Bijlage 7 Oudega - Nije Aldegeaster Sânning Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
Daarom worden de aangrenzende gronden met de status NNN-beheergebied, voor zover die nog in eigendom zijn van de gemeente, verkocht onder randvoorwaarden gericht op weidevogelbeheer. De opbrengstderving waarmee dat gepaard gaat, is in het project verrekend.
57/142
Figuur 4-6 Compensatie NNN-gebied
Figuur 4-7 Dwarsdoorsnede ecologische zone, bron: Ontwerp meer 2021
58/142
Compensatie De kering die onder water wordt gezet vanwege de aanleg van het meer (i.c. de gehele strook NNN-natuur op die plek) bedraagt in totaal 8.896 m2. Dit betekent dat in (of buiten) het plangebied minimaal eenzelfde areaal natuur met minstens vergelijkbare kwaliteit, moet worden benoemd als NNN-natuur. Dit kan op verschillende manieren worden gecompenseerd. Binnen het planvoornemen is een aantal locaties aangewezen voor natuur zie (tabel 4-1). Dit betreft allemaal nieuw te realiseren natuur binnen het plangebied die ligging in of grenzen aan het NNN-(beheer)gebied. Tabel 4-1 Mogelijkheden voor compensatie NNN-gebied (zie Figuur 4-6)
Compensatie NNN
Oppervlakte*
Afstand tot dichtstbijzijnde erfgrens van een boer in functie
Natuureiland (eiland no. 2)
9.780 m2
248 m
Natuurlijk deel eiland no. 3
2
193 m
2
700 m
Plasdraszone (westzijde van het meer)
5.995 m
18.440 m
*De oppervlakte is steeds gemeten vanaf het punt waarop de waterbodem omhoog gaat lopen voor resp. het eiland of de plasdraszone.
Afstand tot dichtstbijzijnde erfgrens van een boer in functie In de tabel is tevens aangegeven hoe groot de afstand is tot de dichtstbijzijnde erfgrens van een agrariër in functie. In de streek is namelijk een groot draagvlak om natuur te ontwikkelen of percelen geschikt te maken voor weidevogels, ook in de agrarische sector, maar er is grote weerstand tegen het vastleggen hiervan in regelgeving. De vrees is dat een dergelijke bestemming op termijn een beperking gaat betekenen voor agrarische bedrijven. Dit wordt nogmaals onderstreept door de reactie op de NRD. Uitgangspunt binnen dit plan is daarom te zoeken naar compensatiegebieden voor natuur op minstens dezelfde afstand als in de huidige situatie. De huidige kering met NNN-natuur aanwijzing ligt op een afstand van 588 meter van de dichtstbijzijnde erfgrens van een agrariër. Er is dan ook gekozen om met het planvoornemen de plasdraszone (18.440 m2) aan de zuidwestkant van het gebied, aan te wijzen met de aanduiding NNN-natuur als compensatie voor het verdwijnen van de huidige NNN-natuur ter plaatse van de huidige kering (8.896 m2). In het Bestemmingsplan Oudega - Nije Aldegeaster Sânning krijgt deze zone de bestemming ‘natuur’.
De zone bestaat uit een droog deel (vanaf de kering; hierbij wordt gedacht aan vlindervriendelijke beplanting) en een nat deel wat via een geleidelijk vernatting tot een onderwaterzone afloopt naar het meer. Door Altenburg en Wymenga (Bijlage 3) zijn reeds adviezen uitgebracht hoe deze zone binnen het te realiseren NNN- gebied en de aan te leggen eilanden moet worden gerealiseerd. In hoofdstuk 7 worden deze adviezen nader beschreven. De overige onderdelen, het natuureiland en het natuurdeel van eiland no. 3, worden wel gecreëerd en als natuur beheerd, maar worden niet formeel aangewezen als NNN-natuur. De vogelwacht heeft aangegeven deze eilanden te willen beheren. 4.3.4 Aanlegfase Met het planvoornemen wordt een aantal ruimtelijke ingrepen mogelijk gemaakt. Zoals in de voorgaande paragrafen is te lezen, wordt een meer gegraven, eilanden en aanlegplaatsen aangelegd. Ook worden er werkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van het verhogen van de kering en de aanleg van een nieuw gemaal. Daarnaast worden een uitkijkpunt, vissteiger, hondenstrandje en een kleine parkeergelegenheid met trailerhelling gerealiseerd. In deze paragraaf wordt beschreven hoe deze ruimtelijke ingrepen uitgevoerd worden. In Figuur 4-8 is het technisch ontwerp weergegeven.
59/142
Figuur 4-8 Technisch ontwerp
Aanleg meer Het meer wordt in zijn geheel ontgraven tot een diepte van circa 2 meter (bodemhoogte op -2,52 m t.o.v. NAP). Vrijkomende grond, veen en zand wordt deels binnen het plangebied hergebruikt en deels afgevoerd. De bodem onder het te graven meer bestaat deels uit zand en deels uit veen, zie Figuur 4-9 (grotere weergave is opgenomen in bijlage 4). In het noordelijk deel van het meer zal hoofdzakelijk zand worden opgegraven om het meer te maken, op
60/142
deze locatie is namelijk weinig veen aanwezig in het plangebied. In het zuidelijk deel, ter plaatse van/nabij de nieuwe kering, is het voornemen om voornamelijk veen af te graven. In het middendeel wordt het veen afgegraven en een deel van het zand zodat er een meer met een zandbodem ontstaat. Het veen zal worden afgevoerd voor hergebruik buiten het plangebied. Hierbij wordt gedacht aan afvoer naar bedrijven die het veen (onder keurmerk) nuttig toepassen als champignonmest of compost.
