3. Artikelsgewijze toelichting actualisatie APV 2022
Tekst van het document
Artikelsgewijze toelichting op de actualisatie van de Algemene plaatselijke verordening Soest 2022 Leeswijzer: Hieronder worden uitsluitend de te wijzigen onderdelen van de APV vermeld. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen inhoudelijke wijzigingen en technische wijzigingen. Bij de inhoudelijke wijzigingen wordt in een tabel zowel de bestaande tekst als de nieuwe tekst opgenomen. In de linker kolom vindt u de tekst van de bestaande verordening. De te wijzigen of te vervallen tekst is cursief weergegeven. In de rechterkolom ziet u de nieuwe tekst van het artikel zoals dat komt te luiden na vaststelling van de voorgestelde wijziging. De gewijzigde of nieuw toegevoegde tekst is vet weergegeven. De inhoudelijke wijzigingen worden daarnaast per artikel toegelicht. Inhoudelijke wijzigingen A.
Artikel 1:1 (Definities), sub l, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
Nieuwe tekst voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen;
Toelichting Dit is een wijziging conform de modelverordening van de VNG (wijziging Model-APV zomer 2020). In artikel 1:1 is in de definitie van ‘voertuig’ de zinsnede ‘met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen’ vervangen door ‘met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen’. De definitie in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (hierna: RVV 1990) eindigt op wagens. De uitzondering maakt duidelijk dat kleine wagens geen voertuig zijn. Rolstoelen zijn een uitzondering op gehandicaptenvoertuigen zoals genoemd in de definitie in het RVV 1990. B.
Artikel 2:10 (Voorwerpen op of aan de weg), vierde lid, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst In verband met de belangen genoemd in het eerste en derde lid, alsmede die genoemd in artikel 1:8 van deze verordening, en het belang van een eerlijke en evenwichtige verdeling van de beschikbare plaatsingsmogelijkheden, kan het bevoegd bestuursorgaan nadere regels stellen ten aanzien van verwijsborden en borden ten behoeve van al dan niet tijdelijke reclameuitingen. Deze regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op: a. het aantal borden en de locaties waar zij mogen worden geplaatst; b. de periode gedurende welke de borden mogen worden geplaatst, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar categorieën van aanvragers en activiteiten; c. omvang, materiaal en vormgeving van de
Nieuwe tekst
borden; d. wijze van bevestiging van de borden; e. de termijn waarbinnen melding moet worden gedaan van het voornemen om borden te plaatsen of ontheffing wordt aangevraagd als bedoeld in het vijfde lid. Bij de melding of aanvraag moet in ieder geval worden aangegeven gedurende welke periode, op welke plaatsen en voor welk doel men de borden wil plaatsen.
Toelichting Het vierde lid van dit artikel wordt geschrapt, omdat dit inhoudelijk niets toevoegt. Het derde lid van dit artikel biedt immers al een grondslag voor het college om nadere regels te stellen. Het artikel wordt hiermee overzichtelijker en bovendien in lijn gebracht met de modelbepaling van de VNG. C.
Artikel 2:11 ((Omgevings)vergunning voor het aanleggen beschadigen en veranderen van een weg), vierde lid, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale Wegenverordening of het provinciaal wegenreglement, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
Nieuwe tekst Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale Wegenverordening of het provinciaal wegenreglement, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur.
Toelichting In het vierde lid van dit artikel is de zinsnede ‘daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening’ vervangen door ‘Algemene verordening ondergrondse infrastructuur’. Dit omdat de gemeenteraad bij besluit van 10 februari 2022 de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur (hierna: AVOI) heeft vastgesteld ter vervanging van onder meer de Telecommunicatieverordening. Met de inwerkingtreding van de AVOI is de Telecommunicatieverordening ingetrokken. D.
Artikel 2:34g (Tegengaan van onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat), tweede lid, wordt gewijzigd als volgt: Bestaande tekst De burgemeester kan gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit artikel 2:34h, eerste lid, van toepassing is. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige
Nieuwe tekst De burgemeester kan gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit artikel 2:34h, eerste lid, van toepassing is. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat of ernstige vrees hiertoe bestaat. Een aanwijzing van een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten
activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.
beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat of ernstige vrees hiertoe bestaat.
