbaarheid. Het Ontwikkelbeeld Regio Amersfoort Centraal! vormt samen met Utrecht Nabij (van de U10) één verstedelijkingsstrategie. Daarin zijn metropoolpoorten opgenomen (Amersfoort en Utrecht) waar grootschalige verstedelijking plaatsvindt. Daarnaast zijn regiopoorten gedefinieerd. Dit zijn openbaar vervoer knopen in de regio waar tevens een deel van de groei wordt geaccommodeerd, maar waar ook kansen liggen als verbinding van de metropoolpoorten met vitale kernen, het buitengebied en de groenblauwe netwerken. Binnen de U Ned programmalijn Regiopoorten is afgelopen jaar een ruimtelijk programmatische verkenning uitgevoerd naar de potentie van de 8 regiopoorten uit “Utrecht Nabij” (U10).

De bevindingen geven inzicht in de kansen en potenties van regiopoorten. In de uitwerking is ook een doorkijk gemaakt voor de periode na 2030 en de verbinding met de Regio Amersfoort. Hierbij kwam onder andere de potentie van Soest en/of Soesterberg als mogelijke regiopoort naar voren. Omdat dit aansluit bij de opdracht voor de omgevingsprogramma’s wonen, werken en mobiliteit, willen we dit graag samen met U Ned en Regio Amersfoort verkennen. Onderzoeksvragen die hier aan de orde komen zijn bijvoorbeeld: - hoe we wonen en werken nabij OV-knopen kunnen versterken, waarbij verstedelijking wordt gecombineerd met een mobiliteitsprofiel gericht op lopen, fietsen en openbaar vervoer; - hoe knooppuntontwikkeling bijdraagt aan een betere HOV-ontsluiting van Soest/Soesterberg en het versterken van de Soesterlijn; - hoe OV-knopen in Soest (Soesterlijn, maar ook P+R Soesterberg of eventuele nieuwe knopen) bijdragen aan de bereikbaarheid van de Metropoolregio Utrecht, inclusief de toegankelijkheid van groene/blauwe gebieden. Toekomstperspectief Soesterlijn in beeld brengen We gaan in overleg met NS om te bespreken hoeveel reizigers nodig zijn om de directe spoorlijn Utrecht-Baarn duurzaam in stand te kunnen houden. De spoorlijn van Baarn naar Utrecht is belangrijk voor Soest omdat er vanuit Baarn een directe spoorlijn is met Hilversum en Amsterdam.

We willen, bij voorkeurs samen met de andere gemeenten langs de spoorlijn Utrecht-Baarn en de provincie Utrecht, een toekomstperspectief voor de Soesterlijn opstellen. De uitkomst hiervan vormt één van de bouwstenen voor het omgevingsprogramma Mobiliteit.

32

Wanneer er op lange termijn geen perspectief blijkt voor de Soesterlijn onderzoeken we welke alternatieven denkbaar zijn om de bereikbaarheid met het openbaar vervoer in stand te houden. Opstellen waardenkaart en ambitiekaart voor programma’s wonen en werken Het programma Mobiliteit moet input leveren voor de programma's wonen en werken. Mede op basis van de uitkomsten van ons verkeersmodel maken we op kaart inzichtelijk waar kansen liggen voor woningbouw. Dat betekent concreet waar in Soest is er ruimte voor woningbouw rekening houdend met de wegcapaciteit. Daarnaast maken we ambitiekaart. Daarin nemen we welke locaties het op basis van het STOMP-principe het meest geschikt zijn om woningen te bouwen. Lopen en fietsen hebben het meeste kans in de nabijheid van voorzieningen. Voor het maken van deze themakaarten wordt een GIS-specialist ingeschakeld, die ook vergelijkbare kaarten voor andere programma's gaat maken. Onderzoek welke mobiliteitsmaatregelen een grote bijdrage leveren aan de CO2-reductie Het verminderen van CO2 uitstoot van onze verplaatsingen is een van de zes doelstellingen in het omgevingsprogramma Mobiliteit. We gaan daarom onderzoeken welke maatregelen de meeste bijdrage leveren aan de CO2-reductie. Een verbod op brandstofscooters is daarin ook opgenomen. Dat is een concrete opdracht die we hebben meegekregen.