Figuur 4-9 Lengteprofiel huidige situatie (van links naar rechts is zuid naar noord): grijs: leem, geel: zand, oranje: veen
In de uitvoeringsperiode van twee jaar wordt 150.000 m3 teelaarde, 440.000 m3 veen en 210.000 m3 zand ontgraven. Hiervan wordt 124.600 m3 teelaarde en 125.100 m3 zand vervoerd naar een locatie binnen het projectgebied en/of op percelen grenzend aan het projectgebied verwerkt. Het overige vrijkomende materiaal, bestaande uit 25.400 m3 teelaarde, 440.000 m3 veen en 84.900 m3 zand, wordt afgevoerd naar een nader te bepalen locatie buiten het plangebied. Voorzien wordt dat gedurende 24 maanden gewerkt wordt met gemiddeld één shovel en vijf graafmachines gelijktijdig. Er wordt gemiddeld één trekker met dumper, twee zelfrijdende rupsdumpers en een vrachtwagen ingezet per dag. Het af te voeren materiaal (teelaarde, veen en zand) wordt via een in te richten tijdelijke overslaglocatie in het plangebied aan de Nije Mûntsegroppe per schip afgevoerd. De af te voeren materialen worden in schepen met een capaciteit van 600 m3 vervoerd (type motorvrachtschip M4 Dortmund - Eems), er zijn dus circa 918 schepen nodig om de materialen af te voeren. Gemiddeld komt dat neer op twee schepen per dag. Daarnaast wordt er gedurende een periode van een week een asfaltset ingezet voor het verwijderen van een deel van De Geasten. De asfaltset bestaat uit een asfalt spreidmachine, een statische wals, een trilwals, bitumensproeiwagen, waterwagen, schaftwagen en diepladers.
In totaal wordt 900 m2 (300 meter lengte x 3 meter breedte) asfalt verwijderd. Met een gemiddelde dikte van 0,10 cm bedraagt het af te voeren materiaal 90 m3. Het te verwijderen asfalt wordt afgevoerd naar een erkende verwerker. Hiervoor zijn circa 3 vrachtwagens benodigd. Aanleg kering Het meer komt in directe verbinding met de Friese boezem. De gronden waar het meer wordt gerealiseerd komen daarmee buiten polderpeil en binnen boezempeil te liggen. Aan de oostzijde sluit het meer aan op het Alddjip en aan de zuidzijde op de Wide Ie, die reeds op boezempeil liggen. Aan de westzijde van het toekomstige meer is een nieuwe regionale waterkering nodig (zwarte lijn in Figuur 4-8), om de achterliggende polder te beschermen tegen de hoge waterstanden van de boezem. Ter plaatse van de nieuwe kering is een veenlaag aanwezig. Voorbelasting op het veen is niet wenselijk vanwege het risico op inklinken van het veen. Vanwege de aanwezigheid van een veenlaag wordt ter plaatse veen afgegraven en klei uit het
61/142
plangebied toegepast. Tevens wordt aan de westzijde van deze kering een kwelsloot aangelegd om piping te voorkomen (bijlage 5). Wetterskip Fryslân voert deze werkzaamheden uit. De zuidwestelijke kering in het plangebied is vanaf het te realiseren uitkijkpunt richting De Geasten, inmiddels aangelegd. Vanaf De Geasten naar het voormalig gemaal op nummer 4 wordt in het planvoornemen uitgevoerd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de beschikbare materialen uit het plangebied. Voor het aanleggen van de kering wordt een laag teelaarde en veen verwijderd tot aan de bestaande zandlaag. Dit betreft een strook van 4,90 meter breed en circa 450 meter lang. In de vrijgekomen ruimte wordt een laag opvulgrond aangebracht, waarop de waterkering wordt geplaatst. De veenlaag die in eerste instantie was verwijderd, wordt vervolgens als bekleding toegepast op de kering. De hoogte van de kering bedraagt minimaal 0,65 +NAP. Daarmee voldoet de kering aan de eisen die het Wetterskip stelt aan het type kering (hoge gronden).
Figuur 4-10 Voorlopig dwarsprofiel kering
Aanleg wandel-fietsroutes en parkeervoorzieningen Ter plaatse van de nieuwe kering binnen het plangebied wordt eveneens een wandel-fietsroute aangelegd. Dit wandel en fietspad is ter compensatie van de huidige wandel en fietsverbinding dat vervalt door het graven van het meer. Dit wandelfietspad wordt uitgevoerd in een halfverharding (granulaat). In Figuur 4-8 en Figuur 4-10 is met een roze lijn de locatie van het fietspad opgenomen. De parkeerplaats aan het einde van De Geasten wordt eveneens voorzien van een halfverharding (bijvoorbeeld grasstenen). Aanleg eilanden en aanlegplaatsen In het ontwerp voor het meer zijn diverse eilanden en aanlegplaatsen opgenomen (groene lijn in Figuur 4-8). Met deze eilanden wordt deels een recreatieve doelstelling gediend, maar ze worden ook deels ingericht met natuurwaarden. De recreatieve eilanden worden opgebouwd door aan de lijzijde ligplaatsen te maken met een damwand. Het eiland zelf wordt opgebouwd met zand, of deels zand vermengd met veen, uit het gebied. Aan de windzijde komt waar nodig stortsteen om de oever vast te houden; aan die kant ontstaat een zone waar een natuurlijke begroeiing zich mag ontwikkelen, onderstaand een foto ter illustratie. De begroeiing wordt eens in de 5-10 jaar teruggesnoeid om de opbouw van het eiland stabiel
62/142
te houden. Het natuureiland of het schiereiland met een natuurfunctie worden op dezelfde wijze opgebouwd, maar daar komen geen ligplaatsen en geen damwand. Bij het natuureiland zal het beheer zoveel mogelijk aan de natuur worden overgelaten waarbij houtopstanden zoveel mogelijk worden verwijderd. De eilanden worden bij start van de werkzaamheden gemaakt zodat de natuurlijke zones tijd hebben om zich te ontwikkelen voordat de volle kracht van een meer met stormen en golfslag zich aandient. Bij de inrichting van deze eilanden is gebruik gemaakt van de adviezen van Altenburg en Wymenga (Bijlage 3).
Figuur 4-11 Voorbeeld oeverconstructie
Figuur 4-12 Dwarsprofiel ter hoogte van de eilanden en de harde kering
63/142
5. ALTERNATIEVEN EN VARIANTEN 5.1
Algemeen
Een vast onderdeel van m.e.r. -studies is het alternatievenonderzoek: in hoeverre zijn er naast of binnen het planvoornemen reële alternatieven of varianten met andere milieueffecten? In de NRD zijn al alternatieven en varianten benoemd. Deze zijn op hoofdlijnen gelijk gebleven, maar op basis van de inspraakreacties, de marktconsultatie en voortschrijdend inzicht enigszins aangepast.
5.2
Afgevallen alternatieven
Voor de inrichting van het MER zijn geen alternatieven of varianten voor de contouren of het oppervlak onderzocht. ● Zoals reeds aangegeven in Hoofdstuk 4 is een groter meer in eerdere planfases afgevallen, wegens weerstand uit de omgeving en de financiële haalbaarheid. ● Een kleiner meer zou tot gevolg hebben dat niet kan worden voldaan aan de recreatieve doelstellingen. Om zeilwedstrijden te kunnen houden moet een minimale maat van 500 x 500 meter worden gehaald, met het huidige ontwerp wordt dat net gehaald. Ook is ruimte nodig voor de overige recreatieve functies (aanlegplaatsen en strand), de bruikbaarheid en kwaliteit van het meer m.b.v. eilanden en ruimte voor de ecologische maatregelen. ● De contouren worden gevormd door de aansluiting op de bestaande boezem, de aanwezige functies in het gebied en de randen van de verworven percelen. ● Voor de bevaarbaarheid van het meer zal de diepte minimaal -2.52 NAP moeten zijn, een ondieper meer is daarom geen reële optie. ● In de NRD werd nog een variant natuurelement genoemd. Enkele nog te maken keuzes gaan over de uitvoering van eilanden, oevers en mogelijke dieptes en ondieptes en grindbakken. Dit is niet echt een variant, maar zijn mogelijke maatregelen om deeldoelstellingen ten aanzien biodiversiteit, natuur en waterkwaliteit te bereiken.
Dit wordt in H7 en H10 uitgewerkt en kan worden meegenomen worden bij het bepalen en detailleren van de voorkeursvariant.
5.3
Te onderzoeken alternatieven
Momenteel wordt onderzocht wat een duurzame en technisch haalbare manier is om het meer te realiseren. Het uitgangspunt hierbij is dat de aanlegfase circa twee jaar zal duren. Onderstaande alternatieven hebben een andere werkwijze in de aanlegfase tot gevolg, dit heeft invloed op CO2-emissie, stikstofemissies, bodem en waterkwaliteit. Daarom worden deze situaties als alternatieven beschreven en niet als varianten. Dit is een kleine wijziging ten opzichte van de in de NRD voorgestelde aanpak, maar leidt inhoudelijk niet tot een andere onderzoeksopgave of vergelijkingsmogelijkheden. 5.3.1 Alternatief afvoer veen zandwinput Zoals aangegeven bestaat de bodem onder het te graven meer deels uit zand en deels uit veen. In het noordelijk deel is nagenoeg geen veen aanwezig op het zandpakket. In dit deel van het meer zal hoofdzakelijk zand worden opgegraven. Ter plaatse van de huidige kering zal een gedeelte veen af worden gegraven. Voor de afvoer van het veen wordt onderzocht of het veen kan worden benut voor het verondiepen van een nabijgelegen zandwinput (Figuur 5-1). In dat geval wordt het veen nat ontgraven en via een buizenstelsel verpompt naar de put waar het op diepte wordt ingespoten. De diepte van deze zandwinput is niet exact bekend. Wat wel bekend is dat deze put tenminste 6-8 meter diep is en kan worden ondergebracht tot de typering Diepe plassen.
Voordeel van dit alternatief is dat op korte afstand van het plangebied een bestemming is waarbij het veen verwerkt kan worden.
64/142
Figuur 5-1 Ligging plangebied (rood), ligging zandwinput (geel)
Het meer wordt in den natte in zijn geheel ontgraven tot een diepte van circa 2 meter (bodemhoogte op -2.52 m NAP). De teelaarde en zand worden mechanisch ontgraven, overige vrijkomend materiaal (veen) wordt hydraulisch ontgraven. Materialen die in het plan worden hergebruikt (teelaarde en zand), worden op naastliggend terrein in depot geplaatst. Het veen wordt hydraulisch verpompt naar een zandwinlocatie in Drachten. De overige materialen die niet in het plan hergebruikt worden (teelaarde, zand) worden per schip afgevoerd. Voorzien wordt dat gedurende 24 maanden gewerkt wordt met gemiddeld één zuiger en één booster, één shovel en drie graafmachines. Er wordt gemiddeld één trekker met dumper, twee zelfrijdende rupsdumpers en een vrachtwagen ingezet. Daarnaast wordt er gedurende een periode van één week een asfaltset ingezet. In de uitvoeringsperiode van twee jaar wordt 150.000 m3 teelaarde, 440.000 m3 veen en 210.000 m3 zand ontgraven. Hiervan wordt 124.600 m3 teelaarde en 125.100 m3 zand vervoerd naar een depotlocatie (tussendepot) ten westen van het plangebied waarna (na indrogen) het materiaal vervolgens ten behoeve van het project weer teruggebracht wordt binnen het projectgebied om hier en/of op percelen grenzend aan het projectgebied verwerkt te worden. Het overige vrijkomende materiaal bestaande uit 25.400 m3 teelaarde, 440.000 m3 veen en 84.900 m3 zand wordt afgevoerd.
Het veen wordt hydraulisch naar een zandwinlocatie in Drachten vervoert. Met het verpompen van veen is circa 80% water nodig uit het plangebied. De teelaarde en het zand wordt via een in te richten overslag locatie aan de Nije Mûntsegroppe per schip afgevoerd. De af te voeren materialen worden in schepen met een capaciteit van 600 m3 vervoerd (type motorvrachtschip M4 Dortmund - Eems), er zijn 183 schepen nodig om de materialen af te voeren. Gemiddeld zal er met twee schepen per week gevaren worden.
65/142
5.3.2 Alternatief veenbodem In het middendeel van het meer kan in plaats van het afgraven van veen, zoals in het planvoornemen is beschreven, ook worden gekozen om het zand onder het veen weg te halen, zodat een meer met een gedeeltelijke veenbodem ontstaat. De voordelen hiervan zijn dat er geen veen wordt afgevoerd en dat door het onder water zetten van veen de CO2-emissie gering zal zijn. Met betrekking tot de afvoer van het zand wordt in eerste instantie uitgegaan van het wegzuigen van zand onder het veenpakket. Op deze manier kan het veen onder water worden gebracht en functioneren als waterbodem. Het meer wordt in den natte in ontgraven tot een uiteindelijk waterdiepte van circa 2 meter (bodemhoogte op -2.52 m NAP). Deze diepte wordt deels gerealiseerd door middel van het mechanisch ontgraven van de teelaarde en het zand, maar vooral door de zandlaag van 2,00 m (-2,52m NAP tot -4,52m NAP) die zich onder de veenlaag bevindt hydraulisch onder het veen weg te zuigen. Hierdoor zakt het veen tot de gewenste diepte van -2,52m NAP (veen blijft onder water). Voorzien wordt dat gedurende 24 maanden gewerkt wordt met gemiddeld één cutterzuiger en één shovel en vier graafmachines. Er wordt gemiddeld één trekker met dumper, twee zelfrijdende rupsdumpers en één vrachtwagen ingezet. Daarnaast wordt er gedurende een periode van één week een asfaltset ingezet.
In de uitvoeringsperiode van twee jaar wordt 150.000 m3 teelaarde en 210.000 m3 zand ontgraven en 450.000 m3 extra zand weggezogen onder de veenlaag. De 440.000 m3 veen wordt in één werkgang onder water direct verwerkt. De 124.600 m3 teelaarde wordt in den droge ontgraven en naar een depotlocatie (tussendepot) ten westen van de planlocatie gebracht. Ditzelfde geldt voor 125.100 m3 zand. Dit materiaal wordt later in het plangebied hergebruikt. 534.900 m3 zand wordt middels een cutterzuiger uit het plangebied gehaald en via een in te richten overslaglocatie aan de Nije Mûntsegroppe per schip afgevoerd. Met het wegzuigen van de zandlaag is circa 80% water nodig uit het plangebied. De betreffende schepen zijn ingericht om het overtollig water te lozen op het oppervlaktewater. Het overige vrijkomende materiaal, bestaande uit 25.400 m3 teelaarde, wordt eveneens via per schip afgevoerd. De af te voeren materialen worden in schepen met een capaciteit van 600 m3 vervoerd (type motorvrachtschip M4 Dortmund Eems), er zijn 933 schepen nodig om de materialen af te voeren. Gemiddeld zal er met twee schepen per dag afgevoerd worden. 5.3.3 Alternatief afzanden veenbodem Uit de marktconsultatie en de eerste onderzoeksresultaten, wordt inmiddels verwacht dat een veenbodem in het meer mogelijk negatieve gevolgen heeft voor de waterkwaliteit en bevaarbaarheid (zie bijlage 6).
Er is daarom in dit alternatief ook een variant onderzocht waarin de optie ‘afzanden met 50 cm zand’ is opgenomen. Het afzanden houdt in dat het zand onder het veen wordt verwijderd en gedeeltelijk op het veen weer terug wordt geplaatst, nadat het veen onder water is gezet. Naast de verwachte voordelen voor waterkwaliteit, betekent dit ook dat er minder zand hoeft te worden afgevoerd. Er moet wel dieper worden gegraven dan de voorgestelde twee meter. Het meer wordt in den natte in ontgraven tot een uiteindelijk waterdiepte van circa twee meter (bodemhoogte op -2.52m NAP). Deze diepte wordt deels gerealiseerd door middel van het mechanisch ontgraven van de teelaarde en het zand, maar vooral door de zandlaag van 2,5 m (-2,52m NAP tot -5,02m NAP) die zich onder de veenlaag bevindt hydraulisch onder het veen weg te zuigen. Dit is 0,5 m dieper dan bij het Alternatief veenbodem. Hierdoor zakt het veen tot de gewenste diepte van -3,02m NAP (veen blijft onder water). Vervolgens wordt de veenlaag afgezand met 0,5 m zand, waardoor er een bodemhoogte van -2,52m NAP wordt gerealiseerd. Voorzien wordt dat gedurende 24 maanden gewerkt wordt met gemiddeld één zuiger, één boosters, één shovel en zeven graafmachines. Er wordt gemiddeld één trekker met dumper, zes zelfrijdende rupsdumpers en een vrachtwagen in gezet. Daarnaast wordt er gedurende een periode van één week een asfaltset ingezet.
In de uitvoeringsperiode van 2 jaar wordt 150.000 m3 teelaarde en 210.000 m3 zand ontgraven en 531.300 m3 extra zand weggezogen onder de veenlaag. Hiervan wordt 124.600 m3 teelaarde en 231.400 m3 zand vervoerd naar een depotlocatie
66/142
(tussendepot) ten westen van de planlocatie waarna het materiaal vervolgens ten behoeve van het project weer teruggebracht wordt binnen het projectgebied om hier en/of op percelen grenzend aan het projectgebied verwerkt te worden. Het overige vrijkomende materiaal, bestaande uit 25.400 m3 teelaarde en 509.900 m3 zand, wordt via een in te richten overslag locatie aan de Nije Mûntsegroppe per schip afgevoerd. Met het wegzuigen van de zandlaag is circa 80% water nodig uit het plangebied. De betreffende schepen zijn ingericht om het overtollig water te lozen op het oppervlaktewater. De af te voeren materialen worden in schepen met een capaciteit van 600 m3 vervoerd (type motorvrachtschip M4 Dortmund - Eems), er zijn 892 schepen nodig om de materialen af te voeren. Gemiddeld zal er met twee schepen per dag gevaren worden.
5.4
Voorkeursalternatief
Uit onderzoek naar de effecten en mogelijke maatregelen voor alle deelaspecten uit Hoofdstuk 7 t/m 13, volgt een voorkeursalternatief, dat zal bestaan uit een nieuw meer met de contouren en diepte uit het planvoornemen (gezien de aangegeven motivatie hiervoor) en mogelijk keuzes voor de bodem (zand of veen), maatregelen voor versterking van natuur, biodiversiteit, waterkwaliteit, en reductie van CO2 emissie et cetera.
67/142
6. ONDERZOEKSOPZET 6.1
Algemeen
In dit MER wordt de toekomstige situatie beoordeeld en vergeleken met de toekomstige referentiesituatie. Het is gebruikelijk om in een MER en bestemmingsplan circa 10 jaar vooruit te kijken, in beginsel is het zichtjaar voor de gebruiksfase (als het meer volledig is gerealiseerd) 2033. Het kan zijn dat hier op enkele onderwerpen van afgeweken wordt, bijvoorbeeld omdat er alleen prognoses voor 2030 of 2035 beschikbaar zijn. Een belangrijk deel van de onderzoeken heeft betrekking op de aanlegfase en de keuzes die gemaakt kunnen worden voor de aanleg. Aangezien de aanleg in principe twee jaar duurt en start in 2024, is het zichtjaar voor de aanlegfase 2026.
6.2
Plangebied en studiegebied
Plangebied In het MER wordt onderscheid gemaakt tussen de begrippen plangebied en studiegebied. Het plangebied is het in Figuur 4-2 aangegeven gebied. Het doel van het planvoornemen is om economische groei en leefbaarheid te stimuleren en landen waterrecreatie met elkaar te verbinden. Met het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Oudega - Nije Aldegeaster Sânning’ wordt voorzien in de wijziging van agrarisch naar water met bijbehorende voorzieningen en natuur. De volledige ontgronding waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, valt binnen het plangebied van het voorgenoemde bestemmingsplan. Studiegebied Het studiegebied is het totale gebied waarin milieueffecten als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten in het plangebied kunnen optreden. Het studiegebied is dus omvangrijker dan het plangebied en kan per milieuaspect verschillen. Voor bijvoorbeeld grondwater en natuur zal het studiegebied groter zijn dan het plangebied. Deze worden dan ook in de hoofdstukken 7 tot en met 13 behandeld indien van toepassing.
68/142
6.3
Beoordeling milieuaspecten
Tabel 6-1 toont het beoordelingskader voor het milieueffectrapport. Het beoordelingskader is opgebouwd uit milieuaspecten en de criteria die beschrijven waaraan een aspect getoetst wordt. Ten opzichte van de NRD is deze tabel geconcretiseerd en aangepast aan de nieuwe inzichten. De effecten op oppervlaktewaterkwantiteit en waterberging zijn bijvoorbeeld verwijderd, omdat met het project juist wateroppervlak mogelijk wordt gemaakt; effecten door het aanbrengen van verharding zijn daarom niet aan de orde. Ook onder het thema duurzaamheid is de ‘wijze van afvoer ontgraven materialen’ niet verder onderzocht, omdat op voorhand met in achtneming van de verkeersveiligheid en bereikbaarheid al is gekozen om de materialen per schip af te voeren. Tabel 6-1 Milieuthema's en -aspecten, criteria en werkwijze Thema’s en aspec-
Toetsingscriterium
Werkwijze
Beïnvloeding van Natura 2000 (inclusief stikstofdepositie); Beïnvloeding van Nationaal Natuurnetwerk; Beïnvloeding van beschermde natuur- en diersoorten.
Kwalitatief en kwantitatief onderzoek Kwalitatief en kwantitatief onderzoek Kwantitatief op basis van veldonderzoek
Versterking of aantasting archeologische waarden in het gebied.
Kwalitatief en kwantitatief
ten Natuur
Archeologie
Landschap/ cultuur- Invloed op karakteristieke patronen, openheid.
Kwalitatief
historie
Aantasting cultuurhistorische structuren of gebouwen
Kwalitatief
Bodem
Bodemopbouw
Kwantitatief
Bodemkwaliteit
Kwantitatief
Grondbalans
Kwantitatief
Geohydrologische effecten op grond- en oppervlaktewater
Kwantitatief en kwalitatief
Waterkwaliteit
Kwantitatief en kwalitatief
Oppervlaktewaterkwaliteit
Kwantitatief en kwalitatief
Hergebruik ontgraven materialen
Kwalitatief
Emissie CO2
Kwantitatief en kwalitatief
Nautische veiligheid
Kwantitatief en kwalitatief
Verkeer aanlegfase
Kwantitatief en kwalitatief
Verkeersveiligheid aanlegfase
Kwantitatief en kwalitatief
Pleziervaart/recreatie (gebruik)
Kwalitatief
Bouwlawaai (aanlegfase)
Kwalitatief
Concentraties NO2, PM10 en PM2,5
Kwalitatief
Emissie CO2
Kwantitatief en kwalitatief
Invloed op buisleiding
Kwalitatief
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Kwalitatief
Bescherming en bevordering
Kwalitatief
Water
Duurzaamheid Verkeer en vervoer
Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Gezondheid
De effectanalyse is voor bepaalde aspecten kwantitatief uitgevoerd, hiervan zijn onderzoeksrapporten opgenomen in de bijlagen bij dit MER. Waar berekeningen niet nodig of mogelijk zijn, is de effectanalyse kwalitatief of op basis van een deskundigenoordeel uitgevoerd. Ook wordt aangegeven welke mitigerende en/of compenserende maatregelen mogelijk en/of noodzakelijk zijn.
69/142
Wijze van beoordelen Het MER beschrijft en beoordeelt de milieueffecten van de gebruiksfase van het planvoornemen en de verschillende alternatieven voor de wijze van uitvoering. Dit wordt voor alle alternatieven integraal gedaan en resulteert in een score per criterium. Dit oordeel kan variëren van negatief tot en met positief. Onderstaande algemene beoordelingsschaal toont de vijf beoordelingsklassen die het MER hanteert. Per onderwerp wordt gespecificeerd wanneer een bepaalde beoordeling (score) toegekend wordt. Score + 0/+ 0 -/0 -
70/142
Beoordeling van het effect positief effect licht positief effect geen of nauwelijks effect licht negatief effect negatief effect
7. NATUUR 7.1
Toetsingskader
7.1.1 Wet- en regelgeving Op dit moment is natuurbescherming geregeld in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb), waarin ook de Europese regelgeving is vertaald naar de Nederlandse praktijk. De Wnb heeft zowel betrekking op de bescherming van gebieden (zoals Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland) als op de soortenbescherming. Deze bescherming en de daarvoor geldende regels en bepalingen zullen met de invoering van de Omgevingswet niet wijzigen, maar worden integraal opgenomen in de Omgevingswet. Hiermee zullen wel zaken zoals procedures voor vergunningen en ontheffingen wijzigen, maar inhoudelijk is er geen verschil. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000 richt zich op het behoud en de ontwikkeling van natuurgebieden in heel Europa. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnenmoeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor Nederland gaat het om ruim 160 gebieden. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen het Nationaal Natuurnetwerk. Een groot deel van de Natura 2000-gebieden is inmiddels definitief aangewezen. Dat gebeurt in de vorm van een aanwijzingsbesluit.
In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen Nederland nastreeft voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke planten en dieren bescherming verdienen. Vervolgens komt er in nauw overleg met betrokken partijen een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen. Passende beoordeling Een passende beoordeling is verplicht als een plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor de betrokken Natura 2000-gebieden. Voor de inschatting van de effecten die een plan kan hebben, moet de significantie worden beoordeeld in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000gebied, die voor kwalificerende soorten en habitats zijn geformuleerd. Als niet op grond van objectieve gegevens op voorhand significante gevolgen op een Natura 2000-gebied zijn uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt. In de passende beoordeling worden de effecten op Natura 2000-gebieden nader onderzocht. Vervolgens kan een bestemmingsplan slechts worden vastgesteld indien is verzekerd dat ook bij een maximale invulling van het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast. Spoedwet aanpak stikstof Op 1 januari 2020 is de Spoedwet aanpak stikstof aangenomen.
De Spoedwet bevat instrumenten om vergunningverlening voor (specifieke) projecten makkelijker te maken. Momenteel geldt het volgende kader: ● op basis van de Wet natuurbescherming is een vergunning vereist voor projecten die mogelijk een significant negatief effect kunnen hebben op een Natura 2000-gebied. Uitzondering hierop zijn projecten waarbij kan worden uitgesloten dat significante negatieve effecten optreden: hiervoor vervalt als gevolg van de spoedwet de vergunningsplicht. Indien een hoogste bijdrage van niet meer dan 0,0049 mol/ha/jaar berekend wordt, kan worden uitgesloten dat er significant negatieve effecten optreden; ● indien een vergunning is vereist omdat niet kan worden uitgesloten dat mogelijke significante effecten optreden, dient tevens een passende beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante negatieve effecten aan de orde zijn. In een passende beoordeling mogen tevens mitigerende maatregelen betrokken worden. Indien geen significante effecten aanwezig zijn, dan kan een vergunning verkregen worden; ● indien uit de passende beoordeling blijkt dat significante effecten niet zijn uit te sluiten, dan is een vergunning enkel mogelijk met het doorlopen van een ADC-toets.
Hier moet worden aangetoond dat er geen (A)lternatieven zijn, het project in het kader van een (D)wingende reden van groot openbaar belang is en dient (C)ompensatie plaats te vinden.
71/142
Natuurnetwerk Nederland In de Wet natuurbescherming (straks Omgevingswet) is ook geregeld dat de provincies ter bescherming van bijzondere soorten een landelijk samenhangend stelsel van natuurgebieden moet begrenzen én beschermen, het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Verdere uitwerking hiervan is opgenomen onder de provinciale verordening. Soortenbescherming Voor de soortenbescherming wordt onderscheid gemaakt tussen: ● soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; ● soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; ● overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.
GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Provinciale regels: Omgevingsverordening Fryslân Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen ecologische hoofdstructuur) is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, legt de provincie nieuwe natuur aan. Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor planten en dieren zijn nodig om soorten van uitsterven te behoeden. Maar het netwerk is er ook voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur, om te recreëren en tot rust komen. Omgevingsplannen moeten voldoen aan de regels die in de Omgevingsverordening Fryslân zijn opgenomen zoals in hoofdstuk 2 al is behandeld. Duisternis en stilte In de Omgevingsverordening (plandatum 18-02-2022) is door middel van instructieregels vastgelegd dat er in omgevingsplannen rekening gehouden moet worden met activiteiten die plaats vinden rondom stiltegebieden en in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis.
7.1.2 Beoordelingskader In de volgende tabel zijn de criteria opgenomen waarop het aspect natuur wordt beoordeeld. Tabel 7-1 Beoordelingscriteria natuur
Score +
Beoordeling van het effect Beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) dan wel de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten worden positief beïnvloed
0/+
Beschermde gebieden dan wel de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten worden licht positief beïnvloed
0 -/0 -
Geen effecten of beschermde gebieden of beschermde soorten
72/142
Beschermde gebieden dan wel de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten worden licht negatief beïnvloed Beschermde gebieden dan wel de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten worden negatief beïnvloed
7.2
Referentiesituatie
7.2.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 De ligging ten opzichte van provinciaal beschermde natuurgebieden is aangegeven in onderstaande figuur. Het Natura 2000-gebied Alde Feanen is tevens aangewezen als stiltegebied en vormt het grootste natuurgebied in de omgeving, op circa 0,7 kilometer van het plangebied. Op grotere afstand liggen de stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden Van Oordt’s Mersken (5,5 km), Wijnjeterperschar (10 km), Groote wielen (13 km) en Bakkeveense duinen (17 km). De overige gebieden zoals de Deelen en het Sneekermeergebied zijn niet stikstofgevoelig.