Toelichting Op verzoek van het team Vergunning en Handhaving is in het tweede lid van dit artikel achter de zinseden ‘als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat’ de zinsnede ‘of ernstige vrees hiertoe bestaat’ toegevoegd. Daarmee wordt deze bepaling wat aangescherpt in die zin dat de burgemeester niet alleen kan optreden als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid in of rondom een gebouw daadwerkelijk onder druk staat, maar ook op het moment dat hiertoe ernstige vrees bestaat. Er hoeven dan geen concrete incidenten (strafbare feiten) te hebben plaatsgevonden in of rond een gebouw, maar het dient wel aannemelijk te zijn dat die incidenten mogelijk plaats zullen vinden en dat daardoor de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk komt te staan. E.
Artikel 2:65 (Bedelarij) is als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
Nieuwe tekst Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.
Toelichting Dit artikel is gewijzigd conform de modelbepaling van de VNG (zomeraanpassing 2020 en 2022). De zinsnede ‘op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw’ is vervangen door ‘op een openbare plaats’. Het verbod zou ook in bijvoorbeeld parken of plantsoenen moeten gelden. Uit de toelichting op artikel 1:1 op openbare plaats: het verblijf op die plaats [mag] niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden zijn. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. ‘Een voor het publiek toegankelijk gebouw’ voor zover het verblijf daarin door de gerechtigde niet aan een doel is gebonden, is dus ook een openbare plaats. Eigenaren/exploitanten van stadions enz. en gemeentehuis’ moeten zelf reguleren. Tevens is het motief ‘voorkoming of beëindiging van overlast’ aan dit artikel toegevoegd. Aanleiding is een uitspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens, waarin hij oordeelt dat de menselijke waardigheid wordt aangetast als iemand niet beschikt over voldoende bestaansmiddelen en dat deze beschermd wordt door artikel 8 EVRM (het recht op de eerbiediging van het privéleven).
Dit recht kan op grond van artikel 8, tweede lid, EVRM beperkt worden, mits deze beperking een legitiem doel dient, een wettelijke basis heeft en noodzakelijk is voor de democratische samenleving. De laatste voorwaarde vereist een afweging van de belangen van het individu en die van de maatschappij. Veiligheidshalve nemen wij daarom het motief ‘voorkomen of beëindiging van overlast’ op in artikel 2:65. De bepaling is ook redactioneel aangepast. F.
Artikel 2:77 (Cameratoezicht op openbare plaatsen) is als volgt gewijzigd: Bestaande tekst De burgemeester is bevoegd overeenkomstig
Nieuwe tekst 1. De burgemeester is bevoegd
artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera's voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera's voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een andere voor ieder toegankelijke plaats.
Toelichting Op verzoek van het cluster Veiligheid is aan dit artikel een tweede lid toegevoegd. Op grond van het eerste lid is het mogelijk om camera’s te plaatsen op een openbare plaats. De invulling van het begrip 'openbare plaats' is ontleend aan de Wet openbare manifestaties (Wom). Het begrip omvat in de meest algemene zin 'alle plaatsen waar men komt of staat'. In eerste instantie gaat het hierbij om de straat of de weg die voor iedereen vrij toegankelijk is. In het verlengde hiervan worden ook andere plaatsen die vrij toegankelijk zijn genoemd, zoals openbare plantsoenen, speelweides, parken en de vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, winkelgalerijen, stationshallen en vliegvelden. De raad heeft op grond van artikel 151c, eerste lid, van de Gemeentewet de bevoegdheid om ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking publiek toegankelijk zijn, aan te wijzen als openbare plaats en zo onder de reikwijdte van de wet te brengen. Dat wordt met de toevoeging van het tweede lid beoogd. Het gaat dan om plaatsen, zoals parkeerterreinen, die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit de Wom vallen. De wetgever heeft hiermee beoogd dat gemeenten snel kunnen inspelen op gebleken lokale behoeften.
Het uitgangspunt blijft te allen tijde dat het cameratoezicht noodzakelijk moet zijn met het oog op de handhaving van de openbare orde. G.
Artikel 2:79 (Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet) is als volgt gewijzigd: Bestaande tekst 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen.
