3. Bijlage 2 Toelichting Verordening Jeugdhulp gemeente Soest 2025 versie besluitvorming
Tekst van het document
In onderdeel d. wordt beschreven dat het niet mogelijk is om een pgb met terugwerkende kracht te krijgen. Onderdeel e beschrijft de situatie dat er een pgb wordt ingezet bij een gecontracteerde aanbieder. Deze constructie is niet mogelijk, omdat er dan in strijd met het uitgangspunt wordt gehandeld dat ingekochte zorg niet passend zou zijn. Dat uitgangspunt is opgenomen in artikel 8.1.1, lid 2, onder b van de Jeugdwet. Vijfde lid In dit lid worden enkele kaders gegeven die van toepassing zijn op bestedingen van een pgb. Onder a gaat het over de kosten die gemaakt worden voor beheer van het budget (meestal bekend onder verantwoordingsvrij bedrag). Deze worden niet vergoed vanuit het Pgb. In de jaren voor de invoering van de Jeugdwet waren er bureaus die professioneel pgb’s beheerden en daarmee een aanzienlijk deel van de zorggelden afroomden. In de Jeugdwet (art. 8.1.1, lid 2, onder a) is als voorwaarde opgenomen, om in aanmerking te komen voor een pgb, dat ouders, eventueel met behulp van het netwerk, zelf het pgb op verantwoorde wijze kunnen beheren. In onderdeel b is de situatie beschreven dat als er meerdere pgb’s zijn toegekend het niet is toegestaan om tussen deze budgetten te schuiven. De reden hiervoor is dat ieder budget geacht wordt passend te zijn voor de daarmee in te zetten jeugdhulp.
Uitzondering hierop is mogelijk indien er vooraf schriftelijke afspraken over zijn gemaakt die het toestaan om tussen budgetten te schuiven. Zesde lid In dit lid beschrijven we welke uitgaven budgethouders mogen doen uit het pgb. Onder a wordt beschreven dat vervoerskosten mogen worden betaald uit het pgb indien het jeugdteam daarvoor een beschikking heeft afgegeven. Onder b wordt beschreven dat de jeugdhulp binnen of buiten de jeugdhulpregio mag worden ingekocht. Bij jeugdhulp in Nederland houdt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd toezicht op de kwaliteit. Buiten Nederland heeft de inspectie geen controle bevoegdheid. Landelijk zijn voor aanbieders buiten Nederland afspraken gemaakt die zijn opgenomen in het afsprakenkader buitenlands hulpaanbod, te vinden bij de VNG (https://vng.nl/publicaties/afsprakenkader-buitenlands-zorgaanbod-jeugd). Buiten de EU mag een pgb niet worden besteed, zie ook het volgende artikellid.
24
Zevende lid In dit artikellid worden de uitgaven beschreven die uitgesloten zijn van besteding uit het pgb. De bepalingen spreken voor zichzelf. Artikel 5.2 Onderscheid formele hulp en informele hulp Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er). Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Informele hulp is derhalve alle hulp die wordt geboden door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan meestal om personen uit het sociaal netwerk. Volgens de beroepsnormen die gelden voor geregistreerde professionals is het verlenen van hulp aan directe familie in strijd met de beroepsnorm van de professionele distantie. Om deze reden zijn 1e en 2e graads bloed- en aanverwanten nadrukkelijk uitgesloten van het professionele tarief.
