CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Bijlage 2 BP Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan (regels en toelichting)

Beeldvormende vergadering (Raadzaal) 16 mei 2024, gemeente SoestBij agendapunt: Bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat / Van der Griendtlaan voor 40 woningen en een supermarkt21.006 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Onderzoek

In september 2021 is door Hunneman Milieu - Advies een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek) met als doel een actueel en betrouwbaar inzicht te geven in de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Het veldwerk, de grond- en/of grondwaterbemonstering en het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd conform de geldende beoordelingsrichtlijn “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” BRL-SIKB 2000. Uit het onderzoek blijkt: Vaste bodem en grondwater Zintuiglijk zijn in de vaste bodem geen noemenswaardige bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. In de bodem is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Analytisch zijn in de mengmonsters van de bovengrond (MM-01 t/m MM-04 + MM-06) en het mengmonster van de ondergrond (MM-05) geen tot licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, PCB’s en minerale olie aangetoond. De maximaal aangetoonde gehalten overschrijden de achtergrondwaarden maar blijven beneden de tussenwaarden. Het grondwater bevindt zich dieper dan 5,0 m-mv. Zintuiglijk zijn in de vaste bodem geen noemenswaardige bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. In de bodem is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In de vaste bodem zijn licht verhoogde gehalten aangetoond. De aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. 5.1.3

Conclusie

Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en bestaan, milieutechnisch gezien, geen bezwaren voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie.

(ontwerp)

33

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan

5.2

Water

5.2.1

Beleid

5.2.1.1 BOP 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.

Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf 5.2.2. 5.2.1.2 Blauwe Omgevingsvisie 2050 De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes:  Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening.  Maximaal vasthouden en schoonhouden van water.  Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond.

34

(ontwerp)

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan

5.2.1.3 Omgevingsvisie Voor een gezonde en veilige leefomgeving streven we naar het zo veel mogelijk voorkomen van het contact met afvalwater. We sluiten lozingen van huishoudelijk afvalwater van alle percelen aan op vuilwaterriool of een andere publieke voorziening, zodat er geen ongezuiverd afvalwater in het milieu terecht komt. Het bedrijfsmatig afvalwater wordt ingezameld en verwerkt als er geen sprake is van beïnvloeding van de doelmatige werking van de riolering en zuivering. Als dit wel het geval is, dan worden voorwaarden gesteld aan de lozing op de riolering. We scheiden zoveel mogelijk vuilwater en schoonwater. Zo blijft schoon water schoon. Bij afkoppelen geldt de voorkeursvolgorde (eerst benutten, dan via infiltratie in de bodem, dan directe afvoer naar het oppervlaktewater, dan afvoer via het maaiveld en tenslotte afvoer via een regenwaterriool). In ons streven naar een gezonde leefomgeving dragen wij als gemeente bij aan een watersysteem van goede kwaliteit. Een watersysteem van goede kwaliteit draagt bij aan natuurontwikkeling, landschap en recreatie. Wij richten ons samen met het waterschap op geen achteruitgang in de kwaliteit van het bodem- en (grond)watersysteem, het meer robuust maken van de retentiegebieden en het behalen van de KRW-doelen voor KRWwaterlichamen in 2027.

We willen de waterkwaliteit laten aansluiten op de functie en het recreatieve gebruik (zwemwater, vaarwater, viswater) en we beperken zoveel mogelijk emissie uit de afvalwaterketen naar het watersysteem, voor zover dit op een doelmatig wijze mogelijk is. Voor een doelmatig beheer van de afvalwaterketen en het optimaal functioneren van de zuivering scheiden we vuilwater en schoonwater. Hierdoor vinden overstorten minder vaak plaats en de impact van overstortingen op de waterkwaliteit is kleiner. We passen de best mogelijke techniek toe bij inzamelen en transport afvalwater. Tot slot passen we het principe toe: de vervuiler/initiatiefnemer betaalt. De gemeente streeft samen met onze inwoners en bedrijven naar een leefbare omgeving, waarin de negatieve gevolgen van klimaatverandering zo veel mogelijk worden beperkt. Dat betekent dat wij streven naar het beperken van maatschappelijke ontwrichting en schade door extreme weersomstandigheden: Bij korte hevige én bij langdurige neerslag:  Blijven snelwegen, provinciale wegen en andere hoofdroutes zo lang mogelijk toegankelijk.  Zijn overige wegen binnen een uur weer toegankelijk, bij hevige buien.  Blijven nooddiensten bereikbaar voor calamiteitenverkeer.  Ondervindt bebouwing incidenteel schade bij extreme buien.  Ondervinden vitale en kwetsbare functies geen schade of uitval.  Worden onveilige situaties zoals o.a.