We brengen daarom in beeld hoeveel CO2 scooters in Soest uitstoten, in hoeverre een verbod een effectieve maatregel is die bijdraagt aan de doelstelling vanuit de energietransitie en of een verbod juridisch mogelijk is. Opstellen van een monitoringsprogramma De zes doelstellingen voor het omgevingsprogramma Mobiliteit in deze startnotitie zijn op zichzelf nog niet meetbaar. Daarom stellen we per doel indicatoren op waarmee we het effect van het beleid en de trends en ontwikkelingen wel in beeld kunnen houden. In het omgevingsprogramma Mobiliteit komen ook drie tussenevaluaties/monitoringsmomenten (2024-2029, 2030-2035 en 2036-2041). Een belangrijke vraag bij het opstellen van dit plan is hoe we bijvoorbeeld gedrag(sverandering) en het effect van ingrepen kunnen meten. Opstellen van ‘De Natuurlijke Aard’ van Soest Om ruimtelijk richting te kunnen gaan geven aan wat belangrijk is voor de gemeente (wat we willen) en hoe dat past in het ruimtelijk karakter van de Soest en Soesterberg, onderzoeken we wat de natuurlijke aard van Soest is. Het is een algeheel ruimtelijk onderzoek dat van kwantitatieve en kwalitatieve aard is en de ruimtelijke capaciteit definieert.

4.3 Programma-organisatie De vier wethouders treden gezamenlijk op als bestuurlijk opdrachtgever. De ambtelijk opdrachtgever is de manager ‘fysieke leefomgeving’. Het programma wordt opgesteld onder leiding van een regievoerder. In dit geval een medewerker uit het team mobiliteit. Daarbij zijn er de volgende overlegvormen: Stuurgroep De vier wethouders vormen een stuurgroep samen met een compact ambtelijk kernteam bestaande uit de ambtelijk opdrachtgever en de regievoerder van het programma en de

33

integrale regievoerder. Zij bespreken op regelmatige basis de belangrijkste issues die bij de totstandkoming van het programma naar voren komen. Programmateam In het programmateam zitten alle collega's van het cluster mobiliteit en als agendalid een communicatieadviseur en een financieel adviseur. Zij verdelen de werkzaamheden en voeren individueel of gezamenlijk deelopdrachten uit. Interdisciplinair team omgevingsprogramma's De regievoerders van de zes programma's wonen, werken, mobiliteit, water, energietransitie en groen & landschap vormen samen met een integrale regievoerder, eventuele adviseurs vanuit andere vakdisciplines en een ondersteuner een interdisciplinair team. In dit team wordt de integraliteit tussen de programma's geborgd. Bijeenkomsten interne organisatie Tijdens het opstellen van de omgevingsprogramma’s vindt op een aantal momenten een terugkoppeling en uitwisseling plaats met de interne organisatie. Dus niet alleen met de collega’s die zich bezighouden met de fysieke leefomgeving. Ook de collega’s uit het sociaal domein worden hierbij betrokken. Daarmee bereiken we een nog grotere samenhang tussen de verschillende programma’s, de andere thema’s uit het fysiek domein, de projecten van het projectbureau en de thema’s van het sociaal domein. Wij informeren de organisatie over waar we staan in het proces.

Daarnaast halen we relevante informatie op om tot integrale afwegingen te kunnen komen.

