CConstaterende datSoest
Koppel je AI →
Document · PDF

2 RAADSBESLUIT Actualisatie Referendumverordening.pdf

Besluitvormende Raadsvergadering 10 februari 2022, gemeente SoestBij agendapunt: Referendumverordening4.920 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Kenmerk Nummer RB

BV/Advies en Interne Dienstverlening/2406267 21-19

Agendapunt 5b

De raad der gemeente Soest; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 30 maart 2021, nr. RV 21-19; b e s l u i t: vast te stellen de volgende verordening:

Referendumverordening gemeente Soest 2021 Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - de raad: de gemeenteraad van Soest; - kiesgerechtigd: stemrecht hebben voor de verkiezing van de leden van de raad; - referendum: volksraadpleging waarbij de kiesgerechtigden zich uitspreken over een ontwerp raadsbesluit. Artikel 2. Referendum, initiatief, onderwerpen 1. Er kan een referendum worden gehouden op initiatief van kiesgerechtigden. 2. Onderwerp van een referendum is een ontwerp raadsbesluit inhoudende: a. een algemeen verbindend voorschrift; b. de wijziging van de naam van de gemeente (ex artikel 158, eerste lid, van de Gemeentewet); c. het treffen van, het toetreden tot en het uittreden uit een gemeenschappelijke regeling. 3. In afwijking van het vorige lid kan geen referendum worden gehouden over besluiten: a. die uitsluitend strekken tot uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties waaromtrent de raad geen beleidsvrijheid heeft; b. ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of de wetgever waaromtrent de raad geen beleidsvrijheid heeft; c. in het kader van deze verordening (waaronder begrepen het besluit tot intrekken van deze verordening); d. over de vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan (of omgevingsplan vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet); e.

die uitsluitend betrekking hebben op de rechtspositie van ambtsdragers of gewezen ambtsdragers als zodanig dan wel hun nagelaten betrekkingen of hun rechthebbenden; f. over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en de rekening; g. over de vaststelling van gemeentelijke tarieven en belastingen; h. die naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder genomen besluit waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden, of i. waarvan de raad van mening is dat dringende redenen aanleiding zijn om geen referendum te houden. Artikel 3. Samenstelling referendumcommissie 1. De raad stelt een referendumcommissie in en benoemt haar leden. 2. De referendumcommissie bestaat uit drie leden en kiest uit haar midden een voorzitter. 3. De referendumcommissie wordt ondersteund door de griffier of een door de griffier aan te wijzen medewerker van de griffie. 4. De voorzitter en de leden van de referendumcommissie kunnen geen deel uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van bestuursorganen van de gemeente. 5. De leden worden benoemd voor een periode van zes jaar. Aftredende leden kunnen worden herbenoemd. Artikel 4. Taken en vergaderingen referendumcommissie 1. De referendumcommissie heeft tot taak:

a. de raad te adviseren over: 1°. de vraag of sprake is van een uitgezonderd besluit als bedoeld in artikel 2, tweede lid; 2°. de vraagstelling van een referendum en stemprocedure, en 3°. de datum van het te houden referendum; b. de voorzitter van de raad te adviseren over het papieren en digitale formulier voor de ondersteuningsverklaringen; c. burgemeester en wethouders te adviseren over: 1°. de stembiljetten, en 2°. de verstrekking van subsidies als bedoeld in artikel 11; d. toezicht te houden op: 1°. de uitvoering van deze verordening, en 2°. het objectieve of neutrale karakter van de door de gemeente te verstrekken voorlichting over het referendum; e. klachten te behandelen in het kader van de toezichttaak, genoemd onder d; f. binnen drie maanden na de dag waarop het referendum wordt gehouden dan wel binnen drie maanden nadat duidelijk is dat er geen referendum plaatsvindt, een evaluatie uit te brengen over het referendumproces. 2. De referendumcommissie kan op eigen initiatief advies uitbrengen over aanpassingen van deze verordening, over de bij referenda en referendumverzoeken te volgen procedure en over alle overige zaken die het referendum betreffen en die zij van belang acht. 3. De referendumcommissie vergadert in beslotenheid. 4. De adviezen van de referendumcommissie zijn openbaar. 5.