het onderlopen van onderdoorgangen zoveel mogelijk voorkomen. Bij een lange periode van droogte:  Blijft schade aan openbaar groen beperkt.  Blijft open water en grondwater van voldoende kwaliteit, voor recreatief gebruik en biodiversiteit. Bij langdurige hitte:  Wordt hittestress bij kwetsbare groepen zo veel mogelijk voorkomen.  Wordt opwarming van drinkwater tijdens transport en distributie in het leidingnet voorkomen.  Vinden mens en dier verkoeling in groene plekken Bij overstromingen:  Worden gevolgen beperkt door waterrobuuste bouw en inrichting.  Worden gevolgen beperkt door voldoende beschikbaarheid voor schuillocaties en mogelijkheden voor evacuatie. Om dit te bereiken werken we aan klimaatbestendige inrichting van de publieke (openbare) en private buitenruimte (o.a. tuinen en (parkeer)terreinen) en het watersysteem. Relevante fysieke veranderingen worden benut om klimaatbestendige maatregelen te nemen. Dat geldt voor projecten van de gemeenten en het waterschap en voor projecten van anderen: bewoners, (agrarische) bedrijven, woningcorporaties, terreinbeheerders en maatschappelijke organisaties. Dat betekent ook dat onderhoudscycli van infrastructuur, riolering, groen en gebouwen worden benut. Om te kunnen anticiperen op klimaatverandering en om overlast tijdens hevige neerslaggebeurtenissen te voorkomen gaan we anders om met regenwater.

We houden het water zoveel mogelijk vast waar het valt en hergebruiken het zoveel mogelijk. Water dat we niet kunnen vasthouden en hergebruiken laten we bij voorkeur oppervlakkig afstromen. De afstroming vindt plaats

(ontwerp)

35

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan naar laagteberging, waar het geen schade oplevert. Vanuit deze voorziening vindt infiltratie naar het grondwater plaats of (vertraagde) afvoer naar het oppervlaktewatersysteem. Het watersysteem voldoet aan de provinciale normen voor de afvoer- en bergingscapaciteit. Gemeenten en waterschappen bepalen samen in hoeverre zogenaamde vasthoudmaatregelen buiten het watersysteem (tijdelijke waterberging in de openbare en private ruimte) nuttig en nodig zijn in relatie tot de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit in het watersysteem. Hierbij zijn de maatschappelijke kosten en baten van investeringen het uitgangspunt. Bij (ver)nieuwbouw is sprake van een klimaatbestendige bouw en inrichting, met zo min mogelijk afwenteling naar de omliggende percelen. We gaan bij de inrichting zo veel mogelijk uit van het van nature aanwezige watersysteem. We passen de functie aan het watersysteem en niet het watersysteem aan de functie. We manipuleren de grondwaterstand en het grondwaterregime niet (of minimaal) om een ontwikkeling of specifieke gebruiksfunctie mogelijk te maken (geen onderbemalingen, minimale toepassing van drainage). In de bebouwde omgeving leggen we meer groen aan om de sponswerking en leefbaarheid van het gebied te vergroten.

We verminderen hitte in bebouwd gebied door het creëren van (tijdelijke) schaduwwerking en het gebruik van de juiste bouwmaterialen. Ook houden wij bij de inrichting van de ondergrond rekening met het risico van opwarming van drinkwater in het leidingnet onder verharde oppervlakken. In het gemeentelijk Water en rioleringsplan is bovenstaand beleid nader uitgewerkt. Op dit aspect is in paragraaf 5.2 nader ingegaan. 5.2.1.4 Gemeentelijk Rioleringsplan Soest 2018-2022 Voor het verwijderen van afvalwater uit de woonomgeving is riolering een onmisbare voorziening. Aanleg en beheer van riolering is een gemeentelijke taak die zijn wettelijke basis vindt in de Wet milieubeheer/Omgevingswet. De omgevingsvisie omschrijft de ambities/doelen van de taakvelden van de gemeenten voor riolering en grondwater. Het gemeentelijk rioleringsplan beschrijft hoe de gemeente in de genoemde periode haar riolerings- en watertaken vorm wil gaan geven en hoe goede beleidsafwegingen op het terrein van bescherming van de waterkwaliteit en de rioleringszorg gemaakt zullen worden. De bestaande vuilwaterriolering heeft vermoedelijk voldoende capaciteit voor dit initiatief. Tijdens de realisatie van het plan zal hierop nog een extra controle plaatsvinden. Conform de doelen in de omgevingsvisie en eisen in het rioleringsplan is hergebruik en/of infiltratie van regenwater op dit perceel noodzakelijk.

Tijdens de planvoorbereiding van de realisatie zal hierop ook extra controle plaatsvinden. Volgens de klimaateffectatlas Vallei en Veluwe is er op dit perceel kans op wateroverlast bij hevige buien. Hierop volgt een extra controle bij de planvoorbereiding. 5.2.2

Watertoets

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het Waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat er geen vervolg noodzakelijk is. De hierbij behorende watertoets is opgenomen in Bijlage 3 bij deze toelichting. Hierna wordt nader ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied.