Op 15 december 2023 heeft de rechtbank Limburg een uitspraak gepubliceerd (ECLI:NL:RBLIM:2023:6979) waarin is geconcludeerd dat het pgb-tarief voor hulp uit het sociale netwerk moet worden vastgesteld op een professioneel tarief ter hoogte van “salarisschaal FWG30 van de voor de betreffende periode geldende CAO VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarden van verlofuren”. Hiermee volgt deze rechtbank de uitspraak van de CRvB van 16 augustus jl. (ECLI:NL:CRVB:2023:1580) waarin hetzelfde voor de Wmo is bepaald. Het is nu afwachten of de CRvB dit voor de Jeugdwet gaat overnemen. Ook is onduidelijk wanneer de CRvB hierover een uitspraak gaat doen. In de vakliteratuur is er op verschillende onderdelen van de uitspraak van de Rechtbank fundamentele kritiek uitgeoefend. In welke mate de CRvB dit zal overnemen of dat er vanuit de Regering hierop nog actie wordt ondernomen is nog onduidelijk. Volgens de Jeugdwet dient de wijze waarop het tarief wordt bepaald in de verordening te staan. Hierover niets opnemen is daarom onmogelijk. Er is bij het vaststellen van deze verordening voor gekozen om de huidige regeling te blijven gebruiken en niet vooruit te lopen op een eventuele uitspraak van de CRvB.
Artikel 5.3 Hoogte van een pgb-tarief Eerste lid In het eerste lid wordt de systematiek van de tarieven bepaald, namelijk een uur of dagdeeltarief en daarnaast drie soorten tarieven. In het Financieel Besluit jeugd en Wmo
25
Soest zijn deze tarieven opgenomen uitgesplitst naar de diverse vormen van jeugdhulp. Het tarief voor een dag is tweemaal het dagdeeltarief, een dagdeel is vier uur. Tweede lid Het tweede lid beschrijft de drie verschillende soorten tarieven die van toepassing zijn bij een pgb. Het 90% tarief is voor ondersteuning door niet-gecontracteerde professionele instellingen, het 75%-tarief voor niet gecontracteerde zelfstandige professionals (zzp-ers) en het 50%-tarief voor informele hulp door niet-professionals. Derde lid In dit lid wordt aangegeven wanneer er wel of niet sprake is van een formele aanbieder. Daarin zijn de eisen opgenomen om in aanmerking te komen voor het formele tarief. Indien dit niet daadwerkelijk door de aanbieder wordt bewezen volgt uit lid 4 dat die aanbieder een informeel tarief krijgt. Vijfde lid In het vijfde lid wordt nadrukkelijk de norm van verantwoorde werktoedeling van toepassing verklaard bij hulp die wordt ingezet op basis van een pgb. De norm van verantwoorde werktoedeling is de uitgewerkt in het kwaliteitskader jeugd, dat te vinden is bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) https://informatiebank.skjeugd.nl/wpcontent/uploads/2022/08/kwaliteitskader-Jeugd.pdf. Deze kaders kunnen in beleidsregels nader worden uitgewerkt. Zesde en zevende lid De leden 6 en 7 geven aan hoe de tarieven voor een pgb worden berekend.
Lid 8 geeft aan dat het tarief nooit hoger is dat de goedkoopste ingekochte passende voorziening. Negende lid Lid 9 geeft aan dat de tarieven jaarlijks worden verhoogd met de OVA-index (90%) en CPI (10%). Hierbij is aangesloten bij de regionale systematiek voor de vaststelling van tarieven.
26
Hoofdstuk 6 Nieuwe feiten en omstandigheden Artikel 6.1 Herziening of intrekking Het eerste lid regelt in welke gevallen het college een besluit tot het verlenen van een individuele voorziening kan intrekken of herzien. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de wet die de herzieningen en intrekkingen regelt van verstrekte Pgb's. Deze bepaling in de verordening breidt dit uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Artikel 6.2 Terugvordering Pgb bij de Pgb-aanbieder Intrekking of herziening van een jeugdhulp-voorziening kan leiden tot de conclusie dat ten onrechte of teveel hulp is verstrekt. Het eerste lid regelt dat het college in dat geval bevoegd is de geldwaarde van de ten onrechte verstrekte Pgb terug te vorderen. Terugvordering bij de Pgb-aanbieder is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang deze bepaling op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. Artikel 6.3 Opschorting betaling uit het Pgb In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het Pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging, weigering of zelfs intrekken van het verleningsbesluit.
Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kan een verzoek enkel doen als zij een ernstig vermoeden heeft dat: a. de jeugdige en/of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige en/of zijn ouders niet voldoen aan de aan het pgb verbonden voorwaarden, of c. de jeugdige en/of zijn ouders het pgb niet of voor een ander doel hebben gebruikt. Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot besluitvorming over eventuele opschorting. Er kan voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wet langdurige zorg.
27
Hoofdstuk 7 Voorkomen en bestrijden van misbruik of oneigenlijk gebruik Artikel 7.1 Controle Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de wet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een Pgb en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht. Eerste en tweede lid Essentieel is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van deze wet. Daarbij hoort ook de beoordeling of de verwijzingen door derden rechtmatig zijn. Derde lid In lid 3 is opgenomen dat informatie vanuit andere wettelijke kaders en instanties ook de grondslag voor onderzoek kan zijn. Ervaringen elders met de zogenaamde “zorgcowboys” laat zien dat deze zich meestal niet tot één gemeente of zorgdomein beperken. Derde lid In lid 3 is opgenomen dat er door het college nadere regels kunnen worden gesteld op de controle van zorgaanbieders.
Artikel 7.2 Toezichthouders Eerste lid In het eerste lid van dit artikel wordt voor het college de mogelijkheid geopend om toezichthoudende ambtenaren aan te wijzen die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet 2015. Tweede lid In het tweede lid worden de bevoegdheden van de toezichthouders omschreven. Deze bevoegdheden zijn reeds in de Algemene wet bestuursrecht bepaald, maar zijn hier voor de duidelijkheid opgenomen. In het derde lid is de medewerkingsplicht opgenomen. Artikel 7.3 Maatregelen ter voorkoming en bestrijding van misbruik of oneigenlijk gebruik Dit artikel beschrijft de instrumenten die het college kan inzetten ter voorkoming en vroegtijdig opsporen van misbruik en oneigenlijk gebruik.
28
Hoofdstuk 8 Overige bepalingen Artikel 8.1 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laten verrichten. In de verordening zijn regels opgenomen om een goede prijs/kwaliteitverhouding te waarborgen (artikelen 2.11 en 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Artikel 8.2 Vertrouwenspersoon In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het college verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. De vertrouwenspersoon is ondergebracht bij een onafhankelijke organisatie, namelijk bij Jeugdstem (www.jeugdstem.nl). Artikel 8.3 Klachtregeling Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht.
De gemeente is al op grond van de Algemene wet bestuursrecht verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In hoofdstuk 9 van de Awb is een uitvoerige regeling over klachtbehandeling omschreven. Ook is daar het recht opgenomen om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen. Deze bepalingen zijn ook van toepassing in de jeugdhulp. Daarom kunnen we in deze verordening volstaan met een korte bepaling. In de regel wordt eerst de aanbieder aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht. Artikel 8.4 Inspraak en medezeggenschap In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van de wet. Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015.
Bij verordening dient te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.
29
De gemeente Soest heeft hiervoor de Inwonersparticipatieraad Sociaal Domein gemeente Soest opgericht. Hiernaar wordt verwezen in lid 3. De Inwonersparticipatieraad Sociaal Domein gemeente Soest adviseert het college gevraagd en ongevraagd over cliëntenparticipatie, treedt op als makelaar tussen inwoners en de gemeente en het begeleidt het proces van inwonersparticipatie. Artikel 8.5 Nadere regels Dit artikel geeft aan het college de grondslag om voor zover noodzakelijk nadere regels te stellen met betrekking tot de uitvoering van deze verordening. Artikel 8.6 Hardheidsclausule Dit artikel geeft ruimte om af te wijken van de regels van de verordening, wanneer, naar het oordeel van het college, strikte hantering van de regels leidt tot een schrijnende situatie.
30
Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 9.1 Intrekking oude verordening en overgangsbepalingen Dit artikel spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting. Artikel 9.2 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting.
31