3. Bijlage 2 APV Soest 2025 was wordt lijst
Tekst van het document
Was-wordt-tabel aanpassing Algemene plaatselijke verordening Soest 2025 Leeswijzer Hieronder worden uitsluitend de te wijzigen artikelen van de Algemene plaatselijke verordening (APV) vermeld. In de linker kolom vindt u de tekst van de bestaande verordening. De te wijzigen of te vervallen tekst is cursief weergegeven. In de rechterkolom ziet u de nieuwe tekst van het artikel zoals dat komt te luiden na vaststelling van de voorgestelde wijziging. De gewijzigde of nieuw toegevoegde tekst is vet weergegeven. Bij de aanpassing van de APV is aansluiting gezocht bij de model-APV van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Onder het betreffende aangepaste artikel wordt (voor zover nodig) op de aanpassing(en) een toelichting gegeven. Hoofdstuk 1.
Algemene bepalingen Artikel 1:1 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 1:1 Definities Bestaande tekst Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; - beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - bromfiets; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; - college: het college van burgemeester en wethouders; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; - handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten,
Artikel 1:1 Definities Nieuwe tekst Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; - beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - bromfiets; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; - college: het college van burgemeester en wethouders; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten,
waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; - motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; - openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; - parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en Lokale wet- en regelgeving rolstoelen; - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; - weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; - motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; - openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; - parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en Lokale wet- en regelgeving rolstoelen; - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; - weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; - toezichthouder: een toezichthouder in de zin van artikel 6:2 van deze verordening.
Toelichting: I. De wijziging inzake de definitie van ‘gebouw’ houdt verband met het overhevelen van deze definitie in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. Inhoudelijk is de definitie niet gewijzigd. II. Een definitie van ‘toezichthouder’ is opgenomen. Krachtens artikel 6:2 (Toezichthouders) zijn (onder meer) ambtenaren van politie en buitengewoon opsporingsambtenaren met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de APV bepaalde belast. Artikel 1:6 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Bestaande tekst Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Nieuwe tekst Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:
2/51
a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Toelichting: De aanpassing in artikel 1:6, eerste lid, onder d, is conform het VNG model. Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:11 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Bestaande tekst Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Het verbod is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Nieuwe tekst Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Het verbod is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of
3/51
openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht, of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur.
openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht, of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur gemeente Soest 2022, en diens rechtsopvolger(s).
Toelichting: In artikel 2:11, derde lid, is een redactionele wijziging aangebracht. Artikel 2:15 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Bestaande tekst Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Nieuwe tekst Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Toelichting: De aanpassing in artikel 2:15 betreft een redactionele verbetering. Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:24 Definities Bestaande tekst Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
Artikel 2:24 Definities Nieuwe tekst Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
4/51
van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwetgelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39 van deze verordening; 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een klein evenement. 3. Onder klein evenement wordt verstaan: a. een eendaags buurt- en wijkevenement. Onder een buurt- en wijkevenement wordt verstaan: een evenement dat door en in de buurt c.q. wijk georganiseerd wordt, zoals een buurtbarbecue, buurtfeest, wijkdag of spellenmiddag; b. een tocht, zoals een toertocht, wandeltocht en oldtimerdag; wedstrijden die in een in een bestemmingsplan aangewezen natuurgebied plaatsvinden zijn hiervan uitgezonderd; c. De volgende andere eendaagse evenementen: 1. een tentoonstelling; 2. een opening; 3.
een schoolevenement zijnde een evenement dat door een erkende onderwijsinstelling wordt georganiseerd en dat is gericht op aan onderwijs gerelateerde activiteiten; 4. een informatief evenement zijnde een evenement dat in hoofdzaak is gericht op een onderwerp of thema met als doel er meer over te weten te komen of er iets van te leren.
van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet-gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39 van deze verordening. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een klein evenement; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3. Onder klein evenement wordt verstaan: a. een eendaags buurt- en wijkevenement. Onder een buurt- en wijkevenement wordt verstaan: een evenement dat door en in de buurt c.q. wijk georganiseerd wordt, zoals een buurtbarbecue, buurtfeest, wijkdag of spellenmiddag; b. een tocht, zoals een toertocht, wandeltocht en oldtimerdag; wedstrijden die in het omgevingsplan aangewezen natuurgebied plaatsvinden zijn hiervan uitgezonderd; c. De volgende andere eendaagse evenementen: 1. een tentoonstelling; 2. een opening; 3.