4.4 Participatie Omgevingsvisie Soest en Soesterberg Met het omgevingsprogramma dat volgt op deze startnotitie gaan wij gericht aan de slag met de doelen, ambities en kwaliteiten zoals opgenomen in onze omgevingsvisie. Voor die omgevingsvisie heeft tussen 2019-2021 ook al een uitgebreid participatietraject plaatsgevonden, waarbij vanaf het begin is gekozen voor een aanpak die uitging van het zo vroeg mogelijk betrekken van de samenleving en het bereiken van een zo divers en representatief mogelijke groep. De vraag die destijds voor lag is echter anders dan de vraag die nu voor ligt. In het visieproces was de vraag aan de samenleving: ‘Wat voor Soest en Soesterberg willen we zijn (in 2040)?’. De uitkomsten van dat proces zijn uiteindelijk vertaald naar onze omgevingsvisie (met onze doelen, ambities en kwaliteiten). Rond de programma’s stellen wij straks verdiepende vragen op die visie. Wij gaan (opnieuw) met de samenleving in gesprek, maar nu over de vraag hoe we die gestelde ambities en doelen willen bereiken? Ondanks dat de vraag aan de samenleving nu anders is, kunnen wij veel van de informatie en inzichten die in het traject van de omgevingsvisie zijn opgehaald ook gebruiken in de uitwerking naar de programma’s. Het gaat dan om input die is verkregen in zowel de ophaalfase (441 straatinterviews, 25 groepsinterviews met in totaal ca.

60 maatschappelijke partijen, aparte interviews met jongeren, vlogs en gesprekken met leerlingen van het Griftland en de Carolusschool en ca. 15 ambtelijke interviews) als in de vervolgfase, waarin samen met de samenleving is nagedacht over ideeën en oplossingen voor de opgaven uit de ophaalfase. De vervolgfase startte destijds met de Week van de Omgeving waarin fysieke en

34

digitale workshops werden gehouden rondom allerlei verschillende thema’s (ca. 250 deelnemers, waaronder 50 jongeren) en die gevolgd werd door een (laagdrempelige) internetconsultatie met ruim 30 polls over verschillende onderwerpen (1965 uitgebrachte stemmen en 225 geschreven reacties). Omgevingsprogramma We willen met het omgevingsprogramma Mobiliteit een bijdrage leveren aan de opgaven die in de Soester samenleving spelen. Van inwoners, belangenverenigingen en andere belangrijke stakeholders horen we graag welke knelpunten zij zien en welke oplossingen daarbij horen. We maken het beleid ten slotte niet voor onszelf. Daarnaast maken we ook graag gebruik van de ideeën van de mensen voor en met wie we dit allemaal doen. Integrale aanpak De participatie zetten we integraal op, voor alle zes de omgevingsprogramma’s tegelijk, omdat het traject tegelijk loopt en we deze zo optimaal mogelijk met elkaar willen verweven. Neemt niet weg dat de stakeholders per programma deels zullen verschillen, waardoor er voor diverse specifieke doelgroepen aparte bijeenkomsten nodig zullen zijn. Het voorstel is om een extern bureau in te schakelen voor het uitwerken en uitvoeren van de participatie. Vanuit de gemeente begeleidt de afdeling communicatie het traject, in nauwe afstemming met de regievoerder. Stakeholderanalyse: voor en met wie? We hebben helder wie onze stakeholders zijn.

Specifieke groepen voor mobilteit zijn bijvoorbeeld de fietsersbond, NS en Prorail en Veilig Verkeer Nederland. Ook hebben we inzichtelijk waar een overlap zit met stakeholders van andere programma’s. Bij mobiliteit zijn dat naast inwoners en omwonenden bijvoorbeeld ouderenbonden, ondernemers en scholen. Wat gaan we ophalen en hoe? We weten wie we welke vragen willen stellen. In onze participatie zoeken we ook naar de raakvlakken met de andere programma’s. Waar thema’s elkaar raken, bundelen we de vragen zodat we onze stakeholders maar één keer bevragen en niet apart voor de verschillende thema’s gaan overvragen. Het participatieplan met nadere uitwerking van de volgende instrumenten maken we in de analysefase. Bewoners - enquête Van bewoners willen we graag weten wat ze belangrijker vinden. Daarbij krijgen ze dan steeds een keus voorgelegd die aansluit bij de belevingswereld. Hierbij worden ze gevraagd een afweging te maken over wat belangrijker is, bijvoorbeeld meer parkeerplekken in de straat of meer groen? Minder hoogbouw of minder wateroverlast? Dergelijke keuzes helpen ons bij de beleidsafwegingen die we in de programma's maken. Als eerste stap in de participatiefase vragen we het inwonerpanel om hun mening. Daarmee kunnen we een representatief beeld geven van de mening van onze inwoners.