Beoordeeld is of de nieuwbouw locatie niet is gelegen in de door de provincie Utrecht vastgestelde grondwaterbescherminggebieden. Deze gebieden zijn van belang in verband met de drinkwaterwinning (waterwingebieden).

36

(ontwerp)

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan Getoetst is of de nieuwbouw locatie niet is gelegen in de volgende door de provincie Utrecht vastgelegde grondwaterbescherminggebieden:  het 100-jaaraandachtsgebied  de boringsvrije zone  het grondwaterbeschermingsgebied  het waterwingebied De locatie is gelegen buiten de bovengenoemde gebieden. Dit houdt in dat er geen aanvullende regels op dit gebied nodig zijn. 5.2.3

Algemene aandachtspunten

5.2.3.1 Vasthouden-bergen-afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. 5.2.3.2 Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.

In Soesterberg / gemeente Soest is het verplicht 100% van de hemelwaterafvoer te infiltreren, er is ruim voldoende ruimte aanwezig om dit door middel van een combinatie van grasbetontegels+infiltratiezand, infiltratie kratten en/of IT-riolering te infiltreren. 5.2.3.3 Schoon houden – scheiden – schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hierbij verder helpen. 5.2.4

Conclusie

Doordat het hemelwater wordt geïnfiltreerd, vuilwater wordt aangesloten op het bestaande riool netwerk en er geen uitloogbare materialen worden toegepast zorgt het aspect water, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.3

Erfgoed

5.3.1

Archeologie

Algemeen Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven.

(ontwerp)

37

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Onderzoek Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie lage verwachting'. Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij bodemingrepen groter dan 10.000 m 2. Dit plan blijft onder deze grens en tevens zijn de gronden veelal al geroerd. Conclusie Archeologie is geen belemmering voor de realisatie van de plannen. Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 5.3.2

Cultuurhistorie

Algemeen In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1.

werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Onderzoek Het centrum van Soesterberg is gelegen tussen Amersfoort en Utrecht. De Rademakersstraat en de Banningstraat vormen samen een lange rechte weg. Deze weg is een klein onderdeel van de historische 'Wegh der Weegen' die al in midden 1600 aangelegd is. De verbinding tussen de twee steden doorkruiste met een grote ingreep het heidelandschap. De aanleg van deze bijzondere, 11 km lange en in oorsprong kaarsrechte classicistische weg was een gezamenlijk initiatief van de stad Amersfoort en de Staten van Utrecht. De hoofdstructuur is nog altijd grotendeels aanwezig. In de loop van de tijd is er veel veranderd, weggehaald en bijgevoegd. Voor de toekomst wordt er gestreefd om weer meer eenheid te realiseren in de Wegh der Weegen. De eenheid is te vertalen in landschappelijke en verkeerskundige ingrepen. Met de nieuwe ontwikkeling aan de Rademakerstraat met de levendige plint, wat een architectonische bijdrage is voor de structuur van Wegh der Weegen.

38

(ontwerp)

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische gewaardeerde aspecten of monumenten aanwezig. De bebouwing in het plangebied zijn niet aangewezen als (rijks)monument en het betreffen geen (bijzondere) karakteristieke gebouwen. Daarnaast zijn ook in de (directe omgeving) geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Conclusie Als gevolg van het onderhavige plan gaan geen cultuurhistorische waarden verloren en worden ook niet aangetast. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

5.4

Flora en fauna

5.4.1

Algemeen

Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden.

In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming': 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art.3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden.

Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het

(ontwerp)

39

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan netwerk optreden. 5.4.2

Onderzoek

Voor de locatie Rademakerstraat 20-28 / Bakkeneslaan 5 zijn door Bureau Natuurlijk de benodigde natuurtoetsen uitgevoerd. Aangezien later het plangebied is uitgebreid met perceel Rademakerstraat 30 zijn hiervoor nadien ook de benodigde onderzoeken uitgevoerd. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op de locatie Rademakerstraat 20-28 / Bakkeneslaan 5 en vervolgens op de locatie Rademakerstraat 30 5.4.2.1 Rademakerstraat 20-28 / Bakkeneslaan 5 De quickscan natuurtoets (zie Bijlage 4) is uitgevoerd in oktober 2019 om te beoordelen of bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden de Wet Natuurbescherming mogelijk wordt overtreden. Gebiedsbescherming Natura 2000 Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand tot het Natura2000 gebied 'Oostelijke Vechtplassen' (circa 1,6 km) wordt geen verstoring verwacht. Gezien deze afstand tot het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied is ten aanzien van stikstof geen effect te verwachten. Natuur Netwerk Nederland (NNN) Omdat het NNN in Utrecht geen externe werking kent en het plangebied niet gelegen is in het NNN, is een verdere toetsing niet aan de orde en een Nee, tenzij-toets niet noodzakelijk. Soortbescherming Flora Het terrein is nauwkeurig onderzocht om inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Hier zijn geen beschermde soorten aangetroffen.

