1. Voortgangsrapportage 2025 - Programma 'Energie van Soest'
Tekst van het document
Voortgangsrapportage 2025 Programma ‘Energie van Soest’
1. Inleiding Soest gaat stap voor stap over op schone energie. Door te isoleren, energie te besparen en samen met inwoners en partners nieuwe oplossingen te ontwikkelen, bereiden we onze gemeente voor op de toekomst. In deze voortgangsrapportage informeren we u over de stand van zaken in 2025 en de voortgang ten opzichte van de doelen uit het programma Energie van Soest 2024–2030. De energietransitie is een complexe, dynamische en bovendien wereldwijde ontwikkeling. Voortgang wordt beïnvloed door factoren waar we als gemeente deels invloed op hebben, zoals lokale uitvoering en samenwerking, maar ook door externe ontwikkelingen zoals landelijk beleid, technologische veranderingen en het gedrag en draagvlak onder inwoners. Dit zorgt continu voor nieuwe kansen, maar ook voor risico’s en onzekerheden. Het is belangrijk om regelmatig te evalueren waar we staan en waar bijsturing nodig is. Vanwege de omvang en complexiteit van de opgave van het energieprogramma spraken we met de raad af dat we naast de jaarrekening een aanvullende rapportage maken. Met deze rapportage geven we u een beeld van de voortgang in 2025. In 2027 volgt een brede evaluatie van het energieprogramma, waarin we ook nagaan of aanpassing van doelen nodig is. Op verzoek van de gemeenteraad is deze rapportage compacter en doelgerichter ingericht dan in voorgaande jaren.
Hoofdstuk 2 bevat een samenvatting van de voortgang. In hoofdstuk 3 gaan we in op trends en ontwikkelingen die invloed hebben gehad op het programma. Hoofdstuk 4 geeft per doel inzicht in de voortgang, wat we hebben gedaan om resultaten te bereiken en de geleerde lessen. Bij een aantal doelen is het nog lastig om de voortgang precies te bepalen, bijvoorbeeld door beperkte meetbaarheid of het ontbreken van data. Desondanks hebben we voldoende informatie om een goed beeld te geven van waar we staan. Over het geheel genomen ligt Soest grotendeels op koers. Voor het merendeel van de doelen, waaronder de hoofddoelen, was de voortgang in 2025 voldoende. Het doel om in 2030 15% minder energie te gebruiken dan in 2021 is zelfs al in 2023 behaald. Tegelijkertijd staan andere belangrijke onderdelen van het programma onder druk. Met name bij het realiseren van een beter gebalanceerd lokaal energiesysteem blijven we achter. Door het wegvallen van grootschalige opwekprojecten en de beperkingen op het stroomnet stagneert de groei van duurzame energie. Hierdoor komt het doel om in 2030 voor 45% energieneutraal te zijn nadrukkelijk in beeld als risico, ondanks dat veel andere doelen op groen staan. Waar we als gemeente directe invloed hebben, zoals energiebesparing en de uitstoot van de eigen organisatie, zien we duidelijke resultaten.
De voortgang is minder voorspelbaar op onderwerpen waar we afhankelijk zijn van externe factoren, zoals landelijke besluitvorming, businesscases en ruimte op het stroomnet.
2
Daarnaast zijn draagvlak en betaalbaarheid bepalend voor het tempo van de energietransitie. Zonder voldoende steun en haalbare oplossingen voor inwoners en ondernemers vertraagt de voortgang. Maar zoals in elke transitie, biedt de energietransitie ook nieuwe kansen. We verkennen alternatieve warmtebronnen, zoals de rioolzuiveringsinstallatie en aardwarmte, en nieuwe wetgeving geeft gemeenten meer regie. Ook zien we dat lokale samenwerking werkt. Initiatieven zoals Koos (Klimaat op orde Soest), de energiehub en sociale energieprojecten dragen bij aan voortgang en betrokkenheid, al vragen deze trajecten tijd en inzet. Deze rapportage laat daarmee een genuanceerd beeld zien. We boeken voortgang, maar staan ook voor stevige opgaven en onzekerheden in de komende jaren.
3
Inhoud 1.
Inleiding .............................................................................................................................................................. 2
2.
Samenvatting voortgang .............................................................................................................................. 6
3.
Trends en ontwikkelingen ............................................................................................................................ 7
4.
Voortgang programmadoelen ................................................................................................................... 8 4.1
Energieneutraal ..................................................................................................................................... 8
4.1.1 Hoofddoel: De Gemeente Soest is voor 45% energieneutraal in 2030 ............................ 8 4.1.2 Hoofddoel: In 2030 is 15% van de gebouwen aardgasvrij.................................................. 10 4.2
Richtinggevend doel: Minder Energieverbruik ........................................................................ 12
4.2.1 Gemeente Soest gebruikt in 2030 15% minder energie dan in 2021 ............................. 12 4.2.2 Nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zijn minimaal energieneutraal .............................................................................................................................................................................. 13 4.3
Richtinggevend doel: Een beter gebalanceerd lokaal energiesysteem ......................... 15
4.3.1 Minimaal 675 terajoule duurzame opwek stroom en warmte in 2030 .......................... 15 4.3.2 Slim koppelen van vraag en aanbod in lokaal energiesysteem in tijd en ruimte....... 17 4.3.3 In 90% van de gevallen halen we de afgesproken planning voor werk aan het energiesysteem inclusief een algehele belangenafweging ........................................................... 19 4.4
Richtinggevend doel: Iedereen moet mee kunnen doen.................................................... 20
4.4.1 70% van de inwoners weet wat zijn handelingsperspectief is ........................................... 20 4.4.2 Uitgangspunt: Iedereen houdt toegang tot betaalbare energie ...................................... 22 4.5.
De energietransitie is beter geïntegreerd in ons werk ......................................................... 24
4.5.1 Verminderen van onze eigen CO2-uitstoot met 90% in 2030 t.o.v. 2017...................... 24 4.5.2 We leren en dragen uit hoe je integraal werkt in de energietransitie ............................ 26 5.
Bronnen ............................................................................................................................................................. 27
Bijlage – Reflectie Netwerk Duurzaamheid in Verbinding ...................................................................... 28
4
Figuur 1. Overzicht van de programmalijnen (Energie van Soest 2024-2030, november 2024).