Nieuwe tekst 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder;
b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; of e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Toelichting Dit artikel is, overeenkomstig de modelbepaling van de VNG (wijziging september 2021), gewijzigd als gevolg van een wijziging van artikel 151d van de Gemeentewet. Eerste lid In dit lid is de zinsnede ‘aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven’ geschrapt. In dit artikel is een zorgplicht opgenomen voor gebruikers en verhuurders van woningen om geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden te veroorzaken. De burgemeester kan op grond hiervan gedragsaanwijzingen geven aan overlastgevers in zowel huur- als koopwoningen en aan verhuurders. Tot 1 januari 2021 was de gedragsaanwijzing aan verhuurders alleen mogelijk als de persoon die overlast gaf niet als ingezetene in de desbetreffende gemeente stond ingeschreven. Met de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur van woonruimte (Stb. 2020, 460) op 1 januari 2021 is die beperking vervallen. In verband hiermee is dit lid aangepast. Om woonoverlast beter tegen te gaan, geldt de zorgplicht voortaan in alle gevallen voor verhuurders van woonruimten. Dat betekent dat verhuurders zorgdragen dat de woningen die zij verhuren geen ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken.
Als de verhuurder zich niet of op een verkeerde manier inzet tegen ernstige en herhaaldelijke hinder, kan de burgemeester direct een verhuurder aanspreken en hoeft de burgemeester daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken. Dit is wenselijk wanneer verschillende huurders van dezelfde verhuurder hinder hebben veroorzaakt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in panden waar meerdere huurders wonen of waar huurders snel wisselen. De burgemeester kan dan dus – als ultimum remedium – direct aan een verhuurder een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen. Tweede lid Dit lid is in overeenstemming gebracht met de modelbepaling van de VNG en geeft de burgemeester daarmee handvatten voor de toepassing van het eerste lid. In dit lid regelt de raad in welke gevallen de burgemeester in ieder geval toepassing kan geven aan de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom. In het artikel is niet expliciet bepaald dat de burgemeester een last onder dwangsom kan opleggen, omdat dit reeds volgt uit de artikel 5:32 van de Awb juncto artikel 125 van de Gemeentewet. Welke herstelsanctie het meest geëigend is in een specifieke situatie zal steeds door de burgemeester moeten worden afgewogen. De burgemeester kan – zoals thans ook het geval is – in beleidsregels vastleggen hoe hij invulling geeft aan deze bevoegdheid.
De last onder bestuursdwang of dwangsom die de burgemeester kan opleggen kan bestaan uit gedragsaanwijzingen waaraan de overtreder zich te houden heeft. H.
Artikel 3:7 (Weigeringsgronden), eerste lid, onder b, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst de exploitant of de beheerder is ontzet uit het
Nieuwe tekst
ouderlijk gezag of de voogdij; Toelichting Sub b van het eerste lid van dit artikel is, conform de wijziging van de modelverordening van de VNG (zomeraanpassing 2020) geschrapt. Door de inwerkingtreding van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregel (Stb. 2014/131) is niet langer sprake van ontheffing of ontzetting uit het ouderlijk gezag of de voogdij, maar van beëindiging van ouderlijk gezag of voogdij. Artikel 3:7, eerste lid, onder b, is daarom geschrapt. Beëindiging van het ouderlijk gezag is veel ruimer dan de zeer beperkte groep ontzette ouders. (Voor de Drank- en Horecawet was één van de weigeringsgronden destijds ook dat degene die de vergunning aanvraagt niet uit het ouderlijk gezag mag zijn gezet. Dat vereiste is in 2015 vervallen. I.
Artikel 4:18 (Recreatief nachtverblijf buiten parkeerterrein), vijfde lid, is als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Nieuwe tekst
Toelichting Het vijfde lid van is geschrapt conform modelbepaling van de VNG (wijziging model-APV zomer 2018). Dit onderdeel is tijdens een eerdere actualisatie abusievelijk niet verwijderd. Artikelleden waarmee de lex silencio positivo (paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) ten overvloede van toepassing werd verklaard of uitgezonderd, zijn vervallen. Ook in gevallen waarin de lex silencio positivo niet reeds op grond van de wet van toepassing is en er evenmin redenen zijn om deze van toepassing te verklaren in de APV, is over de toepasselijkheid van de lex silencio positivo niets bepaald. Dit geldt voor dit betreffende onderdeel. Ingevolge artikel 4:20a, eerste lid, van de Awb, geldt de lex silencio positivo immers alleen als dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. De lex silencio positivo wordt in de APV nog wel uitdrukkelijk van toepassing verklaard in gevallen waarin dit niet reeds uit de wet voortvloeit, maar het toch wenselijk is te voorzien in een positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen. J.
Artikel 4:20 (Beschermde planen; hout sprokkelen), opschrift en eerste tot en met derde lid, is als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:20 Beschermde planten; hout sprokkelen 1. Onder sprokkelen van hout wordt in dit artikel verstaan: het verzamelen en verwijderen van staand of losliggend, vermolmd dan wel uitdrogend dood hout. 2. Het is verboden: a. op plaatsen die zijn aangewezen door het college in het belang van de bescherming van het natuur-, landschaps- of dorps/stadsschoon, de in die aanwijzing aangeduide bloemen of planten te plukken of bij zich te hebben; b. hout te sprokkelen of gesprokkeld hout
Nieuwe tekst Artikel 4:20 Beschermde planten; hout sprokkelen en paddenstoelen plukken 1. Onder sprokkelen van hout wordt in dit artikel verstaan: het verzamelen en verwijderen van staand of losliggend, vermolmd dan wel uitdrogend dood hout. 2. Het is verboden: a. op plaatsen die zijn aangewezen door het college in het belang van de bescherming van het natuur-, landschaps- of dorps-/stadsschoon, de in die aanwijzing aangeduide bloemen, paddenstoelen of planten te plukken of bij zich te hebben;
bij zich te hebben in bosgebieden of gedeelten daarvan die zijn aangewezen door het college in het belang van milieubeheer. 3. Dit artikel is niet van toepassing: a. ten aanzien van bloemen of planten of hout, hetzij afkomstig van elders, hetzij door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen; b. indien de handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden; c. op situaties waarin wordt voorzien door de Wet natuurbescherming.
3. a.
b.
c.
b. hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben in bosgebieden of gedeelten daarvan die zijn aangewezen door het college in het belang van milieubeheer. Het verbod is niet van toepassing: op bloemen, paddenstoelen, planten of hout, afkomstig van elders dan wel door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen; indien de handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden; op situaties waarin wordt voorzien door de Wet natuurbescherming.
Toelichting Dit artikel is gewijzigd op verzoek van het team Vergunning en Handhaving. In het opschrift en in het tweede lid, onder a, en het derde lid, onder a, van dit artikel is ‘paddenstoelen’ toegevoegd. Het komt met enige regelmaat voor dat paddenstoelen (zoals cantharellen, eekhoorntjesbrood, rodekoolzwam en andere boleten) worden geplukt. Soms met grote hoeveelheden tegelijk. Dit heeft nadelige gevolgen voor de natuur. Paddenstoelen maken deel uit van een ecosysteem waar ze dienen als afvalverwerker. Met hun schimmeldraden ruimen ze organisch materiaal op, zoals bladeren, hout en dode wormen. Meer dan 90% van de afbraak van organische reststoffen gebeurt door schimmels. Tevens dienen paddenstoelen als voedsel voor insecten en andere dieren. Paddenstoelen worden niet door een wet beschermd, maar de gemeente heeft op grond van de Wet natuurbescherming wel de zorgplicht om nadelige gevolgen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving tegen te gaan. Om paddenstoelen en de directe leefomgeving toch te kunnen beschermen biedt de APV de mogelijkheid om soorten aan te duiden waarvoor het verbod geldt om ze te plukken en/of bij zich te hebben.
Door paddenstoelen aan dit artikel toe te voegen kan het college, ter bescherming van het natuur-, landschaps- of dorps-/stadsschoon, ook gebieden aanwijzen waarbinnen het verboden is om zonder ontheffing paddenstoelen te plukken. Op deze manier wordt het mogelijk om handhavend op te treden tegen het plukken van paddenstoelen en kan de gemeente op dit punt voldoen aan haar zorgplicht. K.