een schoolevenement zijnde een evenement dat door een erkende onderwijsinstelling wordt georganiseerd en dat is gericht op aan onderwijs gerelateerde activiteiten; 4. een informatief evenement zijnde een evenement dat in hoofdzaak is gericht op
5/51
een onderwerp of thema met als doel er meer over te weten te komen of er iets van te leren. Toelichting: I. De wijziging in artikel 2:24, eerste lid, aanhef en onder d, betreft een redactionele verbetering (Alcoholwet gelegenheid). II. In het tweede lid, onder f, wordt voorzien in een bevoegdheid van de burgemeester om categorieën (full-contact) vechtsportwedstrijden of -gala’s aan te wijzen die als evenement worden aangemerkt. De praktijk wijst uit dat er bij vechtsportevenementen of -gala’s bij categorieën full-contact vechtsporten een verhoogde kans bestaat op ongewenste situaties rond en tijdens het evenement. De mogelijkheid tot regulering via een vergunningsplicht is daarom gewenst. (zie ook het voorgestelde artikel 2:25, zevende en achtste lid) III. Het omgevingsplan is het centrale instrument van de Omgevingswet die per 1 januari 2024 in werking is getreden en vervangt onder meer het bestemmingsplan. (aanpassing derde lid, onder b) Artikel 2:25 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:25 Evenementenvergunning Bestaande tekst Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.
Een vergunning voor een evenement dient minimaal zestien weken voor aanvang van het evenement te worden aangevraagd, tenzij een afwijkende termijn is bepaald in de Beleidsregels voor de uitvoering van het Beleidsplan Veilige evenementen in een gastvrij Soest. 3. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1 eerste lid van het Besluit Brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 4. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 gelijktijdig aanwezige
Artikel 2:25 Evenementenvergunning Nieuwe tekst Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Een vergunning voor een evenement dient minimaal zestien weken voor aanvang van het evenement te worden aangevraagd, tenzij een afwijkende termijn is bepaald in de Beleidsregels voor de uitvoering van het Beleidsplan Veilige evenementen in een gastvrij Soest, en diens rechtsopvolger(s). 3. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1 eerste lid van het Besluit Brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 4. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a. het aantal aanwezigen niet meer
6/51
personen; en b. het evenement plaatsvindt op: 1. maandag t/m donderdag van 09.00 uur tot 18.00 uur, of 2. vrijdag en zaterdag van 09.00 uur tot 24.00 uur, of 3. zondag van 13.00 uur tot 23.00 uur; en c. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m² per object; en d. er uitsluitend sprake is van akoestisch geluid of licht versterkt muziekgeluid (achtergrondmuziek); en e. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad, trottoir of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten en de organisator minimaal zeven werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester; danwel f. het evenement wel plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad, trottoir of parkeerplaats en de organisator minimaal zes weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 5. De burgemeester kan binnen vijf dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 7.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
bedraagt dan 150 gelijktijdig aanwezige personen; en b. het evenement plaatsvindt op: 1. maandag t/m donderdag van 09.00 uur tot 18.00 uur, of 2. vrijdag en zaterdag van 09.00 uur tot 24.00 uur, of 3. zondag van 13.00 uur tot 23.00 uur; en c. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m² per object; en d. er uitsluitend sprake is van akoestisch geluid of licht versterkt muziekgeluid (achtergrondmuziek); en e. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad, trottoir of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten en de organisator minimaal zeven werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester; danwel f. het evenement wel plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad, trottoir of parkeerplaats en de organisator minimaal zes weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 5. De burgemeester kan binnen vijf dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
7. Het vierde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f,
7/51
weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 9. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting: Zie de toelichting bij artikel 2:24, onder II. Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:28 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting Bestaande tekst Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting geschiedt door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 3. Het is verboden de aard van de openbare inrichting te wijzigen zonder een daartoe strekkende vergunning. 4. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 5. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitanten / leidinggevenden van de openbare inrichting: a. de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt; b. in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; c. onder curatele staan. 6. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren, indien:
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting Nieuwe tekst Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting geschiedt door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 3. Het is verboden de aard van de openbare inrichting te wijzigen zonder een daartoe strekkende vergunning. 4. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 5. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitanten / leidinggevenden van de openbare inrichting: a. de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt; b. in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; c. onder curatele staan. 6. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren, indien:
8/51
a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; of c. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften. 7. Voor openbare inrichtingen waarvan de vergunning vanwege de openbare orde of de woon- en leefsituatie is ingetrokken, kan worden bepaald dat een vergunning voor die openbare inrichting gedurende een bij die intrekking genoemde termijn voor maximaal twee jaar wordt geweigerd. 8. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover sprake is van een mengformule als bedoeld in het ‘Retailbeleid 2016-2026’ en het parapluplan ‘Retail en Nota parkeernormen auto en fiets 2017’: ten behoeve van deze openbare inrichtingen mag geen terras worden geëxploiteerd; b. een zorginstelling; c. een museum; of d. een bedrijfskantine of -restaurant. 9.