Ook de geraadpleegde databanken geven geen aanwijzingen naar beschermde soorten.Er is geen overtreding wet natuurbescherming. Vogels Het plangebied is onderzocht of de opstallen zich lenen voor vogels welke menselijke bebouwing gebruiken als nestlocatie of verblijfplaats. Hierbij valt te denken aan de huismus en de gierzwaluw. Om vast te kunnen stellen of deze ruimten in gebruik zijn door beschermde soorten als huismus en gierzwaluw, wordt er geadviseerd een nader onderzoek huismus en gierzwaluw uit te voeren op basis van de gelijknamige kennisdocumenten van BIJ12. Tevens zijn de aanwezige houtopstanden/struiken onderzocht. Geconcludeerd kan worden dat hierin geen nesten of holten zijn waargenomen wat zou kunnen duiden op de aanwezigheid van beschermde rust- en/of verblijfplaatsen. De bebouwing is onderworpen aan een visuele inspectie naar vleermuizen. Bij deze ronde tijdens het veldbezoek zijn er holten en spleten waargenomen die mogelijkheden verschaffen voor vleermuizen om in het gebouw te komen. Om vast te stellen of de vleermuis daadwerkelijk gebruik maakt van de planlocatie, wordt een nader onderzoek naar alle verblijfplaatsen voor gebouw bewonende vleermuizen geadviseerd. Zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van overige zoogdieren die zijn opgenomen op Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn aangetroffen.

Er is geen overtreding wet natuurbescherming. Huismus In mei 2020 is door Bureau Natuurlijk een nader onderzoek huismus uitgevoerd (zie Bijlage 5). Hieruit blijkt dat:  Huismus is niet aanwezig  Het plangebied is functioneel niet in gebruik

40

(ontwerp)

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan  Geen schadelijke effecten functionaliteit leefgebied  Geen effect gunstige staat van instandhouding  Geen wettelijk belang  Geen maatregelen noodzakelijk  Geen ontheffing noodzakelijk (art. 3.1 lid 2 en 4) Gierzwaluw In juni / juli 2020 is door Bureau Natuurlijk een nader onderzoek huismus uitgevoerd (zie Bijlage 6). Hieruit blijkt dat:  Gierzwaluw is niet aanwezig  Het plangebied is functioneel niet in gebruik  Geen schadelijke effecten functionaliteit leefgebied  Geen effect gunstige staat van instandhouding  Geen wettelijk belang  Geen maatregelen noodzakelijk  Geen ontheffing noodzakelijk (art. 3.1 lid 2 en 4) Vleermuis In 2020 is door Bureau Natuurlijk een vleermuisonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 7) Hieruit blijkt dat:  Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de te slopen bebouwing. Er zijn geen paarroepjes en baltsgedrag waargenomen, waardoor er ook geen opnames zijn gemaakt.  Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute: Het plangebied heeft geen essentiële lijnelementen die verloren gaan. Er gaan geen verblijfplaatsen of essentiële functies verloren door of tijdens de geplande ingreep. De wet natuurbescherming wordt, ten aanzien van de vleermuis, niet overtreden bij de geplande ingreep.

5.4.2.2 Rademakerstraat 30 De quickscan natuurtoets (zie Bijlage 8) is uitgevoerd in februari 2021 om te beoordelen of bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden de Wet Natuurbescherming mogelijk wordt overtreden. Gebiedsbescherming Natura 2000 Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand tot het Natura2000 gebied 'Oostelijke Vechtplassen' (circa 1,6 km) wordt geen verstoring verwacht. Gezien deze afstand tot het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied is ten aanzien van stikstof geen effect te verwachten. Natuur Netwerk Nederland (NNN) Omdat het NNN in Utrecht geen externe werking kent en het plangebied niet gelegen is in het NNN, is een verdere toetsing niet aan de orde en een Nee, tenzij-toets niet noodzakelijk. Soortbescherming Flora Het terrein is nauwkeurig onderzocht om inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Hier zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Ook de geraadpleegde databanken geven geen aanwijzingen naar beschermde soorten. Er is geen overtreding wet natuurbescherming. Vogels Het plangebied is onderzocht of de opstallen zich lenen voor vogels welke menselijke bebouwing gebruiken als nestlocatie of verblijfplaats. Hierbij valt te denken aan de huismus en de gierzwaluw.

Om vast te kunnen stellen of deze ruimten in gebruik zijn door beschermde soorten als huismus en gierzwaluw, wordt er geadviseerd een nader onderzoek huismus en gierzwaluw uit te voeren op basis van de gelijknamige kennisdocumenten van BIJ12.