Artikel 5:10 (Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan) wordt gewijzigd als volgt: Bestaande tekst Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1. Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam. Toelichting
Nieuwe tekst Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan (vervallen)
Overeenkomstig de model-APV van de VNG (zomeraanpassing 2022) vervalt artikel 5:10 inzake het verbod om te parkeren anders dan op de rijbaan (‘bermparkeren’). Zowel het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) als het ministerie van Verkeer en Waterstaat vinden dat de bepaling in strijd is met hogere regelgeving, namelijk artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). In verband hiermee is feitelijke handhaving/strafbaarstelling onmogelijk en is de bepaling een dode letter en kan deze dus vervallen. L.
Artikel 5:15 (Ventverbod) wordt gewijzigd als volgt: Bestaande tekst 1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen 19.00 uur en 08.00 uur. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Nieuwe tekst 1. Het is verboden te venten op door het college aangewezen openbare plaatsen, dagen of uren. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 4. Het verbod is niet van toepassing op: a. situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994; b. het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.
Toelichting Dit artikel is gewijzigd op verzoek van het team Vergunning en Handhaving. Dit artikel is in lijn gebracht met de modelbepaling van de VNG dat in samenspraak met gemeentejuristen en wetenschappers van de VNG Adviescommissie Gemeenterecht tot stand is gekomen. Het artikel zoals het luidde betrof een algemene regel waarbij het verboden was om te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Daarnaast was venten op zondagen en maandag tot en met zaterdag tussen 19.00 uur en 08.00 uur verboden. Eerstgenoemde algemene regel is een voor handhavers lastig hanteerbare norm. Het aanwijzen van gebieden en tijden schept helderheid: op die plaatsen en momenten mag niet worden gevent. Daarbuiten wel. Het college heeft verschillende gronden voor zijn gebiedsaanwijzingen, zoals overlast (waarschijnlijk verreweg de meest voorkomende grond), of verkeersveiligheid. Bovendien kan met deze opzet (collegebesluit) beter en sneller worden ingespeeld op de actuele situatie. Toen als gevolg van de coronamaatregelen de horeca was gesloten, was er een toename van ondernemers die (o.a. in het buitengebied) koffie en etenswaar gingen verkopen, hetgeen tot onwenselijke situaties leidde. Om sneller en beter te kunnen inspelen op de actuele situatie, is het wenselijk om deze bevoegdheid bij het college te beleggen.
Het venten met meningsuitingen wordt met de nieuwe bepaling helemaal niet beperkt. M.
Artikel 5:32 (Crossterreinen), eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
Nieuwe tekst Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainingsof proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
Toelichting Conform de modelbepaling van de VNG (zomeraanpassing 2020) is in het eerste lid van dit artikel achter het woord ‘bromfiets’ de zinsnede ‘te crossen buiten wedstrijdverband,’ toegevoegd. Het crossverbod beperkte zich tot wedstrijden of de voorbereiding daarvan. Met deze toevoeging kan ook worden opgetreden in geval van puur recreatief crossen. N.
Artikel 5:33 (Beperking verkeer in natuurgebieden), zesde lid, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Nieuwe tekst
Toelichting Het zesde lid van dit artikel is geschrapt conform modelbepaling van de VNG (wijziging modelAPV zomer 2018). Dit onderdeel is tijdens een eerdere actualisatie abusievelijk niet verwijderd. Artikelleden waarmee de lex silencio positivo (paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) ten overvloede van toepassing werd verklaard of uitgezonderd, zijn vervallen. Ook in gevallen waarin de lex silencio positivo niet reeds op grond van de wet van toepassing is en er evenmin redenen zijn om deze van toepassing te verklaren in de APV, is over de toepasselijkheid van de lex silencio positivo niets bepaald. Dit geldt voor deze betreffende bepaling. Ingevolge artikel 4:20a, eerste lid, van de Awb, geldt de lex silencio positivo immers alleen als dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. De lex silencio positivo wordt in de APV nog wel uitdrukkelijk van toepassing verklaard in gevallen waarin dit niet reeds uit de wet voortvloeit, maar het toch wenselijk is te voorzien in een positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen. O.