5
2. Samenvatting voortgang Het overzicht hieronder laat de voortgang per doel zien. De meeste doelen zij op koers of zijn met extra inspanning of bijsturing te halen. Hoofdstuk 4 geeft per doel een toelichting. Doelen energieprogramma ‘Energie van Soest’ Energieneutraal De Gemeente Soest is voor 45% energieneutraal In 2030 is 15% van de gebouwen aardgasvrij Minder Energieverbruik Gemeente Soest gebruikt in 2030 15% minder energie dan in 2021 Nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zijn minimaal energieneutraal Een beter gebalanceerd lokaal energiesysteem Minimaal 675 terajoule (TJ) duurzame opwek elektriciteit en warmte in 2030 Slim koppelen van vraag en aanbod in lokaal energiesysteem in tijd en ruimte In 90% van de gevallen halen we de afgesproken planning voor werk aan het energiesysteem inclusief een algehele belangenafweging Iedereen moet mee kunnen doen 70% van de inwoners weet wat zijn handelingsperspectief is Iedereen houdt toegang tot betaalbare energie De energietransitie is beter geïntegreerd in ons werk We leren en dragen uit hoe je integraal werkt in de energietransitie Verminderen van onze eigen CO2-uitstoot met 90% in 2030 t.o.v. 2017
Figuur 2. Voortgang per doel (2025) in stoplichtkleuren (zie legenda).
6
Status Groen Groen Groen N.v.t Rood Rood
Groen
Oranje Oranje N.v.t Groen
3. Trends en ontwikkelingen In dit hoofdstuk leest u welke trends en ontwikkelingen in 2025 van invloed waren op de voortgang van het energieprogramma. Nieuwe landelijke wetgeving • Eind 2024 is de Wet gemeentelijk instrumentarium warmte vastgesteld. Deze wet verplicht gemeenten om een warmteprogramma te maken. • In 2025 is ook de Wet collectieve warmte (Wcw) vastgesteld. Deze wet geeft gemeenten meer regie over de warmtetransitie. Warmtebedrijven mogen alleen nog warmte leveren met toestemming van de gemeente. Gemeenten kunnen hiervoor gebieden aanwijzen en een warmtebedrijf selecteren. Zo’n warmtebedrijf moet voor meer dan de helft in publieke handen zijn. Ook veranderen de regels voor tarieven. Die worden niet langer gekoppeld aan de gasprijs, maar gebaseerd op de werkelijke kosten. Daarnaast stelt de wet strengere eisen aan betrouwbaarheid en duurzaamheid. Dit betekent dat we als gemeente meer mogelijkheden hebben om de warmtetransitie te sturen. Minder draagvlak en urgentie onder inwoners Het draagvlak en het gevoel van urgentie onder inwoners nemen af. Daardoor zijn inwoners minder bereid om hun woning te verduurzamen. In 2025 zijn Nederlanders minder bezorgd over het klimaat. Dat komt onder andere door zorgen over andere maatschappelijke problemen en door ‘klimaatmoeheid’. Ook de bereidheid om energie te besparen of zelf energie op te wekken is afgenomen.
De bereidheid om te investeren in de eigen woning is nog steeds hoog, maar wel gedaald: van 77% in 2024 naar 69% in 2025 (bron: MWM). Betaalbaarheid en duidelijkheid over wat inwoners zelf kunnen doen, zijn belangrijk voor het draagvlak. Dit betekent dat we moeten blijven inzetten op het betrekken van inwoners en ondernemers. Ook moeten we goed gebruikmaken van initiatieven in onze gemeente (bron: Rijksoverheid). Tekort aan ruimte op het stroomnet, geld en duidelijke besluiten remmen de energietransitie Ook als er bereidheid is om te investeren, zijn er factoren die verduurzaming remmen. De drie belangrijkste zijn: 1. beperkte ruimte op het energienet (we noemen dit netcongestie); 2. te weinig geld of financieringsmogelijkheden; 3. en trage of onzekere vergunningen en locatiebesluiten. Dit speelt bij bedrijven, maatschappelijke instellingen en inwoners. (bron: Ministerie van Klimaat en Groene Groei, Rijksoverheid en PBL).
7
4. Voortgang programmadoelen In dit hoofdstuk leest u hoe het gaat met de doelen uit het energieprogramma. We maken onderscheid tussen hoofddoelen en richtinggevende doelen. Eerst leest u over de hoofddoelen voor een energieneutrale en aardgasvrije gemeente (paragraaf 4.1). Daarna volgen de richtinggevende doelen (paragrafen 4.2 tot en met 4.5). Ook lichten we enkele doelen toe die als uitgangspunt dienen (paragrafen 4.2.2 en 4.2.4).
4.1 Energieneutraal 4.1.1 Hoofddoel: De Gemeente Soest is voor 45% energieneutraal in 2030 Groen: We zijn op koers om in 2030 voor 45% energieneutraal te zijn. Onderbouwing Het eerste hoofddoel is om in 2030 voor 45% van het verwachte energieverbruik in 2050, energieneutraal te zijn. Dat betekent dat we 650 terajoule aan warmte en elektriciteit duurzaam moeten opwekken. In 2023 kwam al 211 terajoule uit duurzame bronnen. Dat is 14% van de verwachte vraag in 2050 (bron: Klimaatmonitor). Daarmee hebben we het tussendoel van 14% voor 2025 al in 2023 gehaald.
Aandeel duurzame energie t.o.v. energievraag (in TJ) 3000
2500
In TJ
2000
1500
1000
500
0
2021
2022
2023
2030
Duurzame warmte
Duurzame elektriciteit
Totale energievraag
Doel duurzame warmte en electriciteit
Doel energievraag Figuur 3. Verhouding tussen energievraag en duurzaam opgewekte energie (bron: Klimaatmonitor).
8
2050
Bijdrage aan dit doel in 2025 • We zetten in op het verlagen van de energievraag door energiebesparing te stimuleren. Zie de projecten in paragraaf 4.2.1, inclusief geleerde lessen en verbeterpunten. • We zetten in op meer duurzame elektriciteit en warmte. Zie de onderzoeksprojecten in paragrafen 4.1.2 en 4.3.1, inclusief geleerde lessen en verbeterpunten.
9
4.1.2 Hoofddoel: In 2030 is 15% van de gebouwen aardgasvrij Groen: We liggen op koers om in 2030 15% van de gebouwen aardgasvrij te maken.
Figuur 4. Groei van het aantal aardgasvrije woningen en gebouwen in Soest (2019–2050) (bron: Klimaatmonitor en CBS).