De voorzitter en de leden van de referendumcommissie ontvangen een door de raad vastgestelde vergoeding. Artikel 5. Inleidend verzoek 1. Het inleidend verzoek om een referendum te houden wordt gevormd door het totale aantal geldige verzoeken tot het houden van een referendum. 2. Voor een inleidend verzoek is vereist dat een verzoek wordt gedaan door ten minste 363 van de kiesgerechtigden. 3. Een verzoek wordt op de door de voorzitter van de raad voorgeschreven wijze ingediend bij de voorzitter van de raad, uiterlijk zeven dagen voor de besluitvormende raadsvergadering waarin het ontwerp raadsbesluit wordt besproken. Een verzoek moet minimaal de volgende gegevens bevatten: het ontwerp raadsbesluit dat het betreft, voornaam, achternaam, adres, woonplaats, geboortedatum en handtekening (indien schriftelijk ingediend). 4. Ongeldig zijn die verzoeken die: a. niet zijn ingediend volgens de door de voorzitter van de raad voorgeschreven wijze; b. zijn ontvangen nadat de termijn, bedoeld in het derde lid, is verstreken; c. niet alle gegevens bevatten die in het derde lid zijn genoemd; d. zijn ingediend door personen die niet kiesgerechtigd zijn; e. onjuiste gegevens bevatten; f. afkomstig zijn van kiesgerechtigden die meer dan één verzoek tot het houden van een raadgevend referendum over hetzelfde raadsbesluit hebben ingediend. 5.

De voorzitter van de raad controleert de verzoeken op geldigheid en stelt het aantal geldige en het aantal ongeldige verzoeken vast. 6. De raad beslist of het inleidend verzoek wordt ingewilligd. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk openbaar gemaakt op de in de gemeente gebruikelijke wijze. 7. Als het verzoek wordt ingewilligd, behandelt de raad het ontwerp raadsbesluit waarop het verzoek zich richt. Het ontwerp raadsbesluit zoals dat luidt na verwerking van eventuele aangenomen amendementen, wordt vervolgens aangehouden tot de eerstvolgende vergadering na de dag waarop de uitslag van het referendum wordt bekendgemaakt, tenzij eerder negatief over de ontvankelijkheid van het referendumverzoek wordt beslist. Artikel 6. Definitief verzoek 1. Het definitief verzoek om een referendum te houden wordt gevormd door ten minste 1813 ondersteuningsverklaringen van kiesgerechtigden. 2. Binnen zes weken na de dag dat de raad heeft besloten dat het inleidend verzoek wordt ingewilligd, kan iedere kiesgerechtigde een ondersteuningsverklaring van het inleidend verzoek indienen. De ondersteuningsverklaring dient binnen de termijn van zes weken door de voorzitter van de raad te zijn ontvangen. 3. Een ondersteuningsverklaring voor het definitief verzoek wordt op de door de voorzitter van de raad voorgeschreven wijze ingediend.

Een ondersteuningsverklaring moet minimaal de volgende gegevens bevatten: voornaam, achternaam, adres, woonplaats, geboortedatum en handtekening (indien schriftelijk ingediend).

4. Ongeldig zijn die ondersteuningsverklaringen die: a. niet zijn ingediend volgens de door de voorzitter van de raad voorgeschreven wijze; b. zijn ontvangen nadat de termijn, bedoeld in het tweede lid, is verstreken; c. niet alle gegevens bevatten die in het derde lid zijn genoemd; d. zijn ingediend door personen die niet kiesgerechtigd zijn; e. onjuiste gegevens bevatten; f. afkomstig zijn van kiesgerechtigden die meer dan één ondersteuningsverklaring ten behoeve van hetzelfde inleidend verzoek hebben ingediend. 5. De voorzitter van de raad controleert de ondersteuningsverklaringen op geldigheid en stelt het aantal geldige en het aantal ongeldige ondersteuningsverklaringen vast. 6. De voorzitter van de raad maakt wekelijks bekend hoeveel geldige ondersteuningsverklaringen zijn ingediend. 7. In de eerstvolgende vergadering van de raad na afloop van de termijn, bedoeld in het tweede lid, neemt de raad een besluit over het houden van het referendum. Artikel 7. Datum stemming 1. De raad bepaalt tegelijk met het besluit om een referendum te houden, of zo spoedig mogelijk daarna, de dag waarop de stemming over het referendum plaatsvindt. 2. De stemming vindt plaats uiterlijk vier maanden na de dag waarop besloten is tot het houden van een referendum.

De raad kan deze termijn met ten hoogste twee maanden verlengen om de stemming te combineren met een reguliere verkiezing of om te voorkomen dat de stemming in een schoolvakantie voor het basis- en voortgezet onderwijs valt die voor de regio is aangewezen. Artikel 8. Vraagstelling referendum 1. De raad stelt tegelijk met het besluit om een referendum te houden, of zo spoedig mogelijk daarna, de vraagstelling vast. 2. Bij een referendum wordt aan de kiesgerechtigden de vraag voorgelegd of zij voor of tegen het ontwerp raadsbesluit zijn. Deze vraag kan geen betrekking hebben op afzonderlijke onderdelen van het ontwerp raadsbesluit. Artikel 9. Budget, subsidieplafond en subsidiecriteria 1. Onmiddellijk nadat is besloten tot het houden van een referendum, stelt de raad een budget vast voor de organisatie van en de voorlichting over het referendum. 2. Tevens stelt de raad het subsidieplafond vast voor activiteiten ter ondersteuning van het publieke debat en de meningsvorming over het ontwerp raadsbesluit waarop het referendum betrekking heeft, dat wordt onderverdeeld in deelplafonds voor activiteiten die tot doel hebben: a. de kiesgerechtigden te laten stemmen voor het ontwerp raadsbesluit; b. de kiesgerechtigden te laten stemmen tegen het ontwerp raadsbesluit, en c. het debat over het ontwerp raadsbesluit op neutrale wijze te bevorderen. 3.

Niet voor subsidie komen in aanmerking activiteiten die: a. geheel of gedeeltelijk plaatsvinden na de dag van stemming; b. met winstoogmerk worden ondernomen; c. die zijn begonnen voordat over de subsidieaanvraag is beslist. 4. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan: a. collectieven van ten minste zes kiesgerechtigde inwoners van de gemeente, en b. rechtspersonen, met uitzondering van politieke groeperingen als bedoeld in hoofdstuk G van de Kieswet. 5. De subsidie bedraagt 100% van de redelijke kosten van de activiteiten, met uitzondering van loonkosten, en tot een maximum van € 5.000,-. 6. Burgemeester en wethouders maken het subsidieplafond en de deelplafonds en de begin- en einddatum van de aanvraagtermijn bekend. 7. Op subsidies verstrekt op grond van deze verordening is de Algemene subsidieverordening gemeente Soest niet van toepassing. Artikel 10. Subsidieverlening en vaststelling 1. Een week na afloop van de sluitingsdatum van de aanvraagtermijn beslissen burgemeester en wethouders over de subsidieverlening. 2. Subsidieverlening vindt plaats in volgorde van de door burgemeester en wethouders aangebrachte rangschikking, totdat het vastgestelde subsidieplafond of deelplafond is bereikt. 3.

Bij de rangschikking van de aanvragen kennen burgemeester en wethouders punten toe aan de hand van de volgende aspecten en tot het daarbij vermelde maximum aantal naar de mate waarin: a. de activiteiten bijdragen aan het publieke debat en meningsvorming onder kiesgerechtigden: 20 punten; b. de activiteiten voor het publiek toegankelijk zijn of de uitingen openbaar zijn: 10 punten;

c. de activiteiten bekendgemaakt zijn bij het publiek: 10 punten; d. verschillende doelgroepen worden bereikt: 5 punten, en e. het gevraagde bedrag in verhouding staat tot het verwachte resultaat: 5 punten. 4. De verleende subsidie wordt uitgekeerd in de vorm van een voorschot. 5. Uiterlijk acht weken na de dag van de stemming dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in. De aanvraag bevat een inhoudelijk verslag en bewijsstukken waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht. 6. Burgemeester en wethouders besluiten uiterlijk acht weken na de datum van de aanvraag over de vaststelling van de subsidie. Artikel 11. Procedure voorbereiding, stemming, uitslagbepaling en bekendmaking Op de procedure ter voorbereiding, stemming, en de vaststelling en bekendmaking van de uitslag van het referendum zijn de hoofdstukken E, paragrafen 2 en 4, J, L, N, paragraaf 1, en P, paragrafen 1 en 4, van de Kieswet van overeenkomstige toepassing, voor zover bij deze verordening niet anders is bepaald. Artikel 12. Uitslag 1. Het centraal stembureau stelt de uitslag van het referendum vast en geeft aan hoeveel stemmen voor en tegen het ontwerp raadsbesluit zijn uitgebracht alsmede het aantal blanco en ongeldige stemmen en het aantal stemmen bij volmacht.

Het centraal stembureau stelt vast of een meerderheid voor dan wel tegen het ontwerp raadsbesluit heeft gestemd waarbij blanco en ongeldige stemmen buiten beschouwing worden gelaten. 2. Het centraal stembureau brengt de uitslag over aan de raad, vergezeld van het proces-verbaal, en maakt beide onverwijld bekend op een algemeen toegankelijke wijze. 3. De raad doet op basis van het door het centraal stembureau vastgestelde proces-verbaal een uitspraak over of de stemming op wettige wijze is geschied. Artikel 13. Strafbepaling Met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die: a. stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen namaakt of vervalst met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; b. stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij deze ontving, bekend was, opzettelijk als echt en onvervalst gebruikt of door anderen doet gebruiken; c. stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen voorhanden heeft met het oogmerk om deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; d. als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze is overleden; e.

bij een referendum door gift of belofte een kiesgerechtigde omkoopt om volmacht te geven tot het uitbrengen van zijn stem; f. stelselmatig personen aanspreekt of anderszins persoonlijk benadert ten einde hen te bewegen het formulier op hun oproepingskaart, bestemd voor het stemmen bij volmacht, te ondertekenen en deze kaart af te geven. Artikel 14. Intrekking oude verordening De Referendumverordening gemeente Soest 2005 wordt ingetrokken op het moment van inwerkingtreding als bedoeld in artikel 15, eerste lid. Artikel 15. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking zes weken na de dag van bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Referendumverordening gemeente Soest 2021. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 10 februari 2022. de raad voornoemd, de griffier,

de voorzitter,

Drs. M.A.C. van Esterik

R.T. Metz

Toelichting Referendumverordening gemeente Soest 2021 Algemeen Een Referendumverordening waarbij de mogelijkheid wordt gegeven een referendum te organiseren over een ontwerp raadsbesluit is bij uitstek een instrument van de raad. In de Referendumverordening worden diverse taken niet gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders (hierna: college), maar aan de raad of griffier gelaten. De organisatie en uitvoering van het referendum zelf, nadat duidelijk is dat dit er komt, ligt uiteraard wel bij het college. Artikelsgewijs Artikel 1. Definities Kiesgerechtigd Voor het begrip ‘kiesgerechtigd’ is aangesloten bij degene die gerechtigd is deel te nemen aan de raadsverkiezingen. Dit is geregeld in artikel B3 van de Kieswet (18 jaar of ouder, Nederlander of EUonderdaan of vijf jaar een verblijfsvergunning, of rechtmatig in Nederland verblijvend op grond van de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een verdrag tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland). De nadere bepaling van kiesgerechtigd zijn is afhankelijk van de fase waarin het proces verkeert: het gaat er om wie stemrecht zou hebben bij de raadsverkiezing op het moment dat het verzoek dan wel de ondersteuningsverklaring wordt ingediend (zie de artikelen 5 en 6).

Referendum Deze verordening gaat uit van een referendum op basis van een ontwerp raadsbesluit. Een referendum is te zien als een advies van burgers aan de raad over een voorgenomen besluit. Artikel 2. Referendum, initiatief, onderwerpen Eerste lid De raad beslist of er een referendum kan worden gehouden. Onderwerp van een referendum is een ontwerp raadsbesluit in zijn geheel. In de praktijk kan het zijn dat onderdelen van het besluit tot meer of minder discussie leiden, maar het is niet mogelijk om daar onderscheid in te maken door een onderdeel uit het ontwerp raadsbesluit centraal te stellen en aan een referendum te onderwerpen. Tweede en derde lid In het tweede lid is bepaald welk type raadsbesluit referendabel is. Bepaalde onderwerpen waarover de raad een besluit kan nemen lenen zich minder goed voor een referendum. Deze zijn in het derde lid als uitzondering opgenomen. De lijst is gebaseerd op de Referendumverordening gemeente Soest 2005 en de ervaringen met onder meer de Tijdelijke referendumwet en autonome gemeentelijke verordeningen. Artikel 3. Samenstelling referendumcommissie Een referendumcommissie wordt ingesteld nadat de Referendumverordening is vastgesteld.

Het is een permanente commissie omdat een referenduminitiatief ineens kan opkomen en er dan binnen enkele dagen een advies dient te worden uitgebracht over bijvoorbeeld de vraag of een referendum mogelijk is over het ontwerp raadsbesluit. Het kan zijn dat de leden van de referendumcommissie lange tijd niet bijeenkomen. Als er geen referenduminitiatief is, zal er doorgaans geen reden zijn om te vergaderen. Voor de benoemingstermijn van zes jaar is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt voor de rekenkamer (vijfde lid). Wanneer een lid van de referendumcommissie ontslag neemt, is het aan de raad om zo snel mogelijk een vervanger te benoemen. Er is niet bepaald dat het lid van de referendumcommissie aanblijft totdat in diens opvolging is voorzien. Het kan soms enkele maanden duren voordat er een opvolger is benoemd. Het is niet gewenst om iemand die ontslag neemt in het ongewisse te laten over wanneer dat ontslag uiteindelijk ingaat. Er is niet expliciet geregeld dat leden van de referendumcommissie (bijvoorbeeld in geval van niet functioneren) ontslagen kunnen worden. In het algemeen geldt dat diegene die benoemt ook kan ontslaan. Artikel 4. Taken en vergaderingen referendumcommissie De referendumcommissie heeft diverse adviserende taken. Daarnaast houdt de referendumcommissie toezicht op het gehele referendumproces.

De referendumcommissie kan gevraagd en ongevraagd advies geven. Eerste lid

Onder a tot en met c staat de advisering aan respectievelijk de raad, de voorzitter van de raad en het college. De referendumcommissie heeft een adviserende rol bij diverse stappen in het referendumproces die gevoelig kunnen liggen of voor discussie kunnen zorgen. Onder d is de rol van de referendumcommissie als toezichthouder op het hele referendumproces vastgelegd. Een uitvloeisel van die rol is de behandeling door de referendumcommissie van klachten over het referendumproces (onder e). Klachten kunnen over uiteenlopende zaken gaan, bijvoorbeeld het afkeuren van een aantal ondersteunende handtekeningen, het aantal stembureaus of een campagne uiting van een organisatie. Wellicht ten overvloede: de taak die de referendumcommissie heeft ten aanzien van klachten over het referendumproces heeft niet te maken met het klachtrecht dat wordt geregeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb); dat klachtrecht gaat immers alleen over gedragingen van bestuursorganen en personen die daarbij werkzaam zijn. De afdoening daarvan is een taak van het bestuursorgaan zelf. De referendumcommissie brengt na afloop van elk referendumproces een evaluatie uit (onder f). Dit kan gaan om een referendumproces inclusief een gehouden referendum maar ook over een referendumproces waarbij het niet tot een daadwerkelijk gehouden referendum is gekomen. Artikel 5.

Inleidend verzoek Het inleidend verzoek heeft twee functies: het aantonen dat er binnen de gemeente enig draagvlak is voor een referendum en een toetsmoment of over het ontwerp raadsbesluit een referendum kan worden gehouden. Daarom is het aantal verzoeken ten behoeve van het inleidend verzoek in de regel laag. Vandaar dat een minimumvereiste van 363, gelijk aan ongeveer 1% van het aantal kiesgerechtigden (peil gemeenteraadsverkiezingen 2018) wordt gehanteerd. Het definitief verzoek (artikel 6) moet aantonen dat er voldoende draagvlak binnen de gemeente is om daadwerkelijk een referendum te houden. Voor het definitief verzoek wordt een minimumvereiste van 5% van de kiesgerechtigden gehanteerd. Derde lid Verzoeken kunnen in de procedure voor het inleidend verzoek op grond van deze verordening worden ingediend op de door de voorzitter van de raad voorgeschreven wijze. Dat kan zowel digitaal (via een daarvoor bestemd formulier op de gemeentelijke website) als schriftelijk zijn. De referendumcommissie heeft een adviserende rol. Vierde en vijfde lid Het ligt voor de hand ook de controle te laten uitvoeren door de voorzitter van de raad. Deze heeft immers toegang tot de basisregistratie persoonsgegevens. Zesde lid De raad beslist of het inleidend verzoek kan worden ingewilligd. Hierbij wordt getoetst aan de in artikel 2, tweede lid, vermelde onderwerpenlijst.

En wordt beoordeeld of er een voldoende aantal geldige verzoeken is. De referendumcommissie heeft hierbij een adviserende rol. Het besluit van de raad op het inleidend verzoek is een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen staat bezwaar en beroep open. Zevende lid Als de raad het ontwerp raadsbesluit referendabel acht, wordt het inhoudelijk besproken, waarbij uiteraard amendementen en moties kunnen worden ingediend. Over het ontwerp raadsbesluit zelf wordt niet gestemd. Dit gebeurt pas nadat het referendum is gehouden, of nadat de raad heeft besloten dat er geen referendum gehouden kan worden. Artikel 6. Definitief verzoek De procedure voor het definitief verzoek is in grote lijnen gelijk aan die voor het inleidend verzoek. Dit houdt onder meer in dat de voorzitter van de raad controleert op voldoende geldige ondersteuningsverklaringen. De kiesgerechtigdheid is hier gekoppeld aan het moment dat de ondersteuningsverklaring wordt ingediend. Voor het aantal ondersteuningsverklaringen is de richtlijn van 5% van het aantal kiesgerechtigden gehanteerd. De voorzitter van de raad stelt een formulier (digitaal en/of schriftelijk) vast waarop de ondersteuningsverklaringen worden geplaatst en waarop de titel van het ontwerp raadsbesluit is opgenomen. Of over het ontwerp raadsbesluit een referendum kan worden gehouden is eerder in het proces, bij het inleidend verzoek beslist.

Een voldoende aantal geldige ondersteuningsverklaringen zal dan ook een positief besluit tot het houden van het referendum inhouden. Artikel 7. Datum stemming Over de dag van de stemming brengt de referendumcommissie advies uit (artikel 4, eerste lid, onder a, sub 3°).

Artikel 8. Vraagstelling referendum Eerste lid De raad stelt de vraagstelling van het referendum vast na advies van de referendumcommissie; deze zal daarover doorgaans in overleg treden met de initiatiefnemers van het referendum en de portefeuillehouder uit het college. Tweede lid Bij een referendum op initiatief van de kiesgerechtigden ligt de vraagstelling grotendeels vast: de vraag is gekoppeld aan het ontwerp raadsbesluit. Doorgaans zal hierdoor de vraagstelling zijn bent u voor of tegen het ontwerp raadsbesluit. Soms wordt in een raadsvoorstel een keuzemogelijkheid aan de raad gegeven, als dit voorstel het onderwerp is van een referendum zal aan de kiesgerechtigden deze keuze mogelijkheden worden voorgelegd. Artikel 9. Budget, subsidieplafond en subsidiecriteria Eerste lid Als duidelijk is dat er een referendum komt, dient de raad een budget vast te stellen. Allereerst voor de organisatie van het referendum zelf (stempassen, stembiljetten, stembureaus, enz). Daarnaast een bedrag voor voorlichting. Er kan vanuit de gemeente een folder worden opgesteld met neutrale informatie over het ontwerp raadsbesluit dat onderwerp is van het referendum, of er kan een referendumkrant worden gemaakt waarbij de neutrale gemeentelijke informatie kan worden aangevuld met informatie van voor- en tegenstanders.

De referendumcommissie heeft een toezichthoudende rol bij het verstrekken van deze neutrale informatie door de gemeente. In het geval van een referendumkrant heeft de referendumcommissie uiteraard geen rol ten aanzien van de informatie verstrekt door voor- en tegenstanders. Tweede lid Daarnaast wordt een subsidieplafond vastgesteld voor het verstrekken van subsidies voor activiteiten die burgers en maatschappelijke organisaties rond het referendum organiseren. Voor subsidie komen activiteiten in aanmerking die het publieke debat en de meningsvorming rond het referendum ondersteunen. Naast een totaal budget stelt de raad vast hoe de verdeling over de verschillende categorieën (voor, tegen en neutraal) is. Vaak wordt gekozen voor een gelijke verdeling over de drie groepen. Naast initiatieven van voor- en tegenstanders zijn er ook vaak aanvragen voor neutrale activiteiten zoals een debatavond waar verschillende partijen aan het woord komen. Een subsidieplafond is belangrijk omdat daardoor openeinderegelingen worden voorkomen. Als het subsidieplafond is bereikt, moet de aanvraag om subsidie namelijk worden geweigerd (artikel 4:25, tweede lid, van de Awb). Een subsidieplafond is iets anders dan alleen vermelding op de begroting dat er voor een bepaald beleidsterrein een bepaald bedrag beschikbaar is aan subsidies.

Een subsidieplafond is concreter; het moet onder die naam worden vastgesteld als het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking krachtens een wettelijk voorschrift van bepaalde met name genoemde subsidies (artikel 4:22 van de Awb). In deze verordening gebeurt dat door vermelding van het vaststellen van het plafond en de deelplafonds door de raad. Bij de bekendmaking van een subsidieplafond moet ook worden bekendgemaakt hoe het wordt verdeeld (artikel 4:26, tweede lid, van de Awb). De bekendmaking van het subsidieplafond gebeurt in dit geval door het college en de bekendmaking van de verdeelsleutel gebeurt in dit geval via de verordening: in artikel 10, tweede en derde lid, is bepaald hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld. Derde lid Hier is een inhoudelijke toets van de aanvragen om subsidie opgenomen in de vorm van weigeringsgronden. De aanvragen die niet worden geweigerd worden vervolgens beoordeeld op de manier die is beschreven in artikel 10, tweede en derde lid. Vierde lid Het doel van de subsidieverstrekking is bijdragen aan de meningsvorming en aan het voeren van het publieke debat over het ontwerp raadsbesluit dat onderwerp is van het referendum onder de burgers in de gemeente. Burgers moeten hun mening kunnen vormen voordat zij een stem uitbrengen.

Vaak zijn initiatiefnemers van een referendum en andere betrokkenen burgers. Om hen een mogelijkheid te geven subsidie aan te vragen voor het stimuleren van het publieke debat en meningsvorming wordt hier gesproken van een collectief van kiesgerechtigden. Daarnaast kunnen verenigingen, wijkorganen, stichtingen en dergelijke subsidie aanvragen. De referendumcommissie heeft een adviserende rol bij de subsidietoekenning. Vijfde lid

Alleen de kosten die direct samenhangen met de activiteit en die naar het oordeel van het college redelijk zijn in relatie tot de verwachte bijdrage van de activiteit aan het doel van deze subsidie zoals vermeld in het tweede lid, komen in aanmerking. Loonkosten van bijvoorbeeld personen die bij een subsidieontvanger in dienst zijn, zijn expliciet uitgezonderd. Onder omstandigheden kan wel de (redelijke) vergoeding voor een speciaal aangetrokken deskundige voor subsidie in aanmerking komen. Zesde lid De subsidie wordt verstrekt via een tendersysteem (zie artikel 10, tweede en derde lid). Aanvragen moeten daarom binnen een bepaalde periode worden ingediend. Omdat de planning strak is, zullen de termijnen kort moeten zijn. Het is van belang om te zorgen voor een snelle en heldere bekendmaking via diverse kanalen, zodat zoveel mogelijk betrokkenen bereikt worden. Zevende lid De Algemene subsidieverordening (hierna: ASV) geeft diverse standaardbepalingen, bijvoorbeeld voor aanvraag- en beslistermijnen, die voor de hier bedoelde subsidies niet toepasbaar zijn en waarvan dus moet worden afgeweken. Ook bevat de ASV een bepaling waarin de bevoegdheid om nadere regels te stellen aan het college wordt gedelegeerd. Dat is bij een referendum niet wenselijk; het gaat immers om een instrument van de raad. Artikel 10.

Subsidieverlening en vaststelling Tweede en derde lid De subsidie wordt verstrekt om zoveel mogelijk verschillende initiatieven te ondersteunen die een zo divers mogelijk publiek bereiken. Daarom is gekozen voor een tendersysteem. Nadat de aanvraagtermijn gesloten is, wordt een besluit genomen over de aanvragen. Een systeem waarbij op volgorde van binnenkomst wordt beslist is minder geschikt, omdat de activiteiten dan niet onderling kunnen worden afgewogen zodat een meest effectieve mix van initiatieven kan worden gehonoreerd. Met de methode die in het tweede en derde lid is neergelegd, is het mogelijk de aanvragen te toetsen op een aantal criteria en onderling tegen elkaar af te wegen. Een puntensysteem maakt dat inzichtelijk. De aanvragen met de meeste punten worden het eerst gehonoreerd, daarna de volgende, en zo verder tot het subsidieplafond is bereikt. De referendumcommissie heeft hierbij een adviserende rol. Vijfde lid Een referendumproces wordt oplettend gevolgd door inwoners en lokale media. Hoewel het om relatief lage subsidiebedragen zal gaan, moet wel verantwoording over de bestede gelden worden afgelegd voordat de subsidie definitief wordt vastgesteld. Dat gebeurt via de aanvraag tot vaststelling.

Zesde lid Als uit de overgelegde stukken (of op een andere manier) blijkt dat de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden, kan de subsidie lager worden vastgesteld dan was verleend, of zelfs worden ingetrokken. Hierbij kan het versterkte voorschot (vierde lid ) – deels – worden teruggevorderd (artikelen 4:48, eerste lid, en 4:57 van de Awb). Artikel 11. Procedure voorbereiding, stemming, uitslagbepaling en bekendmaking Het ligt voor de hand om voor de procedures rond de stemming aan te sluiten bij de gang van zaken bij de raadsverkiezingen. Vandaar dat de desbetreffende bepalingen uit de Kieswet van overeenkomstige toepassing worden verklaard, voor zover er geen regeling in deze verordening zelf is opgenomen.

Het gaat om de volgende onderdelen: • hoofdstuk E, paragraaf 2: de instelling en bemensing van stembureaus door het college; • hoofdstuk E, paragraaf 4: de instelling van het centraal stembureau (bij een lokaal referendum is er geen taak voor een hoofdstembureau; paragraaf 3 van hoofdstuk E is hier daarom niet vermeld); • hoofdstuk J: de stemming (met onder andere de oproep, de inrichting van het stemlokaal, het uitbrengen van de stem); • hoofdstuk L: het stemmen bij volmacht; • hoofdstuk N, paragraaf 1: de telling van de stemmen; • hoofdstuk P, paragraaf 1: de werkzaamheden van het centraal stembureau ten behoeve van de vaststelling en de bekendmaking van de uitslag; • hoofdstuk P, paragraaf 4: de vaststelling en de bekendmaking van de uitslag in een openbare zitting van het centraal stembureau. Ook is hier geregeld dat er een proces-verbaal van de werkzaamheden wordt opgemaakt. Zie over de bekendmaking ook de toelichting bij artikel 12. Artikel 12. Uitslag

In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de taken van het centraal stembureau bij de telling, de vaststelling en de bekendmaking van de uitslag van een referendum. Deze wijken deels af van desbetreffende bepalingen in de Kieswet of vullen deze aan. Zie de toelichting bij artikel 11. Onder andere artikel P23 van de Kieswet (onderdeel van paragraaf 4) is van overeenkomstige toepassing verklaard. Daarin is geregeld dat het centraal stembureau zijn proces-verbaal met weglating van de ondertekening onverwijld op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar maakt. Daarbij is ook bepaald dat hiervoor bij ministeriële regeling een internetadres kan worden aangewezen. Dat laatste is op het moment van verschijnen van deze modelverordening nog niet gebeurd. In het tweede lid van dit artikel is verder bepaald dat het centraal stembureau de uitslag aan de raad overbrengt. Het derde lid regelt dat de raad een uitspraak doet over de wettigheid van de stemming. Artikel 13. Strafbepaling Op grond van artikel 154, eerste lid, van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van een verordening een straf stellen van ten hoogste drie maanden hechtenis of een geldboete van de tweede categorie (€ 4.350,- in 2020). Voor het bepalen van wat strafbaar is, is aangesloten bij hoofdstuk Z, paragraaf 1, van de Kieswet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Soest&id=545f8881-8c4c-42a4-aa6a-423b804cfe62