Hoofdstuk 5, Afdeling 11 Destructie Bestaande tekst Afdeling 11. Destructie Artikel 5:40 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Wet: de Wet dieren; b. aangifteplichtige: de houder of eigenaar van dode gezelschapsdieren; c. destructiemateriaal: dode honden, dode katten en andere dode gezelschapsdieren
Nieuwe tekst Afdeling 11. Destructie (vervallen)
als bedoeld in de wet. Artikel 5:41 Verzamelplaatsen Het college wijst één of meer verzamelplaatsen aan, waar het destructiemateriaal in ontvangst wordt genomen. Artikel 5:42 Vervoer naar verzamelplaats De aangifteplichtige is gehouden uiterlijk op de eerste werkdag, die volgt op de dag waarop het destructiemateriaal is ontstaan, het materiaal te vervoeren naar de naastbijgelegen verzamelplaats en het daar aan te geven en af te staan. Artikel 5:43 Opslag Tot het tijdstip van afgifte is de aangifteplichtige gehouden het destructiemateriaal zodanig te bewaren dat vermenging met ander materiaal wordt voorkomen. Artikel 5:44 Uitzondering De artikelen 5:42 en 5:43 zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de wet.
Toelichting Deze hele afdeling is komen te vervallen, omdat dit bij raadsbesluit van 2 december 2021 is opgenomen in artikel 25 van de Afvalstoffenverordening Soest 2021. P.
Artikel 6:1 (Sanctiebepaling), eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie: 2:1, eerste, tweede, derde, vierde, zesde en zevende lid; 2:9, eerste en derde lid; 2:10, eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid; 2:11, eerste lid; 2:12, eerste lid; 2:14, eerste en tweede lid; 2:15; 2:16; 2:17, eerste lid; 2:18, eerste lid; 2:21, eerste lid; 2:22, eerste en tweede lid; 2:23, eerste lid; 2:25, eerste, derde en vijfde lid; 2:26; 2:28, eerste lid; 2:29, eerste en derde lid; 2:30, eerste lid; 2:31; 2:31a, 2:32, tweede lid; 2:34c, eerste lid; 2:34h eerste en derde lid; 2:34i, tweede lid; 2:34j, tweede lid; 2:36; 2:37; 2:38; 2:39, tweede lid; 2:41, eerste en tweede lid; 2:44, eerste en derde lid; 2:47, eerste lid; 2:48, eerste lid; 2:49; 2:50; 2:50a, eerste lid; 2:52; 2:53; 2:57, eerste en vierde lid; 2:58, eerste lid; 2:59,
Nieuwe tekst Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
eerste en vierde lid; 2:59a, eerste lid; 2:60, eerste en tweede lid; 2:62; 2:64, eerste en vijfde lid; 2:65; 2:67, eerste en tweede lid; 2:68; 2:73, eerste lid; 2:74; 2:74a; 2:80, vierde en vijfde lid; 3:3, eerste lid; 3:8, tweede lid; 3:12; 3:13; 3:14, tweede en derde lid; 3:15, eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde lid; 3:16; 3:17; 3:18; 3:19; 3:20; 3:21, eerste en tweede lid; 3:22, eerste lid; 4:2, eerste, tweede, zesde en achtste lid; 4:3, eerste, tweede, zesde, zevende en negende lid; 4:5, eerste lid; 4:6, eerste, tweede, vijfde en zesde lid; 4:8; 4:9; 4:11, derde en vierde lid; 4:11b, eerste en derde lid; 4:11c; 4:11d, eerste, tweede en vijfde lid; 4:11g, eerste en tweede lid; 4:11h; 4:12; 4:12a; 4:13, eerste en tweede lid; 4:15, eerste lid; 4:18, eerste en derde lid; 4:19, tweede lid; 4:20, tweede en vijfde lid; 5:3, eerste en tweede lid; 5:4; 5:5, eerste lid; 5:6, eerste en tweede lid; 5:7, eerste en tweede lid; 5:8, eerste, tweede en vijfde lid; 5:9, eerste lid; 5:11, eerste en derde lid; 5:12, eerste en tweede lid; 5:13, eerste en vierde lid; 5:15, eerste en tweede lid; 5:16, tweede en derde lid; 5:18, eerste lid; 5:19; 5:23, eerste en derde lid; 5:32, eerste en tweede lid; 5:33, eerste, tweede en vijfde lid; 5:34, eerste en derde lid; 5:36, eerste, tweede en derde lid; 5:37; 5:38, eerste lid; 5:39, eerste en derde lid; 5:42; 5:43; 5:45, eerste lid; 5:46, eerste
lid.