(ontwerp)

41

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan Tevens zijn de aanwezige houtopstanden/struiken onderzocht. Geconcludeerd kan worden dat hierin geen nesten of holten zijn waargenomen wat zou kunnen duiden op de aanwezigheid van beschermde rust- en/of verblijfplaatsen. De bebouwing is onderworpen aan een visuele inspectie naar vleermuizen. Bij deze ronde tijdens het veldbezoek zijn er holten en spleten waargenomen die mogelijkheden verschaffen voor vleermuizen om in het gebouw te komen. Om vast te stellen of de vleermuis daadwerkelijk gebruik maakt van de planlocatie, wordt een nader onderzoek naar alle verblijfplaatsen voor gebouw bewonende vleermuizen geadviseerd. Zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van overige zoogdieren die zijn opgenomen op Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn aangetroffen. Er is geen overtreding wet natuurbescherming. Huismus In mei 2021 is door Bureau Natuurlijk een nader onderzoek huismus uitgevoerd (zie Bijlage 9). Hieruit blijkt dat:  Huismus is niet aanwezig  Het plangebied is functioneel niet in gebruik  Geen schadelijke effecten functionaliteit leefgebied  Geen effect gunstige staat van instandhouding  Geen wettelijk belang  Geen maatregelen noodzakelijk  Geen ontheffing noodzakelijk (art.

3.1 lid 2 en 4) Gierzwaluw In mei / juli 2021 is door Bureau Natuurlijk een nader onderzoek huismus uitgevoerd (zie Bijlage 10). Hieruit blijkt dat:  Gierzwaluw is niet aanwezig  Het plangebied is functioneel niet in gebruik  Geen schadelijke effecten functionaliteit leefgebied  Geen effect gunstige staat van instandhouding  Geen wettelijk belang  Geen maatregelen noodzakelijk  Geen ontheffing noodzakelijk (art. 3.1 lid 2 en 4) Vleermuis In november 2021 is door Bureau Natuurlijk een vleermuisonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 11) Hieruit blijkt dat:  Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de te slopen bebouwing. Er zijn geen paarroepjes en baltsgedrag waargenomen, waardoor er ook geen opnames zijn gemaakt.  Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute: Het plangebied wordt in de toekomstige situatie niet veranderd waardoor er essentiële lijnelementen verloren gaan. Er gaan geen verblijfplaatsen of essentiële functies verloren door of tijdens de geplande ingreep. De wet natuurbescherming wordt, ten aanzien van de vleermuis, niet overtreden bij de geplande ingreep. 5.4.3

Conclusie

Het aspect flora en fauna is geen belemmering voor de realisatie van het plan.

42

(ontwerp)

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan

5.5

Bomen Effect Analyse

5.5.1

Algemeen

Een Bomen Effect Analyse (BEA) dient inzicht te geven in de vraag of de betreffende bomen binnen het plangebied in de huidige verschijningsvorm en op de huidige standplaats duurzaam kunnen worden behouden en welke projectaanpassingen, gerichte (beschermings-)maatregelen en randvoorwaarden hiervoor noodzakelijk zijn. 5.5.2

Onderzoek

In maart 2021 is door Boomadvies Nederland B.V. een Boom Effect Analyse (BEA) uitgevoerd (zie Bijlage 12) om inzicht te geven in de vraag of de betreffende bomen binnen het project in de huidige verschijningsvorm en op de huidige standplaats duurzaam kunnen worden behouden en welke projectaanpassingen, gerichte (beschermings-)maatregelen en randvoorwaarden hiervoor noodzakelijk zijn. De BEA is uitgevoerd volgens de methodiek, zoals omschreven in het Handboek Bomen 2018, Hoofdstuk 16 (“Bomen Effect Analyse”). Hieruit is naar voren gekomen dat 24 bomen niet beïnvloed worden door de voorgenomen plannen en 14 bomen beperkt worden beïnvloed. In totaal 81 bomen (hoofdzakelijk een haag van dicht op één geplaatste Leylandcipressen) kunnen niet worden gehandhaafd. Voor 15 bomen wordt een kapvergunning aangevraagd en 66 bomen kunnen worden gekapt zonder het aanvragen van een kapvergunning. Dit zijn de bomen dunner dan 25 cm diameter die volgens de APV van Soesterberg (Gemeente Soest) gekapt mogen worden omdat het perceel groter is dan 175 m2. Enkele bomen binnen de invloedssfeer van het plan zijn met beperkte maatregelen te behouden. Bij de te behouden bomen worden boombeschermingsmaatregelen toegepast, zoals groeiplaatsbescherming en zal worden voldaan aan de randvoorwaarden met betrekking tot snoeiwerkzaamheden en wortelgroei. 5.5.3

Conclusie

Door de genoemde maatregelen in acht te nemen kunnen zoveel mogelijk bomen behouden blijven.

5.6

Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai

5.6.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van:  de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied;  het aantal rijstroken.

In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de

(ontwerp)

43

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan volgende zonebreedtes:  wegen met een of twee rijstroken: 200 meter;  wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:  wegen met een of twee rijstroken: 250 meter;  wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter;  wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone:  wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied;  wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art.