We vullen dit aan met een participatie-instrument dat specifiek gericht is op jongeren. We voorkomen daarmee dat we in de participatie alleen de mening van belangengroepen en inwoners met een bovenmatige interesse in het gemeentelijk beleid horen.

35

De vragenlijst bevat niet alleen vragen over mobiliteit, maar ook over wonen, werken, energie, water en groen. Omdat de participatie van deze omgevingsprogramma's op hetzelfde moment in de tijd loopt, bundelen we dit in één enquête. Dat geeft ons ook de kans om integrale afwegingen voor te leggen. Trede op de participatieladder: raadplegen. Bewoners - de markt op We willen de samenleving breed vragen om ons te voeden, zodat iedereen de mogelijkheid heeft om inbreng te leveren. Ook op de thema's bereikbaarheid, veiligheid en leefomgeving. Voor veel inwoners is beleid abstract. Het staat soms ver van het bed. Daarom maken we het zo concreet mogelijk. We vragen om maatregelen aan te leveren voor ons uitvoeringsprogramma. Dat zegt ook veel over de thema's die inwoners belangrijk vinden. Het idee is om concreet op de markt dan wel in de centrumgebieden en bij de supermarkten met een kraam te gaan staan. Zo bereiken we ook de mensen die niet zo snel naar een avond in het gemeentehuis komen. Inwoners leggen we keuzes voor en vragen we om een uitspraak. Hoe we dit precies gaan doen is ter uitwerking, we zullen zoeken naar een ludieke manier. Doel is in elk geval om op een laagdrempelige manier inwoners zich te laten uitspreken wat zij het belangrijkste vinden. Daarnaast willen we ook inwoners de mogelijkheid geven met concrete maatregelen en ideeën te komen. Dit zullen we faciliteren.

Trede op de participatieladder: raadplegen Bewoners – participatieplatform Denk mee over Naast het digitale inwonerpanel kunnen we ook ons digitale platform Denkmeeover.nl inzetten. Hier kunnen inwoners zelf informatie vinden over de programma’s, hun mening achterlaten en die van anderen zien. Deze participatietool zetten we regelmatig succesvol in. Waar in het inwonerspanel gezocht wordt naar gedeelde waarden en de vraagstelling een meer gesloten (meerkeuze) karakter heeft, biedt ‘Denk mee over’ alle ruimte voor creatieve en deskundige inbreng van inwoners. Op die manier combineren we de inbreng van mensen die géén bovenmatige interesse hebben in gemeentelijk beleid met de inbreng van specialisten, liefhebbers en andere belanghebbenden bij beleid. Ook draagt de tool bij aan de communicatie over het omgevingsprogramma Mobiliteit. Trede op de participatieladder: raadplegen Belangenverenigingen – drie themasessies Ten opzichte van het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan wordt het omgevingsprogramma Mobiliteit met drie nieuwe thema's uitgebreid, namelijk klimaat, inclusiviteit en gezond bewegen. Voor deze drie nieuwe thema's organiseren wij een werksessie met belangenverenigingen en andere belangstellenden. Tijdens deze sessies verkennen wij wat er in het omgevingsprogramma Mobiliteit zou moeten staan en mogelijke maatregelen die daarbij horen.

36

Klimaat Bij deze sessie nodigen we belangenverenigingen uit, zoals bijvoorbeeld de Soester Zakenkring, specialisten uit van MRA-E en aanbieders van deelmobiliteit. We zorgen ook voor aansluiting van medewerkers uit het team energietransitie van de gemeente Soest. Inclusiviteit De tweede sessie zoomt in op vervoerarmoede. We nodigen een brede groep deelnemers uit, zoals bijvoorbeeld ROCOV afdeling Amersfoort e.o., Buurtbusvereniging Soest e.o., het Ouderenfonds en ProRail. Een specifieke uitnodiging gaat naar de deelnemers van de mobiliteitscafés van het Ouderenfonds in 2022. We zorgen ook voor aansluiting van medewerkers uit het sociaal domein. Gezond bewegen Bij deze sessie nodigen we bijvoorbeeld de Fietsersbond, buurtsportcoaches en SWOS uit. We zorgen ook voor aansluiting van medewerkers uit het sociaal domein. Bij alle drie de themasessies zijn raadsleden welkom als toehoorder. Trede op de participatieladder: raadplegen Adviesorganen – aansluiten bij vergadering Binnen de gemeente kennen we een tweetal ruimtelijke adviesorganen die advies geven over een breed scala van ruimtelijke aspecten bij vergunningen, bestemmingsplannen en beleid. Dit zijn de commissie Ruimtelijke Kwaliteit en de adviescommissie Milieu en Ruimte. Vanuit de zes programma’s sluiten we aan bij een bijeenkomst van beide adviescommissies om hun advies in te winnen.