Toelichting Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Artikel 6:1, eerste en tweede lid, regelt dat het niet-naleven van de in de APV genoemde voorschriften of beperkingen die aan een vergunning of een ontheffing zijn verbonden een strafbaar feit oplevert. In plaats van een opsomming van die betreffende artikelen is in het eerste lid van dit artikel de zinsnede ‘het bij of krachtens deze verordening bepaalde’ opgenomen. Inhoudelijk komt het op hetzelfde neer. Het voordeel van laatstgenoemde zinsnede is dat voorkomen wordt dat bepalingen abusievelijk niet aan de strafbaarstelling zijn toegevoegd. Technische wijzigingen In onderstaande artikelen van de APV zijn technische wijzigingen aangebracht. Deze wijzigingen zijn voornamelijk tekstueel van aard en hebben geen invloed op de inhoud van de betreffende bepalingen. Dit zijn bijvoorbeeld verwijzingen naar wetten of (wets)artikelen die gewijzigd zijn. Zo is de Drank- en Horecawet met ingang van 1 juli 2021 gewijzigd. Vanaf dat moment wordt de Drank- en Horecawet aangeduid als Alcoholwet door wijziging van de citeertitel in artikel 49 van die wet. Daar waar in de APV ‘Drank- en Horecawet’ stond, is dit gewijzigd in ‘Alcoholwet’ (o.a. artt. 2:24, 2:34a, 2:34c en 2:48).
Verder is de verwijzing naar de Plantenziektenwet vervangen door de Plantengezondheidswet (artt. 4:11b en 4:11d), omdat laatstgenoemde wet met ingang van 1 maart 2021 inwerking is getreden en de Plantenziektenwet vervangt. Daarnaast betreft het wijzigingen die zijn aangebracht om de betreffende bepaling of onderdeel daarvan beter leesbaar te maken (zie o.a. art. 5:23, derde lid, onder c) of de tekst juridisch juist te maken (zie o.a. de artt. 2:9, vierde lid en 2:25, zevende lid). Omdat de technische wijzigingen geen inhoudelijke veranderingen teweegbrengen, zijn zij verder niet toegelicht.
A. Artikel 1:1, onder b; B. Artikel 2:9, vierde lid; C. Artikel 2:10, eerste, derde, vijfde en achtste lid; D. Artikel 2:24, eerste lid, onder b en d; E. Artikel 2:25, zevende lid; F. Artikel 2:28, tiende lid; G. Artikel 2:29, zesde lid; H. Hoofdstuk 2, afdeling 5, opschrift; I. Artikel 2:34a; J. Artikel 2:34c, tweede lid; K. Artikel 2:34h, derde lid, onder e; L. Artikel 2:39, vijfde lid; M. Artikel 2:48, tweede lid, onder a en b; N. Artikel 2:60, eerste lid; O. Artikel 2:64, tweede, derde en vijfde lid; P. Artikel 2:67, derde lid; Q. Hoofdstuk 2, afdeling 11, opschrift; R. Hoofdstuk 3, afdeling 2, opschrift; S. Artikel 3:7, eerste lid, en onder i, en tweede tot en met vierde lid; T. Artikel 3:9, eerste lid, onder e; U. Artikel 4:5, eerste en derde lid; V. Artikel 4:11b, vierde lid, onder a; W. Artikel 4:11d, vierde lid, onder a; X. Artikel 4:13, eerste lid; Y. Artikel 4:20, vierde lid; Z. Artikel 5:2, vijfde lid; AA. Artikel 5:3, derde lid; BB. Artikel 5:6, vierde lid; CC. Artikel 5:7, derde lid; DD. Artikel 5:8, zesde lid; EE. Artikel 5:12, eerste lid; FF. Artikel 5:13, vierde lid; GG. Artikel 5:14, tweede lid, onder b; HH. Artikel 5:16, vierde lid; II. Artikel 5:17, tweede lid, onder a; JJ. Artikel 5:18, vierde lid; KK. Artikel 5:22, tweede lid, onder a; LL. Artikel 5:23, derde lid, onder c; MM. Artikel 5:32, derde lid; NN. Artikel 5:36, vierde lid; OO.
Artikel 5:45, tweede, derde en vierde lid; PP. Artikel 5:46, tweede en derde lid; QQ. Artikel 6:4; RR. Artikel 6:7.