41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd. 5.6.2

Onderzoek

5.6.2.1 Wegverkeerslawaai Voor onderhavig plan is van belang wegverkeerslawaai, daarom is hiervoor in januari 2022 door SPA WNP een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 13. Doel van dit onderzoek is het bepalen van de geluidbelasting binnen het plangebied, voor zover deze wordt veroorzaakt door het relevante wegverkeer. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, in de geluidzone van de N237 –Amersfoortsestraat. Voor de Rademakerstraat en de Van Griendtlaan geldt een maximale rijsnelheid van 30 km/uur. Ondanks het feit dat er geen sprake is van een geluidzone langs deze wegen, is in het voorliggende onderzoek de geluidbelasting vanwege deze wegen toch onderzocht. De overige wegen liggen op grotere afstand van het plangebied en/of de verkeersintensiteit is er dusdanig gering, dat deze wegen niet relevant zijn met betrekking tot de geluidbelasting. Uit het onderzoek blijkt het volgende:  De geluidbelasting vanwege het verkeer op de gezoneerde weg: de N237 bedraagt maximaal 44 dB. Dit is lager dan de voorkeurswaarde .De geluidbelasting vanwege het verkeer op deze weg vormt geen belemmering voor de realisatie van het bouwplan;

44

(ontwerp)

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan 

De geluidbelasting vanwege het verkeer op de 30 km/uur wegen: de Rademakerstraat en de Van der Griendtlaan, bedraagt maximaal 56 dB en respectievelijk 57dB. Dit is hoger dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, maar ruim lager dan de maximale ontheffing, zoals deze gelden voor gezoneerde wegen. Wel beschikken alle appartementen, mede door de gesloten borstweringen op de balkons, over een geluidluw geveldeel, zoals bedoeld volgens het gemeentelijke geluidbeleid. Daarnaast kunnen alle bewoners gebruik maken van de geluidluwe gezamenlijke buitenruimte. Op basis van het voorgaande wordt gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;  De gecumuleerde geluidbelasting, zonder aftrek art.110g Wgh, bedraagt maximaal 63 dB. 5.6.2.2 Industrielawaai De supermarkt valt onder het Activiteiten besluit. In april 2022 is door SPA WNP een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 14. Het uitgevoerde onderzoek heeft tot doel de geluidemissie van de supermarkt vast te stellen en te toetsen aan de grenswaarden zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit. De supermarkt zal zeven dagen per week van 8.00 uur tot 20.00 uur in bedrijf zijn. Zolang de veranderingen binnen de dag en avondperiode blijven, voldoet de supermarkt aan de regels vanuit het Activiteitenbesluit.

Activiteiten in de nachtperiode (tussen 23.00 en 7.00 uur) vragen om nader onderzoek, vooralsnog is hier geen sprake van. Aan de noordoostzijde van het plan wordt een laad- loslocatie ingericht. Per dag komen er 3 vrachtwagens in de dagperiode voor het aanleveren van goederen. Lege emballage en herbruikbare verpakkingsmaterialen worden met deze vrachtwagens retour genomen. Een deel van de vrachtwagens bestaat uit koel-/vriestransport. Voor deze transporten is rekening gehouden met het draaien van een transportkoeling gedurende 30 minuten op het laad/losterrein. Vrachtwagens worden gelost met een (elektrische) pompwagen of met rolcontainers. Voor het lossen van vrachtwagens is rekening gehouden met 1,5 uur laden/lossen in de dagperiode. Op het laad-/losterrein is ook plaats voor een aantal personenwagens van personeel van de supermarkt. In het onderzoek is rekening gehouden met 4 personenwagens in de dagperiode en 2 in de avondperiode. Op het dak van de supermarkt (het magazijn) wordt een condensor geplaatst. Deze condensor zal op warme zomerdagen gedurende 24 uur per etmaal op vol vermogen in bedrijf kunnen zijn. De geluidemissie is gebaseerd op leveranciersgegevens. Ten noorden van de supermarkt wordt een parkeerterrein ingericht. Dit parkeerterrein is publiek toegankelijk en wordt ook gebruikt voor de bewoners van de appartementen die op de supermarkt worden gerealiseerd.

De geluidemissie van de rijdende personenwagens is meegenomen in de berekeningen voor de indirecte hinder. In de berekeningen is rekening gehouden met het heen en weer rijden van 150 winkelwagens op het terrein in de dagperiode. Voor de avondperiode is rekening gehouden met het heen en weer rijden van 30 winkelwagens. Voor de realisatie van het plan en de inpassing van de Activiteiten van de supermarkt zijn de Beste Beschikbare Technieken (BBT) toegepast om de geluidemissie van de supermarkt zoveel mogelijk te beperken. Uit het onderzoek blijkt, dat er in de gewenste situatie wordt voldaan aan de geluideisen voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus uit de het Activiteitenbesluit. Indirecte hinder In de onderzochte situatie wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. 5.6.3

Conclusie

Het aspect geluid is geen belemmering voor de realisatie van het plan.