In afwijking van het hiervoor in lid 4 en lid 8 sub a bepaalde, is de voorwaarde, dat er geen terras mag worden geëxploiteerd, niet van toepassing voor die exploitanten die op 8 februari 2018 reeds onder de hiervoor genoemde mengformule vielen én een terras exploiteerden. Voor dit terras dient wel een vergunning als bedoeld in het eerste lid aanwezig te zijn. 10. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; of c. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften. 7. Voor openbare inrichtingen waarvan de vergunning vanwege de openbare orde of de woon- en leefsituatie is ingetrokken, kan worden bepaald dat een vergunning voor die openbare inrichting gedurende een bij die intrekking genoemde termijn voor maximaal twee jaar wordt geweigerd. 8. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover sprake is van een mengformule als bedoeld in het ‘Retailbeleid 2016-2026’, en diens rechtsopvolger(s) en het parapluplan ‘Retail en Nota parkeernormen auto en fiets 2017’, en diens rechtsopvolger(s): ten behoeve van deze openbare inrichtingen mag geen terras worden geëxploiteerd; b. een zorginstelling; c. een museum; of d. een bedrijfskantine of -restaurant. 9.
In afwijking van het hiervoor in lid 4 en lid 8 sub a bepaalde, is de voorwaarde, dat er geen terras mag worden geëxploiteerd, niet van toepassing voor die exploitanten die op 8 februari 2018 reeds onder de hiervoor genoemde mengformule vielen én een terras exploiteerden. Voor dit terras dient wel een vergunning als bedoeld in het eerste lid aanwezig te zijn. 10. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
9/51
Toelichting: In artikel 2:28 zijn de verwijzingen naar de toepasselijke regels aangevuld. Artikel 2:34 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:34 Intrekking en verval van vergunning Bestaande tekst Artikel 2:34 Intrekking en verval van vergunning 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 trekt de burgemeester de vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting in, indien: a. niet langer wordt voldaan aan de in artikel 2:28, vijfde lid, gestelde eisen; b. zich in of vanuit de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid; c. er een persoon leidinggevende is geworden en deze niet op grond van artikel 2:31b is aangemeld. 2. De vergunning vervalt van rechtswege indien: a. de exploitatie van de openbare inrichting feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) is overgedragen. b. de aard van de inrichting is gewijzigd zonder dat daarvoor een nieuwe vergunning is verleend.
Artikel 2:34 Intrekking en verval van vergunning Nieuwe tekst Artikel 2:34 Intrekking en verval van vergunning 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 trekt de burgemeester de vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting in, indien: a. niet langer wordt voldaan aan de in artikel 2:28, vijfde lid, gestelde eisen; b. zich in of vanuit de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid; c. er een persoon leidinggevende is geworden en deze niet op grond van artikel 2:31b is aangemeld. 2. De vergunning vervalt van rechtswege indien: a. de exploitatie van de openbare inrichting feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) is overgedragen; b. de aard van de inrichting is gewijzigd zonder dat daarvoor een nieuwe vergunning is verleend.
Toelichting: De aanpassing in artikel 2:34, tweede lid, onder a, betreft een redactionele verbetering. Afdeling 6. Bijzondere bepalingen en toezicht op bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen Deze afdeling vervalt. Artikel 2:34g vervalt:
10/51
Artikel 2:34g Tegengaan van onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Bestaande tekst Artikel 2:34g Tegengaan van onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit artikel 2:34h, eerste lid, van toepassing is. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat of ernstige vrees hiertoe bestaat. Een aanwijzing van een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat of ernstige vrees hiertoe bestaat.
Nieuwe tekst Dit onderwerp wordt geregeld in het nieuwe artikel 2:81.
Artikel 2:34h vervalt: Artikel 2:34h Vergunning Bestaande tekst Artikel 2:34h Vergunning 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van artikel 2:34g, tweede lid, aangewezen
Nieuwe tekst Dit onderwerp wordt geregeld in het nieuwe artikel 2:81.
11/51
gebouw voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van artikel 2:34g, tweede lid, aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 2. De aanvraag om een vergunning geschiedt door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 3. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; d. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan; f. indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen drie jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 4.
Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 5. In afwijking van het eerste lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van
12/51
inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid. Artikel 2:34i vervalt: Artikel 2:34i Intrekking of wijziging vergunning Bestaande tekst Artikel 2:34i Intrekking of wijziging vergunning 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het vorige artikel intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of; b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of; c. de voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of; d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of; e. de exploitant of beheerder betrokken is of nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of; f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of; g.
er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of; h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of; i. redelijkerwijs moet worden aangenomen
Nieuwe tekst Dit onderwerp wordt geregeld in het nieuwe artikel 2:81.
13/51
dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 2. Indien er een voor de vergunningverlening relevante verandering van omstandigheden optreedt, dient de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag in te dienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand na de verandering van omstandigheden is ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken op basis van de inmiddels gewijzigde omstandigheden. Artikel 2:34j vervalt: Artikel 2:34j Sluiting van een gebouw Bestaande tekst Artikel 2:34j Sluiting van een gebouw 1. De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen indien het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit artikel 2:34h, eerste lid, wordt geëxploiteerd. 2. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het vorige lid gesloten gebouw te betreden of daarin te verblijven. 3. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
Nieuwe tekst Dit onderwerp wordt geregeld in het nieuwe artikel 2:81.
Toelichting: Zie de toelichting bij artikel 2:81. Afdeling 7. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Deze afdeling wordt hernummerd tot afdeling 6. Afdeling 8. Toezicht op speelgelegenheden Deze afdeling wordt hernummerd tot afdeling 7. Afdeling 9. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Deze afdeling wordt hernummerd tot afdeling 8.
14/51
Artikel 2:50a wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:50a Messen en steekwapens Bestaande tekst Artikel 2:50a Messen en steekwapens 1. Het is verboden op door de burgemeester aangewezen wegen, met inbegrip van daaraan gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen, messen of andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie en evenmin voor andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt, mits deze zodanig zijn ingepakt dat zij niet geschikt zijn voor onmiddellijk gebruik.
Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen Nieuwe tekst Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen 1. Het is verboden op door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.
Toelichting: Het doel van artikel 2:50a is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid door het bij zich hebben (dragen) van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt te verbieden. De voorgestelde tekst is overeenkomstig de formulering in het VNG model. I. De formulering in het eerste lid is ruimer (o.a. wegen versus openbare plaatsen). II. De regeling in het tweede lid bepaalt dat ook messen die zijn ingepakt, bijvoorbeeld omdat deze in een winkel zijn aangeschaft en nog in de verpakking zitten, niet onder het verbod vallen. Artikel 2:57 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:57 Loslopende honden Bestaande tekst Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide, op begraafplaatsen of op een andere door het college aangewezen plaats;
Artikel 2:57 Loslopende honden Nieuwe tekst Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide, op begraafplaatsen of op een andere door het college aangewezen plaats;
15/51
b. op een openbare plaats, zonder dat die hond aangelijnd is; c. op een openbare plaats indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk, dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen (zgn. losloopterreinen). 3. Het eerste lid, aanhef en onder a en b, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. 4. Het is verboden om de losloopterreinen te gebruiken voor het op bedrijfsmatige wijze uitlaten van honden (de uitlaatservices). Onder bedrijfsmatig wordt verstaan meer dan 5 honden per persoon.
b. op een openbare plaats, zonder dat die hond aangelijnd is; c. op een openbare plaats indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk, dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen (zgn. losloopterreinen). 3. Het eerste lid, aanhef en onder a en b, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. 4. Het is verboden om een losloopterrein te gebruiken met meer dan drie honden per persoon.
Toelichting: Uit de praktijk blijkt dat veel hondenbezitters geen appél hebben over hun hond en dat het onder appél houden van meer dan drie honden praktisch niet mogelijk is. De (groene) buitengewoon opsporingsambtenaren ervaren een toename in het aantal incidenten. Om overlast tegen te gaan, zal het verboden zijn om met meer dan drie honden per persoon in een losloopgebied te zijn. Een dergelijk verbod is ook door andere terrein beherende organisaties ingevoerd. Afdeling 10. Bestrijding van heling van goederen Deze afdeling wordt hernummerd tot afdeling 9. Artikel 2:68 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht Bestaande tekst Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht Nieuwe tekst Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen
16/51
schriftelijk in kennis te stellen: 1°. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2°. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; 3°. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4°. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste zeven dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
schriftelijk in kennis te stellen: 1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2. van een verandering van de onder 1° bedoelde adressen; 3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Toelichting: De aanpassing in artikel 2:68 betreft een redactionele verbetering. Afdeling 11. Consumentenvuurwerk en carbidschieten Deze afdeling wordt hernummerd tot afdeling 10. Afdeling 12. Drugsoverlast Deze afdeling wordt hernummerd tot afdeling 11. Afdeling 13. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Deze afdeling wordt hernummerd tot afdeling 12. Artikel 2:77 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen Bestaande tekst Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen Nieuwe tekst Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare
17/51
plaatsen 1. De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera's voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een andere voor ieder toegankelijke plaats.
plaatsen 1. De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera's voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een andere voor ieder toegankelijke plaats.