Voortgang doel In 2024 was minimaal 4,8% van de gebouwen aardgasvrij. Daarmee liggen we op koers om in 2030 15% van de gebouwen aardgasvrij te maken. Onderbouwing Het tweede hoofddoel is dat in 2030 15% van alle gebouwen aardgasvrij is. In 2024 was 4,7% van de woningen aardgasvrij. Voor andere gebouwen zijn alleen cijfers uit 2022 beschikbaar. Toen waren 275 van de 4.860 gebouwen aardgasvrij (5,7%). Op basis van deze cijfers schatten we dat in 2024 minimaal 4,8% van alle gebouwen aardgasvrij was. Daarbij gaan we ervan uit dat het aantal overige gebouwen met aardgas tussen 2022 en 2024 niet is toegenomen. Dit percentage past bij het niveau dat we in 2025 moeten halen om op koers te blijven. We liggen daarmee op schema richting 15% aardgasvrije gebouwen in 2030 (bron: CBS en Klimaatmonitor). Invloedrijke factoren Twee factoren beïnvloeden de voortgang: • Energieprijzen: hoge prijzen voor elektriciteit, gas en warmte stimuleren energiebesparing. Een hoge gasprijs maakt overstappen naar een andere warmtebron (zoals een warmte-koudeopslag) aantrekkelijker, maar een hoge warmteprijs kan dit juist afremmen. • Warmteprogramma: in 2025 was het warmteprogramma nog niet vastgesteld.
10
Bijdrage aan dit doel in 2025 Provinciale samenwerking aardgasvrij maken woningen Via het Energie Diensten Centrum Utrecht (EDC), een samenwerking van 26 Utrechtse gemeenten, werken we aan het verduurzamen van woningen. In dit kader zijn de volgende projecten gestart en uitgevoerd: • Een isolatieprogramma voor grondgebonden koopwoningen. • Een digitaal dataplatform om de voortgang van de verduurzaming van woningen in Soest te volgen. • Een informatiepunt voor Verenigingen van Eigenaren (VvE’s). • Een informatiepunt voor verhuurders. Lokale samenwerking aardgasvrij maken woningen Samen met lokale partners werken we aan een duidelijke en laagdrempelige plek voor ondersteuning aan inwoners: Koos (Klimaat op orde Soest). • In 2025 zijn twee pop-up locaties geopend: in Idea (Soest) en in De Basis (Soesterberg). Inwoners kunnen hier terecht met vragen en ideeën over verduurzaming van hun woning en leefomgeving. • Met de Klimaatkas-subsidie stimuleren we lokale partners en initiatieven van inwoners. In 2025 zijn zes projecten ondersteund, zoals isolatieacties in Soesterberg en de pilotstatus Overhees. Onderzoek naar collectieve warmtebronnen We werken aan collectieve warmtevoorzieningen. In 2025 hebben we onderzocht of verschillende warmtebronnen haalbaar zijn, technisch, financieel en maatschappelijk.
• Geothermie (diepe aardwarmte) • Warmte uit de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) Warmte uit de vijvers (pilotstatus Overhees) In 2025 zijn de eerste stappen gezet in het project ‘Warmte uit vijvers’ in Overhees. Dit project onderzoekt of we warmte uit oppervlaktewater (aquathermie/TEO) kunnen gebruiken. We hebben gewerkt aan technische verkenningen, de businesscase, communicatie en het betrekken van inwoners. Op basis hiervan heeft het college het project de status van pilot gegeven. Overhees is daarmee een proeftuin voor een collectieve, duurzame warmtevoorziening met lokale bronnen. De pilot biedt de komende jaren ruimte om ervaring op te doen met techniek, organisatie, financiering en bewonersparticipatie. Geleerde lessen en verbeterpunten • Lokale samenwerking en een persoonlijke aanpak werken goed en geven vertrouwen. Dit vraagt wel meer tijd. Daarom moet Koos in 2026 sneller zichtbaar zijn (zie paragraaf 4.4.1). • De aansluiting tussen techniek en communicatie kan beter. Technisch onderzoek loopt vaak vooruit op de communicatie. Het is belangrijk om inzichten sneller te vertalen naar begrijpelijke informatie voor inwoners. • Koppel warmteprojecten beter aan andere opgaven in de wijk, zoals renovatie, leefbaarheid en klimaatadaptatie. Zo sluiten projecten beter aan bij wat er al speelt.
11
4.2
Richtinggevend doel: Minder Energieverbruik 4.2.1 Gemeente Soest gebruikt in 2030 15% minder energie dan in 2021
Groen: Doel behaald in 2023. We blijven werken aan energiebesparing. Onderbouwing Het doel is om in 2030 15% minder energie te gebruiken dan in 2021. Dat betekent dat het totale energieverbruik in 2030 maximaal 2.350 terajoule mag zijn. Volgens de meest recente cijfers hebben we dit doel al in 2023 gehaald. Het energieverbruik was toen 2.261 terajoule (bron: Klimaatmonitor).
Figuur 5: Energieverbruik per sector in Soest (Bron: Klimaatmonitor)
Bijdrage aan dit doel in 2025 Isoleren van woningen We stimuleren energiebesparing in woningen via Koos (zie paragraaf 4.1.2). In 2025 zijn twee isolatiecampagnes uitgevoerd voor koopwoningen, samen met het Energie Diensten Centrum. Ook organiseerden we met SOEN-EAS lokale acties, zoals aanbelacties,
12
bewonersavonden en blowerdoortesten. Koos wordt in 2026 verder ontwikkeld, ook op energiebesparing. Warmtescans voor ondernemers We stimuleren energiebesparing op bedrijventerreinen met warmtescans. In samenwerking met SOEN-EAS zijn 16 scans uitgevoerd. Ondernemers kregen een rapport met mogelijke vervolgstappen, zoals isolatie of een energiescan. Dit project loopt door in 2026.
Geleerde lessen en verbeterpunten • Het is belangrijk om een bredere communicatiecampagne over energiebesparing te starten via Koos.
4.2.2 Nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zijn minimaal energieneutraal Wit: Deze doelstelling is nog niet meetbaar. We werken eraan om dit te verbeteren. Bijdrage aan dit doel in 2025 De gemeente Soest wil dat nieuwe ontwikkelingen minimaal energieneutraal zijn. We kunnen dit nog niet goed meten, maar we laten wel zien hoe we hieraan werken. We hebben dit uitgangspunt vastgelegd in beleid en gebruiken het als voorwaarde bij ruimtelijke plannen en projecten. Zo dragen nieuwe ontwikkelingen bij aan onze klimaatdoelen. Eisen bij nieuwbouw en herontwikkeling Bij nieuwbouw en herontwikkeling sturen we op: • zo laag mogelijk energiegebruik, bijvoorbeeld door goede isolatie; • gebruik van lage temperatuurverwarming; • en een toekomstbestendige warmteoplossing. Nieuwe gebouwen zijn aardgasvrij en voorbereid op duurzame warmtebronnen. We kijken ook naar aansluiting op collectieve warmtesystemen in de wijk. Wetgeving en externe factoren De BENG-eisen vormen het wettelijke minimum. Woningcorporaties moeten woningen met energielabel E, F en G uiterlijk in 2028 verbeteren. Ook netcongestie speelt een grote rol. Ontwikkelaars moeten steeds vaker netbewust bouwen, omdat een nieuwe aansluiting niet altijd mogelijk is zonder energiebesparing en slimme oplossingen. Sturing en samenwerking We leggen extra ambities vast in het omgevingsplan.
Ook maken we afspraken met woningcorporaties over verduurzaming en mogelijke aansluiting op warmtenetten. Voorbeeld Overhees In Overhees, een startwijk voor de warmtetransitie, houden we bij nieuwe ontwikkelingen rekening met het toekomstige warmtenet ‘Warmte uit de Vijvers’. Zo voorkomen we dat later aanpassingen nodig zijn.
13
We zorgen er ook voor dat nieuwe plannen aansluiten op ontwikkelingen in de wijk. Dit doen we door initiatieven vroeg te bespreken met ontwikkelaars. Slim combineren van werkzaamheden Waar mogelijk combineren we werkzaamheden in de openbare ruimte met aanpassingen aan de energie-infrastructuur. Dit bespaart kosten, beperkt overlast en helpt om sneller vooruitgang te boeken.
14
4.3
Richtinggevend doel: Een beter gebalanceerd lokaal energiesysteem 4.3.1 Minimaal 675 terajoule duurzame opwek stroom en warmte in 2030
Rood: Het tussendoel voor 2025 is gehaald. Toch halen we ons doel voor 2030 waarschijnlijk niet, omdat er geen grote projecten meer gepland zijn.
Opwek duurzame elektriciteit en warmtebronnen in Soest 1600 1400 1200
In TJ
1000 800
600 400 200 0 2019 Duurzame warmte
2020
2021
Duurzame elektriciteit
2022
2023
Doel duurzame opwek 2030
2030
2050
Doel duurzame opwek 2050
Figuur 6: Opwek duurzame elektriciteit en warmtebronnen in Soest (Bron: Klimaatmonitor)
Onderbouwing In 2023 kwam 211 terajoule van het energieverbruik uit duurzame bronnen (bron: Klimaatmonitor). Daarmee hebben we het tussendoel voor 2025 al gehaald. Toch is het risico groot dat we de doelstelling voor 2030 niet halen. Dit komt vooral door het wegvallen van de mogelijkheid voor windturbines binnen het project OER A28 (250 terajoule). In ons lokale Uitnodigingskader grootschalige elektriciteitsopwekking biedt het gebied naast de Isselt nog mogelijkheden voor windenergie. Hier is ruimte voor ongeveer 144 terajoule, vergelijkbaar met de opwek van twee windturbines. Ook de groei van zonne-energie blijft achter. In figuur 7 is te zien dat de groei in 2025 sterk is afgenomen. Tussen 2020 en 2024 groeide zonne-energie jaarlijks met 20 tot 35%. In 2025 was dit nog maar 4%. De belangrijkste oorzaken zijn een minder gunstige businesscase voor inwoners en bedrijven en netcongestie. Daarnaast biedt ons Uitnodigingskader geen ruimte voor grootschalige zonnevelden. Hierdoor kunnen we dit tekort niet opvangen.
15
Figuur 7: Opwekte zonnestroom per jaar voor de gemeente Soest in MWh (1 Megawattuur (MWh) = 0,0036 terajoule (TJ))
Bijdrage aan dit doel in 2025 In 2025 lag de focus vooral op vooruitkijken en het opnieuw in kaart brengen van de mogelijkheden in de regio. RES Voor zon en wind werken we aan een overdrachtsdocument voor de nieuwe raad. Hierin brengen we kansen en belemmeringen in beeld. Ook werken we samen met de regio om de gezamenlijke doelen te halen. Energiedelen Op kleinere schaal zijn er in Soest wel nieuwe initiatieven. Zo verkennen we hoe we energie delen makkelijker kunnen maken, zodat huishoudens zonder zonnepanelen gebruik kunnen maken van energie van anderen. Solar carport Ook heeft Soest meegedaan aan een regionale aanbesteding voor een solar carport. Op dit moment is het lastig om hiervoor een goede businesscase te maken. We blijven wel zoeken naar mogelijkheden om energie op te wekken op parkeerterreinen. Geleerde lessen en verbeterpunten • We zijn nu te afhankelijk van grote projecten. Daarom hebben we beter zicht nodig op kansen in Soest, zodat we sneller kunnen bijsturen als projecten wegvallen. • Alleen inzetten op grootschalig zon op dak is niet genoeg. We hebben een mix van energiebronnen nodig. Ook windenergie blijft belangrijk om de doelen te halen. • Bestuurlijke keuzes zijn nodig om voortgang te houden. Tijdige besluiten helpen om onze doelen in de toekomst te kunnen halen. • Doelen en beleid moeten beter op elkaar aansluiten.
De ruimte is beperkt, terwijl de opgaven groot zijn. Energieopwekking en warmte vragen steeds meer ruimte. Daarom moeten we dit goed afstemmen met andere opgaven.
16
4.3.2 Slim koppelen van vraag en aanbod in lokaal energiesysteem in tijd en ruimte Rood: In 2025 konden we vraag en aanbod nog onvoldoende op elkaar afstemmen. Daardoor is het onzeker of we dit doel in 2030 halen, zelfs met extra inzet. Voortgang doel Het huidige energiesysteem kan de vraag naar stroom niet goed aan. Dit komt door netcongestie. Vraag en aanbod zijn niet in balans en het systeem is nog niet klaar voor de toekomst. Dit heeft grote gevolgen voor ontwikkelingen zoals woningbouw, bedrijvigheid en duurzame energie. Om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen, wordt het stroomnet uitgebreid. We moeten er wel rekening mee houden dat er pas rond 2035 voldoende ruimte op het stroomnet zal zijn. Onderbouwing In 2025 werd duidelijk hoe groot het probleem van netcongestie is. Eerder was er al een wachtlijst voor grote aansluitingen (grote bedrijven). Inmiddels groeit ook het risico op een wachtlijst voor kleinere aansluitingen (kleine bedrijven en huishoudens). De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft daarom in december 2025 een nieuw prioriteringskader vastgesteld. Dit gaat in op 1 juli 2026. Met deze regels wil de ACM de beschikbare ruimte op het stroomnet beter verdelen en maatschappelijke problemen beperken. Tegelijk nemen de zorgen toe. Uit een Kamerbrief van november 2025 blijkt dat alle beschikbare ruimte op het stroomnet mogelijk al in 2027 is vergeven.
In onze regio, de regio Flevopolder, Gelderland en Utrecht (FGU), gaat het daarom niet alleen meer over vertraging, maar ook over mogelijke stilstand. In de FGU neemt de druk toe om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen. In Soest zagen we in 2025 de volgende gevolgen van netcongestie: •
•
•
Energiehub afgeschaald: door gebrek aan ruimte op het stroomnet kunnen 4, in plaats van 14, bedrijven deelnemen aan de energiehub op de Soestdijkse Grachten. De beschikbare ruimte is verlaagd van 1500kW naar 300 kW. Griftlandcollege: bij de nieuwbouw van de school is gekozen voor lage temperatuurverwarming en een lage energievraag. Zo blijft het gebouw binnen de beschikbare ruimte op het stroomnet en is aansluiting op een toekomstig warmtenet mogelijk. Project Dalweg (gemeentehuis): hier was niet voldoende ruimte op het stroomnet beschikbaar. Daarom is gekozen voor een warmte koude-opslagsysteem (WKO) als duurzame oplossing.
Invloedrijke factoren • We zijn afhankelijk van netbeheerders. Zij hebben beperkte ruimte en bepalen het tempo met hun plannen en prognoses.
17
• • •
We zijn afhankelijk van landelijke besluiten en regels, bijvoorbeeld van het ministerie van Klimaat en Groene Groei en de Autoriteit Consument en Markt. Het energiesysteem stopt niet bij gemeentegrenzen. We zijn afhankelijk van samenwerking met regionale partners in de FGU. We zijn afhankelijk van initiatieven van ondernemers, zoals energiehubs en grootschalige opslag.
Bijdrage aan dit doel in 2025 Ondanks het sombere beeld hebben we in 2025 ook voortgang geboekt: Energiehub Op 28 januari (2026) vierden vier bedrijven samen met Stedin de volgende fase van de energiehub. In de regio lopen we hiermee voorop. Netbewust bouwen Samen met het projectbureau maakten we een plan voor het combineren van de verduurzaming van het gemeentehuis met de bouw van ruim 200 netbewuste woningen aan de Dalweg. Het raadsvoorstel daarover is aangenomen. Impactanalyse netcongestie We hebben een analyse gemaakt van de impact van netcongestie op de organisatie. Dit heeft geleid tot meer bewustwording en eerste regionale samenwerking, ook bij beleidsterreinen die hier eerder minder mee bezig waren. Geleerde lessen en verbeterpunten • De impact van netcongestie is groter en dichterbij dan gedacht. Niet alleen hoogspanningsstations, maar ook lokale stroomnetten vormen nu een knelpunt. • De invloed van de gemeente is beperkt. De aanpak vraagt landelijke keuzes en is juridisch complex. Zelfs met maximale inzet gaat de ontwikkeling te langzaam. • Met de impactanalyse krijgen we meer inzicht in mogelijke oplossingen. Dit helpt ons bij het opstellen van een lokale visie op het energiesysteem (zoals opgenomen in het energieprogramma). • De situatie is duidelijker dan vorig jaar. In 2026 zetten we in op meer regie op dit probleem.
18
4.3.3 In 90% van de gevallen halen we de afgesproken planning voor werk aan het energiesysteem inclusief een algehele belangenafweging Groen: We liggen op koers om de planning voor het energiesysteem te halen. Met werk aan het energiesysteem bedoelen we alle maatregelen die de capaciteit van het stroomnet vergroten. Dit gaat om het hoog-, midden- en laagspanningsnet. Deze doelstelling bestaat uit de volgende onderdelen: 1. Afgesproken planning Voor elk project spreken we vooraf een duidelijke doorlooptijd af. Deze planning is het uitgangspunt voor het beoordelen van onze prestaties. 2. Werken aan het energiesysteem We doorlopen gemeentelijke processen zo snel en efficiënt mogelijk, zodat uitbreiding van het stroomnet kan plaatsvinden. 3. Zorgvuldige belangenafweging Bij elke keuze wegen we de belangen van bewoners, perceeleigenaren, Stedin en de omgeving. Besluiten moeten juridisch houdbaar en goed uitlegbaar zijn, ook als onteigening nodig is. 4. De 90%-norm We behalen dit doel als 90% van de besluiten binnen de afgesproken doorlooptijd wordt genomen. Voortgang doelstelling We hebben regelmatig goed overleg met partners, zoals Stedin. Tegelijk kost het kiezen van geschikte locaties meer tijd. Dit komt door juridische eisen, belangenafwegingen en gesprekken met perceeleigenaren. Een voorbeeld is de aanpak van de wijk ’t Hart in Soest.
Het proces verloopt in goed overleg en met constructieve stappen, maar niet volgens de oorspronkelijke planning. De vertraging komt door de zorgvuldige juridische en ruimtelijke afwegingen. Transformatorhuisjes
Kabeltraces Hoogspanningsstation Baarn/Soest
Afgesproken planning Werken aan energiesysteem Algehele belangenafweging 90% norm Niet van toepassing Afgesproken planning Werken aan energiesysteem Algehele belangenafweging 90% norm
19
Groen Groen Groen Groen Oranje Groen Groen In 2025 nog niet te bepalen
Invloedrijke factoren Samenwerking en beschikbare tijd: duidelijke afspraken, vaste werkwijzen en heldere verantwoordelijkheden versterken de samenwerking binnen de organisatie en met netbeheerders. Afhankelijkheid van regio en rijk: het energiesysteem stopt niet bij de gemeentegrens. Voor verzwaring van het stroomnet zijn we afhankelijk van projecten zoals Utrecht Noord (HSstation Breukelen-Kortrijk) en Amersfoort-Noord (HS-station Bunschoten). Vertraging in deze projecten zorgt ook voor vertraging in Soest. Zonder deze projecten hebben lokale maatregelen weinig effect. Bijdrage aan dit doel in 2025 Nieuw hoogspanningsstation Samen met Stedin is een locatie gekozen voor het nieuwe hoogspanningsstation Baarn/Soest. Transformatorhuisjes In 2025 hebben we het beleid ‘Inpassingskader voor transformatorhuisjes (2026–2029)’ gemaakt. Ook zijn we begonnen met het kiezen van locaties voor 9 nieuwe transformatorhuisjes in de wijk ’t Hart, in samenwerking met verschillende beleidsdomeinen. Nieuw TenneT-station In regionaal verband is besloten dat de provincie het bevoegd gezag wordt voor het extra hoogspanningsstation dat in onze regio moet komen. De komst van het station is belangrijk voor Soest, omdat het een sleutelrol speelt in het regionale stroomnet. Waar het station komt is nog niet besloten.
Geleerde lessen en verbeterpunten • Juridische complexiteit locatiekeuze: het kiezen van een locatie voor het hoogspanningsstation Baarn/Soest is juridisch en ruimtelijk complex. Het afwegen van alternatieven en belangen kost tijd, maar is nodig voor een goed onderbouwd en juridisch houdbaar besluit. • Versnellen van interne processen: de druk op de uitvoering neemt de komende jaren toe. Door nu te investeren in beleid, kennis en beschikbare tijd, kunnen we straks sneller en efficiënter werken aan de uitbreiding van het energiesysteem.
4.4
Richtinggevend doel: Iedereen moet mee kunnen doen 4.4.1 70% van de inwoners weet wat zijn handelingsperspectief is
Oranje: We liggen niet op koers, maar het doel is nog haalbaar met extra inzet of bijsturing.
20
Voortgang doelstelling We hebben dit percentage niet gemeten met een vragenlijst. Op basis van de activiteiten concluderen we dat we niet op koers liggen, maar dat het doel nog haalbaar is met extra inzet of bijsturing. Onderbouwing • In 2024 hebben we het communicatieconcept ‘Energie van Soest’ geïntroduceerd, samen met lokale partners. Ook leverden wij de bewonersreis op. • In datzelfde jaar is besloten om ‘Koos’ (Klimaat op orde Soest) in te zetten als de laagdrempelige toegang voor inwoners met al hun vragen en ideeën rondom het verduurzamen van hun woning en leefomgeving. • Via onze adreszoeker kunnen inwoners opzoeken welke aardgasvrije oplossingen er zijn voor hun wijk. Invloedrijke factoren • Het vertrouwen van inwoners in overheid en instituties daalt (bron: Buurkrachtmonitor 2025). • Er is te weinig tijd voor uitgebreide communicatie-aanpakken en contact met inwoners. Hierdoor is er minder ruimte voor gesprekken en bijeenkomsten in wijken en buurten. • Inwoners betrekken bij deze opgave kost tijd, omdat zij deze niet zelf hebben gekozen. • In gesprekken geven inwoners aan dat zij de energietransitie soms als tegenstrijdig ervaren. Zo werden zonnepanelen eerst gestimuleerd, maar zijn ze nu minder aantrekkelijk door netcongestie en veranderingen in de salderingsregeling. Hierdoor stellen sommige inwoners maatregelen uit of zien er vanaf.
Bijdrage aan dit doel in 2025 Koos (Klimaat op orde Soest) In 2025 zijn we gestart met Koos als laagdrempelig loket voor inwoners. Hier kunnen zij terecht met vragen en ideeën over energie. Koos luistert, ondersteunt en verwijst door. Sociale energie in wijken We betrekken inwoners via onderwerpen die zij belangrijk vinden. Zo versterken we de gemeenschap en het vertrouwen in de gemeente. In 2025 zijn in Soesterberg kleine energiebesparende maatregelen uitgevoerd bij huurwoningen en is een wekelijks isolatiespreekuur gestart in De Basis. Klimaatkas-subsidie We ondersteunen lokale initiatieven, die zorgen voor bekendheid via bijvoorbeeld mond-totmondreclame. In 2025 zijn zes projecten ondersteund. Voorlichting Alle basisscholen in Soest maken gebruik van lesmateriaal uit de ‘Menukaart Energie & Klimaat’ (NME Jaarprogramma 2025–2026).
21
Soest duurzamer We beheren en actualiseren de gemeentelijke website en de themawebsite ‘Soest Duurzamer’. Geleerde lessen en verbeterpunten • Lokale samenwerking en een persoonlijke aanpak werken het best om inwoners te betrekken die minder met energie bezig zijn. Deze aanpak kost meer tijd, maar vergroot het vertrouwen. • ‘Koos’ (Klimaat op orde Soest) is in 2025 getest. In 2026 moet ‘Koos’ breder zichtbaar worden in de gemeente. De gemeente is trekker van deze aanpak. Samen met partners ondersteunen we inwoners bij hun stappen in de energietransitie. Het doel is dat inwoners weten dat ze met vragen en ideeën bij ‘Koos’ terecht kunnen. • We hebben afgezien van een klankbordgroep. De huidige werkwijze met co-creatie en de ontwerpende aanpak van ‘Koos’ werkt beter. Deze aanpak biedt ruimte om samen met wisselende groepen inwoners oplossingen te ontwikkelen.
4.4.2 Uitgangspunt: Iedereen houdt toegang tot betaalbare energie Groen: Binnen onze invloed werken we eraan dat energie voor iedereen betaalbaar blijft. Onderbouwing Uitgangspunt: betaalbare energie voor iedereen Betaalbare energie is een belangrijk uitgangspunt in het energie- en warmtebeleid van Soest. De energietransitie heeft grote gevolgen voor inwoners en ondernemers. Zonder aandacht voor betaalbaarheid kan ongelijkheid of energiearmoede ontstaan. Daarom nemen we betaalbaarheid mee in al ons beleid en onze projecten. Aanpak in de warmtetransitie We werken met oplossingen die haalbaar en betaalbaar zijn voor inwoners. Daarbij hebben we extra aandacht voor huishoudens met een lager inkomen en voor huurders. In het Omgevingsprogramma Warmte kijken we per gebied niet alleen naar de beste technische oplossing, maar ook naar de kosten voor bewoners en hoe we die kunnen beperken of spreiden. Samenwerking met woningcorporaties In wijken met veel huurwoningen werken we samen met woningcorporaties. We zorgen dat verduurzaming en de overstap naar aardgasvrij wonen niet leiden tot hogere woonlasten. Dit doen we door middel van isolatie, collectieve oplossingen en een gefaseerde aanpak. Pilotstatus Overhees In Overhees werken we aan een duurzame warmtevoorziening via ‘Warmte uit de Vijvers’. Tegelijk zetten we in op betaalbaarheid.
Zo is er een pilot met energiedelen, waarbij lokaal opgewekte energie eerlijker wordt verdeeld. Hierdoor kunnen ook huishoudens zonder zonnepanelen profiteren en dalen de energiekosten.
22
Betrokkenheid en transparantie We betrekken inwoners op tijd en geven duidelijkheid over kosten en keuzes. Transparantie helpt om vertrouwen te behouden en betaalbaarheid bespreekbaar te maken. Ondersteuning en kennis We maken gebruik van landelijke regelingen en subsidies. Ook bouwen we kennis op over kosten en opbrengsten van verschillende oplossingen. Dit helpt ons om betere keuzes te maken en inwoners goed te ondersteunen. Door betaalbaarheid steeds mee te nemen in beleid en projecten, werken we aan een energietransitie waarin iedereen kan meedoen. Bijdrage aan dit doel in 2025 Energiebank Soest In 2025 is de Energiebank opgericht. Vrijwilligers helpen huishoudens in Soest en Soesterberg om energie te besparen. Zij geven uitleg over de energierekening en helpen met praktische maatregelen. Sociale energie in wijken Er zijn vijf actiedagen georganiseerd. Vrijwilligers brachten kleine energiebesparende maatregelen aan in wijken met veel energiearmoede. Woningcorporatie Portaal Bewoners van gerenoveerde woningen in Smitsveen kregen een extra energiebespaarcadeau. Het Campagneteam Het campagneteam ging langs bij eigenaar-bewoners in energiearmoede om hen te wijzen op subsidiemogelijkheden. Geleerde lessen en verbeterpunten • Lokale samenwerking en een persoonlijke aanpak werken het best om inwoners te bereiken, vooral inwoners in energiearmoede.
Deze aanpak kost meer tijd, maar vergroot het vertrouwen. Daarom moeten we hier extra in blijven investeren.
23
4.5.
De energietransitie is beter geïntegreerd in ons werk 4.5.1 Verminderen van onze eigen CO2-uitstoot met 90% in 2030 t.o.v. 2017
Groen: We liggen op koers om de CO₂-uitstoot van de gemeentelijke organisatie te verminderen. Voortgang doelstelling We willen in 2030 90% minder CO₂ uitstoten dan in 2017. In 2024 bedroeg de uitstoot 240 ton CO₂. Dat is een vermindering van 88% ten opzichte van 2017 (1.988,7 ton CO₂). Onderbouwing De uitstoot is gedaald door verschillende maatregelen, zoals het elektrificeren van het wagenpark en zuiniger energiegebruik. Sinds 2019 gebruiken we groene stroom. Daardoor is de uitstoot al flink lager dan in 2017. Volgens de CO₂-Prestatieladder telt groene stroom niet mee als uitstoot.
Figuur 8. Afname van de CO₂-uitstoot (%) van de gemeentelijke organisatie volgens de CO₂-Prestatieladder (2017–2024).
Kanttekening Voor dit doel gebruiken we de methodiek van de CO₂-Prestatieladder. Daarmee meten we de uitstoot van onderdelen van de gemeentelijke organisatie. We kijken onder andere naar het energiegebruik van: • Werklocaties • Verkeersregelinstallaties • Openbare verlichting • Het wagenpark Van ons vastgoed nemen we alleen de gebouwen mee waar we zelf veel invloed hebben op het beheer. We kijken dus niet naar de volledige vastgoedportefeuille. Andere gebouwen vallen onder ander beleid, zoals het Integraal Huisvestingsplan en het Integraal Accommodatiebeleid. De CO₂-Prestatieladder richt zich op de bedrijfsvoering. Daarom worden de doelen vastgesteld door het management en niet door het bestuur. Hierop worden we ook beoordeeld als certificaathouder.
24
Bijdrage aan dit doel in 2025 Inzicht in CO₂-uitstoot We hebben in kaart gebracht hoeveel CO₂ de gemeente uitstootte in 2024 en de eerste helft van 2025. Dit is inclusief ons aandeel in de uitstoot van BBS (1/3) en RMN (1/6). Niveau 4 op de CO₂-Prestatieladder In 2025 hebben we niveau 4 van de CO₂-Prestatieladder behaald (handboek 3.1). Hiervoor zijn twee ketenonderzoeken gestart. Keten huishoudelijk restafval We onderzoeken de uitstoot van restafval, van inzameling tot verwerking. Het doel is om deze uitstoot in 2030 met 6,8% te verlagen ten opzichte van 2024. Keten rioolvervanging We onderzoeken de uitstoot bij rioolvervanging, op basis van een voorbeeldproject. Het doel is om in 2030 bij de helft van de projecten de uitstoot met 80% te verlagen ten opzichte van 2025, onder andere door inzet van elektrisch materieel en biodiesel. Invloedrijke factoren De gemeente bepaalt zelf hoe en hoe snel ze haar CO₂-uitstoot vermindert. Dit gebeurt via beleid en beheerplannen voor vastgoed en projecten. Binnen het energieprogramma hebben we vooral een adviserende en monitorende rol. In 2025: • is het beheerplan voor voertuigen en materieel bijgewerkt. • is besloten om het gemeentehuis te voorzien van een collectieve energievoorziening (WKO), samen met ongeveer 205 woningen in project Parckhart.
• is een medewerker aangesteld voor het verduurzamen van gemeentelijk vastgoed, te beginnen met drie panden. Geleerde lessen en verbeterpunten • Het onderzoeken van ketens helpt om binnen de organisatie beter samen te werken aan minder CO₂-uitstoot. Ook zorgt dit voor meer gedeelde verantwoordelijkheid. • In de praktijk merken we dat de CO₂-Prestatieladder beperkingen heeft. De nadruk ligt vooral op wat we doen, en minder op het echte resultaat. De methode helpt ook weinig om ons vastgoed sneller te verduurzamen, terwijl daar juist veel winst te halen is. We zijn niet de enige organisatie die dit ziet. Daarom verandert de regelgeving en stappen we in 2026 over op een vernieuwde aanpak van de CO₂-Prestatieladder.
25
4.5.2 We leren en dragen uit hoe je integraal werkt in de energietransitie Wit: Dit doel is nog niet meetbaar. Het gaat om leren binnen de organisatie: hoe we samenwerken in grote veranderingen en wat we leren van de energietransitie. In 2025 hebben we hieraan gewerkt door kennis te delen en samen te leren. De focus lag op het leertraject ‘Opdrachtgericht Samenwerken’ (OGSW). Bijdrage aan dit doel in 2025 Soestainable (interne campagne) Sinds 2024 werken we aan bewustwording binnen de organisatie. In 2025 deden ruim 40 collega’s mee aan een lunchsessie over gedrag. Met hulp van een gedragspsycholoog leerden we hoe gedrag invloed heeft op keuzes in de klimaatopgave. Ook waren er klimaatactiedagen met alleen vegetarisch eten. Dit zorgde voor meer gesprek en bewustwording. Lunchsessie netcongestie In september organiseerden we een interne bijeenkomst over netcongestie en wat dit betekent voor ons werk. We bespraken de actualiteit, onze rol als gemeente en gingen in gesprek met elkaar. De sessie werd goed bezocht (ruim 40 collega’s) en vergrootte het bewustzijn binnen de organisatie. Onderzoek naar afval en riolering We hebben onderzocht hoe we bij huishoudelijk afval en rioolvervanging minder CO₂ kunnen uitstoten (zie ook 4.5). Hierbij combineren we verschillende doelen, zoals minder restafval en minder uitstoot.
Geleerde lessen en verbeterpunten • Soestainable: deze interne campagne is inmiddels goed bekend in de organisatie. De acties helpen om aandacht te vragen voor verduurzaming en om samen te leren. In 2025 is geen verdiepende sessie georganiseerd, omdat de OGSW-trainingen al liepen. • Kennisdeling over netcongestie: de lunchsessie liet zien dat er behoefte is aan meer kennisdeling en gesprek over actuele energiethema’s. Dit is nodig om beter samen te werken binnen de energietransitie. • Samenwerken binnen de organisatie: in projecten en beleid werken we steeds vaker samen aan de energietransitie. Door geleerde lessen beter te delen, kunnen we hier in de toekomst meer effect mee bereiken.
26
5. Bronnen • •
•
•
CBS. Statline. Voorraad woningen; Eigendom, type verhuurder, bewoning, regio. https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82900NED/table?fromstatweb Ministerie van Klimaat en Groene Groei. Klimaat- en Energienota 2025. 2025. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/09/16/klimaat-enenergienota-2025 MWM2. De stand van zaken in de energietransitie. Rapportage Nationale Monitor Energietransitie 2025. 2025. www.feenstra.com/assets/Zorgeloos-Wonen/Pers/NME2025_rapport.pdf Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie. Wet Collectieve Warmte (Wcw). https://www.nplw.nl/wet-en-regelgeving/wet-collectieve-warmte-wcw#leveringszekerheiden%20verduurzaming
• •
Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Klimaat- en Energieverkenning 2025. 2025. https://www.pbl.nl/publicaties/klimaat-en-energieverkenning-2025 Rijksoverheid. Routes naar realisatie. Keuzes voor het klimaat en de energietransitie. 2025. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/12/02/formatierapportklimaat-en-energie-2025-routes-naar-realisatie-keuzes-voor-het-klimaat-en-deenergietransitie
27
Bijlage – Reflectie Netwerk Duurzaamheid in Verbinding Over de nieuwe manier van rapporteren De voorliggende rapportage is een duidelijke verbetering ten opzichte van de voortgangsrapportage 2024. De koppeling tussen doelen, resultaatsgebieden en de actuele stand van zaken is sterker en maakt de rapportage beter leesbaar en beter te beoordelen. Ook geeft het document een realistisch beeld van de complexiteit van de energietransitie. Goed is dus ook dat het slechte nieuws veel beter herkenbaar is. Zeker op de doelgebieden die voor Soest als geheel relevant zijn, is goed te zien waar knelpunten zitten en wat er nodig is om de gestelde doelen te halen. Wat echter ontbreekt, is op sommige punten een expliciete analyse van de impact van inspanningen op de voortgang. Een logische volgorde voor effectieve sturing is: Doel → noodzakelijke veranderingen → analyse → keuze van maatregelen → schaal & impact van de maatregelen. In de rapportage wordt een van deze stappen soms overgeslagen, waardoor niet altijd duidelijk is of de ingezette maatregelen voldoende zijn om de gewenste voortgang te realiseren. Bij elk doel dat (nog) niet gehaald wordt, is een dergelijke analyse nodig: zijn de maatregelen passend in schaal en impact om het doel alsnog te bereiken? Kortom, het nieuwe format maakt het mogelijk om sneller in te zien waar welk doel niet gehaald gaat worden.
Het zou wenselijk zijn dit format verder door te ontwikkelen tot een rapportagevorm die nog sterker ondersteunt bij het maken van de moeilijke keuzes die nodig zijn voor versnelling. De huidige verbeterlijn biedt daar een goede basis voor. Over de voortgang Het goede nieuws is dat het merendeel van de doelen op koers zijn. Dat geldt ook voor de hoofddoelen, de algemene trend in energiegebruik en de ontwikkeling binnen de gemeentelijke organisatie zelf. Tegelijkertijd zijn er ontwikkelingen die zorgen voor onzekerheid en druk zetten op betaalbaarheid, lokale energiezekerheid, duurzame opwek en woningbouw. Deze uitdagingen hangen samen met de complexiteit van de energietransitie en netbeheer, waarbij enkele randvoorwaarden nog niet volledig op orde zijn. Een voorbeeld hiervan is dat woningcorporaties steeds moeilijker investeringsbesluiten kunnen nemen met voldoende zekerheid voor de lange termijn door de combinatie van netcongestie, onduidelijkheid over warmteoplossingen en druk op betaalbaarheid. Zonder helderheid over het toekomstige energiesysteem bestaat het risico dat investeringen suboptimaal uitpakken of later opnieuw moeten worden gedaan. Dit vraagt om keuzes die niet alleen technisch en beleidsmatig kloppen, maar ook financieel haalbaar zijn. En het vraagt van ons allemaal om extra inzet om piekbelasting op het elektriciteitsnet te verlagen.
Het Netwerk Duurzaamheid in Verbinding wil daarom samen blijven werken aan de toekomst van de energietransitie in de gemeente Soest, gesteund door duidelijke keuzes over warmteoplossingen, gebiedsgerichte aanpakken en de omgang met netcongestie.
28