(ontwerp)

45

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan

5.7

Luchtkwaliteit

5.7.1

Algemeen

De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:  negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken;  mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:  er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde);  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend. NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium:  < 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling;  < 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling 5.7.2 Onderzoek Gevolgen van bouwplan voor luchtkwaliteit Het onderhavige plan is zodanig kleinschalig dat hierop het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteit) van toepassing is (hierna ook: NIBM). De grens op grond van dit besluit is meer dan 1.500 woningen. De supermarkt en de nieuw appartementen dragen in niet betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Van 1.500 woningen kan immers een aanzienlijk grotere emissie worden verwacht. Zeker als er vanuit mag worden gegaan dat er gasloos zal worden gebouwd.

Invloed van omgevingslucht op bouwplan Buiten de aanwezige wegenstructuur zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen activiteiten welke de kwaliteit van de buitenlucht als beschreven significant beïnvloeden. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de kaart met rekenpunten van de NSL-monitoringstool. Via de landelijke voorziening NSL-monitoringstool wordt de (geprognosticeerde) luchtkwaliteit in Nederland in beeld gebracht. In de navolgende tabel is hiervan een overzicht gegeven voor de Amersfoortsestraat. Via de rekentool 2017 kunnen de jaren 2020 en 2030 in beeld worden gebracht. Bij de beoordeling in het kader van het NSL-model wordt rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen tot tien jaar na vaststelling van het planologisch besluit ('planhorizon'). Hierbij geldt in principe dat voor de toekomst rekening wordt gehouden met een verkeerstoename ten opzichte van het huidige verkeersbeeld. Tegelijkertijd wordt naar de toekomst toe ook rekening gehouden met een afname van de emissies per voertuig.

46

(ontwerp)

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan

Afbeelding 5.1: NSL-monitoring Rekenpunten Id rekenpunt

NO2 µg/m3 PM10 µg/m3

PM10 overschrijdingsdagen PM2,5 µg/m3

jaar

1

13,3

15,9

6,0

8,7

2020

2

13,7

16,0

6,0

8,7

2020

1

8,2

13,8

6,0

7,2

2030

2

8,5

13,9

6,0

7,2

2030

Zoals uit de tabel blijkt wordt voor de locatie voor de rekenjaren 2020 en 2030 geen (dreigende) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen voor wat betreft de (bepalende) parameters NO2, PM10 en PM2,5 geprognosticeerd. Er wordt tevens voldaan aan de blootstellings-concentratieverplichting van 20 µg/m3 lucht voor PM2,5 (BCV). Gelet op deze achtergrondwaarden is op dit punt hoe dan ook geen sprake van een locatie waar sprake is van een (dreigende) overschrijding van de luchtkwaliteitseisen. In die zin is dus sprake van een aanvaardbaar woon- en winkelklimaat. Mede gelet op de geldende bestemming en de daarvan te verwachten emissies (verkeersaantrekkende werking of anderszins) behoeft van onderhavig bouwplan geen significante invloed op de lokale luchtkwaliteit te worden verwacht. Overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen als gevolg van dit plan en andere negatieve effecten voor de lokale luchtkwaliteit zijn niet waarschijnlijk. Dit houdt in dat er geen aanvullend onderzoek op het gebied van luchtkwaliteit nodig is. 5.7.3

Conclusie

Het aspect lucht is geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.8

Bedrijven en milieuzonering

Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'.

(ontwerp)

47

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken.

Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype

Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en buitengebied

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn

48

(ontwerp)

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan

5.8.1

Onderzoek

In de directe omgeving bevinden zich volgens het geldende bestemmingsplan de volgende bestemmingen: Centrum, Bedrijf, Detailhandel en Maatschappelijk. De maximum milieucategorie is 2. Aangezien hier duidelijk sprake is van een 'gemengd' gebied bedraagt de afstand minimaal 10 meter. De appartementen bevinden zich op een afstand van circa 20 meter, waardoor ruimschoots aan de richtafstand van 10 meter wordt voldaan. De in het plan opgenomen supermarkt valt op grond van de VNG-brochure in milieucategorie B volgens de Staat van bedrijfsactiviteiten functiemenging. Voor bedrijvigheid uit milieucategorie B geldt dat deze kan worden uitgeoefend in een gemengd gebied. Voor deze categorie geldt wel dat de supermarkt bouwkundig gescheiden van woningen en andere milieugevoelige functies dient plaats te vinden. In lijn hiermee dient er een afdoende bouwkundige afscherming te komen tussen de supermarkt en de naburige woningen alsook tussen de supermarkt en de woningen die met onderhavig bouwplan zullen worden gerealiseerd. Laden en lossen Voor het laden en lossen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat er geen belemmeringen voor de realisatie aanwezig zijn (zie 5.6.2.2). 5.8.2