Toelichting: Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c van de Gemeentewet mag uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde en vereist vanuit het oogpunt van privacy een zorgvuldige afweging. Toezicht met vaste camera’s kan niet adequaat zijn bij het bestrijden van zich snel en gemakkelijk verplaatsende criminaliteit, hinder en vandalisme. Toezicht met mobiele camera’s is met de aanpassing ook op grond van artikel 2:77, tweede lid, mogelijk. Artikel 2:78 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen Bestaande tekst Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen Nieuwe tekst Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of
18/51
meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. 5. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod. 6. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Toelichting: In artikel 2:78 zijn het vijfde en zesde lid nieuw toegevoegd. Beide aanvullingen zijn conform het VNG model. I. Het vijfde lid bepaalt dat het verboden is te handelen in strijd met een opgelegde gebiedsontzegging. In combinatie met de strafbaarstelling in artikel 6:1 is het mogelijk om een boete op te leggen aan degene die een gebiedsontzegging overtreedt. II. Het zesde lid geeft voorrang aan een gedragsaanwijzing door de officier van justitie boven een gebiedsontzegging door de burgemeester. Artikel 2:80 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:80 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen Bestaande tekst Artikel 2:80 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat
Artikel 2:80 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen Nieuwe tekst Artikel 2:80 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat
19/51
gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt de mededeling van het sluitingsbevel tevens aangebracht op of nabij de toegang(en) van het gebouw of erf. 3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 5. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven. 6.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.
gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt de mededeling van het sluitingsbevel tevens aangebracht op of nabij de toegang(en) van het gebouw of erf. 3. Eenieder is verplicht toe te laten dat een bekendmaking van de sluiting wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 4. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 5. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 6. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven. 7.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.
Toelichting: De aanpassingen in artikel 2:80, derde en vierde lid, zijn overeenkomstig het VNG model. I. Naast de bekendmaking van de sluiting aan belanghebbende wordt ter plaatse een bekendmaking van de sluiting aangebracht. Uit het derde lid volgt onder meer dat het verboden is die bekendmaking te verwijderen.
20/51
II.
Het vierde lid biedt de burgemeester de mogelijkheid om een sluiting, zonder aanvraag van een belanghebbende daartoe, op te heffen. De burgemeester zal daartoe in de regel alleen overgaan op het moment dat er voldoende garanties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het pand gewaarborgd zijn.
Artikel 2:81 in de Model-APV luidt als volgt: Bestaande tekst Afdeling 6 van hoofdstuk 2 zal vervallen.
Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Nieuwe tekst Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28 of 3:3; b. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit; c. exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 2. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied. 4. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een
21/51
door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt: a. voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd; b. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder; c. het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; d. het nummer van inschrijving in het Handelsregister; e. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder; f. voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten; g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; h. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; b. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; d.
als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag; e. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
22/51
f. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer; g. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; h. indien een of meer exploitanten of beheerders van de bedrijfsmatige activiteit binnen drie jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijfsmatige activiteit heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 6. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet. Onverminderd het bepaalde in het negende lid en artikel 1:6, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken als de melding niet binnen een maand na de verandering is ingediend. 7. Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 8.
De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden. 9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd,
23/51
doordat: a. door de bedrijfsmatige activiteit de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; b. door de bedrijfsmatige activiteit de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd; d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; f. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; g. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; h. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 10.
Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 11. De burgemeester brengt een
24/51
bekendmaking van de sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf. 12. Eenieder is verplicht toe te laten dat de bekendmaking van de sluiting wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 13. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin of daarop te verblijven. 14. De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 15. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning. 16. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Op grond van de huidige regeling in afdeling 6 (artikel 2:34g t/m 2:34j) en op grond van het nieuwe artikel 2:81 heeft de burgemeester de bevoegdheid om bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvoor een verbod geldt om deze zonder vergunning uit te oefenen. Hij kan deze bevoegdheid inzetten als dat nodig is om verstoring van de openbare orde of nadelige beïnvloeding van de leefbaarheid tegen te gaan (of ter voorkoming daarvan), als die wordt veroorzaakt door een onveilig en malafide ondernemersklimaat vanuit een gebouw of door een bedrijfsmatige activiteit. De voornaamste (inhoudelijke) aanpassingen zijn: