15 2 Bijlage 1 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Soest 2021 ONTWERP.pdf
Tekst van het document
Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Het college berekent de bijdrage namelijk niet zelf, dat doet het CAK. Per 1-1-2020 is het abonnementstarief Wmo van toepassing voor maatwerkvoorzieningen en in de verordening opgenomen algemene voorzieningen. Artikel 10. Weigeringsgronden maatwerkvoorziening Uit jurisprudentie is gebleken dat weigeringsgronden, om er een beroep op te kunnen doen, een grondslag in de verordening moeten hebben. Ze moeten staan in de verordening of in een besluit of beleid, waarvoor de mogelijkheid is geschapen in de verordening. De in artikel 10 genoemde weigeringsgronden zijn niet limitatief, er kunnen andere weigeringsgronden zijn. Mocht uit jurisprudentie blijken dat er een andere weigeringsgronden opgenomen dienen te worden, dan worden deze bij nadere regels vastgesteld. Artikel 11. Regels voor pgb Lid 1: Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting voor het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt. Met deze motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. Lid 2: Hierin is de wijze waarop de hoogte van een pgb door het college wordt vastgesteld
3
Dit is in lijn met de uitspraak van de CRvB van 8 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3241)
16
Zaaknummer: 22438049 Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 ONTWERP
vastgelegd (zoals verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet). Het betreft substantiële materiële norm- en kaderstelling om de hoogte van pgb’s te berekenen, die iedere keer moet worden toegepast. Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de cliënt in staat stellen de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken (artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet). Dit: met dien verstande dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van de wet), en laat onverlet dat het college bevoegd is om een lager tarief te hanteren dan het gehanteerde tarief voor zorg in natura, mits dat tarief de cliënt maar in staat stelt om tijdig de noodzakelijke kwalitatief goede maatschappelijke ondersteuning van derden te betrekken. Een grond om een lager tarief te hanteren zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat de maatschappelijke ondersteuning zal worden betrokken van een solistisch (zelfstandig) werkende aanbieder met aanzienlijk lagere overheadkosten dan grotere aanbieders die namens het college de zorg in natura verlenen.
Het is telkens aan het college om (cijfermatig) te onderbouwen hoe in de betreffende situatie de hoogte van het pgb is bepaald en om te onderzoeken of – en te onderbouwen dat – het budget inderdaad toereikend is om de benodigde maatschappelijke ondersteuning tijdig van derden te kunnen betrekken. Met andere woorden, de bewijslast met betrekking tot de ‘toereikendheid’ ligt bij de gemeente. Het is evenwel aan de betrokkenen om eventuele bijzonderheden aan te kaarten. Lid 3: In de verordening staan bewust geen ‘harde’ vaststaande (berekeningspercentages voor) tarieven omdat dit ‘schijnzekerheid’ zou geven. Hanteren hiervan zou als gevolg kunnen hebben dat, hoewel gehandeld is in overeenstemming met de verordening, de uitkomst een pgb-hoogte is waarmee de cliënt niet in staat is de benodigde maatschappelijke ondersteuning van derden te betrekken. Het berekeningskader van lid 1 betekent dat de hoogte van een pgb in belangrijke mate bepaald wordt door de kosten van de betreffende maatwerkvoorziening in natura (‘de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura’). De gemeente Soest kent pgb-tariefsdifferentiatie op basis van (regionaal overeengekomen) uitgangspunten die verschillend zijn voor verschillende producten en diensten; hiermee is de pgb-verstrekkingsbevoegdheid van het college nader vormgegeven.
De uit deze uitgangspunten voortvloeiende tarieven staan als richtlijnen in het Financieel Besluit (en niet als ‘harde’ vaststaande tarieven omdat dat niet strookt met het uitgangspunt dat er telkens maatwerk geleverd moet worden). Als in een individuele situatie aantoonbaar is dat toepassing van deze uitgangspunten en de daaruit voortvloeiende tarievenberekeningswijze van de verordening leidt tot een pgb-hoogte waarmee de cliënt niet in staat is de benodigde maatschappelijke ondersteuning van derden te betrekken, dan moet wordt er in dat geval van de tarieven worden afgeweken. Uiteraard nog steeds met de kanttekening dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de maatschappelijke ondersteuning van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura. Lid 4: Benadrukt dat het pgb bedoeld is om de kosten te dekken en niet primair de uit de uitgangspunten voortvloeiende tarieven. De aanbieder kan immers lagere tarieven hanteren dan die uit de uitgangspunten voortvloeien. Lid 5: maakt het mogelijk dat met een pgb – onder voorwaarden – voorzieningen kunnen worden betrokken van een persoon uit het sociale netwerk. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) heeft de regering aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen.
Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. In overeenstemming met de bestaande Wmo-praktijk wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd
17
Zaaknummer: 22438049 Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 ONTWERP
dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c van de wet, weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet). Artikel 12. Uitgangspunten voor de prijs/ tariefsbepalingen pgb Vanwege de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 17 mei 2017, om de berekeningswijze van de pgb-hoogte conform artikel 2.1.3, lid 2 onder b van de wet, vast te leggen in de verordening, kiest Soest er voor om de uitgangspunten voor de prijs/ tariefsbepalingen in de verordening op te nemen. De verdere uitwerking zoals het aangaan – al dan niet in regioverband – van contracten met aanbieders voor zorg in natura blijft de bevoegdheid van het college. De uit de uitgangspunten voortvloeiende tarieven staan in het Financieel Besluit Jeugd en Wmo Soest. Dit artikel geeft de uitgangspunten voor de berekening van de hoogte van de pgb-tarieven voor verschillende maatwerkvoorzieningen.
Lid a: Het product (zoals een hulpmiddel) dat de aanvrager zou hebben ontvangen als het product in natura zou worden verstrekt kan in bepaalde gevallen ook een tweedehands voorziening betreffen. Als dat zo is, dan worden de kostprijs en afschrijvingstermijn daarop gebaseerd. Lid b: Voor (rolstoel)taxivervoer en autovervoer bestaan de pgb’s uit normbedragen voor verschillende categorieën cliënten, die gelden op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief. Lid c: De gemeente Soest verstrekt ook pgb’s voor de financiering van maatwerkvoorzieningen die niet in natura beschikbaar zijn, anders dan vervoer (lid b). De cliënt moet dan een of meer offertes aanleveren waarbij de goedkoopste gehanteerd zal worden en tevens normbedragen aan de orde kunnen zijn. Lid d tot en met f: Bij de te hanteren prijzen/ tarieven voor de berekening van de hoogte van een pgb maakt de gemeente onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert. Voor een vrijwilliger of persoon die niet is opgeleid voor de betreffende werkzaamheden, is het uitgangspunt dat een lager tarief gehanteerd dan voor een daarvoor opgeleide persoon. Waar bijzondere deskundigheid is vereist, wordt in sommige gevallen nog weer een ander tarief gehanteerd.
Ook verschillende toe te rekenen kostencomponenten, zijn in de (veelal regionaal overeengekomen) uitgangspunten voor de pgb-prijs/ tariefsbepalingen verwerkt: voor professionals in dienst van een instelling is het uitgangspunt 90% van het ZiN-tarief vanwege overhead en verantwoordingsplichten; immers, door de brede inkoop in natura worden deze pgb’s veelal ingezet bij kleinere organisaties die lagere overheadkosten en minder verantwoordingsplichten hebben dan de grotere organisaties die voor zorg in natura gecontracteerd worden; voor professionals niet in dienst van een instelling is het uitgangspunt 75% van het ZiN-tarief vanwege minder of nauwelijks overhead, en voor niet-professionals/ particulieren (mantelzorgers of mensen uit de kring van het eigen netwerk van de cliënt) is het uitgangspunt 50% van het ZiN-tarief. Hierbij is eerder al aansluiting gezocht bij het beleid van Mezzo (brancheorganisatie van organisatie van Mantelzorg) en tevens is rekening gehouden met gangbare tarieven in de informele markt. Voor hulp bij het huishouden hanteert Soest al langer twee pgb-categorieën: een tarief voor professionals in dienst van een instelling en een particulierentarief. Professionals niet in dienst van een instelling zijn hier namelijk eigenlijk altijd particulieren.
Bij beschermd wonen geldt in de regio van centrumgemeente Amersfoort 90% van het (natura) zorginstellingstarief. Er zijn twee zorginstellingstarieven (gerelateerd aan verschillende functieniveaus). Alle regiogemeenten hanteren deze pgb-bepaling. Als een cliënt overgangsrecht heeft kan een 75% tarief aan de orde zijn. De mogelijkheid van een wooninitiatieventoeslag staat bij het pgb voor beschermd wonen benoemd. HOOFDSTUK 4: Bijdrage in kosten Artikelen 13. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen in natura of als pgb en van bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, en 18
Zaaknummer: 22438049 Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 ONTWERP
Artikel 14. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen die niet bij verordening zijn aangewezen Algemeen De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s, bij verordening aangewezen algemene voorzieningen waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de hulpverlener (hierna: bij verordening aangewezen algemene voorzieningen) enerzijds en algemene voorzieningen waarbij geen sprake is van een dergelijke duurzame hulpverleningsrelatie anderzijds. Artikel 13. Lid 1 t/m 4: Wanneer de gemeente ervoor kiest om een eigen bijdrage te heffen, geldt voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s en voor bij verordening aangewezen voorzieningen het abonnementstarief van in totaal maximaal € 19,00 per maand. Beschermd wonen en de maatwerkvoorziening opvang zijn hiervan uitgezonderd (artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet). Een bijdrage voor een rolstoel is wettelijk verboden. Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze. Lid 3: Welke algemene voorzieningen bij verordening worden aangewezen, moet worden opgenomen in de verordening. Voor Soest is dit de hulp bij het huishouden voor mantelzorgers (HHT). De gemeente heeft hierbij afgewogen dat de kosten van het abonnementstarief niet te hoog zijn als de cliënt alleen gebruik maakt van deze algemene voorziening.
Deze algemene voorziening vervalt per 1 juni 2021. Lid 5: De wet biedt een uitzondering op het abonnementstarief voor de kosten van vervoer in de vorm van een maatwerkvoorziening. De gemeente moet in de verordening aangeven als dit vervoer niet onder het abonnementstarief valt. Lid 6: De gemeente moet in de verordening opnemen hoe de kostprijs van een voorziening wordt bepaald. De kostprijs wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling (bruikleen/lease, of koop). Lid 8: De gemeente kan bepalen dat een eigen bijdrage van de onderhoudsplichtige ouders is verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of woningaanpassing voor een minderjarige cliënt (elfde lid). Artikel 14 Lid 1: Het vaststellen van de kostprijs van een algemene voorziening die niet bij verordening is aangewezen, kan op drie manieren. Lid 2: Betreft de eigen bijdrage/ kosten voor de cliënt van het collectief vervoer. Lid 3: Betreft de eigen bijdragen voor de cliënt voor de laagdrempelige algemene voorzieningen voor dagopvang en nachtopvang in Amersfoort. Lid 4: In de Wmo 2015 is het regresrecht verankerd. Dit stelt gemeenten in staat om kosten voor Wmo maatwerkvoorzieningen als gevolg van blijvend letsel als gevolg van een verkeersongeval, bedrijfsongeval of medische misser waarbij een derde aansprakelijk is, te verhalen op verzekeraars - in de praktijk letselverzekeraars.
De VNG sluit met verzekeraars een overeenkomst waarbij een afkoopsom naar de aangesloten gemeenten gaat. Deze gemeenten kunnen de kosten van maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo voor mensen met genoemd blijvend letsel vanwege deze afkoopsom niet op de verzekeraars verhalen maar betalen dit zelf. In de overeenkomst van VNG en verzekeraars waren de bedoelde cliënten met blijvend letsel en Wmo ondersteuning aanvankelijk ten onrechte uitgezonderd van het betalen van een bijdrage voor maatwerkvoorzieningen. De Wmo 2015 staat het uitzonderen van een specifieke doelgroep voor de bijdragebetaling namelijk niet toe. Er is uitonderhandeld dat voor nieuwe cliënten die per 15 februari 2017 blijvend letsel opdoen waarbij een derde aansprakelijk is, de bijdrageverplichting geldt. Cliënten die al vóór 15 februari blijvend letsel hadden, blijven hiervan voorgoed vrijgesteld. Vaststellen kostprijs De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet), een bij verordening aangewezen algemene voorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet) en een algemene voorziening (artikel 2.1.4, zesde lid, van de wet). Dat kan 19
Zaaknummer: 22438049 Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 ONTWERP
op drie manieren en deze zijn vastgelegd in artikel 13, zesde lid, onder a, en artikel 14, eerste lid (door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder). In artikel 12, zesde lid, onder b, is opgenomen dat de kostprijs van een voorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing ook bepaald wordt door de wijze van verstrekken van de voorziening te weten bruikleen of eigendom (Soest kent geen verstrekking in de vorm van huur). Het is van belang dat de eigen bijdrage van € 19,00 per maand de kostprijs van de voorziening niet te boven mag gaan. Dit zal zeker bij de voorzieningen waar een dienst wordt geleverd nooit het geval zijn. Het zou wel kunnen voorkomen bij een hulpmiddel of woningaanpassing. Wanneer deze in eigendom wordt verstrekt, kan er een moment komen dat de kostprijs is betaald. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs. De gemeente mag voor die voorziening dan geen eigen bijdrage meer heffen. Wanneer de voorziening in bruikleen is verstrekt, kan de eigen bijdrage worden geheven zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt. HOOFDSTUK 5: Kwaliteit, veiligheid en terugvordering Artikel 15.
Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin wordt bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen . Eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Lid 1: Hierin is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Lid 2: Het jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet. Artikel 16. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en de plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening4 gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet).
Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, van de wet, in artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 gestelde nadere regels. Dat artikel bepaalt aan welke eisen tenminste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen. De regels hebben tot doel dat een vaste prijs of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten5 die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit in de relatie tussen cliënt en hulpverlener van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur (artikel 2.1.1 van de wet) en de gecontracteerde aanbieders (artikel 3.1 van de wet). Met het derde lid van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt een vaste of reële prijs nader gedefinieerd en geconcretiseerd, zodat kan worden beoordeeld of in redelijkheid de kostprijselementen zijn verdisconteerd in een reële prijs. In dit derde lid staan de kostprijselementen waarop het college tenminste een vaste prijs of reële prijs moet baseren en dit zijn de kosten van de beroepskracht, redelijke overheadkosten (waaronder huisvestingskosten) en overige kostprijselementen.
Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht (derde lid, onderdeel a, - een beroepskracht is een natuurlijk persoon die de ondersteuning uitvoert; dit kan zowel een zelfstandige zonder personeel zijn als een werknemer), waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst. Het gaat 4
Zowel een algemene als een maatwerkvoorziening Diensten enkel als onderdeel van een voorziening. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 betreft enkel diensten als onderdeel van een maatwerkvoorziening. 5
20
Zaaknummer: 22438049 Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 ONTWERP
hierbij onder meer om wettelijke verplichtingen als werkgeverspremies, wettelijke sociale verzekeringen en pensioenpremies, wettelijk verlof, wettelijke verplichtingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en overige wettelijke verplichtingen die het leveren van de dienst met zich mee brengt. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden (de eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, zie artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet). Het college zal zich dus een beeld moeten vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing en daarmee gelden de bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector.
Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer (immers de gemeente is al gebonden aan één kwaliteitsniveau) en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Bij een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst kan bij een Europese aanbesteding hetzelfde niveau aan arbeidsvoorwaarden worden geëist. Immers via de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (Waga) waarmee de Europese Detacheringsrichtijn is omgezet in Nederlandse wetgeving, zijn de kernbepalingen van deze algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten ook van toepassing op gedetacheerde werknemers van dienstverleners uit andere EU-lidstaten die hier (tijdelijk) werken. Indien er geen sprake is van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de werkgever geen partij is bij een afgesloten bedrijfstak-cao gelden de wettelijke minimumnormen zoals opgenomen in de Wet minimumloon en vakantiebijslag.
Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten (derde lid, onderdeel b), een voor de sector reële mate van nietproductieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg (derde lid, onderdeel c), reis- en opleidingskosten (derde lid, onderdeel d), indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst (derde lid, onderdeel e) en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen (derde lid, onderdeel f). Vanuit het oogpunt van kostenbeheersing kunnen colleges en derden afspraken maken om bepaalde kostenverhogende activiteiten die niet aan de directe dienstverlening zijn gerelateerd zoals gemeentelijke rapportageverplichtingen niet meer te doen of de administratieve lasten terug te brengen. Dergelijke afspraken tussen het college en derden kunnen een reële prijs verlagen. Het vaststellen van een reële prijs door het college sorteert pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs dient te gebruiken. De vastgestelde reële prijs dient daartoe zijn plaats te krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde. Er moet na gunning nog een overeenkomst met de betrokken ondernemer worden gesloten.
De mededeling van de gunningsbeslissing betekent immers nog niet dat een overeenkomst tot stand is gekomen (zie ook artikel 2.129 van de Aanbestedingswet 2012). Het college dient op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet, de overheidsopdracht te gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving. Overigens kan het college in afwijking van artikel 2.114, tweede lid, van de Aanbestedingswet 2012 een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4, derde lid, van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2.115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs.
De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college dient ongeldige inschrijvingen ter zijde te leggen, de betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van de artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet. Het is dus van belang om de reële prijs goed en objectief te onderbouwen. Deze artikelen vormen een lex specialis ten opzichte
21
Zaaknummer: 22438049 Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 ONTWERP
van de algemene bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012. Artikel 5.4 van de Aanbestedingswet 2012 maakt geen onderscheid tussen diensten in het kader van een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening. Dit artikel 16 is een aandachtspunt bij overleg in regioverband over inkoop door Regionaal Bureau Inkoop Amersfoort. Een vaste prijs blijft gelijk ongeacht de omstandigheden en de hoogte van variabele kosten. Bij een reële prijs worden schommelingen door omstandigheden, seizoen, moeilijkheidsgraad, vraag en aanbod enz. meegenomen in de prijsberekening. Bij een vaste prijs worden de variabele kosten goed mogelijk vooraf ingeschat en als een gemiddelde meenomen in de prijsberekening. Er bestaan tussenvormen. De prijzen, die de gemeente Soest (en de gemeenten in de regio gezamenlijk) over het algemeen vaststellen, zijn vaak een tussenvorm. Dit omdat de inflatie als variabele meespeelt en leidt tot indexering in de berekening en de prijs niet voor een gehele contractduur gelijk/vast blijft. Lid 1: Hierin wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. Van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs.
In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Lid 2: Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst en met de continuïteit in de hulpverlening. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Lid 3: Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen. Lid 4: Dit lid is hier opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel 16.
Dit vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Lid 5: Dit lid is hier opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel 16. Het college bepaalt met welke derde hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren. Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt dan ook niet in de contractvrijheid van het gemeentebestuur. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Artikel 17. Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.
Lid 1: het college moet een regeling opstellen over het doen van meldingen en een toezichthoudend ambtenaar aanstellen. Lid 2 en 3: de toezichthoudend ambtenaar onderzoekt de meldingen en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Artikel 18. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, evenals van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
22
Zaaknummer: 22438049 Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 ONTWERP
Lid 1: Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s gaat als het goed is echter een poging dit te ‘voorkomen’ vooraf. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de cliënt en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen. Lid 2, 3 en 5: Dit herhaalt grotendeels wat in de tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, evenals van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Lid 3: Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat de cliënt langer dan vier weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. Overweging: Gekozen is voor vier weken, omdat wij dit een reële termijn achten. Lid 4: Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Overweging: Gekozen is voor zes maanden, omdat wij dit een reële termijn achten.
Lid 5 en 6: In de artikelen 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen. Lid 5: geeft de bevoegdheid aan het college tot het (al dan niet in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb, eventueel bij dwangbevel. Lid 6: geeft het college de bevoegdheid om in eigendom of bruikleen verstrekte voorzieningen terug te vorderen (als recht hierop is ingetrokken). Artikel 19. Opschorting betaling uit het pgb Lid 1: Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, in combinatie met artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, en wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s te bestrijden. Deze regeling beoogt een de-escalerende werking. In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie namelijk een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 2.3.10 van de wet). Door middel van opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking.
Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kan een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat: 1) de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, 2) de cliënt niet voldoet aan de aan het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden, of 3) de cliënt het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt. Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de cliënt niet langer voldoende in staat is op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort.
Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wlz. Lid 2: regelt dat het college de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd kan verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 18, derde lid, onder d. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een cliënt tijdelijk geen gebruik van een
23
Zaaknummer: 22438049 Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 ONTWERP
maatwerkvoorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de maatwerkvoorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Lid 3: Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van verzoeken conform lid 1 of 2. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien. Artikel 20. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Net als artikel 19 betreft deze bepaling grotendeels een uitwerking van de verordeningplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, evenals van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Op grond van artikel 2.3.9 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning en biedt het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 van de wet dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is dit artikel toegevoegd.
Op grond van deze bepaling moet het college in aanvulling op het onderzoek in overeenstemming met artikel 2.3.9 van de wet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoeken of de verstrekte maatwerk-voorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt; en ook of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Dit onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de nondersteuningsverlening door een aanbieder. Dit onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder. HOOFDSTUK 6: Waardering mantelzorgers Artikel 21. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Lid 1: Mantelzorgers die zorgen voor iemand in de gemeente Soest komen in aanmerking voor een jaarlijkse blijk van waardering. Dit is ruimer dan artikel 2.1.6 van de wet (mantelzorgers van cliënten). Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening in natura of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan.
Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. In Soest is de jaarlijkse blijk van waardering ook voor mantelzorgers die zorgen voor iemand in Soest die geen gebruik maakt van een algemene of maatwerkvoorziening of andere maatschappelijke ondersteuning maar bijvoorbeeld ondersteuning krijgen uit de eerste lijn of alleen maar van de mantelzorger. Lid 2: Hier is verder bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor de jaarlijkse blijk van waardering. Overeenkomst de wet moet in de verordening in ieder geval een procedure vastgelegd worden die waarborgt dat alle mantelzorgers, die voldoen aan de voorwaarden, voor het ontvangen van een blijk van waardering in aanmerking kunnen worden gebracht. Lid 3: De modelverordening biedt twee varianten. Variant A: Raad bepaalt zelf waaruit de jaarlijkse blijk van waardering bestaat. Variant B: Raad stelt een maximumwaarde vast en delegeert naar het college om te bepalen waaruit de jaarlijkse blijk van waardering bestaat. Gekozen is voor een mix van variant A en B.
Overweging: Het vaststellen van een maximale waarde van het individuele mantelzorgwaarderingscompliment (variant B) is lastig uitvoerbaar in relatie tot de kosten van groepsactiviteiten. Daarom wordt jaarlijks de omvang van een uitvoeringsbudget geraamd in de Meerjarenbegroting. Dit gebeurde aanvankelijk op basis van (de groei) van het aantal inschrijvingen van mantelzorgers bij het Steunpunt mantelzorg. De voorwaarde voor het kunnen ontvangen van de mantelzorgwaardering was eerder de inschrijving van de mantelzorger bij het Steunpunt mantelzorg. Deze voorwaarde is vervallen omdat de oorspronkelijke inschrijvingen (destijds voor ondersteuning en het ontvangen van de nieuwsbrief) voor mantelzorgers in Soest, op grond van de AVG niet zomaar ook voor een ander doel (zoals het verstrekken van de mantelzorgwaardering) gebruikt mogen worden. De gemeente roept voortaan mantelzorgers via communicatiekanalen zoals sociale media, de lokale krant, website Zorgzaam Soest, en via externe partners op om gebruik te maken van de mantelzorgwaardering. Qua inhoud van de jaarlijkse waardering (variant A) kunnen mantelzorgers een cadeaubon krijgen en/of 24
Zaaknummer: 22438049 Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 ONTWERP
gebruik maken van een door het college te selecteren aanbod van één of meer activiteiten in het kader van de dag van de Mantelzorg. HOOFDSTUK 7: Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 22. Klachtregeling Lid 1: De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Deze klachtregeling is te vinden op https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Soest/367130/367130_1.htm l Lid 2: Overeenkomstig artikel 2.1.3, tweede lid, onder e van de wet is een regeling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Dit is verplicht ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen. Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. De passage uit de Modelverordening: 2.
Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van [alle voorzieningen OF de volgende voorzieningen: […]] is vervangen door: “Aanbieders stellen een effectieve en laagdrempelige regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten.” Overweging: Behalve klachten ten aanzien van voorzieningen, kunnen er ook klachten zijn over bijvoorbeeld bejegening et cetera. Deze redenen worden nu niet uitgesloten. De regeling moet doeltreffend en niet ingewikkeld zijn. Lid 3: Hier is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de klachtregelingen door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Artikel 23. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. Het gaat dus uitdrukkelijk om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. In het verleden moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder al verwezenlijkt via de cliëntenraad.
Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. Lid 1: Uitwerking van gemeentelijke taak door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van voorzieningen. Bij ‘voorzieningen’ kan gekozen worden voor alle voorzieningen of het specifiek benoemen van voorzieningen. Overweging: Soest kiest hier voor: ‘tenminste alle maatwerkvoorzieningen’. Lid 2: In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Ook hier staat nu het jaarlijks (verplichte) cliëntervaringsonderzoek. Artikel 24. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Lid 1: Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. Het begrip ingezetenen is uitgelegd als ‘waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers’. Lid 2: Adequate deelname aan periodiek overleg van ingezetenen (‘waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers’) vraagt dat zij worden voorzien van ‘informatie’ (en niet óók van ondersteuning). Lid 3: Het is aan het college om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.
25
Zaaknummer: 22438049 Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 ONTWERP
HOOFDSTUK 8: Uitvoering, overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 25. Nadere regelingen Hierin wordt verduidelijkt welke door het college getroffen nadere regelingen ter uitvoering van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Soest heeft. Artikel 26. Hardheidsclausule Dit biedt de mogelijkheid om van de bepalingen in de verordening af te wijken ten gunste van de cliënt, zodat deze niet geconfronteerd wordt met onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 27. Intrekking oude verordening en overgangsrecht Lid 1: Geeft de benamingen van oude en nieuwe verordening. Lid 2: Bevat overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. Lid 3: Hierin is bepaald dat aanvragen die vóór de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de nieuwe verordening. Lid 4: Lopende bezwaarschriften bepaald worden volgens de oude verordening afgedaan. Daarnaast bevat de wet nog overgangsrecht voor AWBZ-cliënten die overgaan naar de Wmo en voor de doelgroep beschermd wonen (zie de artikelen 8.1 tot en met 8.4 van de wet).
26