Figuur 7-1 Natura 2000-gebieden (groen), Stiltegebied (oranje)
Stikstof Het nabijgelegen Natura 2000-gebieden Alde Feanen is op 10 juni 1994 aangemeld bij de Europese Commissie en valt sindsdien onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn. In de plantoets (artikel 2.7 lid 1 Wnb) geldt de ‘feitelijke, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan’ als referentiesituatie, dit volgt uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld ABRS 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:212). Het feitelijk bestaand agrarisch gebruik in 2022 is planologisch legaal, dateert zelfs van ver voor de datum 10 juni 1994. Sinds de referentiedatum tot de huidige situatie wordt een groot deel van het plangebied agrarisch gebruikt. Op de website www.boerenbunder.nl is het gebruik in de afgelopen jaren weergegeven. Hierin is het grootste deel van het gebied aangemerkt als grasland. Het gaat om 43 hectare dat aantoonbaar agrarisch is gebruikt, deze gronden zijn aangemerkt in onderstaande figuur. De andere gronden zijn in de periode 2014 tot 2020 gebruikt als baggerdepot. Dit depot is inmiddels opgeruimd, de betreffende grond, voor zover gelegen onder het toekomstige meer, wordt inmiddels weer agrarisch gebruikt.
73/142
Figuur 7-2 Gronden met aantoonbaar gebruik als grasland (GL) (bron: boerenbunder.nl)
Uit historische topografische kaarten blijkt dat dit gebruik sinds 1994 altijd hetzelfde is geweest. Een topografische kaart uit 1994 geeft dit weer. Ook het gronddepot werd destijds gebruikt als grasland. De navolgende figuur geeft de situatie in 1994 en 2022 weer.
Figuur 7-3 Topografische kaart 1994 (links) en 2022 (rechts) (bron: topotijdreis.nl)
In totaal betreft het 43 hectare aantoonbaar agrarisch gebruik als grasland. Dit agrarisch gebruik kan worden gezien als de referentiesituatie binnen het plangebied. Op basis van het stikstofonderzoek (bijlage 7) blijkt dat door het agrarisch gebruik een bijdrage op vijf Natura 2000-gebieden is berekend. In de volgende tabel is de grootste depositie op het betreffende gebied weergegeven.
74/142
Tabel 7-2 Overzicht grootste stikstofbijdrage op natura 2000 gebieden referentiesituatie
Per gebied
Referentiesituatie Grootste bijdrage (molN/ha/jr)
Alde Feanen (13)
1,17
Wijnjeterper Schar (16)
0,07
Van Oordt’s Mersken (15)
0,07
Bakkeveense Duinen (17)
0,04
Drents-Friese Wold & Leggelderveld (27)
0,02
NNN-gebied Natura 2000-gebied Alde Feanen is tevens aangewezen als NNN-gebied. Hiermee verbonden zijn natuurgronden langs de Nije Mûntsegroppe en beheergebieden in en bij de Gealanden die ook deels in het plangebied liggen (Figuur 7-4). Een groot zuidelijk deel van het plangebied is begrensd als NNN - beheergebied. Dit gebied werd maar ten dele beheerd als zodanig, met ingang van 2021 gebeurt dat wel, inclusief een uitgestelde maaiverplichting. Dit NNN-beheergebied bestaat gewoonlijk niet uit gronden die zijn bestemd als natuur, maar uit agrarische gronden die bemest, gemaaid en begraasd worden. Tevens is op onderstaande figuur te zien dat de Nije Mûntsegroppe is aangewezen als NNN- water. De oeverzone van Nije Mûntsegroppe en Alddjip zijn aangewezen als NNN-overige natuur; dit betreft de kering van het Wetterskip aan de zuid- en oostzijde van het plangebied. Van oudsher zijn deze keringen aangewezen als natuur maar worden niet zodanig beheerd. Het beheer vindt namelijk plaats met de doelstelling veiligheid, waarop extensief maaibeheer van toepassing is. De kwaliteit van de natuurwaarden in dit gebied is dan ook matig. Er liggen geen weidevogel-kansgebieden in het plangebied. Het meest nabijgelegen weidevogel-kansgebied ligt aan de overzijde van de Nije Mûntsegroppe, circa 100 meter ten zuiden van het plangebied.
Een ander gebied ligt circa 800 meter ten oosten van het plangebied. Hoewel het plangebied geen formele status heeft als weidevogelgebied of ganzenfoerageergebied, biedt het plangebied door haar zeer open karakter, wel deze functie.
Figuur 7-4 EHS beheergebied (groen), EHS overige natuur (lichtgroen). Bron: Omgevingsverordening 2014
75/142