Trede op de participatieladder: adviseren Andere overheden - bestuurlijke gesprekken We voeren ook bestuurlijke gesprekken met de gedeputeerde van de Provincie Utrecht, de wethouders van de gemeenten Amersfoort, Baarn en Zeist en met de regiodirecteuren van NS en ProRail. Uiteindelijk moeten we ervoor zorgen dat het beleid van de gemeente Soest goed aansluit op de keuzes die door andere overheden en beleidsmakers worden gemaakt. Trede op de participatieladder: adviseren

4.5 Procedures Vaststelling In lijn met de Omgevingswet stellen burgemeester en wethouders omgevingsprogramma’s vast (Omgevingswet artikel 3.4). De gemeenteraad stelt de omgevingsvisie vast, zoals zij dat hebben gedaan in december 2021. Als op 1 januari 2024 (naar verwachting) de Omgevingswet in werking treedt, is er dus geen rol voor de raad bij de vaststelling van het programma.

37

Indien de Omgevingswet niet in werking is getreden ten tijde van de vaststelling van het programma, dan stelt de raad het programma vast. Als het omgevingsprogramma aanleiding geeft tot het aanpassen van kaders uit de omgevingsvisie, dan vragen wij de raad dit vaststellen. Tegelijk met het omgevingsprogramma wordt ook het uitvoeringsprogramma vastgesteld. Ook dat is aan het college. Als voor de uitvoering meer geld nodig is dan nu beschikbaar, dan vragen wij de raad om meer budget. De gemeenteraad blijft gaan over de financiële kaders voor het uitvoeringsprogramma (het budgetrecht). Participatie Onder de Omgevingswet is participatie niet vrijblijvend. In het programma moet staan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken zijn. En wat de resultaten daarvan zijn. Deze motiveringsplicht is geregeld in artikel 10.8 van het Omgevingsbesluit. Afstemmings- en consultatieverplichtingen In artikel 2.2 van de Omgevingswet staat: “Een bestuursorgaan houdt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet rekening met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af.” Dat betekent dat we bij het vaststellen van het programma met andere partijen in overleg moeten. Hoe we dat moeten doen wordt vrijgelaten.

Bepalingen over mededelingen, toezendverplichtingen en overlegverplichtingen zijn geschrapt. Het Omgevingsbesluit vermindert het aantal procedurele bepalingen, waardoor procedures inzichtelijker worden. De procedurele bepalingen gaan uit van het vertrouwen tussen overheden. Mer-beoordelingsplicht Op het omgevingsprogramma Mobiliteit is een mer-beoordelingsplicht van toepassing. Die beoordeling moet plaatsvinden als het programma een kader biedt voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van wegen. Waarschijnlijk komt uit die beoordeling dat geen plan-mer-plicht geldt omdat het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én dat voor het programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. Een plan-merplicht geldt bijvoorbeeld wel als het plan een kader biedt voor de aanleg van autowegen, autosnelwegen of wegen die langer zijn dan 10 km. Publicatie Het programma zelf moeten we publiceren in het Omgevingsloket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Om dat te kunnen doen moeten we bij het maken van het programma gebruik maken van een nieuwe standaard, de Standaard officiële publicaties met Toepassingsprofielen voor omgevingsdocumenten (STOP/TPOD). We moeten het programma publiceren via de ‘Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen’ (LVBB).