Conclusie

Bedrijven- en milieuzonering is geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.9

Geur

Binnen een straal van 25 meter van de nieuw woningen was Cafetaria "de Rademaker" gevestigd aan de Rademakerstraat 30. Dit is een meldingsplichtige inrichting op grond van het Activiteitenbesluit. Dit betekent dat op de cafetaria de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. In artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit zijn een aantal geurvoorschriften opgenomen. Het algemene uitgangspunt is dat als aan deze voorschriften wordt voldaan geurhinder wordt voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt. Cafetaria "de Rademaker" kan hieraan voldoen zodat er van geurhinder geen sprake zal zijn. Conclusie Er is geen aanvullend onderzoek op het gebied van geur nodig.

5.10

Externe veiligheid

5.10.1 Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

(ontwerp)

49

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 5.10.2 Onderzoek In januari 2021 is door Kragten een quickscan externe veiligheid uitgevoerd (zie Bijlage 15). Hieruit blijkt dat: Transport over het water en spoor Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een waterweg of spoorlijn waardoor de transporten met gevaarlijke stoffen over een waterweg of spoorweg geen belemmering voor de planontwikkeling vormen. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Transport over de weg Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6-risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied van een nabijgelegen weg waarover structureel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Wel bevindt het plangebied zich binnen een afstand van 200 meter van de N237. Op basis van de vuistregels van de HART, hoeft geen berekening van de hoogte van het groepsrisico voor deze weg uitgevoerd te worden. De hoogte van het groepsrisico is ook na planrealisatie lager dan 10% van de oriëntatiewaarde.

Wel dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden aangezien het plangebied binnen het invloedsgebied (BLEVE scenario) van de N237 ligt. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen de 1% letaliteitsafstand van buisleidingen. Waardoor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geen belemmering vormt voor de planvorming. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Inrichtingen Het plangebied bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen in de omgeving. Risicovolle inrichtingen vormen derhalve geen belemmering voor de planvorming. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. 5.10.3 Verantwoording groepsrisico Aangezien het plangebied binnen het invloedsgebied (BLEVE scenario) van de N237 ligt, is in januari 2021 door Kragten een notitie 'Verantwoording groepsrisico' opgesteld (zie Bijlage 16) .

50

(ontwerp)

bestemmingsplan Hoek Rademakerstraat - Van der Griendtlaan In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op het eerder genoemde scenario). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. Aangenomen wordt dat de uit te breiden supermarkt reeds een bedrijfsnoodplan heeft. Dit dient aangepast te worden op de nieuwe situatie. De bedrijfshulpverlening dient ingericht te zijn en er dient geoefend te worden op het beschreven scenario en interne maatregelen die de zelfredzaamheid verhogen. Het ontruimingsplan dient opgesteld te worden in samenspraak met de brandweer. Daarnaast dienen ontruimingsoefeningen te worden gedaan waarbij de frequentie hiervan in overleg met de brandweer kan worden vastgesteld. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio's door het bestuur van de Veiligheidsregio's uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. Voornoemde punten dienen voor advies te worden voorgelegd aan de Veiligheidsregio.

Dit advies dient de gemeente Soest mee te nemen in haar verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. 5.10.4 Conclusie Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.11

Verkeer en parkeren

5.11.1 Algemeen Om te bepalen of het plan geen negatieve effecten heeft op omliggende wegen en de parkeersituatie, wordt in deze paragraaf de effecten beschreven van het plan op het verkeer en parkeersituatie. Voor parkeren wordt getoetst aan de voor het plangebied geldende parkeernormen. 5.11.2 Onderzoek In augustus 2022 is door Goudappel een verkeer- en parkeeronderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 17). Verkeer Aan de hand van de gehanteerde uitgangspunten is de verkeersgeneratie voor de toekomstige situatie berekend. Hieruit blijkt blijkt dat de ontwikkeling in de toekomstige situatie circa 1.560 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal genereert. Dit is een toename van circa 310 mvt/etmaal. Op een werkdagetmaal bedraagt de verkeersgeneratie circa 1.585 motorvoertuigbewegingen; een toename van circa 270 motorvoertuigbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. Spitsperioden Uit het rapport blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling de locatie in de toekomstige situatie in de ochtendspits circa 5 motorvoertuigbewegingen in het drukste uur minder genereert ten opzichte van de huidige situatie. In de avondspits bedraagt de toename circa 20 motorvoertuigbewegingen in het drukste uur. Verkeerskundig lijkt de toename in de avondspitsperiode beperkt; gemiddeld genereert de ontwikkeling hiermee circa één motorvoertuigbeweging per drie minuten in het drukste avondspitsuur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=e33f4195-eb97-4b7c-adfb-27f878976481