Zienswijzen Bij het opstellen van een programma geldt de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure volgens afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat staat in artikel 16.27 lid 1

38

Omgevingswet. Dat betekent dat iedereen zienswijzen kan indienen, dus niet alleen belanghebbenden. Deze procedure duurt zes weken na publicatie van het ontwerpprogramma. Bezwaar en beroep Een omgevingsprogramma bindt alleen de gemeente zelf. Vanwege het zelfbindende karakter staat er geen beroep open tegen het besluit tot vaststelling van een programma (artikel 1 van bijlage 2 van de Awb).

4.6 Budget Voor het opstellen van het omgevingsprogramma Mobiliteit is € 100.00 beschikbaar. Dit budget besteden we ongeveer als volgt.

€ 5.000

Analyses met het verkeersmodel met betrekking tot knelpunten in de wegcapaciteit en aanpassingen van de verkeersstructuur. Onderzoek verkeersveiligheid en met name 30 km/h als standaard in de bebouwde kom. Onderzoek toekomstperspectief Soester spoorlijn, bij voorkeur samen met de andere gemeenten langs de spoorlijn. Onderzoek naar stationsomgevingen en belangrijke OV-knooppunten (U Ned programmalijn Regiopoorten). Onderzoek verbod op brandstofscooters, de juridische mogelijkheden en de effectiviteit in relatie tot de klimaatdoelen. Uitvoering van de wettelijke verplichte Mer-beoordeling van het omgevingsprogramma Mobiliteit. Opstellen waardekaart en ambitiekaart mobiliteit voor de omgevingsprogramma’s wonen en werken

€ 15.000

Participatietraject, communicatie, grafische vormgeving rapportages, professionele fotograaf etc.

€ 30.000 € 10.000 € 15.000 € 15.000 € 5.000 € 5.000

Het budget wordt per onderdeel hierboven bewaakt. Daarmee proberen we overschrijding van het budget te voorkomen. Let wel, dit betreft alleen budget voor het opstellen van het omgevingsprogramma. In paragraaf 2.5 is ingegaan op onder meer de financiële middelen die nodig zijn voor de uitvoering.

4.7 Planning In de onderstaande figuur is de planning op hoofdlijnen samengevat. Dit betreft een ambitieuze planning waarbij de analyse- en participatiefase voor de zomer worden afgerond. Zodra hierin vertraging optreedt betekent dit dat de participatiefase vanwege de zomervakantie direct een aantal maanden opschuift. Dat heeft ook gevolgen voor het vervolg van de planning. We zetten erop in om dat te voorkomen. Ervan uitgaande dat we de onderstaande planning volgen, starten we direct na de zomer met het opstellen van het inhoudelijke programma en vervolgens de vaststelling van een

39

conceptprogramma dat gedurende zes weken voor zienswijzen wordt vrijgegeven. Na het maken van een zienswijzennota kan in februari 2024 de besluitvorming in het college worden afgerond. Eventuele besluitvorming in de gemeenteraad volgt daarna in maart 2024. Deze planning loopt parallel aan de planning van andere omgevingsprogramma’s die we tegelijkertijd opstellen. Vertraging in één van de andere programma’s kan daarom ook gevolgen hebben voor deze planning.

Zie over het proces met de gemeenteraad ook de volgende paragraaf.

4.8 Communicatie Het doel van communicatie is: - Informeren over het proces van totstandkoming - Informeren over de inhoudelijke uitgangspunten van het programma - Informeren over de inhoudelijke opbrengst vanuit de participatie Vorm: mensen in beweging in beeld Een omgevingsprogramma Mobiliteit wordt al snel een vaktechnisch document met ingewikkelde termen. Dat willen we voorkomen. We willen de mens en zijn/haar verplaatsingen in het stuk centraal stellen. Dat is waar we het voor doen. We hebben daarbij het idee om een aantal inspirerende personen in beeld (foto) en tekst (quote) een plek te geven in het beleidsstuk en ook in de communicatie hier omheen. We vragen daarom een aantal mensen die we in het participatietraject tegenkomen of ze mee willen doen. We vragen een professionele fotograaf om hen in beeld te brengen tijdens hun verplaatsing (bij een deelauto, op de fiets etc.) of bij een activiteit (opladen van een auto via een kabelgoot). En we vragen een quote waarom zij voor deze manier van vervoer of deze maatregel kiezen. Zo krijgen we een beleidsstuk met bijbehorende communicatie waarin onze inwoners centraal staan. Communicatieplan In de analysefase wordt een communicatieplan opgesteld, waarin ook de momenten waarop we communiceren worden bepaald.

40

Gemeenteraad Met de omgevingsprogramma's wonen, werken, mobiliteit, energietransitie, water en groen wordt een groot deel van de ruimtelijke koers die de gemeenteraad heeft vastgesteld richting 2040 geconcretiseerd. We kunnen ons voorstellen dat er vanuit de gemeenteraad behoefte bestaat om dit proces op de voet te volgen om ook haar controlerende taak uit te kunnen voeren. Tijdens een informatiebijeenkomst in september 2023 presenteren we de uitkomsten van de analysefase en de participatiefase aan de gemeenteraad. Parallel aan de zienswijzenprocedure consulteren we de gemeenteraad in december 2023 over de ontwerpprogramma's, voordat het college van burgemeester en wethouders deze vaststelt. In maart 2024 komen we indien nodig terug bij de gemeenteraad voor vaststelling van onderdelen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als het niet lukt om een programma binnen de nu voorgelegde kaders te ontwikkelen en daarop aanpassingen nodig zijn. Waar dat nodig is komen we ook via de P&C cyclus terug voor het beschikbaar stellen van aanvullend budget voor de uitvoering van de omgevingsprogramma's.

4.9 Uitvoering van het programma Het programma wordt na vaststelling uitgevoerd door de gemeente. Waar mogelijk nemen we maatregelen op gezamenlijk met andere publieke of private organisaties. Financiering Voor het uitvoeringsprogramma is waarschijnlijk aanvullend budget nodig. Het uitvoeringsprogramma wordt tegelijk met het omgevingsprogramma vastgesteld en is daar onlosmakelijk mee verbonden. Besluitvorming over de financiering van het programma vindt echter plaats via de P&C cyclus. Doorwerking in (onderliggend) beleid Bij het vaststellen van het omgevingsprogramma Mobiliteit wordt de beleidsnota ‘Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP)’ ingetrokken, inclusief de daarbij horende kadernota, het uitvoeringsprogramma, de oplegnotitie en de tussenevaluatie. Dit geldt ook voor de beleidsnotitie opheffen afsluitingen van wegen. Nieuwe kaders hiervoor staan straks in het omgevingsprogramma Mobiliteit. Na vaststelling van het omgevingsprogramma volgt een doorwerking in andere beleidsstukken. Mogelijk volgen er ruimtelijke maatregelen die moeten worden vertaald in het omgevingsplan. Naar verwachting wordt ook de Nota parkeernormen herzien. Deze nota is op dit moment gebaseerd op de uitgangspunten in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan. Tot slot volgen waarschijnlijk ook aanpassingen aan de weginrichtingen.

De uitgangspunten daarvoor vertalen we in de Leidraad Fysieke Leefomgeving en de richtlijn verkeersdrempels. Deze processen volgen in 2024 of later, na vaststelling van het programma. Andere beleidsstukken die gebaseerd zijn op het verkeersbeleid blijven waarschijnlijk ongewijzigd. Dit betreft: - Beleidsregels inritvergunningen, 1e herziening (2019) - Komgrenzenbesluit wegenverkeerswet (2013)

41

-

Beleidsregels bewegwijzering, toeristisch en recreatief (2013) Beleidsregels verkeersontheffingen (2013) Beleidsnota gehandicaptenparkeerplaats op kenteken (2010) Wegsleepverordening (2001)

Bijsturing van beleid Het monitoringsprogramma dat onderdeel is van het uitvoeringsprogramma moet inzicht geven in de effecten van het beleid. Op basis van het monitoringsprogramma kan het beleid en de uitvoering worden bijgestuurd.

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=ef70a49e-429e-4579-bced-4b430f0c2f08